
‘Het is eerder gebeurd. Sterker nog, het gebeurt op dit eigenste moment. En wel op een plek waar alles is verdubbeld, waar de dubbelgangerspolitiek elk aspect van het leven bepaalt. Het gebeurt in Israël en in zijn eigen ervan afgesplitste schaduwland, Palestina.’
Deze woorden schrijft Naomi Klein in Dubbelganger. Een reis naar de spiegelwereld. Haar boek verscheen drie weken vóór de aanslag van Hamas op 7 oktober 2023. Dat is geen onbelangrijk detail. Klein schreef haar beschouwingen over Israël en Palestina niet achteraf, toen de beelden van de aanslagen en de verwoesting van Gaza de wereld al hadden overspoeld. Zij probeerde een patroon te herkennen dat veel ouder is. Dat maakt haar analyse nog niet tot de waarheid, maar het geeft haar wel een andere lading. Het is één ding om achteraf een verklaring te construeren voor wat er is gebeurd. Het is iets anders wanneer je meent een mechanisme te herkennen dat al werkzaam was voordat de geschiedenis opnieuw uit de hand liep.
Wat mij in Kleins betoog interesseert, is niet zozeer haar politieke stellingname als wel het psychologische mechanisme dat zij blootlegt. Mensen hebben de neiging om alles wat zij niet over zichzelf willen weten naar buiten te verplaatsen. Daar treffen zij het vervolgens aan in de gedaante van een vijand. Die vijand wordt de drager van eigenschappen die men bij zichzelf niet kan of wil herkennen. De dubbelganger is dan niet zomaar iemand die op ons lijkt. Hij is degene die ons op een onaangename manier gelijk geeft, zonder dat we dat willen weten. We herkennen iets van onszelf in hem en juist daarom moeten we hem bestrijden. De gedachte heeft iets paradoxaals. Hoe heviger de afkeer van de ander, des te dringender wordt de vraag wat er eigenlijk in die afkeer wordt verdrongen.
Klein past deze gedachte toe op de geschiedenis van het zionisme en de stichting van Israël. Dat is een riskante onderneming, want de geschiedenis laat zich niet zonder meer in een psychologisch schema onderbrengen. Toch raakt zij hier aan een pijnlijke kwestie. Het zionisme kwam mede voort uit de ervaring dat Joden in Europa nergens werkelijk veilig waren. Eeuwen van antisemitisme, pogroms en uiteindelijk de Holocaust maakten de gedachte aan een eigen staat voor velen tot een historische noodzaak. Wie dat gegeven buiten beschouwing laat, begrijpt niets van het ontstaan van Israël. Maar daarmee is nog niet alles gezegd. De vraag blijft wat er gebeurt wanneer de begrijpelijke behoefte om nooit meer machteloos te zijn verandert in een politiek waarin de machteloosheid van anderen onvoldoende wordt meegewogen. Kan het slachtoffer van gisteren de trekken aannemen van degene tegen wie het zich ooit heeft moeten verdedigen?
Dat is de ongemakkelijke gedachte die Klein naar voren schuift. Zij beweert niet dat Israël eenvoudigweg hetzelfde is geworden als zijn vroegere Europese vervolgers. Zo’n gelijkstelling zou de historische verschillen uitwissen en de analyse eerder verzwakken dan versterken. Het gaat haar om iets subtielers: de mogelijkheid dat een volk in zijn streven naar veiligheid denkbeelden en handelwijzen overneemt die het zelf ooit als bedreigend heeft ervaren. De dubbelganger verschijnt hier als een schaduw die niet van buiten komt, maar uit de eigen geschiedenis voortkomt. Het tragische is dat die schaduw pas goed zichtbaar wordt wanneer men weigert erin te kijken.
In deze spiegel speelt de Palestijn een merkwaardige rol. Hij is niet alleen de tegenstander die de veiligheid van Israël bedreigt, maar ook degene die een ongemakkelijke vraag stelt over de geschiedenis waarop de staat Israël is gebouwd. De Nakba, de massale vlucht en verdrijving van Palestijnen tijdens de oorlog van 1948, vormt daarvoor een onmisbaar historisch referentiepunt. Tegenover de Joodse herinnering aan de Holocaust staat de Palestijnse herinnering aan verlies, ontheemding en het verdwijnen van een vertrouwde wereld. Het zijn geen identieke geschiedenissen. Wie ze gelijkstelt, doet beide tekort. Maar wie de ene geschiedenis gebruikt om de andere te verdringen, maakt van herinnering een merkwaardig soort blindheid. Het eigen leed blijft dan heilig, terwijl het leed van de ander hooguit als een hinderlijke bijkomstigheid wordt beschouwd.
Hier krijgt Kleins begrip doppelganger politics zijn betekenis. Een gemeenschap kan zozeer gevangen raken in haar eigen verhaal van slachtofferschap dat zij niet meer in staat is zichzelf van buitenaf te bekijken. Het verleden wordt dan niet alleen een bron van herinnering, maar ook een vrijbrief voor het heden. Wie zichzelf voortdurend als het bedreigde slachtoffer beschouwt, kan de neiging ontwikkelen om iedere kritiek op het eigen handelen op te vatten als een nieuwe bedreiging. De spiegel wordt overbodig verklaard. Men weet immers al wie het kwaad vertegenwoordigt: de ander.
Na 7 oktober 2023 kreeg deze kwestie een huiveringwekkende actualiteit. De aanslagen van Hamas, waarbij ongeveer 1.200 mensen in Israël werden gedood en mensen werden gegijzeld, brachten een reële en diepgewortelde angst voor vernietiging opnieuw naar boven. Die angst kan niet worden afgedaan als een verzinsel of als een simpele projectie. Maar juist op dat moment dringt zich de vraag op waar Klein op uit is. Wat gebeurt er wanneer de angst voor een nieuwe catastrofe zo allesoverheersend wordt dat vrijwel ieder middel ter zelfverdediging gerechtvaardigd lijkt? Wanneer de vijand niet langer als een politieke tegenstander wordt beschouwd, maar als de belichaming van het absolute kwaad, verdwijnt ook de noodzaak om het eigen handelen nog aan morele grenzen te toetsen.
Dat is geen reden om de verantwoordelijkheid van Hamas te relativeren. Een historische verklaring voor geweld is nog geen rechtvaardiging ervan. Maar hetzelfde onderscheid moet ook gelden voor de staat die op dat geweld reageert. De geschiedenis van de Joodse vervolging kan niet betekenen dat de Palestijnen geen aanspraak meer zouden hebben op veiligheid, vrijheid en politieke zelfbeschikking. De dubbelganger verschijnt juist op het moment dat een begrijpelijke angst omslaat in een overtuiging die zichzelf niet meer ter discussie stelt. Dan dreigt de bestrijding van het kwaad een eigen logica te krijgen, waarin het steeds moeilijker wordt om nog te zien wat men zelf aanricht.
Toch zou ik Kleins theorie niet als een sluitende verklaring voor het conflict willen beschouwen. Daarvoor is de geschiedenis te weerbarstig en zijn de machtsverhoudingen te ongelijk. Israël en de Palestijnen beschikken niet over dezelfde militaire middelen en politieke mogelijkheden. Ook zijn niet alle Israëliërs verantwoordelijk voor het beleid van hun regering en vertegenwoordigt niet iedere Palestijn dezelfde politieke overtuiging. Een spiegelbeeld is bovendien nog geen bewijs. Dat twee partijen elkaar in bepaalde opzichten weerspiegelen, betekent niet dat zij dezelfde verantwoordelijkheid dragen. De waarde van Kleins benadering ligt voor mij dan ook niet in een oordeel dat bij voorbaat vaststaat, maar in de vraag die zij ons voorlegt: wat willen wij niet zien wanneer we naar de ander kijken?
Die vraag krijgt een bijzondere diepte wanneer Klein haar betoog verbindt met het boek Operatie Shylock van Philip Roth. In deze roman verschijnt een dubbelganger die zich eveneens Philip Roth noemt, maar er een volstrekt afwijkende visie op de Joodse geschiedenis op nahoudt. Deze Moishe Pipik verdedigt een opvatting die bijna als een provocatie is bedoeld. De Joden hadden, zo betoogt hij, beter in de diaspora kunnen blijven dan een eigen staat in het Midden-Oosten te stichten. De staat die bedoeld was om een nieuwe Holocaust onmogelijk te maken, zou juist een nieuwe kwetsbaarheid kunnen scheppen. Door een groot deel van het Joodse volk op één plaats te concentreren, in een gebied waar oorlog en vijandschap voortdurend op de loer liggen, zou het voortbestaan van dat volk opnieuw van één politieke en militaire werkelijkheid afhankelijk worden.
De redenering is op het eerste gezicht absurd. Na alles wat Europese Joden is aangedaan, zouden zij moeten terugkeren naar Europa, naar het continent waar de Holocaust heeft plaatsgevonden? Toch zit er een gedachte achter die niet zomaar van tafel kan worden geveegd. Het zionisme wilde de Joodse geschiedenis normaliseren door de Joden een eigen staat te geven. Pipik vraagt of die normalisering niet juist een nieuwe vorm van kwetsbaarheid heeft voortgebracht. Een staat kan bescherming bieden, maar kan ook een doelwit worden. Soevereiniteit maakt een volk niet onkwetsbaar. Soms kan zij zelfs de illusie wekken dat veiligheid uiteindelijk met voldoende militaire macht kan worden afgedwongen.
Pipik noemt zijn alternatief ‘diasporisme’. De verspreiding over verschillende landen, die binnen het traditionele zionistische denken vaak als een historische noodtoestand wordt beschouwd, ziet hij juist als een mogelijke bron van culturele rijkdom en bescherming. De Joodse literatuur, filosofie, humor en religieuze traditie zijn immers mede in de diaspora tot bloei gekomen. Waarom zou die geschiedenis uitsluitend als ballingschap moeten worden begrepen? Maar ook deze redenering heeft haar zwakke plek. Europa is nu niet bepaald een onbelast decor voor een nieuw Joods bestaan. Het idee dat Joden daar opnieuw veiligheid zouden kunnen vinden, schuurt voortdurend met de herinnering aan wat er is gebeurd. Roth laat die tegenstelling bestaan. Hij maakt van Pipik geen profeet die de oplossing in handen heeft, maar een dubbelganger die een gedachte uitspreekt die juist door haar radicaliteit iets zichtbaar maakt.
De ene Roth houdt vast aan het belang van een eigen staat, omdat de geschiedenis heeft laten zien hoe kwetsbaar Joden zonder politieke bescherming kunnen zijn. De andere Roth vreest dat diezelfde staat een nieuwe existentiële bedreiging kan voortbrengen. Beiden willen voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt, maar ze komen tot tegengestelde conclusies. Dat is precies wat de dubbelganger zo interessant maakt. Hij is niet alleen de vijand die van buitenaf opduikt. Hij is ook de mogelijkheid dat binnen één persoon, één volk of één overtuiging twee onverenigbare waarheden naast elkaar bestaan. De ene waarheid kan niet zomaar verdwijnen zonder dat de andere haar eigen blinde vlekken blootlegt.
Ik moet daarbij denken aan de merkwaardige logica van de waan, zoals ik die ook in Het algoritme van de waan (2023) maar ook in mijn boek De waan van het schrijven (2026) over de creatieve psychose bij Harry Mulisch heb onderzocht. Een waan is niet noodzakelijk een willekeurige verzameling ongerijmdheden. Zij kan een samenhangend systeem vormen waarin alles op zijn plaats valt, juist doordat bepaalde feiten niet meer worden toegelaten. De wereld wordt overzichtelijker, maar die overzichtelijkheid heeft een prijs. Wat niet in het systeem past, moet worden genegeerd, verdraaid of tot vijand worden verklaard. Natuurlijk is een politieke overtuiging geen psychose, en een historische analyse mag niet worden vervangen door een psychiatrische vergelijking. Maar de overeenkomst in structuur intrigeert mij: ook een ideologie kan zich afsluiten voor wat haar eigen logica dreigt te ontregelen. De dubbelganger is dan degene die het systeem van binnenuit openbreekt.
Daarom vind ik de verbinding die Klein legt tussen Israël en Palestina en de roman van Roth zo vruchtbaar. Zij vraagt niet alleen of Israël de Palestijnen onrecht aandoet, maar ook wat er met een samenleving gebeurt wanneer de herinnering aan eigen slachtofferschap het hele morele blikveld gaat beheersen. Pipik stelt op zijn manier dezelfde vraag. Kan het verlangen om nooit meer slachtoffer te worden omslaan in een streven naar veiligheid dat zichzelf uiteindelijk ondermijnt? Het gaat daarbij niet om de eenvoudige omkering van rollen, alsof het slachtoffer vanzelf de onderdrukker wordt. Het gaat om de mogelijkheid dat de strijd tegen een gevreesde herhaling van de geschiedenis zelf nieuwe geschiedenissen van geweld en ontheemding voortbrengt. Wat hier speelt is een proces van vereeuwiging en daarmee verstening tussen het slachtoffer dat de dader wordt. De ‘Eeuwige Jood’ van de nazi’s bracht in de beeldvorming bij de slachtoffers ‘De Eeuwige Antisemiet voort, dat aan de basis staat van het beeld van de ‘De Eeuwige Palestijn’.
Het is ook een proces van voortdurend her-traumatiseren en desintegreren in plaats van herinneren en integeren. Dat is tegelijk ook een unheimisch gevoel dat ik aan Klein en Roth overhoud. De dubbelganger is niet degene die toevallig op ons lijkt. Hij is degene die ons dwingt te vermoeden dat we minder ver van hem verwijderd zijn dan we zouden willen. We kunnen hem bestrijden, uit de geschiedenis schrijven of tot het absolute kwaad verklaren. Maar daarmee verdwijnt niet noodzakelijk datgene wat hij ons laat zien. Soms wordt de spiegel juist scherper naarmate we harder proberen hem te verbrijzelen. En dan blijft de vraag wat er eigenlijk in de scherven zichtbaar wordt: het gezicht van de vijand, of een gezicht dat we liever niet als het onze herkennen. Misschien is dat ook de meest huiveringwekkende spiegel die Klein en Roth ons voorhouden. De media produceren een beeld van de wereld dat zich geleidelijk in de plaats van de wereld zelf schuift.
Feit en fictie raken met elkaar verstrengeld, totdat nauwelijks nog valt vast te stellen waar de werkelijkheid ophoudt en haar gemanipuleerde dubbelganger begint. De Holocaust verschijnt zo niet alleen als een onherhaalbaar drama uit het verleden, maar ook als een historisch trauma waarvan de beelden en angsten in het heden opnieuw worden opgeroepen. Het lijkt soms alsof de geschiedenis haar eigen dubbelganger heeft voortgebracht: een wereld waarin de rollen van slachtoffer en dader, van vervolgde en vervolger, opnieuw tegenover elkaar komen te staan. Maar wat zien we dan eigenlijk in die spiegel? Een herhaling van de geschiedenis, een vervorming ervan, of onze eigen onmacht om het verleden werkelijk onder ogen te zien? Die onzekerheid lijkt mij de meest verontrustende dubbelganger van allemaal.