We live in liquid days

Er zijn ideeën die nooit werkelijk verdwijnen. Ze wisselen slechts van gedaante. De menselijke droom van onsterfelijkheid is zo’n idee. Eeuwenlang werd zij gekoesterd binnen de religie, als de belofte dat de ziel de dood zou overleven en uiteindelijk zou terugkeren naar haar oorsprong. De moderniteit leek met die gedachte af te rekenen. God verdween langzaam uit het wereldbeeld, de ziel werd een achterhaald begrip en de wetenschap nam de plaats in van de theologie. Toch blijkt de oude droom hardnekkiger dan de godsdiensten die haar ooit hebben gedragen. In het tijdperk van kunstmatige intelligentie en digitale technologie keert zij terug in een nieuwe vorm. Niet langer als een belofte van het hiernamaals, maar als een technisch project. De hemel heeft plaatsgemaakt voor de cloud.

Zoals Voltaire in Candide de optimistische filosofie van Leibniz ondergroef door een denkbeeldige wereld te scheppen waarin alles voortdurend misloopt, zo liet Willem Frederik Hermans in De God Denkbaar, Denkbaar de God zien hoe taal de grond onder de theologie kan wegtrekken. Hermans voert een God op die letterlijk Denkbaar heet. Daarmee voltrekt zich een subtiele maar vernietigende verschuiving. God is niet langer degene die het denken overstijgt, maar een personage binnen het denken zelf. Zijn almacht blijkt begrensd. Hij kent zelfs zijn eigen diepste geheim niet. De waarheid laat zich niet bezitten, zelfs niet door degene die haar belichaamt.

Hermans laat daarmee zien dat taal niet slechts een instrument is waarmee wij over God spreken. Zij bepaalt ook de grenzen van wat überhaupt gedacht kan worden. Zodra God volledig denkbaar wordt, houdt Hij op God te zijn. De transcendentie lost op in een talige constructie. De waarheid over God blijkt niet iets dat zich eenvoudig laat formuleren, maar een voortdurend uitgestelde mogelijkheid.

Die ontdekking heeft verstrekkende gevolgen gehad. Niet alleen voor de theologie, maar ook voor het moderne denken over de mens. Want zodra God uit het wereldbeeld verdwijnt, verandert ook de plaats van de mens. De ziel wordt geen eeuwige substantie meer, maar een verschijnsel dat uiteindelijk verklaard moet kunnen worden. Eerst door de psychologie, later door de neurologie en tegenwoordig steeds vaker door de informatiewetenschap.

Dat is een opmerkelijke ontwikkeling. Eeuwenlang gold het bewustzijn als het meest persoonlijke en meest ongrijpbare aspect van ons bestaan. Tegenwoordig wordt het steeds vaker beschreven als een uiterst complex informatieproces. Het brein is geen zetel van de ziel meer, maar een biologisch netwerk van ongeveer zesentachtig miljard neuronen die voortdurend elektrische en chemische signalen uitwisselen. Wat wij ervaren als identiteit, persoonlijkheid of herinnering zou uiteindelijk niets anders zijn dan een dynamisch patroon in een immens netwerk van verbindingen.

Wanneer die gedachte eenmaal wordt aanvaard, dient zich onmiddellijk een nieuwe mogelijkheid aan. Als bewustzijn een informatiepatroon is, waarom zou dat patroon dan niet kunnen worden gekopieerd? Waarom zou het niet buiten het biologische lichaam kunnen voortbestaan? De vraag naar de onsterfelijke ziel keert terug, maar nu in de taal van de techniek.

Dat is precies het uitgangspunt van de Amerikaanse ondernemer Martine Rothblatt. Ooit verwierf zij bekendheid als pionier op het gebied van satellietcommunicatie en later als oprichter van een biotechnologiebedrijf dat kunstmatige organen ontwikkelt. Daarnaast begon zij een veel ambitieuzer project. Samen met haar vrouw Bina Aspen richtte zij de Terasem Movement op, een organisatie die zich ten doel stelt de menselijke persoonlijkheid uiteindelijk digitaal te bewaren en ooit opnieuw tot leven te brengen.

Het idee is even eenvoudig als revolutionair. Verzamel zoveel mogelijk gegevens over een mens: gesprekken, foto’s, video’s, e-mails, herinneringen, voorkeuren, beslissingen en levensverhalen. Bouw daaruit een steeds rijkere digitale representatie op. Naarmate kunstmatige intelligentie geavanceerder wordt, zou deze verzameling kunnen uitgroeien tot een digitale persoonlijkheid die nauwelijks nog van het origineel te onderscheiden is.

Het bekendste experiment is de robot BINA48, gebaseerd op duizenden uren gesprekken met Rothblatts echtgenote. De robot kan antwoorden geven die verrassend persoonlijk overkomen. Soms lijkt zij herinneringen op te halen, gevoelens te uiten of humor te bezitten. Toch weet iedereen dat dit uiteindelijk een simulatie is. Achter de overtuigende antwoorden schuilt geen innerlijke ervaring. Er is geen bewustzijn dat zichzelf beleeft.

Juist daar begint het filosofische probleem. Want stel dat de technologie ooit zover komt dat werkelijk elk neuron, elke synaps en iedere chemische toestand van een menselijk brein nauwkeurig kan worden vastgelegd. Stel dat een computer zich daarna precies zo gedraagt als de oorspronkelijke persoon. Heeft die persoon dan de dood overwonnen? Of is slechts een perfecte dubbelganger ontstaan die denkt dezelfde te zijn?

Die vraag blijkt verrassend veel ouder te zijn dan de computer. De scholastiek vroeg zich af waar de ziel zich precies bevond. De moderne filosofie vraagt zich af waarin persoonlijke identiteit eigenlijk bestaat. Beide vragen draaien uiteindelijk om hetzelfde raadsel: wat maakt iemand tot zichzelf?

Misschien is de grootste vergissing van onze tijd dat wij denken dat technische perfectie dit raadsel vanzelf zal oplossen. Maar zelfs een volmaakte kopie blijft een kopie. Een digitale tweeling kan alles weten wat ik ooit heb gedacht, mijn stem bezitten, mijn herinneringen reproduceren en mijn stijl van spreken imiteren. Toch volgt daaruit nog niet dat mijn eigen bewustzijn zich in dat systeem heeft voortgezet. Misschien sterf ik eenvoudigweg, terwijl ergens anders een overtuigende imitatie verder leeft.

Juist de recente ontwikkeling van kunstmatige intelligentie maakt dat onderscheid actueler dan ooit. Grote taalmodellen zijn inmiddels in staat schrijfstijlen, denkpatronen en gesprekstonen verbluffend nauwkeurig na te bootsen. Zij kunnen een digitale gesprekspartner creëren die vertrouwd aanvoelt. Soms zelfs angstaanjagend vertrouwd. Maar niemand weet of daarmee ook maar één stap is gezet richting bewustzijn. Intelligentie en ervaring blijken misschien twee geheel verschillende categorieën te zijn.

Daarmee herhaalt zich een oud patroon uit de geschiedenis van het denken. Waar vroeger God de plaats innam van het onbegrijpelijke, neemt tegenwoordig het bewustzijn die plaats in. Wij kunnen het beschrijven, modelleren en simuleren, maar zodra wij denken het volledig te hebben begrepen, glipt het opnieuw uit onze handen.

Thomas More ontwierp ooit zijn Utopia als een denkbeeldige samenleving waarin de mens zijn lot zelf vorm kon geven. Sindsdien heeft de westerse cultuur een onwrikbaar vertrouwen ontwikkeld in de maakbaarheid van de werkelijkheid. Iedere eeuw creëerde haar eigen paradijs op aarde. Eerst de ideale staat, daarna de industriële vooruitgang, vervolgens de wetenschap en tegenwoordig de kunstmatige intelligentie. De inhoud van de utopie verandert voortdurend, maar haar structuur blijft dezelfde. Zij belooft telkens opnieuw dat de fundamentele grenzen van het menselijk bestaan zullen verdwijnen.

De dood is daarbij de laatste grens. Dat zou ok kunnen verklaren waarom de huidige fascinatie voor AI zoveel religieuze trekken vertoont. Silicon Valley kent inmiddels haar eigen profeten, haar eigen heiligen en haar eigen eschatologie. De wederopstanding heet nu mind uploading. De ziel heet informatie. De hemel bevindt zich in een datacentrum. Zelfs het Laatste Oordeel krijgt een technische variant: de dag waarop voldoende rekenkracht beschikbaar zal zijn om de mens definitief van zijn sterfelijkheid te bevrijden.

Het opmerkelijke is dat deze nieuwe religie zichzelf juist presenteert als de overwinning op alle religie. God is niet langer nodig, zo luidt de gedachte, omdat de mens zijn eigen verlosser is geworden. Maar daarmee keert precies datgene terug wat men dacht te hebben overwonnen. De oude behoefte aan transcendentie verdwijnt niet; zij verhuist slechts naar een ander domein.

Hoe radicaler de techniek de mens wil bevrijden van zijn biologische beperkingen, des te sterker wordt het verlangen naar iets wat die techniek nooit volledig kan leveren. Want zelfs wanneer het ooit mogelijk zou zijn een perfecte digitale mens te bouwen, blijft de vraag onbeantwoord of daarmee ook degene die gestorven is werkelijk is teruggekeerd. Het verschil tussen simulatie en aanwezigheid laat zich misschien niet programmeren.

Daarmee raken wij opnieuw aan de grens waarop Hermans zijn roman liet eindigen. Niet alles wat denkbaar is, bestaat. En niet alles wat bestaat, is volledig denkbaar. Misschien geldt dat uiteindelijk ook voor het bewustzijn. Hoe meer wij het proberen vast te leggen, hoe duidelijker wordt dat het zich niet eenvoudig laat reduceren tot informatie alleen. Zoals God ooit uit de taal ontsnapte, zo ontsnapt misschien ook de levende ervaring aan iedere technische reconstructie.

Toch zal de droom blijven bestaan. De mens is het enige wezen dat zijn eigen sterfelijkheid kent. Juist daarom blijft hij zoeken naar een uitweg. Iedere nieuwe technologie wordt vroeg of laat opgenomen in dat eeuwenoude verlangen. Kunstmatige intelligentie vormt daarop geen uitzondering. Zij biedt geen antwoord op de dood, maar zij geeft het verlangen naar onsterfelijkheid een nieuwe taal.

Uiteindelijk is dat de belangrijkste les. AI leert ons minder over machines dan over onszelf. Zij laat zien hoe moeilijk wij ons kunnen neerleggen bij onze eindigheid. Achter iedere digitale avatar, achter ieder project dat een bewustzijn wil bewaren en achter iedere belofte van mind uploading klinkt nog altijd dezelfde oeroude vraag die de mens al eeuwen begeleidt: kan iets van mij blijven bestaan wanneer ik er niet meer ben?

Op die vraag heeft de technologie vooralsnog geen antwoord. Zij beschikt slechts over steeds verfijndere simulaties. Maar juist daarin schuilt haar filosofische betekenis. Want hoe overtuigender de simulatie wordt, des te scherper wordt zichtbaar wat zij misschien nooit zal kunnen vervangen: de onherhaalbare ervaring van een levend bewustzijn dat weet dat het sterfelijk is. Juist dat besef van eindigheid is de verborgen voorwaarde van alles wat wij menselijkheid noemen.

De grootste vergissing bij dit alles is niet dat wij denken ooit een bewustzijn te kunnen uploaden, maar dat wij menen daarmee de oude religieuze vragen achter ons te laten. Het tegendeel lijkt het geval. Nooit eerder heeft de mens zoveel technische middelen gehad om zichzelf te reconstrueren, en nooit eerder leek hij zo bezeten van de gedachte dat hij de dood niet hoeft te aanvaarden.

De ziel is verdwenen uit het vocabulaire, maar haar plaats is ongemerkt ingenomen door het begrip informatie. God is uit de hemel verdreven, maar keert terug in de algoritmen die ons een tweede leven beloven. God sterft niet, maar verandert telkens van gedaante. Kunstmatige intelligentie is dan ook niet het einde van de religieuze verbeelding, maar haar meest recente verschijningsvorm. Alles stroomt, niets blijft. Ook de dagen verliezen hun vaste vorm en gaan drijven als water tussen verleden en toekomst. We live in liquid days.