‘Elk jaar ging Mulisch in de zomer enkele weken op vakantie in Venetië, waar hij logeerde op het Lido, in hetzelfde hotel waar Thomas Mann Der Tod in Venedig schreef. Zijn laatste roman, waaraan hij begonnen was na het voltooien van Siegfried in 2001, zou aanvankelijk Het literaire offer heten. Tijdens het schrijfproces werd hij onderbroken door de aanslagen van 9/11. Hij was toen – net als ik een paar dagen later – in Venetië. Daar logeerde hij ook in augustus 2002, toen hij de titel van zijn laatste roman omdoopte in De tijd zelf. Over de tijd schreef Mulisch in De tijd zelf (2011) onder meer het volgende: ‘Als je ‘nu’ zegt, dan is ‘n’ op een bepaald moment al in het verleden, terwijl de ‘u’ nog in de toekomst is, dus allebei zijn ze nergens.’
Dat schrijf ik in ‘De waan van het schrijven, Harry Mulisch en de creatieve psychose’ dat – als alles goed gaat – begin september zal verschijnen. Dan zou dit mijn vijfde boek worden dat uitkomt bij Uitgeverij Aspekt, na Modernisme in Lourdes. Gerard Reve en de secularisering (2013). Jihad of verstandsverbijstering (2017), Het virus van de melancholie (2020) en Het algoritme van de waan (2023). Dat laatste boek eindigde ook met een verwijzing naar de roman Siegfried van Mulisch. Dit nieuwe boek zou dus een vervolg kunnen zijn op Het algoritme van de waan. Maar is dat ook zo?
Ja en nee. In ieder geval is het geen vervolg in de gebruikelijke betekenis van het woord. Er wordt geen verhaal voortgezet dat eerder onaf bleef, er wordt geen theorie voltooid die destijds nog niet was uitgewerkt en evenmin wordt een eerder ingenomen standpunt simpelweg herhaald. Toch bestaat er een ondergrondse verbinding tussen beide boeken, alsof zij deel uitmaken van één lange gedachtegang die zich in verschillende gedaanten blijft aandienen.
Niet toevallig eindigde Het algoritme van de waan met een verwijzing naar Siegfried van Mulisch. Mulisch wilde daarin nog eenmaal het raadsel Hitler benaderen, niet vanuit de geschiedschrijving, maar vanuit de verbeelding. Hij probeerde een spiegel achter Hitlers ziel te plaatsen om daar uiteindelijk niets aan te treffen: het Grote Niets, de afschuwwekkende leegte die hij zag als de absolute tegenpool van God. Hitler werd voor hem de Antichrist, de eniggeboren zoon van het Niets.
Maar hoe fascinerend die gedachte ook is, in Het algoritme van de waan kwam ik uiteindelijk tot een andere conclusie. Hitler was geen demonisch wezen van buiten de mensheid, geen incarnatie van een metafysisch kwaad, maar een mens. Juist daarin school het huiveringwekkende. Zijn werkelijkheid had het karakter gekregen van een waan. De waan is geen bovennatuurlijke macht die zich van een mens meester maakt, maar een toestand waarin werkelijkheid en verbeelding samenvallen, waarin waarnemen en scheppen één worden, waarin de grens tussen representatie en presentatie verdwijnt. De waan gebeurt. Zij voltrekt zich. Wie erdoor getroffen wordt, ervaart haar als de enige werkelijkheid die er nog bestaat.
Die gedachte sloot destijds aan bij mijn eigen zoektocht naar de samenhang tussen psychiatrie, religie en esthetica. Achteraf bezien was die zoektocht nog niet voltooid. Sterker nog, zij bleek pas net begonnen. Want als de waan niet uitsluitend een psychiatrisch verschijnsel is, maar tevens iets onthult over de menselijke geest zelf, dan rijst onvermijdelijk de vraag hoe diezelfde waan zich manifesteert in het creatieve proces. Wat is schrijven eigenlijk? Waar komt een gedachte vandaan? Waarom dienen sommige beelden zich aan alsof zij niet bedacht worden, maar gegeven zijn? En waarom spreken zoveel schrijvers over inspiratie in termen die opmerkelijk dicht in de buurt komen van een religieuze openbaring of een psychotische ervaring?
Die vragen waren al impliciet aanwezig in Het algoritme van de waan, maar werden daar nog niet rechtstreeks gesteld. In De waan van het schrijven komen zij op de voorgrond. Het perspectief verschuift. Niet langer staat Hitler centraal, maar Mulisch zelf. En tegelijk ook mijn eigen waanwereld waarin ik ooit verzeild raakte, en waarnaar ik een zoektocht in de tijd onderneem. Daarmee verschuift ook het onderwerp van het kwaad naar de verbeelding, van de geschiedenis naar het bewustzijn, van de demonologie naar de creativiteit.
Dat is geen toevallige beweging. Wie Siegfried leest, ziet immers dat Mulisch al schrijvende voortdurend over zichzelf schrijft. De roman gaat niet alleen over Hitler, maar vooral ook over de schrijver die Hitler wil begrijpen. Feit en fictie lopen door elkaar heen. Het denken wordt onderdeel van het verhaal en het verhaal wordt onderdeel van het denken. Schrijven wordt zo een vorm van alchemie. Mulisch voert een spiritistische seance uit met de middelen van de roman. Hij roept een geest op die allang verdwenen leek, en ontdekt tegelijkertijd iets over zichzelf.
Misschien geldt dat uiteindelijk voor iedere vorm van schrijven. De schrijver denkt dat hij een onderwerp onderzoekt, terwijl het onderwerp ondertussen hem onderzoekt. Hij denkt dat hij een verhaal verzint, terwijl het verhaal hem zelf langzaam begint te vormen of hervormen. Schrijven is nooit uitsluitend een daad van de wil. Er is altijd iets dat zich aandient, iets dat voorafgaat aan het bewust besluiten. Alsof de taal zelf al onderweg was voordat de schrijver zijn eerste zin formuleerde.
Daarmee komt ook de tijd in beeld. Niet toevallig zou Mulisch zijn laatste roman aanvankelijk Het literaire offer noemen, alvorens hij de titel veranderde in De tijd zelf. Het heden blijkt ongrijpbaar.Misschien geldt dat ook voor het schrijven. Een zin ontstaat altijd op de grens van verleden en toekomst. Op het moment dat een woord verschijnt, is het al verdwenen. De schrijver probeert iets vast te leggen wat zich juist aan iedere vastlegging onttrekt.
Schrijven is een gevecht met de tijd, maar ook een vorm van overgave eraan. Tegelijk ook een overgave aan de geschiedenis, want ook geschiedenis is tijd. De totalitaire verleiding, die zich vandaag haast even sterk lijkt aan te dienen als in het interbellum, is in wezen een wanhopige poging om aan de loop van de geschiedenis te ontkomen. Met een overwinning van Hitler had de geschiedenis van de mensheid – en daarmee de tijd zelf – een totaal andere wending gekregen. En de mogelijkheid van ‘een Hitler’ behoort sinds Hitler nog altijd tot de mogelijkheden van de geschiedenis.
In die zin vormt De waan van het schrijven inderdaad een voortzetting van Het algoritme van de waan. Niet omdat dezelfde conclusies worden herhaald, maar omdat dezelfde vragen verder worden gesteld. Waan en creativiteit, blijken uiteindelijk beide nauw met elkaar verweven. De creatieve geest en de psychotische geest bewonen aangrenzende gebieden. Zij raken aan hetzelfde raadsel: de mateloosheid van het menselijk bewustzijn.
In mijn optiek was dat het ook wat Mulisch ten diepste fascineerde. Niet Hitler, niet het kwaad, zelfs niet de geschiedenis, maar de onbegrensde vermogens van de menselijke geest, die letterlijk tot alles in staat is. Waan is datgene wat een mens in staat stelt werelden te scheppen, maar hem soms ook kan meesleuren in een werkelijkheid die geen grenzen meer kent.
Zo bezien is De waan van het schrijven geen naschrift bij Het algoritme van de waan, maar eerder het volgende hoofdstuk in een zoektocht die nog altijd niet voltooid is. Een zoektocht die ooit begon bij het raadsel Hitler en via de waan uiteindelijk uitkomt bij de vraag die misschien nog raadselachtiger is: wat gebeurt er eigenlijk terwijl je schrijft?
De rest is stilte. Daarna niets meer. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet. Of misschien toch niet.
***
PS. Bij voorintekening ontvangt u het boek begin september voor € 25,- inclusief eventuele verzendkosten. Betaling vindt pas plaats na ontvangst van het boek. Voorintekenen is eenvoudig: u kunt een e-mail sturen naar: huubmous (apestaart) gmail (punt) com – onder vermelding van uw postadres. Bij voorbaat mijn hartelijke dank voor uw belangstelling en eventuele steun.
