We schrijven 1915. In Zürich wacht Albert Einstein op een tram. In Parijs schildert Piet Mondriaan een landschap dat nauwelijks nog een landschap is, maar een compositie van lijnen en vlakken. En ergens in diezelfde stad bevestigt Marcel Duchamp een fietswiel op een kruk, alsof hij wil aantonen dat een voorwerp niet langer hoeft te zijn wat het altijd geweest is. De oude wereld kraakt in haar voegen. Wetenschap, kunst en filosofie lijken gelijktijdig te ontdekken dat de werkelijkheid minder vanzelfsprekend is dan eeuwenlang werd gedacht.
Ook Edmund Husserl houdt zich in die jaren bezig met een verschijnsel dat tegelijk alledaags en ongrijpbaar is: de tijd. In een beroemd geworden passage laat hij zich meevoeren door een herinnering. Een naam die wordt uitgesproken roept een bezoek op aan een kunstgalerij in Dresden. Daar staat de beschouwer stil voor een schilderij van David Teniers waarop op zijn beurt een schilderijenverzameling is afgebeeld. En Husserl stelt zich vervolgens voor dat de schilderijen die op dat schilderij te zien zijn, zelf weer schilderijen zouden bevatten, voorzien van leesbare opschriften. Zo ontstaat een merkwaardige opeenstapeling van voorstellingen binnen voorstellingen, een oneindige spiegeling waarin beelden naar beelden verwijzen.
Het is een vreemde gedachte, maar misschien juist daarom zo verhelderend. Zodra wij proberen de tijd te benoemen, gebeurt er iets vergelijkbaars. Er verschijnt een voorstelling van de tijd, en binnen die voorstelling een nieuwe voorstelling, en daarbinnen weer een andere. Alsof het woord zelf een reeks schuivende panelen opent, waardoor de tijd steeds verder van ons verwijderd raakt terwijl wij denken haar dichter te naderen. Wat is tijd? Het is een vraag die onmiddellijk een muur van woorden optrekt. Achter die muur verschijnt een beeld. In dat beeld verschijnt een nieuwe muur, en daarachter opnieuw een beeld. Voor je het weet bevind je je weer in de schilderijenverzameling van Teniers.
Dat is het fundamentele dilemma van de taal. Zodra iets een naam krijgt, verliest het iets van zijn onmiddellijke aanwezigheid. De beweging wordt stilgezet om beschreven te kunnen worden, maar juist daardoor ontsnapt wat wezenlijk beweegt. Alsof de woorden de tijd niet zichtbaar maken, maar haar voortdurend vooruitduwen. Om de tijd werkelijk te zien, zou je de woorden moeten verbrijzelen. Maar dan heb je geen woorden meer over om te zeggen wat je gezien hebt.
Husserl probeerde aan dit probleem te ontsnappen door steeds subtielere onderscheidingen te maken. Achter de opeenvolging van momenten vermoedde hij een diepere stroom, een voor-geobjectiveerde grondlaag van het bewustzijn die hij aanduidde als de Fluss, de oerstroom waarin elke ervaring van tijd haar oorsprong vindt. Maar uiteindelijk moest hij erkennen dat voor datgene waar het werkelijk om ging de woorden ontbraken. “Für all das fehlen uns die Namen.” Alsof de taal zelf op een grens stuitte.
Jacques Derrida koos later een andere weg. Volgens hem ligt de ongrijpbaarheid van de tijd niet achter de taal, maar juist in de taal besloten. Betekenis verschijnt nooit volledig. Elk teken verwijst naar andere tekens en stelt zijn uiteindelijke aanwezigheid voortdurend uit. Uitstel en verschil vormen samen wat hij differantie noemt, een merkwaardige spelbeweging waardoor betekenis altijd in beweging blijft. ‘Tegenwoordigheid’ blijkt dan niet de grondslag van ons bewustzijn te zijn, maar een voortdurend verschuivende schijngestalte. Het subject zelf raakt verstrikt in een web van verwijzingen. Er is geen eerste begin en geen laatste waarheid meer, slechts een eindeloos proces van uitstel.
Meer dan een eeuw na Husserls beschouwing over de schilderijenverzameling krijgt dit soort gdachten een onverwachte actualiteit. Want de spiegelpaleizen waarin Husserl en Derrida zich bewogen, bestaan tegenwoordig niet meer alleen uit woorden. Zij zijn technisch geworden. Mehdi Belhaj Kacem beschrijft in zijn boek God, techniek en alwetendheid hoe de mens steeds meer van zijn geheugen buiten zichzelf heeft geplaatst. Bernard Stiegler had dat proces al geanalyseerd aan de hand van Husserls theorie van het bewustzijn. Naast de directe ervaring en het persoonlijke geheugen bestaat er een derde vorm van herinnering: het geheugen dat buiten onszelf is opgeslagen, in boeken, foto’s, archieven en tegenwoordig vooral in digitale netwerken. Wat ooit begon met het schrift, heeft zich ontwikkeld tot een technisch universum waarin vrijwel niets nog verloren gaat.
Dat externe geheugen was lange tijd een hulpmiddel. Maar de verhouding tussen mens en geheugen verandert fundamenteel wanneer de opslagmedia zelf actief worden. Zoekmachines, sociale media en algoritmen bewaren niet alleen informatie; zij selecteren, ordenen en prioriteren haar. Nog voordat wij een keuze hebben gemaakt, is de wereld al voor ons voorgesorteerd.
In zekere zin lijkt hier de droom van Husserl en de nachtmerrie van Derrida samen te komen. De eindeloze verwijzingsstructuren waarover Derrida sprak, zijn niet langer slechts eigenschappen van de taal. Zij zijn belichaamd in technische systemen die miljarden gegevens met elkaar verbinden. En de oerstroom van het bewustzijn waarvan Husserl vermoedde dat zij aan alle betekenissen voorafgaat, lijkt steeds meer overspoeld te worden door een tweede stroom: die van data, beelden en algoritmische voorspellingen.
Kacem maakt in dat verband een intrigerend onderscheid tussen de hoogbegaafde en het genie. De hoogbegaafde beweegt zich met uitzonderlijke vaardigheid binnen bestaande structuren van kennis. Het genie daarentegen schept nieuwe verbindingen en verandert het systeem zelf. De hoogbegaafde excelleert in de orde; het genie onderbreekt haar. Maar juist die onderbreking dreigt steeds moeilijker te worden in een wereld waarin algoritmen voortdurend anticiperen op onze voorkeuren en ons gedrag.
Daarin schuilt een paradox. Naarmate het technische geheugen omvangrijker wordt, dreigt de menselijke geest minder ruimte te krijgen om te verdwalen. En misschien is juist dat verdwalen de voorwaarde voor creativiteit. Een onverwachte associatie, een herinnering die zich opdringt, een gedachte die uit het niets lijkt te komen – zij ontstaan vaak buiten de logica van efficiëntie en voorspelbaarheid. Het genie leeft van de afwijking. Maar een systeem dat alles optimaliseert, heeft moeite met afwijkingen.
Daarom spreekt Kacem van een “ontologische alzheimer”. Niet omdat mensen letterlijk hun geheugen verliezen, maar omdat zij hun verhouding tot het geheugen dreigen kwijt te raken. Het probleem is niet dat wij te weinig onthouden. Integendeel. Alles wordt bewaard. Foto’s, berichten, zoekopdrachten, locaties, gesprekken – niets verdwijnt nog vanzelf. Maar juist daardoor wordt het steeds moeilijker om te onderscheiden wat werkelijk betekenis heeft.
Vergeten is immers geen defect van het bewustzijn. Vergeten is een voorwaarde voor herinneren. Zoals stilte een voorwaarde is voor muziek. Een leven waarin niets verloren gaat, dreigt te veranderen in een eindeloze opslagplaats waarin alle gebeurtenissen dezelfde status krijgen. Het geheugen verandert dan van een levend verhaal in een archief zonder hiërarchie.
Dat is mogelijk de grootste verandering die kunstmatige intelligentie teweeg gaat brengen. Niet dat machines bewust worden, maar dat mensen hun eigen bewustzijn steeds meer gaan spiegelen aan een systeem dat sneller onthoudt, beter archiveert en steeds vaker ook verbanden legt die vroeger aan menselijke intuïtie waren voorbehouden. De mens wordt omringd door een technisch geheugen dat in sommige opzichten alwetend lijkt. Niet omdat het alles begrijpt, maar omdat het vrijwel alles bewaart.
Daarmee krijgt een oude filosofische vraag een nieuwe betekenis. Waar bevindt zich het bewustzijn wanneer het geheugen zich steeds verder buiten onszelf verplaatst? Wat gebeurt er met de ervaring van tijd wanneer herinneringen niet langer langzaam vervagen, maar op ieder moment kunnen worden opgeroepen? Wat gebeurt er met de vorming van een persoonlijk levensverhaal wanneer algoritmen bepalen welke foto’s wij terugzien, welke berichten opnieuw verschijnen en welke verbanden als relevant worden aangemerkt?
Dan verandert niet alleen onze omgang met kennis, maar ook onze geestelijke constitutie als zodanig. Een mens heeft altijd geleefd in de spanning tussen herinneren en vergeten. Maar voor het eerst in de geschiedenis verschijnt er een vorm van geheugen die niet vergeet. Een geheugen zonder ouderdom, zonder vervaging en zonder genade. Een geheugen dat zichzelf bovendien voortdurend herordent en nieuwe patronen ontdekt.
Zo komen we opnieuw op een drempel die vergelijkbaar is met die van 1915. Zoals Einstein, Mondriaan, Duchamp en Husserl ieder op hun eigen terrein ontdekten dat ruimte, vorm en tijd niet waren wat men altijd had gedacht, zo ontdekken wij vandaag dat ook het geheugen niet langer is wat het eeuwenlang is geweest. De mens bevindt zich opnieuw in een schilderijenverzameling van Teniers. Alleen bestaan de schilderijen nu uit digitale beelden, databases en neurale netwerken. Achter ieder beeld verschijnt een nieuw beeld. Achter iedere herinnering een nieuwe herinnering. Achter iedere verwijzing een nieuwe verwijzing.
Een toekomstige filosoof zal, terugkijkend op het begin van de eenentwintigste eeuw, kunnen constateren dat hier iets fundamenteels veranderde. Niet omdat de machine mens werd, maar omdat de mens langzaam begon te leven in het geheugen van zijn eigen machines. Zoals Husserl ooit moest erkennen dat voor het diepste niveau van de tijd de woorden ontbraken, zo zouden wij ons kunnen afvragen of wij nog wel de woorden bezitten voor de nieuwe toestand waarin wij terechtkomen. Daarvoor ontbreekt ons niet alleen de taal, maar zelfs nog het besef van wat er op het spel staat.
