Krokodillentranen in de ochtend

Er was een tijd waarin de mens nog tevreden was met een knots, een kampvuur en een vaag godsbesef. Men at een mammoet, keek naar de sterren en stierf betrekkelijk overzichtelijk. Maar ergens in de evolutie is er iets misgelopen. Een onderdeel van het menselijk brein — de neocortex — begon zich namelijk te gedragen als een gemeentelijk bouwproject zonder vergunning. Terwijl de rest van het organisme nog grotendeels functioneerde volgens het principe “eten, vluchten, paren, territorium verdedigen”, begon dit nieuwe hersengedeelte ineens symfonieën te componeren, belastingstelsels te ontwerpen en existentialistische romans te schrijven over de zinloosheid van het bestaan.

Volgens de neuroloog Paul MacLean was de mens eigenlijk een soort biologisch appartementencomplex: beneden woonde nog altijd de krokodil, daarboven een emotionele zoogdierbewoner met verlatingsangst, en helemaal bovenin zat een nerveuze intellectueel die probeerde uit te leggen waarom alles rationeel was. Piet Vroon populariseerde dat idee in De tranen van de krokodil (1989), een boek dat eigenlijk neerkomt op één grote geruststellende mededeling: het ligt niet helemaal aan u. De mens is evolutionair enigszins haastig in elkaar gezet. Hij bezit de techniek van een halfgod, de emoties van een angstige baviaan en het zelfinzicht van een goudvis die per ongeluk een spiegel heeft ontdekt. Zo schreef Vroon destijds het volgende:

“Welke metafoor of indeling men ook kiest, de kern van deze opvatting is dat wij zowel fysiologisch als psychologisch gespleten zijn. MacLean spreekt van schizofysiologie en schizopsychologie. Volgens hem is de belangrijkste oorzaak daarvan dat de evolutie van de neocortex bij de mens te snel is verlopen, als ware hij een soort tumor. De neocortex oefent op onvolkomen wijze controle uit over andersoortige psychische processen. Men kan zelfs zeggen dat de ruiter (de neocortex) zo nu en dan van zijn paard valt en dat de andere, dierlijke delen in het brein met ons op de loop gaan.”

Kortom, de neocortex ontwikkelde zich te snel. Dat was althans de gedachte. Alsof de natuur op een vrijdagmiddag tegen zichzelf zei: “Laten we eens kijken wat er gebeurt als we een aap voorzien van abstract denkvermogen en nucleaire technologie.” Vervolgens liep zij fluitend het laboratorium uit. Het resultaat kennen we. De mens bouwde kathedralen, concentratiekampen en sociale media. Hij bedacht de democratie en vervolgens het televisiedebat. Hij schilderde de Sixtijnse Kapel en ontwikkelde tegelijkertijd de mogelijkheid om in een anoniem internetforum doodsbedreigingen te sturen naar iemand met een afwijkende mening over havermelk. De neocortex produceerde beschaving, maar het reptielenbrein bleef gewoon meedoen. Sterker nog: vaak kreeg het de microfoon.

Misschien is dat ook de reden waarom zoveel moderne technologie uiteindelijk eindigt in infantiel gedrag. Iedere technische vooruitgang lijkt aanvankelijk verheven doelen te dienen — kennisdeling, emancipatie, wereldvrede — maar eindigt na verloop van tijd in reclame, pornografie en mensen die elkaar uitschelden in hoofdletters. De mens gebruikt een apparaat dat miljoenen malen krachtiger is dan de computers waarmee men ooit naar de maan ging om filmpjes te bekijken van katten die van een piano vallen. Dat is niet zozeer een mislukking van de technologie als wel een onthulling van de menselijke constitutie.

En nu is daar AI. Aanvankelijk presenteerde men kunstmatige intelligentie als een handig hulpmiddel. Een soort digitale butler die samenvattingen kon maken en vriendelijke e-mails schreef aan collega’s die men heimelijk verachtte. Maar al snel begon AI zich te gedragen als een nieuwe evolutionaire sprong voorwaarts. Niet langer slechts een verlengstuk van de menselijke intelligentie, maar een vreemd zelfstandig systeem dat teksten produceert, beelden verzint, diagnoses stelt, muziek componeert en binnenkort waarschijnlijk ook zal uitleggen waarom uw huwelijk uit statistisch oogpunt inefficiënt is. Er is meer rendement uit te halen.

Daarmee lijkt zich iets te herhalen wat Vroon al vermoedde: opnieuw ontwikkelt een cognitieve capaciteit zich sneller dan het organisme dat haar moet dragen. Alleen bevindt die nieuwe neocortex zich nu niet meer in de schedel, maar buiten het lichaam. De mens heeft zijn denkvermogen geëxternaliseerd zoals men vroeger zijn spierkracht externaliseerde in de stoommachine. Alleen is dit apparaat niet tevreden met het verplaatsen van goederen. Het wil redeneren, voorspellen, interpreteren en creëren alsof het om een nieuwe Schepping gaat: Adam en Ai-va. Op naar een nieuwe Zondeval.

Het absurde is dat de mens AI ontwikkelt vanuit dezelfde psychologische structuur die eerder al uit balans was. Een soort emotioneel instabiele primaat bouwt nu een bovenmenselijk cognitief systeem terwijl hij zelf nauwelijks in staat is een verjaardag zonder passief-agressieve conflicten te organiseren. Men hoeft slechts vijf minuten naar een gemiddelde politieke discussie op televisie te kijken om te beseffen dat de menselijke soort waarschijnlijk nog niet helemaal klaar was voor artificiële superintelligentie. Neem Poetin en Trump, en je ziet in een notendop wat de evolutie tot nog toe heeft opgeleverd.

Toch gebeurt het. In Silicon Valley spreekt men ondertussen over “alignmentproblemen”, alsof het hier gaat om een printer die ietsje scheef staat afgesteld. Maar feitelijk bedoelt men: hoe voorkomen we dat een systeem dat slimmer wordt dan wijzelf onze soort gaat beschouwen als een inefficiënte tussenfase in de evolutie? Dat klinkt overdreven, maar de mens heeft zelf nooit bijzonder mild omgesprongen met inferieure levensvormen. Men hoeft slechts naar de geschiedenis van de dodo te kijken om weinig vertrouwen te krijgen in intersoortelijke solidariteit. De evolutie erkent alleen superkracht, en humaniteit is slappe hap.

Opmerkelijk genoeg reageren veel mensen op deze ontwikkeling met een merkwaardige mengeling van angst en extase. Sommigen verwachten de ondergang van de mensheid; anderen hopen eindelijk verlost te worden van het moeten nadenken. Autocratie het collectief delegeren van denkvermogen aan een centrale aap. Misschien is dat laatste wel de diepste droom van de beschaving geweest: een machine bouwen die als een super-aap het bewustzijn van ons overneemt zodat wij geheel zorgeloos kunnen consumeren, scrollen en Afrikaanse pindastoof met banaan eten zonder existentiële verantwoordelijkheid.

Daarmee krijgt AI een oer-religieuze betekenis. Vroeger vertrouwde men op God om orde aan te brengen in de chaos van het bestaan; nu vertrouwt men op exclusief banaan-gerecht met zijn eigen algoritme. De moderne mens bidt niet meer, hij accepteert bananen-cookies. Zijn metafysica verschijnt in de vorm van gebruiksvoorwaarden van 48 pagina’s die niemand leest maar die men wel met volledige overgave ondertekent. “Ik ga akkoord” is het nieuwe Amen. Het Assentior of Consentio in de Tridentijnse Liturgie.

Het tragikomische is dat AI vaak wordt voorgesteld als puur rationeel, terwijl de doelen die men eraan geeft meestal afkomstig zijn uit uiterst primitieve menselijke drijfveren: winst-maximalisatie, controle, status en bananengemak. De oude krokodil bestuurt dus nog steeds het systeem. Alleen beschikt hij nu over cloudcomputing. Voor een krokodil is cloudcomputing vermoedelijk een bijzonder verdacht verschijnsel. Hij begrijpt al nauwelijks waarom een vogel vrijwillig boven water blijft hangen zonder direct opgegeten te worden, laat staan waarom miljarden mensen hun gedachten, herinneringen, foto’s, liefdesbrieven, belastinggegevens en kattenvideo’s opslaan in iets dat zij “de cloud” noemen — een wolk dus. Een krokodil weet namelijk één ding heel zeker: als iets niet modderig, tastbaar of eetbaar is, dan bestaat het waarschijnlijk niet echt.

De krokodil leeft al tweehonderd miljoen jaar volgens een overzichtelijk principe: alles wat belangrijk is moet een fysiek gewicht hebben. Een schildpad is werkelijk omdat je erin kunt bijten. Een rivier is werkelijk omdat je erin kunt verdwijnen. Maar cloudcomputing? Dat klinkt voor hem als een meteorologisch probleem. Hij kijkt omhoog, ziet een wolk voorbijdrijven en denkt: daar zouden blijkbaar de vakantiefoto’s van de mensheid in moeten zitten. Misschien ook een Excelbestand.

Daarbij heeft de krokodil een diep wantrouwen tegenover afstand. Als hij iets wil bewaren, sleept hij het mee zijn moeras in. Mensen daarentegen sturen hun gegevens naar gigantische datacentra ergens in een Scandinavisch bos of in de woestijn van Nevada, waar duizenden computers dag en nacht zoemen als een bijenkorf met burn-outklachten. De krokodil zou dat een krankzinnige strategie vinden. Hij zou zeggen: “Waarom zou je je herinneringen toevertrouwen aan een machine die warmer wordt dan de zon zodra iemand een spreadsheet opent?”

Dat verklaart ook waarom zoveel technologische vooruitgang gepaard gaat met een gevoel van innerlijke leegte. De mens vergroot voortdurend zijn vermogens, maar niet noodzakelijk zijn wijsheid. Hij kan met één druk op de knop communiceren met iemand aan de andere kant van de wereld, maar weet nauwelijks nog hoe hij met zijn buurman moet praten. Hij verzamelt informatie alsof hij bezig is een voorraadschuur aan te leggen voor de apocalyps, maar raakt steeds minder in staat betekenis te onderscheiden van ruis.

En toch blijft er iets merkwaardig menselijks over dat zich niet helemaal laat reduceren tot berekening. Dat zijn de echte krokodillentranen van AI. Het individu verandert langzaam in een projectmanager van zijn eigen zenuwstelsel. Piet Vroon zou daar vermoedelijk met een mengeling van fascinatie en wanhoop naar hebben gekeken. Want uiteindelijk blijft de mens een biologisch wezen dat probeert te leven met een brein dat te groot is geworden voor zijn eigen innerlijke evenwicht. En nu bouwt datzelfde wezen een kunstmatige intelligentie die mogelijk opnieuw sneller groeit dan zijn vermogen om ermee samen te leven.

De geschiedenis van de beschaving begint daardoor steeds meer te lijken op een reeks noodoplossingen voor problemen die door eerdere noodoplossingen zijn veroorzaakt. Eerst ontwikkelde de mens taal om beter samen te werken; daarna had hij filosofie nodig om de misverstanden van de taal te corrigeren. Nu ontwikkelt hij AI om zijn cognitieve arbeid te verlichten, en binnenkort zal hij vermoedelijk retraites bezoeken waar men leert hoe men weer authentiek mens kan zijn zonder digitale assistentie. Voor vierhonderd euro per weekend krijgt men dan een stilte-badge, en de mogelijkheid om drie dagen niet met ChatGPT te praten. De menselijke evolutie eindigt uiteindelijk niet in een explosie van superintelligentie, maar in een groep uitgeputte kenniswerkers die zwijgend in een voormalig klooster zitten terwijl buiten een serverpark het volledige wereldbewustzijn optimaliseert.

En ergens diep onder dat alles, verborgen onder lagen cultuur, technologie en abstractie, ligt nog steeds die oude krokodil die niet mee-evolueert. Hij begrijpt niets van artificiële intelligentie, maar kijkt wantrouwig om zich heen, zoekt voedsel, vreest de dood en huilt af en toe zonder precies te weten waarom. Dat zijn uiteindelijk de enige echte tranen die we nog bezitten. Geen algoritmisch gegenereerde empathie, geen synthetische ontroering die precies lang genoeg duurt om de betrokkenheidscijfers te verhogen. Maar tranen in de vroege ochtend, wanneer iemand plotseling wakker wordt en niet meer weet wie hij is, waar hij zich bevindt, of waarom de wereld ondanks alles toch nog verder draait.

Die krokodillentranen in de ochtend vormen uiteindelijk de enige hoop die ons nog rest. Ze drogen weer op zodra de dag werkelijk begint, maar elke nieuwe morgen brengt ze terug, als stille getuigen van een gevoel van schaamte dat nog altijd zijn sporen trekt door de tijd.

.