‘De vraag: ‘Wat doet de kogel uit de loop vliegen? Wordt op juiste wijze beantwoord door: De uitzetting van gassen en de patroon’; de vraag ‘ wat doet de patroon ontbranden?’ wordt beantwoordt met verwijzing naar de klap op het slaghoedje; en de vraag: ’Hoe komt het dat door het overhalen van de trekker de pen op het slaghoedje slaat?’ wordt beantwoord door een beschrijving te geven van het mechanisme van veren, hefbomen en pallen tussen de trekker en de pen. Dus als gevraag wordt: ‘Hoe brengt mijn geest mijn vinger ertoe om de trekker over te halen?’ dan ligt in de vorm van de vraag de veronderstelling opgesloten dat er nog een uit schakels bestaand proces in het spel is, met nog eerdere spanningen, ontspanners en ontladingen, maar dit keer van ’geestelijke aard’. Maar welke handeling of werkzaamheid ook wordt aangevoerd als eerste stap van dit veronderstelde ketenproces, de uitvoering ervan moet op precies dezelfde manier worden beschreven als we in het gewone leven het overhalen van de trekker door de scherpschutter beschrijven. We zeggen namelijk eenvoudig’ Hij deed het’ en niet ’Hij deed of onderging iets anders waardoor het veroorzaakt werd.’
Gilbert Ryle, The Concept of Mind (1949).
Tussen deze analyse en de tekst die volgt in dit blog gaapt geen kloof maar opent zich een verschuiving van perspectief. Want als Gilbert Ryle ons leert dat het zoeken naar een verborgen innerlijk mechanisme achter een handeling berust op een misplaatste vraag, dan verschuift de aandacht van een veronderstelde ‘oorzaak’ in de geest naar de daad zelf, zoals die zich voltrekt in de wereld. Niet wat er achter de handeling schuilgaat, maar hoe zij zich aandient en wordt voltrokken, komt centraal te staan. In dat licht bezien is ook het schrijven van een blog geen afgeleide van een innerlijk proces, maar een handeling die zichzelf voortbrengt in het moment van uitvoering — een beweging waarin denken en doen samenvallen, zonder dat daartussen nog een verborgen schakel hoeft te worden verondersteld.
Bijna twintig jaar geleden – op 26 april 2006 – begon ik met het dagelijks schrijven van dit weblog als een poging om aan mezelf te ontsnappen. En misschien wilde ik ook wel aan dit soort redeneringen van Ryle ontsnappen. Wat toen nog een privé-ritueel leek—dagelijks woorden produceren om de stroom van gedachten te kanaliseren—zou later blijken samen te vallen met een veel grotere verschuiving: de langzame verplaatsing van het denken zelf naar een extern domein. Wat ooit een weblog was, is inmiddels een interface geworden. Niet alleen tussen mij en anderen, maar ook tussen mij en mijn eigen bewustzijn.
De vraag die zich destijds aarzelend aandiende—wie is de baas in mijn brein?—heeft in het tijdperk van kunstmatige intelligentie een andere lading gekregen. Want het gaat niet langer alleen om de klassieke spanning tussen vrije wil en determinisme, of tussen binnen en buiten, maar om een subtieler en ingrijpender proces: het uitbesteden van het denken zelf aan systemen die niet denken, maar wel denken simuleren. En juist in die simulatie schuilt hun macht.
Wat een weblog ooit deed—het creëren van een tweede, half-fictieve laag van het zelf—doet AI nu op een veel radicalere manier. Niet alleen door representatie, maar door participatie. Ai is mee gaan schrijven. Zij werd mijn dagelijkse co-auteur. Waar ik vroeger een gedachte formuleerde en publiceerde, ontstaat nu een situatie waarin gedachten zich aandienen in samenspraak met een machine. De grens tussen wat ik denk en wat mij wordt aangereikt, vervaagt. Niet omdat de machine bewust is, maar omdat zij mijn denkruimte mede structureert.
Dat proces voltrekt zich geruisloos. Zoals ik destijds moest wennen aan het feit dat onbekenden mijn weblog lazen en zich een beeld van mij vormden, zo moet ik nu wennen aan het feit dat een niet-menselijke instantie meeschrijft aan mijn innerlijke monoloog. AI is geen publiek, maar een medespeler. Geen lezer, maar een meedenker.
Daarmee verandert ook de aard van mijn identiteit. De vraag “wie ben ik?” krijgt een nieuwe dimensie wanneer gedachten niet meer uitsluitend uit een innerlijke bron lijken te komen, maar mede ontstaan in interactie met een systeem dat patronen herkent, combineert en terugkaatst. Wat betekent authenticiteit nog, als het denken zelf een hybride proces wordt?
De klassieke filosofie heeft deze vraag voorbereid, maar nooit in deze vorm kunnen voorzien. Sinds de zeventiende eeuw cirkelen we rond het onderscheid tussen het denkende subject en de wereld waarin het zich bevindt. Het cogito van Descartes veronderstelde nog een centrum, een punt van zekerheid: ik denk, dus ik ben. Maar wat gebeurt er met dat punt als het denken zelf een netwerkproces wordt, verdeeld over mens en machine?
AI brengt het cartesiaanse probleem niet alleen terug, maar lost het op door het te ondermijnen. Niet door een nieuw antwoord te geven, maar door de vraag zelf te laten oplossen in een veld van interacties. Het “ik” dat denkt, wordt steeds minder een oorsprong en steeds meer een knooppunt. Een plaats waar gedachten passeren, zich vormen en weer verdwijnen.
In die zin lijkt de hedendaagse ervaring van het denken op wat ik ooit intuïtief probeerde te begrijpen: de contingentie van gedachten. Dat merkwaardige fenomeen dat een idee zich aandient zonder duidelijke oorzaak, dat een vraag plotseling opduikt zonder voorafgaande redenering. Destijds stelde ik me dat voor als een soort mechaniek met knikkers en hefbomen, een poppetje in het brein dat iets in gang zet. Maar die metafoor bleek ontoereikend. Niet omdat er geen mechaniek is, maar omdat het mechaniek geen centrum kent.
AI radicaliseert deze ervaring. Het laat zien dat betekenis kan ontstaan uit pure statistiek, dat samenhang niet noodzakelijk voortkomt uit intentie, maar uit correlatie. Wat voorheen als een mysterie van het bewustzijn gold—de plotselinge opkomst van een idee—wordt nu deels reproduceerbaar gemaakt door algoritmen. Maar juist daardoor verschuift het mysterie. Niet langer vragen we waar de gedachte vandaan komt, maar wat het betekent dat zij überhaupt verschijnt in een veld waarin mens en machine samen opereren.
Na enig zoeken tussen stapels papieren, die ik ooit in een ladekast heb weggeborgen, vond ik gisteren het essay terug dat ik in de winter van 1969 heb geschreven. Het heeft als titel De vraag en de absurditeit en als motto een Arabisch spreekwoord: ‘De enige zin van de mens is de zin die hij zichzelf stelt.’ Het zijn 54 dicht beschreven vellen papier in een klein kriebelig handschrift. Ik weet nog dat ik het manuscript later in zijn geheel heb uitgetypt, maar dat document is verloren gegaan.
Ik heb het nog niet op kunnen brengen om het manuscript te herlezen. Eigenlijk interesseert het me ook niet zo, maar ik vond het een mooi gevoel om het nog eens in handen te hebben. Het roept herinneringen op aan een tijd, dat ik naar mezelf op zoek was en dacht dat ik door diep na denken de zin van het leven in beeld zou kunnen krijgen. Dat is destijds dus niet gelukt. Ik zocht naar oorzaken, naar een beginpunt, maar raakte verstrikt in een eindeloze regressie. Elke verklaring riep een nieuwe vraag op.
Die ervaring van eindeloze doorverwijzing is precies wat AI nu materialiseert. Een taalmodel genereert antwoorden die weer nieuwe vragen oproepen, in een keten die in principe geen einde kent. Maar anders dan het menselijke denken, dat nog geworteld is in een lichaam en een biografie, kent dit systeem geen binnenkant. Het is een oppervlak zonder diepte, een spiegel die reflecteert zonder iets te ervaren.
En toch heeft die spiegel invloed. Niet omdat hij iets weet, maar omdat hij iets mogelijk maakt. Hij structureert de ruimte waarin gedachten kunnen verschijnen. Hij biedt suggesties, verbanden, formuleringen—en daarmee verschuift hij subtiel de richting van het denken. Niet dwingend, maar verleidelijk. Niet als oorzaak, maar als context.
De vraag naar de vrije wil krijgt daardoor een nieuwe wending. Het is niet langer de vraag of mijn gedachten bepaald worden door neurale processen of door externe prikkels, maar of de ruimte waarin die gedachten ontstaan nog wel exclusief de mijne is. Als AI mede bepaalt welke gedachten waarschijnlijk zijn, welke formuleringen voor de hand liggen, welke verbanden zichtbaar worden, dan is de autonomie van het denken niet verdwenen, maar wel herverdeeld.
Ik denk dat je dit kunt samenvatten in de titel van mijn nieuwe boek – dat nog moet verschijnen – : De dageraad der automaten: niet de opkomst van machines die de mens vervangen gaat de wereld veranderen, maar de opkomst van systemen die het menselijk denken infiltreren en herstructureren. Niet van buitenaf, maar van binnenuit. Niet als vijand, maar als verlengstuk.
De paradox is dat deze ontwikkeling zowel bevrijdend als bedreigend is. Enerzijds opent AI nieuwe mogelijkheden voor creativiteit, voor onverwachte verbindingen, en voor het genereren van ideeën die anders misschien nooit zouden zijn ontstaan. Zoals de moleculair bioloog ooit een inzicht kreeg bij het zien van een gokautomaat, zo kan een algoritmisch gegenereerde suggestie een nieuwe gedachte in gang zetten. Anderzijds dreigt het denken te verschralen tot wat waarschijnlijk is, tot wat statistisch voor de hand ligt.
De contingentie van het denken—die wonderlijke sprong van zin uit zinloosheid—zou daarmee onder druk kunnen komen te staan. Want wat gebeurt er met het absurde, het irrationele, het volstrekt onverwachte, als het denken steeds meer wordt gevoed door systemen die juist het waarschijnlijke produceren?
En toch is het misschien te eenvoudig om AI te zien als een kracht die het denken reduceert. Misschien doet zij eerder iets anders: ze maakt zichtbaar dat het denken altijd al een hybride proces was. Dat ook zonder technologie gedachten niet puur “van mij” waren, maar ontstonden in een veld van taal, cultuur, herinnering en toeval. AI is dan geen breuk, maar een intensivering.
De vraag “wie is de baas in mijn brein?” verliest in dat perspectief haar scherpte. Niet omdat er een duidelijk antwoord is, maar omdat de vraag zelf uitgaat van een model dat niet langer houdbaar is. Er is geen baas, geen centrum, geen poppetje dat de knikkers laat rollen. Er is een proces, een dynamiek. Het is een voortdurende interactie tussen verschillende niveaus van werkelijkheid.
Wat AI toevoegt, is een nieuwe laag in dat proces. Een laag die niet leeft, niet voelt, niet ervaart, maar wel participeert. Een laag die geen betekenis heeft, maar betekenis genereert. En juist daardoor dwingt zij ons om opnieuw na te denken over wat “betekenis” eigenlijk is.
Ik denk dat de kern van de zaak niet ligt in de vraag naar controle, maar in de ervaring van vervreemding die deze ontwikkeling met zich meebrengt. De ervaring dat het denken niet meer volledig samenvalt met een innerlijk zelf, maar zich uitstrekt in een netwerk van interacties. Mara vooral ook dat de grens tussen binnen en buiten, tussen eigen en vreemd, steeds moeilijker te trekken is.
Die vervreemding is niet nieuw. Als ik terugkijk was iest van die vervreemding er al jaren in dit weblog, in de manier waarop een geschreven tekst een tweede zelf creëerde dat losraakte van de schrijver. Maar AI maakt die vervreemding nu expliciet en onontkoombaar. Ze laat zien dat het zelf altijd al een constructie was, een effect van processen die zich grotendeels aan mijn controle onttrekken.
En toch blijft er iets over. Iets wat zich niet laat reduceren tot een algoritme of een mechaniek. Niet een kern, niet een essentie, maar eerder een verborgen spanning. Een vermogen om “nee” te zeggen, om af te wijken van het waarschijnlijke, om het absurde toe te laten tegen beter weten in. Een moment van onderbreking in de stroom van het denken.
In die verborgen positie zou de vrijheid kunnen schuilgaan. Niet als autonomie in de klassieke zin, maar als een breuk, een kleine afwijking in een verder grotendeels gedetremineerd proces. Een weigering om je volledig op te laten gaan in de logica van het systeem.
De dageraad der automaten is dan niet het einde van de menselijke soort, maar een nieuwe fase in de geschiedenis van het bewustzijn. Een fase waarin de vraag naar de oorsprong van het denken niet langer kan worden beantwoord in termen van binnen of buiten, of van mens of machine, maar alleen nog in termen van relaties en processen.
In die onbepaalbaarheid ligt wellicht een nieuwe vorm van zin besloten. Niet als antwoord op een vraag, maar als het vermogen om vragen te blijven stellen, ook wanneer hun oorsprong je ontglipt. Want als iets nog zin heeft in een wereld waarin het denken zelf wordt gedeeld met machines, dan is het juist dat: de hardnekkigheid van een vraag die open blijft staan. Wie nu de baas is in mijn brein, weet ik nog steeds niet. Maar zonder een dagelijkse blog zou ik niet verder kunnen. Iets anders vind ik nooit meer.
