‘Vier emmers water en een zak vol zout, meer zijn we niet. We zijn niets anders dan wat chemicaliën, zonder geest of ziel. Niets is zo bizar als de mens. Alles waar we het meeste bang voor zijn, is waar. Niets heeft het eeuwig leven, zelfs niets wat een mens achter zich laat.’
Zo reduceert Peter Hammill de mens tot een restproduct van materie, een optelsom van elementen zonder ziel of binnenkant. Die regel is blijven hangen in mijn geheugen, niet alleen als herinnering aan een concert jaren geleden in Theater Romein, maar als een echo van een wereldbeeld dat zich sindsdien steeds nadrukkelijker heeft opgedrongen. Het is de toon van een tijdperk waarin de mens wordt teruggebracht tot wat hij meetbaar is, en waarin de oude vraag naar betekenis oplost in de zekerheid van het mechanisme. De formule “nothing but” heeft zich in het denken genesteld als een stille vanzelfsprekendheid: wij zijn niets anders dan wat zich laat verklaren. En juist dat is misschien de meest ontregelende gedachte—niet omdat zij zo vreemd is, maar omdat zij zo overtuigend lijkt.
Dat overtuigende karakter berust op een breuk die zelden nog als zodanig wordt herkend. Sinds René Descartes de scheiding tussen denken en uitgebreidheid formuleerde, tussen binnen en buiten, is het mogelijk geworden de wereld als object te behandelen zonder nog rekenschap af te leggen van de plaats van waaruit die wereld wordt waargenomen. Wat begon als een methodische ingreep groeide uit tot een ontologische vanzelfsprekendheid. De geest werd een binnenruimte, de wereld een buitenruimte, en de brug daartussen—als die er al was—werd steeds smaller. In dat schema kon ook God verdwijnen: eerst als noodzakelijke hypothese, later als overbodige aanname. Bij Sigmund Freud wordt hij tot projectie verklaard, een afgeleide van menselijke verlangens. Maar daarmee verschuift het probleem slechts: als de geest zelf het projectie-apparaat is, waar bevindt zich dan nog het scherm waarop die projectie zichtbaar wordt?
Precies daar raakt het denken aan een grens die in de moderne psychologie zelden nog wordt erkend. De Zwitserse psychiater Ludwig Binswanger noemde de scheiding tussen subject en object niet voor niets een “Krebsübel”: een kwaal die zich ongemerkt uitbreidt en uiteindelijk het hele organisme aantast. Zodra het innerlijke wordt losgemaakt van de wereld, verliest het zijn bestaansgrond. Wat resteert is een reeks functies, processen, correlaties—maar geen ervaring die nog ergens geworteld is. De ziel verdwijnt als eerste, daarna de geest, en uiteindelijk ook het bewustzijn zelf, dat wordt herleid tot een bijproduct van neurale activiteit. Wat overblijft is een systeem dat zichzelf beschrijft zonder nog te weten wie er spreekt.
Daarmee is niet alleen een religieuze horizon verdwenen, maar ook de mogelijkheid om het menselijk bestaan als meer dan een optelsom te begrijpen. Want het bewustzijn is nooit louter een binnenruimte geweest; het is altijd al een gerichtheid op iets buiten zichzelf, een betrokkenheid, een zijn-bij. In die zin is elke ervaring van meet af aan relationeel: zij voltrekt zich niet in een afgesloten subject, maar in een veld waarin mens en wereld elkaar wederzijds constitueren. Het is precies dit inzicht dat onder invloed van Edmund Husserl en Martin Heidegger door Binswanger werd uitgewerkt tot een existentiële psychologie, waarin de mens niet langer wordt opgevat als een object onder objecten, maar als een bestaan dat zich verhoudt tot zijn wereld.
Die benadering heeft een tijdlang een alternatief geboden voor de reductie van de mens tot mechanisme. Figuren als F.J.J. Buytendijk en Gerardus van der Leeuw hebben geprobeerd dat spoor verder te ontwikkelen, ook in Nederland, door de nadruk te leggen op ontmoeting, betrokkenheid en het opschorten van het oordeel. Maar die lijn is geleidelijk overschaduwd geraakt door een andere ontwikkeling, waarin het meetbare opnieuw de norm werd en het subjectieve als ruis terzijde werd geschoven. De psychologie splitste zich in een zachte en een harde variant, en uiteindelijk heeft de harde benadering de toon gezet. Wat niet kan worden gekwantificeerd, lijkt in dat kader eenvoudigweg niet te bestaan.
Het gevolg is een merkwaardige paradox: hoe meer de mens over zichzelf te weten komt in termen van data en processen, hoe minder hij nog begrijpt wat het betekent om te bestaan. De wereld wordt steeds vollediger beschreven, maar die volledigheid gaat gepaard met een leegte die zich niet laat opvullen met kennis. In die leegte keert de oude vraag terug, zij het in een nieuwe gedaante: niet langer als een beroep op een transcendente instantie, maar als een hapering in het systeem zelf. Want als alles verklaarbaar is, wat verklaart dan nog het verlangen om te verklaren?
Misschien is dat de plek waar het betoog opnieuw moet beginnen: niet bij de zekerheid van wat de mens is, maar bij de onzekerheid die hem voortdrijft. Tegenover de reductie tot “vier emmers water en een zak zout” staat dan geen nieuw dogma, maar een verschuiving van perspectief. Niet de ontkenning van het materiële, maar het inzicht dat het materiële nooit op zichzelf staat. Dat elke beschrijving een standpunt veronderstelt, en dat dat standpunt niet kan worden gereduceerd tot wat het beschrijft. In die zin is het “kankergezwel” van de psychologie niet de wetenschap zelf, maar haar vergeten oorsprong: het feit dat zij voortkomt uit een ervaring die zij tegelijk probeert te objectiveren.
En zo blijft die regel van Hammill rondzingen, maar nu met een andere lading. Niet als definitief oordeel, maar als symptoom van een denken dat zichzelf tot zijn uiterste consequentie heeft doorgevoerd. “Meer zijn we niet”—maar wie is die “we” die dat vaststelt? Zodra die vraag wordt toegelaten, opent zich opnieuw een ruimte die niet volledig kan worden gemeten of verklaard. Een ruimte waarin een mens niet samenvalt met zijn bestanddelen, maar verschijnt als een vraag die open blijft staan ondanks alle reducties tot de chemicaliën die we uiteindelijk zijn: vier emmers water en een zak vol zout.
