In de schaduw van Spinoza 

Ik hou er niet van om op een podium te staan. Al die ogen in het donker, terwijl je zelf in een leegte kijkt. Het blijft een vorm van gecontroleerde paniek. Misschien komt het door een terugkerende droom. Ik weet daarin dat ik droom, maar niet hoe ik eruit moet ontwaken. Ik sta op een toneel, moet spreken, en terwijl ik begin, valt mijn tekst weg alsof iemand het script heeft gewist. Ik red me nog net, maar het gevoel blijft: ik functioneer, zonder te begrijpen hoe.

Die droom keert telkens weer terug, al sinds mijn jeugd, maar hij is in de tussentijd wel veranderd. Vroeger vergat ik mijn tekst. Nu verschijnt hij juist overal: op schermen, in suggesties, in zinnen die zich al vormen voordat ik ze bedenk. Alsof het spreken mij is voorgegaan. Ik ben mijn tekst niet kwijt. De tekst is mij kwijt.

De naam Spinoza blijft de rode draad in deze droom. Niet langer als een vage herinnering aan een toneelstuk op school, waarin ik ooit moest optreden, maar als een vreemde – en toch ook uiterst actuele – gesprekspartner terwijl ik op het podium sta. Ik speel nu de hoofdrol in een toneelstuk met als titel: ‘In de schaduw van Spinoza’. Het centrale thema blijft gelijk, nog altijd, want wat ooit een probleem was van woorden en verbeelding, is nu een probleem van modellen en berekening geworden. De tekst van het stuk is een eigen leven gaan leiden. Er komen nu dingen in voor die nooit in de tekst zelf stonden. Alsof de machine die de tekst ooit schreef uiteindelijk is gaan hallucineren. Het resultaat is een allesomvattende duisternis in plaats van de stralende helderheid van het originele script.

Spinoza leefde in een tijd waarin men geloofde dat helderheid kon worden geslepen, zoals je lenzen slijpt. Vandaag leven wij in een tijd waarin helderheid wordt gegenereerd door machines. Dus niet langer door het verstand alleen, maar door systemen die patronen herkennen in hoeveelheden data die het menselijk denken te boven gaan. De vraag is niet meer alleen wat waar is, maar wie – of wat – het zegt.

Woorden, zo stelde Spinoza, behoren tot de verbeelding. Ze ontstaan uit botsingen tussen lichaam en wereld. Dat inzicht klinkt vandaag bijna profetisch. Want wat zijn de taalmodellen van nu anders dan gestolde botsingen van tekst met tekst, betekenis met waarschijnlijkheid? Het zijn botsingen, meer niet. Wat wij lezen als betekenis, is in feite een statistisch effect. Het is zus, maar als de omstandigheden net even anders waren, had het ook zo kunnen zijn.

Daarmee is een oude scheidslijn vervaagd. Niet alleen die tussen verbeelding en verstand, maar ook die tussen mens en instrument. Het slijpen van het verstand – zoals je lenzen slijpt – heeft nu geen zin meer. Het denken heeft zich gedeeltelijk buiten ons genesteld. Waar in de twintigste eeuw de “linguïstische wending” het denken ging domineren , voltrekt zich nu een verschuiving die je de “computationele wending” zou kunnen noemen. Betekenis ontstaat niet langer primair in taal, maar in de verwerking van waarschijnlijkheden. Niet wat een woord betekent is doorslaggevend, maar hoe het functioneert binnen een netwerk van relaties.

In die zin is de oude discussie over teken en betekenis ingehaald door een nieuwe: die tussen output en interpretatie. Een systeem kan vandaag overtuigende teksten produceren zonder enig begrip van wat het eigenlijk zegt. Maar wie bepaalt dan nog wat begrijpen is? Volgens Spinoza had  het verstand het vermogen om uiteindelijk waarheid van onwaarheid te onderscheiden. Wie zegt ‘het regent’ met de bedoeling de waarheid te spreken, heeft dus gelijk, mits hij wakker is. Maar wat als iemand droomt dat hij wakker is en tegelijk de regen hoort? Spreekt hij dan waarheid of niet?

Voor Spinoza is dit geen probleem: waarheid spreken staat gelijk aan wakker zijn, dwalen aan dromen. Wie die twee niet goed kan onderscheiden, heeft te vaak gedacht wakker te zijn terwijl hij droomde, en verliest daardoor ook in wakende toestand zijn zekerheid.

Deze vergelijking tussen ware en valse ideeën en het onderscheid tussen waken en dromen is ook te herkennen in de woorden die Wittgenstein vlak voor zijn dood schreef, namelijk dat iemand die in zijn droom zegt ‘ik droom’ net zo weinig gelijk heeft als iemand die in diezelfde droom zegt ‘het regent’, zelfs als het buiten werkelijk regent.

De kwestie wordt lastiger wanneer de één zegt ‘het regent’ en de ander ‘het regent niet’. Wie is dan wakker en wie droomt? Waarnemingen kunnen nu eenmaal verschillen: wat voor de één een raadselachtig teken is, is voor de ander volledig verklaarbaar. Zo werd de regenboog, ooit gezien als een goddelijk teken van een nieuw verbond tussen God en mens, door Spinoza verklaard als een natuurverschijnsel:  het gevolg van breking en weerkaatsing van zonlicht in talloze waterdruppels.

Het klassieke onderscheid tussen droom en waaktoestand – waar Spinoza nog een beroep op deed – wordt in onze tijd problematisch. Want we bevinden ons steeds vaker in een toestand die beide combineert: een wereld waarin we weten dat iets gegenereerd is, maar er toch betekenis aan ontlenen. We dromen, terwijl we weten dat we wakker zijn.

Maar nu is dit gefilosofeer over dromen en wakker zijn in een nieuwe fase beland. Dat heeft onder meer tot gevolg dat ook de kunst niet langer een geïsoleerd domein is, waarin de esthetica een autonome waarde kon hebben. Kunst is nu zoiets als een interface geworden: een plek waar systemen, beelden en verwachtingen elkaar kruisen. De oude “verboden zone” van de esthetica – dat mysterieuze gebied waar men liever niet te precies wordt – bestaat nog steeds, maar heeft een nieuwe vorm aangenomen. Niet langer een sacraal terrein dat men met eerbied betreedt, maar een black box. We zien wat erin gaat en wat eruit komt, maar niet wat ertussen gebeurt.

Een kunstwerk is steeds vaker geen object meer, maar een proces. Geen uitdrukking van een intentie, maar een knooppunt van invloeden: data, algoritmen, referenties, gebruikers. Sinds het open einde van filosofie en religie is ingeruild voor het modieuze cliché van het ‘einde van de grote verhalen’, heeft de kunst haar ruggengraat verloren. En alsof dat nog niet volstond, dient zich nu ook het alwetende AI aan, dat zelfs de laatste resten van verbeelding en mysterie dreigt te koloniseren. Wat blijft er dan nog over van de schoonheid en de  troost?

Kunst is verworden tot een alibi: een verplicht nummer in een economie die alles opslokt. We produceren niet meer uit noodzaak, maar uit rendement. Wat ooit een zoektocht was, is nu een productielijn. En wat rest, is kunst als luxe tijdverdrijf voor wie zich de illusie van een op handen zijnde onthulling nog kan veroorloven. De vraag “wat betekent dit?” wordt alom vervangen door “hoe werkt dit?”. Maar daarmee verdwijnt het probleem niet. Integendeel.

Want juist waar alles verklaarbaar lijkt te worden, ontstaat een nieuw soort ondoorzichtigheid. Niet omdat we te weinig weten, maar omdat er te veel tegelijk gebeurt. De helderheid van het model slaat om in de ondoorgrondelijkheid van het frame waarbinnen het model is gevormd. Wat vroeger waarheid heette, verschijnt nu als waarschijnlijkheid. Wat vroeger interpretatie was, wordt nu optimalisatie. De wereld wordt niet langer begrepen, maar benaderd. Alles is uiteindelijk een optie die te herleiden is tot een rangschikking van enen en nullen. De hele metafysica is een narratief. Zelfs God is een mogelijke optie waarbij alle opties open blijven.

In dat licht krijgt Spinoza’s denken een onverwachte actualiteit. Zijn idee dat alles volgens noodzakelijkheid verloopt – dat vrijheid bestaat in het begrijpen van die noodzakelijkheid – lijkt te resoneren met een wereld waarin gedrag, voorkeur en zelfs creativiteit voorspelbaar worden gemaakt. Maar toch zit er een breuk in de spiegel.

Want waar Spinoza nog uitging van een samenhangend geheel – een orde waarin alles met alles verbonden is – opereren onze systemen zonder zo’n metafysisch fundament. Ze functioneren, zonder te weten waartoe. Ze produceren, zonder bedoeling. De Deus sive Natura – de lijfspreuk van Spinoza ( “God of natuur”) is vervangen door een netwerk zonder centrum. De natuur is een goddeloze optelsom van waarschijnlijkheden die afhankelijk zijn van onze waarneming. De werkelijkheid die wij werkelijk noemen ontstaat pas als zij wordt waargenomen.

Inmiddels gaat de kunst gewoon door, en staat de kunstkritiek nog steeds voor hetzelfde probleem, maar nu in een andere gedaante. Aan de ene kant is er de verleiding om alles te reduceren tot analyse: patronen, structuren en systemen. Aan de andere kant is er de neiging om zich te verliezen in een mist van woorden die niets meer verhelderen. Tussen die twee uitersten moet nu opnieuw een positie worden gevonden. Niet door terug te keren naar oude zekerheden, maar door een nieuwe vorm van precisie te ontwikkelen.

Dat wil zeggen, een soort taal waarbij men zich bewust is van haar eigen beperkingen, maar zich niet quasi diepzinnig terugtrekt in in een mist van vaagheden. Er is behoefte aan een denken dat de verbeelding niet uitsluit, maar zich ook niet volledig aan haar uitlevert. Daar ligt nog steeds de les van Spinoza: dat helderheid geen vijand is van diepgang, maar juist haar voorwaarde.

In een hedendaagse versie van het toneelstuk met als titel ‘In de schaduw van Spinoza’, zou ik in de hoofdrol van Spinoza niet langer helemaal alleen op het podium staan. Achter mij zouden inderdaad schermen oplichten, stromen van data zichtbaar worden, er zouden overal stemmen verschijnen die de mijne aanvullen, corrigeren en voortzetten.

En wanneer ik dan eindelijk mijn eigen tekst zou terugvinden, en mijn ultieme vragen stel – wat waarheid is, wat denken is, wat begrijpen betekent – zou er geen stem meer uit de coulissen komen. Alleen een antwoord dat zich aandient in de vorm van een voorstel, een suggestie, een gegenereerde mogelijkheid. Niet als openbaring, maar als meest waarschijnlijke output.

Dat is het nieuwe theater van de geest: er is geen ontknoping meer, alleen nog een voortdurend genereren van mogelijkheden. Geen regenboog als teken van een nieuw verbond, maar louter als een visualisatie van berekeningen. En toch – ergens tussen die berekeningen en onze waarneming blijft er ook iets bestaan wat zich niet laat reduceren. Een moment van aarzeling, van herkenning, een wankel moment van twijfel misschien.

Hoe dan ook, dat is ook alles wat er uiteindelijk overblijft van de esthetische ervaring. Niet de mogelijke openbaring van een geheim, of een op handen zijnde onthulling, maar het besef dat er niets – maar dan ook helemaal niets – verborgen blijft, en dat dit op zichzelf al verbijsterend genoeg is. (Doek)