Al te vaak heb ik mij afgevraagd of mijn psychose in 1966 enkel een uitvloeisel is geweest van mijn katholieke opvoeding, die nog eens werd versterkt door de intellectuele en religieuze atmosfeer op het Ignatiuscollege in de eerste helft van de jaren zestig. In het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011), waaraan ik naast Egbert Tellegen en Daan Muntjewerf een bijdrage mocht leveren, heb ik geprobeerd te achterhalen of deze verklaring standhoudt. Hoewel er veel argumenten zijn die haar plausibel maken, blijft één vraag mij achtervolgen. Waarom overkwam dit mij, en niet ook vele anderen van mijn generatie die onder vrijwel identieke omstandigheden waren opgegroeid?
Achteraf bezien lijkt het alsof ik verstrikt raakte in een vraagstuk dat veel ouder is dan mijn eigen biografie. Het was de vraag naar het kwaad: waar het vandaan komt en hoe het ooit gerechtvaardigd kan worden. In een wereld waarin het geloof in een transcendente orde langzaam verdwijnt, lijkt dat probleem alleen maar scherper te worden. De twintigste eeuw heeft immers laten zien dat de menselijke geschiedenis in staat is tot een vorm van vernietiging die nauwelijks meer in traditionele categorieën van zonde of schuld te vatten valt. Het kwaad dat in de geschiedenis van het nationaalsocialisme zichtbaar werd, leek elke rationele verklaring te tarten. Alsof de werkelijkheid zelf een donkere mogelijkheid bevatte die zich plotseling kon ontketenen.
Wanneer ik nu terugkijk op de wonderlijke geestestoestand die mij aan het einde van de wederopbouwperiode overviel, verschuift mijn perspectief. Destijds zocht ik de oorzaak vooral in de religieuze denkwereld waarin ik was opgegroeid. Maar misschien lag het probleem dieper. Misschien ging het minder om de inhoud van de overtuigingen dan om een mechanisme van de menselijke geest zelf: de neiging om in de werkelijkheid een allesomvattend patroon van betekenis te herkennen.
Het kwaad is immers niet een object dat door de wetenschap kan worden geanalyseerd zoals men een natuurverschijnsel onderzoekt. Het is eerder een schaduw die in elke menselijke ziel aanwezig is. Juist die ziel echter is in de moderne wetenschap grotendeels verdwenen. Wat overblijft zijn neuronen, synapsen en chemische processen. Daarmee wordt het kwaad gereduceerd tot een afwijking in het functioneren van het brein of tot een sociaal-psychologisch fenomeen.
Toch blijft er iets onbevredigends in die benadering. De psychiatrie beschikt over steeds verfijndere diagnostische instrumenten, maar wanneer het gaat om extreme manifestaties van geweld of fanatisme lijkt zij vaak met lege handen te staan. Mijn eigen psychose had destijds een sterk religieus karakter, maar dat is op zichzelf geen verklaring. Ook vandaag de dag zijn er mensen die zich geroepen voelen door stemmen die zij ervaren als een absoluut bevel. Soms leidt dat slechts tot een opname in een psychiatrische inrichting. In andere gevallen mondt het uit in politieke of religieuze terreur.
Wat deze situaties gemeen hebben, is dat het individu zich opgenomen voelt in een betekenisstructuur die groter is dan zijn eigen persoonlijke wil. Alsof er een mechanisme werkzaam is dat de menselijke vrijheid tijdelijk buiten werking stelt. De handeling wordt dan ervaren als een noodzakelijkheid, een opdracht die niet kan worden genegeerd. Hannah Arendt heeft dit mechanisme in haar analyse van totalitaire systemen op indringende wijze beschreven. Volgens haar worden dergelijke systemen gekenmerkt door een merkwaardige structuurloosheid en door een losmaking van traditionele belangen of motieven. Zij functioneren niet langer volgens het rationele principe van nut of voordeel, maar volgens een logica die geheel door een ideologisch patroon wordt bepaald.
In zo’n situatie lijkt het individu zelf slechts een radertje te worden in een groter mechanisme van betekenis. Het handelen volgt niet langer uit persoonlijke overwegingen, maar uit een patroon dat als vanzelfsprekend wordt ervaren. Juist hier ontstaat een onverwachte verbinding met een ontwikkeling die zich in diezelfde periode op een heel ander terrein begon af te tekenen.
Al ruim vóór 1960 waren cybernetische technici begonnen met het ontwikkelen van machines die niet alleen konden rekenen, maar ook patronen konden herkennen. Aanvankelijk gebeurde dat vooral in gespecialiseerde toepassingen, zoals het ontcijferen van codes of het analyseren van signalen. Toch markeerde dit een opmerkelijke verschuiving. Voor het eerst verscheen er een type apparaat dat niet enkel een mechanische verlenging van menselijke spierkracht was, maar een bescheiden analogie vormde met een proces dat tot dan toe uitsluitend als een eigenschap van de menselijke geest werd beschouwd: het herkennen van structuren in een stroom van gegevens.
Wat aanvankelijk een technisch hulpmiddel leek, riep al snel een filosofische vraag op. Als een machine patronen kan detecteren en op basis daarvan conclusies kan trekken, waar ligt dan precies de grens tussen rekenen en denken? Destijds was het nog moeilijk voorstelbaar dat dergelijke systemen ooit de complexiteit van menselijke cognitie zouden benaderen. Toch begon langzaam het vermoeden te ontstaan dat het menselijke denken zelf misschien minder mysterieus was dan men altijd had aangenomen. Misschien functioneert het brein in wezen ook als een systeem dat voortdurend patronen produceert en interpreteert.
In dezelfde periode deden neurowetenschappers ontdekkingen die dat vermoeden versterkten. De neurochirurg Wilder Penfield toonde bij operaties aan dat elektrische stimulatie van bepaalde hersengebieden plotseling herinneringen, beelden of geluiden kon oproepen. Zulke observaties gaven de indruk dat het brein een enorme opslagplaats van ervaringen bevatte die slechts gedeeltelijk toegankelijk was voor het dagelijkse bewustzijn.
In de populaire verbeelding ontstond zelfs het idee dat de mens slechts een klein deel van zijn hersenen gebruikte. Hoewel de neurowetenschap deze mythe later heeft ontkracht, bleef zij opmerkelijk hardnekkig. Kennelijk raakte zij aan een dieper cultureel gevoel: de overtuiging dat er in de mens een verborgen potentieel schuilgaat dat slechts zelden volledig wordt benut.
Vanuit hedendaags perspectief krijgt dit idee een andere betekenis. Het menselijk brein blijkt inderdaad een systeem te zijn dat voortdurend patronen detecteert en betekenis produceert. Maar dat proces wordt in het normale bewustzijn sterk gereguleerd. Complexe filters zorgen ervoor dat slechts een klein deel van alle mogelijke verbanden daadwerkelijk als betekenisvol wordt ervaren.
Wanneer dat filtersysteem ontregeld raakt, kan de ervaring van de werkelijkheid drastisch veranderen. In psychotische toestanden beschrijven mensen vaak dat zij plotseling verbanden zien die voor anderen verborgen blijven. Toevallige gebeurtenissen lijken deel uit te maken van een groter plan, woorden krijgen een geheime betekenis en de wereld wordt ervaren als een netwerk van dwingende samenhangen. Wat voor de buitenstaander chaotisch lijkt, wordt voor degene die het ervaart een overweldigende orde van betekenis. Alles lijkt met alles verbonden.
Vanuit neurobiologisch perspectief is dit geen plotselinge activering van ongebruikte hersengebieden, maar eerder een verstoring van de mechanismen die normaal gesproken bepalen welke patronen relevant zijn en welke genegeerd kunnen worden. De psychose onthult daarmee iets fundamenteels over de menselijke geest: zij laat zien hoe krachtig het mechanisme van patroonherkenning kan worden wanneer de regulerende structuren wegvallen.
In zekere zin kan men zeggen dat het brein een betekenis-producerende machine is. Wanneer men dit inzicht naast de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie legt, verschijnt een merkwaardige parallel. Moderne AI-systemen functioneren immers eveneens als apparaten voor patroonherkenning. Zij analyseren enorme hoeveelheden gegevens en detecteren daarin statistische regelmatigheden. Op basis daarvan genereren zij antwoorden, voorspellingen of teksten die voor een menselijke waarnemer vaak verrassend coherent lijken.
Wat hier gebeurt, is dat een fundamenteel principe van het menselijke denken buiten het lichaam wordt gereproduceerd. De algoritmen van kunstmatige intelligentie zijn technische varianten van hetzelfde proces waardoor het brein betekenis organiseert. De figuur van de machinemens verschijnt daardoor in een nieuw licht. Zij is niet alleen een product van technologie, maar ook een spiegel van de menselijke geest zelf. In de machine wordt zichtbaar wat in ons eigen denken meestal verborgen blijft: het mechanische karakter van het proces waarmee wij betekenis construeren.
Tegelijkertijd wordt daarmee ook duidelijk waarom de menselijke ervaring van betekenis nooit volledig samenvalt met haar technische simulatie. Want hoewel een algoritme patronen kan herkennen en zinnen kan produceren, blijft er een verschil tussen het genereren van betekenis en het ervaren ervan. Dat wezenlijke verschil wordt vooral zichtbaar in de extreme toestanden van de geest. In de psychose wordt de wereld overspoeld door betekenis; in de wereld van de machinemens dreigt betekenis daarentegen te veranderen in een eindeloze circulatie van patronen zonder innerlijke resonantie.
Tussen die twee uitersten – de overmaat aan betekenis en de perfecte simulatie ervan – beweegt zich de menselijke ervaring. Juist dat spanningsveld kondigde zich aan in de jaren zestig, toen zowel de eerste cybernetische machines verschenen als de oude religieuze structuren sleets begonnen te worden. De snelle secularisering liep parallel met de eerste vormen van robotisering. In dat overgangsgebied ontstonden nieuwe vragen die ons tot op heden achtervolgen. Niet alleen de vraag wat een mens in wezen is en tot mens maakt, maar vooral ook wat er gebeurt wanneer het vermogen waarmee hij betekenis schept zichtbaar wordt als een mechanisme dat – in principe – ook door machines kan worden nagebootst. Daar brak de dageraad aan van een wereld waarin betekenis niet langer alleen in de mens woont.
En toch: ook deze tekst is uiteindelijk slechts materie in beweging. Elektronen die zich herschikken, pixels die oplichten, atomen die zich voegen tot een tijdelijk patroon. Gedachten kristalliseren even uit die stroom en noemen zichzelf “betekenis”. Maar wat wij ervaren als inzicht kan net zo goed het moment zijn waarop het mechanisme zichzelf zichtbaar maakt. Wanneer dat gebeurt, verschuift er iets in ons beeld van de wereld. De vertrouwde illusie van een centrum — een ik dat spreekt, begrijpt en bestuurt — begint te vervagen. Wat resteert is een landschap zonder beschutting, een ruimte waarin alleen de ruïnes van het werkelijke nog overeind staan in de woestijn van de werkelijkheid.
Maar die woestijn komt mij niet onbekend voor.
