Voor alles is een tijd

Wanneer een mens zijn oriëntatie in de tijd verliest, wanneer de toekomst en betekenis beginnen te vervagen, ontstaat er vaak een diep verlangen naar zekerheid en orde. Het toeval, dat zich doorgaans op de achtergrond van het dagelijks leven bevindt, kan plotseling als een bedreiging worden ervaren. Wat zich zonder oorzaak lijkt te ontvouwen, wat niet te voorspellen of te begrijpen valt, wordt dan ondraaglijk. In zulke momenten groeit het verlangen naar een wetmatigheid die het toeval kan beheersen, naar een ordening die het onberekenbare neutraliseert. De machine, met haar strikte regels en wiskundige precisie, wordt dan al gauw het symbool van die verlangde orde: een systeem waarin niets zonder reden gebeurt, waar elke beweging voortkomt uit een vooraf bepaalde structuur.

Toch is het belangrijk te herinneren dat er een tijd is voor alles — zoals de oude wijsheid van Prediker ons leert. Het zijn beroemde woorden die in onze cultuur bijna een eigen leven zijn gaan leiden. “Alles heeft zijn tijd,”: een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om te oogsten. Het is een citaat dat graag wordt aangehaald, alsof het een geruststellende harmonie in het bestaan bevestigt. Alsof het leven zich uiteindelijk voegt naar een ordelijk schema waarin alles zijn juiste moment kent.

Maar mogelijk ligt de betekenis van deze woorden juist ergens anders. Want in Prediker klinkt ook een ondertoon van ironie en vermoeidheid door. De opsomming van tijden is geen handleiding voor een goed geordend leven, maar eerder een beschrijving van een werkelijkheid waarin de mens telkens opnieuw wordt ingehaald door gebeurtenissen die hij niet zelf heeft gekozen. De tijd voltrekt zich, ongeacht onze plannen. Wij denken aan timeplanning te kunnen doen. Maar elk plan is in strijd met wat de tijd in wezen is: een te voorziene voortgang naar het onvoorziene.

Juist in een tijd waarin wij proberen de wereld steeds nauwkeuriger te modelleren, te berekenen en te programmeren, krijgt dat oude citaat uit Prediker een onverwachte betekenis. Waar wij hopen dat algoritmen de toekomst voorspelbaar zullen maken, herinnert Prediker eraan dat het leven zich niet volledig laat reduceren tot een reeks berekenbare momenten. De mens kan systemen bouwen die het volgende woord voorspellen, het volgende beeld genereren of het volgende besluit optimaliseren. Maar de tijd waarin hij zelf leeft blijft altijd iets weerbarstigs houden: een stroom die zich slechts gedeeltelijk laat temmen door de logica van machines.

Deze tijd is niet altijd in onze handen. Het is de dynamiek van het leven zelf: een voortdurende cyclus van schijnbare chaos en stille orde. Deze wijsheid herinnert eraan dat het verlangen naar controle en voorspelbaarheid, hoewel begrijpelijk, niet altijd het pad is volgens de lijnen van een werkelijke verlangen. Hoe vaak verwijder ik mij niet oneindig ver van datgene wat mijn hart – bij nader inzien – in wezen verlangt, alsof ik het pas durf te naderen door het eerst te ontvluchten, gevangen in een mechanisme dat mij tegelijk wegduwt en terugroept.

Wanneer dit verlangen naar voorspelbaarheid zich op grotere schaal manifesteert — in de geschiedenis of in de samenleving — kan het leiden tot systemen die proberen de wereld te herscheppen naar het model van een machine, waarin het toeval verdwijnt en alles voorspelbaar wordt. De geschiedenis zou dan een rechte lijn moeten volgen, en de mens zou zich moeten voegen naar een schema waarin alles zijn plaats heeft. Maar altijd ook nog een tijd is om met het verleden te breken, en anders wel met de dingen zoals ze gaan volgens de lijn der verwachtingen.

Eenzelfde proces kan zich ook in het innerlijk van een individu voltrekken. Wanneer de ervaring van zinloosheid te groot wordt, wanneer de tijd zich aaneenrijgt tot een reeks betekenisloze momenten, kan het bewustzijn proberen zich daaraan te onttrekken door een fictieve orde te scheppen. In zo’n situatie kan de gedachte opkomen dat achter de schijnbare chaos een verborgen systeem werkzaam is, een patroon dat alles met alles verbindt en dat de toevalligheid van het bestaan alsnog neutraliseert.

In die poging om het toeval te bezweren kan een vorm van almacht ontstaan die haar toevlucht neemt tot de fictie. De geest schept dan een wereld waarin de gebeurtenissen niet langer willekeurig zijn, maar noodzakelijk. De werkelijkheid wordt herschreven volgens een logica die zich niet meer laat corrigeren door de ervaring. Wat in de geschiedenis kan uitlopen op ideologie en geweld, kan in de geest van het individu uitmonden in een gesloten universum van betekenissen.

Ook in de literatuur kan zich een verwante verschuiving voltrekken. Wanneer het vertrouwen in een stabiele betekenisorde verdwijnt, verandert het schrijven zelf van karakter. Het verhaal verliest zijn vanzelfsprekende verhouding tot de werkelijkheid en het schrijven wordt een proces dat zijn eigen wetmatigheid volgt. In plaats van de wereld te representeren, begint de taal zichzelf te presenteren. Het vertellen van een verhaal verschuift naar het vertellen als zodanig: een beweging van woorden die elkaar opvolgen zonder dat hun betekenis nog volledig door een vooraf gegeven werkelijkheid wordt bepaald.

Je zou zelfs kunnen zeggen dat taal in haar meest elementaire vorm niets anders is dan een momentopname van een wereld die voortdurend in beweging is. Wat wij ‘de wereld’ noemen verschijnt dan als een samenstel van samenhangen die op een bepaald moment – vanuit een bepaalde optiek – in woorden worden vastgelegd. In dat opzicht lijkt taal op een primitieve foto van de werkelijkheid: een fixatie van iets dat in feite altijd in en toestand van ‘flux’ verkeert. Maar in het tijdperk van de techniek begint die verhouding zich om te keren. Betekenis wordt steeds minder ontleend aan een vooraf gegeven wereld en steeds meer voortgebracht door apparaten die beelden en tekens genereren.

Het apparaat is in dat opzicht een bijzondere uitvinding. Het is geen eenvoudig werktuig dat een menselijke handeling verlengt, maar een geconcretiseerde structuur van berekening, een vorm van gematerialiseerde wiskunde. De mens gebruikt zo’n apparaat aanvankelijk als een speeltuig, een instrument dat nieuwe mogelijkheden opent, maar gaandeweg verandert dat speeltuig zelf de structuur van de werkelijkheid. Want zodra men begint te geloven dat de wereld in haar diepste wezen wiskundig is opgebouwd, wordt het vanzelfsprekend om ook de werkelijkheid zelf volgens wiskundige principes te reorganiseren. Zo ontstaat het universum van apparaten en machines, een technische omgeving waarin de wereld steeds meer verschijnt als iets dat berekend, gemodelleerd en gereproduceerd kan worden.

In dat universum hebben machines een duidelijke functie. Zij worden ontworpen om menselijke vermogens te vervangen: de kracht van het lichaam, de precisie van de hand, het geheugen van het brein. In eerste instantie bevrijdt dat de mens van arbeid, maar op langere termijn verschuift de verhouding tussen mens en machine. De mens raakt steeds meer betrokken bij het functioneren van de systemen die hij zelf heeft gebouwd. Hij wordt degene die de apparaten moet bedienen, controleren en in werking houden. In plaats van heer en meester over de techniek te blijven, wordt hij geleidelijk een functionaris binnen een technisch systeem waarvan de interne logica hem grotendeels ontgaat. De apparaten functioneren volgens programma’s die voor de gebruiker zelf grotendeels onzichtbaar blijven, maar waarop het geheel toch draait.

De recente ontwikkeling van kunstmatige intelligentie heeft laten zien hoe ver dit proces kan gaan. Machines blijken in staat taal te leren door niets anders te doen dan het volgende woord te voorspellen op basis van de woorden die eraan voorafgaan. Wat voorheen een mysterie van menselijke creativiteit leek, blijkt voor een deel te berusten op statistische structuren die zich in enorme tekstverzamelingen laten herkennen. De taal verschijnt dan als een veld van waarschijnlijkheden waarin betekenis ontstaat uit patronen van opvolging.

Daarmee wordt de taal zichtbaar als een keten van gebeurtenissen die zich in de tijd voltrekken. Elk woord verschijnt na het vorige en opent de mogelijkheid van het volgende. In die opeenvolging schuilt een vorm van probabiliteit die doet denken aan wiskundige modellen waarin de kans op een volgende toestand afhankelijk is van de huidige. In zulke modellen is het verleden slechts indirect aanwezig; wat telt is de toestand waarin het systeem zich op dit moment bevindt. Op een vergelijkbare wijze kan taal functioneren als een keten waarin het volgende woord wordt voortgebracht vanuit de actuele stand van het geheel.

Maar juist hier opent zich een onverwachte parallel met verschijnselen die zich in de menselijke geest kunnen voordoen. Wanneer het patroon dat de opeenvolging van woorden ordent verstoord raakt, kan de taal een andere dynamiek aannemen. De sprongen tussen woorden worden groter, associaties volgen elkaar met een snelheid die het gewone denken te boven gaat, en de betekenis lijkt zich te verplaatsen naar een ander niveau van samenhang. Het volgende woord verschijnt dan niet meer volgens het vertrouwde ritme van het dagelijks taalgebruik, maar volgens een logica die alleen vanuit een bijzondere ervaring zelf begrijpelijk lijkt.

Wat men gewoonlijk als een psychose aanduidt, zou in dat licht ook kunnen worden opgevat als een verandering in het patroon waarin taal en tijd zich tot elkaar verhouden. Niet alleen de inhoud van het denken verandert dan, maar de structuur van het verschijnen zelf. Het is alsof het mechanisme dat de stroom van woorden en gedachten ordent een andere configuratie aanneemt. De keten blijft functioneren, maar haar waarschijnlijkheden verschuiven.

Daarmee raakt men aan een dieper probleem dat zich niet eenvoudig in woorden laat uitdrukken. Taal en teken berusten immers op handelingen van het bewustzijn die zelf al in de tijd plaatsvinden. Het bewustzijn vormt de horizon waarin alles verschijnt, maar die horizon zelf laat zich niet volledig objectiveren. De tijd waarin woorden elkaar opvolgen is geworteld in een nog fundamentelere stroom, een beweging van de ervaring als zodanig die voorafgaat aan elke formulering.

Men kan zich die grond voorstellen als een rivierbedding waarin het water van het bewustzijn voortdurend stroomt. In het dagelijks leven blijft die bedding grotendeels onzichtbaar; zij draagt de stroom zonder dat wij haar opmerken. Maar in uitzonderlijke toestanden kan het gebeuren dat de rivier buiten haar oevers treedt. Dan dringt de onderliggende stroom naar de oppervlakte en wordt het bewustzijn overspoeld door een intensiteit die het gewone onderscheid tussen denken en waarnemen opheft.

In zo’n toestand kan de tijd een andere gedaante aannemen. Het lineaire verloop van momenten, dat in het normale bewustzijn als vanzelfsprekend wordt ervaren, kan oplossen in een ervaring van gelijktijdigheid. Gedachten, beelden en waarnemingen vloeien dan in elkaar over. Het heden lijkt zich uit te strekken tot een veld waarin verleden en toekomst hun afzonderlijke plaats verliezen. Wat overblijft is een intens ‘nu’ waarin alles tegelijk aanwezig lijkt.

Juist op dat grensvlak tussen autonomie en overmacht ontstaat een ervaring die moeilijk in de gebruikelijke categorieën van psychologie te vatten is. De wil lijkt dan niet langer uitsluitend van het individu uit te gaan, maar wordt doorkruist door een kracht die zich aandient als iets dat van buiten komt en toch in het innerlijk werkzaam is. In religieuze tradities werd zo’n ervaring vaak opgevat als een ingrijpen van een goddelijke of demonische macht: een moment waarop de mens niet langer zelf de oorsprong van zijn handelen is, maar wordt aangegrepen door een kracht die hem te boven gaat. In een dergelijk perspectief verschijnt vrijheid niet als absolute autonomie, maar als een grensgebied waarin de menselijke wil wordt doorkruist door een andere orde.

Wanneer men deze verschillende niveaus naast elkaar legt – het individuele bewustzijn, de taal, de geschiedenis en de machine – ontstaat een merkwaardige overeenkomst. Overal blijkt de werkelijkheid afhankelijk te zijn van patronen die de stroom van gebeurtenissen ordenen. Soms blijven die patronen stabiel en bijna onzichtbaar. Soms raken zij verstoord en ontstaan er nieuwe configuraties waarin de tijd een andere structuur aanneemt.

De vraag wat er gebeurt wanneer zulke processen zich verbinden met de technische systemen die wij zelf hebben gebouwd, is daarmee onvermijdelijk geworden. Machines die taal voortbrengen volgens probabilistische patronen benaderen op een onverwachte wijze de mechanismen die ook in het menselijk denken werkzaam zijn. De grens tussen het spontane verloop van woorden in een menselijke geest en de berekende opeenvolging van woorden in een machine blijkt minder scherp dan werd vermoed.

Daarmee verschijnt een nieuw beeld van de mens in het tijdperk van de techniek. Niet langer staat hij eenvoudig tegenover de machine als haar schepper en gebruiker. De structuren die hij in zijn machines herkent blijken verwant aan de structuren die ook in zijn eigen denken werkzaam zijn. In dat spiegelbeeld tekent zich een figuur af die noch volledig mens, noch volledig mechanisme is: een bewustzijn dat zichzelf steeds opnieuw organiseert in patronen van taal en tijd.

Hier voltrekt zich een subtiele omkering van perspectief. Waar de moderne mens lange tijd geneigd was alles vanuit zichzelf te begrijpen – vanuit zijn autonomie, zijn rede en zijn vermogen tot controle – tekent zich nu een situatie af waarin de richting van het denken lijkt te kantelen. Het systeem dat hij heeft opgebouwd begint hem zelf te omgeven als een macht die zijn handelen structureert. In dat proces kan een ompoling plaatsvinden waarin autonomie ongemerkt omslaat in heteronomie, waarin de wil van het individu samenvalt met de logica van een systeem dat hij niet langer volledig overziet.

Mogelijk ligt daar ook de oorsprong van de figuur die in de moderne geschiedenis steeds duidelijker zichtbaar wordt: de mens die zich geleidelijk in de logica van zijn eigen systemen begint te bewegen. Niet omdat hij eenvoudig een machine is geworden, maar omdat de structuren die de machine mogelijk maken ook in hemzelf werkzaam blijken te zijn. In dat spanningsveld tussen bewustzijn en mechanisme, tussen vrijheid en een macht die zich aan het individu onttrekt, begint zich een nieuw tijdperk af te tekenen waarin de grens tussen mens en automaat steeds moeilijker te trekken wordt.

Juist hier dringt de oude stem van Prediker zich opnieuw op – althans volgens dorpspastoor Mous. Deze tekst herinnert aan iets wat in het technische tijdperk gemakkelijk wordt vergeten: dat  een mens leeft binnen een orde die hij niet zelf heeft voortgebracht. “Alles heeft zijn tijd,” – en die tijd laat zich niet totaal onderwerpen aan menselijke berekening. Een mens kan plannen smeden, machines bouwen en systemen ontwerpen, maar het ritme waarin het leven zich ontvouwt volgt een maat die zich telkens weer aan zijn beheersing onttrekt. Prediker wist dat alles zijn bestemde tijd heeft. Een tijd om lief te hebben, en een tijd om te haten; een tijd van oorlog, en een tijd van vrede

Alleen waarom dat zo is, dat wist hij niet. Wij ook niet trouwens.