De neuropsycholoog Viktor Lamme begint zijn boek De vrije wil bestaat niet (2010) met een verhaal dat leest als een macabere anekdote die bijna te vreemd lijkt om waar te zijn. Het is 23 mei 1987. Kenneth Parks heeft een zware dag achter de rug. Hij is werkloos geraakt, kampt met een torenhoge gokschuld en slaapt al weken nauwelijks. Uitgeput valt hij ’s avonds op de bank in slaap terwijl op televisie een aflevering van Saturday Night Live speelt.
Wanneer hij wakker wordt, overvalt hem een gevoel van totale desoriëntatie. Waar is hij? Dit is toch niet zijn woonkamer? Dan ziet hij een afschuwelijk tafereel: voor hem ligt zijn schoonvader, kreunend op de grond. Even verderop ligt het lichaam van zijn schoonmoeder, badend in bloed. Pas langzaam dringt het tot hem door wat er gebeurd moet zijn — een moord.
Het bizarre van deze zaak is dat Parks niet ontkent dat hij de dader is. Het nog vreemdere is dat hij er zelf niets van weet. Hij blijkt in zijn slaap achtentwintig kilometer te hebben gereden naar het huis van zijn schoonouders, daar zijn schoonmoeder te hebben gedood en zijn schoonvader zwaar te hebben verwond, om vervolgens opnieuw in zijn auto te stappen en naar het politiebureau te rijden. Zijn verklaring: hij moet hebben geslaapwandeld. In 1987 leidde deze zaak in Canada tot een geruchtmakende vrijspraak. Het werd een van de bekendste voorbeelden van wat men homicidal sleepwalking noemt — moord gepleegd tijdens slaapwandelen.
Het verhaal is zo extreem dat het bijna ongeloofwaardig klinkt. En toch raakt het aan een verontrustende gedachte: dat een mens soms handelingen kan verrichten zonder dat het bewuste zelf daar controle over heeft, of zich er later zelfs maar iets van kan herinneren.
In mildere vorm komt iets dergelijks misschien vaker voor dan we denken. Niet dat mensen in hun slaap moorden plegen, maar wel dat bepaalde ervaringen zich in het geheugen losmaken van het dagelijkse bewustzijn. Ze verdwijnen niet; ze gaan alleen een eigen bestaan leiden. De psychologie noemt dat dissociatie.
Ik ben die gedachte pas echt gaan begrijpen toen ik terugkeek op mijn eigen psychiatrisch verleden. Tijdens mijn opname in het psychiatrisch ziekenhuis van Heiloo in de jaren zestig maakte ik een periode door die zo ingrijpend was dat mijn herinneringen eraan zich later op een merkwaardige manier van mij hebben losgemaakt. Het was alsof dat deel van mijn leven niet langer helemaal bij mij hoorde. De herinneringen bleven bestaan, maar ze gingen hun eigen weg. Ze lagen ergens opgeslagen, half losgekoppeld van het dagelijkse bewustzijn — als een afzonderlijke laag van ervaring die niet voortdurend toegankelijk was.
Pas de laatste jaren keren die herinneringen geleidelijk terug. Niet als eenvoudige terugblikken op het verleden, maar als een complexe bron van reflectie. Ze hebben een stroom van beschouwingen op gang gebracht die uiteindelijk heeft geleid tot een reeks boeken en essays. Ik schreef over terrorisme en rouw, maar ook over schrijvers die zelf bijzondere psychische of zelfs psychotische ervaringen hebben gehad, zoals Gerard Reve, Harry Mulisch en Simon Vestdijk.
Achteraf bezien lijkt het soms alsof die teksten niet alleen uit het bewuste deel van mijn geest voortkwamen, maar ook uit dat afgesplitste reservoir van ervaringen. Alsof ergens in mij een tweede systeem aan het werk was — een soort innerlijke schrijfmachine die materiaal produceerde dat pas later in woorden werd omgezet.
Die gedachte werpt een ander licht op wat men traditioneel “geïnspireerd schrijven” noemt. Schrijvers beschrijven die toestand vaak als een vorm van bezieling: woorden die als vanzelf op papier verschijnen, zinnen die zich lijken te vormen zonder bewuste inspanning, soms zelfs een lichte trance waarin de schrijver meer toeschouwer dan maker lijkt te zijn. Het klassieke romantische beeld verklaart dat verschijnsel vanuit iets geestelijks: inspiratie als een ingeving, een stem van buiten of van boven.
Maar misschien is er ook een andere mogelijkheid. Wat wij inspiratie noemen zou evengoed het zichtbare resultaat kunnen zijn van een complex samenspel van eenvoudiger mentale subsystemen — geheugen, associatie, taalpatronen, emotionele resonanties — die zich tijdelijk in een uitzonderlijk productieve configuratie hebben georganiseerd. Wanneer die subsystemen elkaar precies weten te vinden, ontstaat er een soort zelfdraaiend mechanisme van betekenisproductie. De schrijver ervaart dat als inspiratie, maar in feite is het een uiterst efficiënt werkend cognitief systeem.
Vanuit dat perspectief zou men het schrijven zelfs kunnen beschouwen als een vorm van “machine-schrijven” die zich binnen het brein voltrekt. Niet omdat de mens letterlijk een machine is, maar omdat het schrijfproces dan lijkt op een productielijn waarin verschillende mentale modules informatie doorgeven, transformeren en combineren tot nieuwe tekst. Het bewuste ik fungeert daarbij minder als de auteur dan als een soort eindredacteur die af en toe ingrijpt.
In een gedissocieerde geest kan zo’n mechanisme misschien nog duidelijker zichtbaar worden. Wanneer een deel van de ervaring zich heeft afgescheiden van het dagelijkse bewustzijn, kan het zich ontwikkelen tot een relatief autonoom reservoir van beelden, herinneringen en betekenissen. Wanneer dat reservoir weer contact maakt met het schrijvende bewustzijn, kan het plotseling een stroom van materiaal genereren die de schrijver zelf verrast.
In dat opzicht werpt dissociatie ook een onverwacht licht op de werking van hedendaagse AI-systemen. Schrijfbots produceren tekst door enorme hoeveelheden taalpatronen te verwerken en daaruit nieuwe combinaties te genereren. Ze “weten” niet wat ze schrijven; ze laten patronen spreken. Op een heel andere schaal en in een andere vorm kan in het menselijk brein iets vergelijkbaars gebeuren wanneer verschillende cognitieve subsystemen zich tijdelijk organiseren tot een productieve configuratie van taal en betekenis.
Dat betekent uiteraard niet dat een mens een machine is of dat dissociatie hetzelfde is als kunstmatige intelligentie. Maar de vergelijking maakt wel iets zichtbaar. Zowel in het menselijk brein als in AI-systemen kunnen processen actief zijn die betekenis genereren zonder dat er een centraal, alles overziend bewustzijn aan het stuur zit.
Misschien is dat uiteindelijk de diepere betekenis van de wonderlijke anekdote waarmee Lamme zijn boek opent. Het verhaal van Kenneth Parks laat zien hoe fragiel de eenheid van het bewustzijn kan zijn. Het “ik” dat wij als de bestuurder van ons handelen beschouwen, blijkt soms slechts het zichtbare oppervlak van een veel complexer systeem.
En soms — in dromen, in een trauma, in dissociatie, maar wellicht ook in het schrijven — komt uit dat systeem een vorm van activiteit voort die bijna automatisch lijkt te verlopen. Wat wij inspiratie noemen, zou dan niets anders zijn dan het moment waarop de verschillende onderdelen van die innerlijke machine perfect op elkaar aansluiten. De schrijver ervaart dit als een plotselinge stroom van woorden, een plotselinge verlichting, alsof de creatieve energie van buitenaf binnenstroomt.
Maar in werkelijkheid is het de schrijvende machine van een gedissocieerde geest die, op dat moment, op volle toeren draait, een machine die zich niet meer bewust is van haar eigen werking, maar zich enkel overgeeft aan de automatische kracht van haar processen. Wat wij als inspiratie ervaren, is dan eigenlijk de schaduw van iets dieper, een breuk in de realiteit die ons tijdelijk toegang biedt tot de verborgen lagen van het onderbewuste.
