In zijn boek De twintigste eeuw (2006) beweert Alain Badiou dat wij in onze tijd niet zozeer vooruitgaan, maar terugvallen: niet in barbarij, maar in een restauratie. Het klassieke humanisme wordt opgepoetst, afgestoft en opnieuw uitgestald, maar dan zonder God, zonder metafysisch risico, zonder extase. Een humanisme zonder transcendentie, zonder gevaar. God is morsdood, maar de mens is ook niet meer wat hij geweest is. Zelfs het idee van de mens als maakbaar project – ooit het grote modernistische experiment – is uit de mode geraakt, precies op het moment dat wij genetisch in staat zijn om de mens te herschrijven als een software-update.
Wij kunnen het genoom bewerken, maar geloven niet langer in het ideaal. Wij optimaliseren het lichaam, maar wantrouwen de ziel. Het hedendaagse humanisme, zo suggereert Badiou, richt zich vooral op democratie en mensenrechten en reduceert de mens uiteindelijk tot zijn laatste onvervreemdbare bezit: het lichaam dat pijn kan lijden. De mens als kwetsbaar organisme. De mens als slachtoffer in potentie. Humanisme als dierenbescherming, maar dan voor de soort die zichzelf ooit tot maat van alle dingen verklaarde.
Dat lichaam is heilig verklaard. Het wordt beschermd, gemonitord, verzekerd, geanalyseerd, getrackt. We tellen stappen, meten slaap, analyseren bloedwaarden. Het naakte leven is de laatste schuilplaats van het sacrale. Zoals het dier beschermd wordt door regelgeving, zo wordt de mens beschermd tegen zichzelf. Misschien is dat de ultieme ironie: in een tijd waarin wij ons verheven wanen boven de natuur, keren wij terug naar de dierlijke wetten ervan. Wie geen hogere waarheid meer duldt, krijgt de biologie als noodlot.
En dat maakt een mens eenzaam, maar dan niet zoals voorheen.
Er is iets vreemds gebeurd met het woord ‘eenzaamheid’. Ooit was het een existentiële categorie. Tegenwoordig is het een beleidsprobleem. Eenzaamheid is meetbaar geworden. Er bestaan indexen, interventies, taskforces. In een Vinex-wijk voelt men zich niet eenzaam; men scoort hooguit op een schaal van affectieve deprivatie. Het vocabulaire is technisch geworden: depressie, hechtingsstoornis, contactangst, sociale disfunctie. Wat ooit een metafysische leegte was, heet nu een stoornis in de emotieregulatie.
De therapeutische wildgroei van de afgelopen decennia heeft een nieuw woordenboek voortgebracht waarin het woord ‘eenzaamheid’ eigenlijk niet meer thuishoort. Het is te poëtisch, te weinig evidence-based. Eenzaamheid klinkt als mist boven een polder. Het moet worden vertaald in protocollen.
Toch was eenzaamheid ooit de grondtoon van een tijdperk. In het naoorlogse Nederland daalde zij neer in de nieuwbouwwijken van Amsterdam Slotervaart en de Bijlmermeer, waar de moderne leegte door stedenbouwers werd gepresenteerd als vooruitgang. Wie daar opgroeide, leerde vanzelf wat afstand betekent. Social distancing avant la lettre. De literatuur van Gerard Reve, Anna Blaman en Willem Frederik Hermans ademde vervreemding, levensangst, het onvermogen om de ander werkelijk te bereiken. De mens stond in de kou van de geschiedenis, met de atoombom als horizon.
En toch – vreemd genoeg – klonk er muziek. Het Franse chanson gaf de eenzaamheid een melodie. Charles Aznavour bezong de spleen, terwijl de existentialistische walging van Jean-Paul Sartre nog na-ijlde in de cafés. Je ne suis jamais seul avec ma solitude. Eenzaamheid werd een esthetische pose, een melancholische luxe. Men kon er zelfs van genieten. De romantische verlatenheid vloeide over in een bitterzoet levensgevoel.
Na Auschwitz en Hiroshima werd het bestaan zwaar van betekenis. De mens was verantwoordelijk voor alles. Eenzaamheid overkwam je niet; je koos haar. In het Frans scheelde het maar één letter: solidaire of solitaire. Solidariteit of isolement. De existentiële mens stond voor de keuze en kon zich niet verschuilen achter systemen.
Maar systemen hebben inmiddels revanche genomen. Vandaag de dag is eenzaamheid geen metafysische toestand meer, maar een paradoxaal bijproduct van permanente verbondenheid. Wij dragen onze netwerken in onze broekzak. Wij worden wakker met notificaties en vallen in slaap met blauwe schermen. Wij zijn nooit alleen en toch voortdurend afgesneden. Het algoritme kent ons beter dan onze buurman. Misschien is dat de nieuwe vorm van eenzaamheid: dat men gelezen wordt zonder begrepen te worden.
God is verdwenen, maar het datacentrum is ervoor in de plaats gekomen. Vroeger beleed men zijn zonden in een biechtstoel; nu deelt men zijn stemmingen met een app. Vroeger zocht men verlossing; nu zoekt men bereik. De mens is een profiel geworden, een bundel data, een voorspelbaar patroon van voorkeuren.
En ergens in dat proces is het woord ‘ik’ veranderd. Dat kleine entkristal van twee letters, waarin ooit een kosmische breuk besloten lag, is gereduceerd tot een gebruikersnaam. Het ‘ik’ is een account geworden dat kan worden verwijderd wegens inactiviteit. Elke opeenvolging van woorden is misschien een gestolde emotie, maar tegenwoordig wordt die emotie opgeslagen in de cloud. Taal zelf lijkt een litanie van afwezigheid: wij spreken om niet te verdwijnen, maar verdwijnen juist in het spreken.
Dat is de absurditeit van onze tijd: wij beschermen het lichaam tot in het absurde, maar laten de ziel verdampen in netwerken. Wij zijn solidair met verre rampen via livestreams, maar weten niet wie er naast ons woont. Wij adopteren digitaal een regenwoud, maar sluiten de gordijnen voor de buurvrouw.
In deze mateloze tijd wordt de mens opnieuw wat hij altijd al was, maar nu zonder illusies: een dier tussen de dieren, voorzien van wifi. Een eenzaam wezen dat zijn eenzaamheid meet, deelt en archiveert.
Dat is tegelijk ook de laatste ironie van het hedendaagse humanisme: dat het ons met eindeloze zorg omringt, terwijl het ons zachtjes terugbrengt tot het meest elementaire feit van ons bestaan – dat ieder van ons uiteindelijk alleen geboren wordt, alleen sterft, en daartussenin probeert te geloven dat alles wat dit begin en eind verbindt geen fictie is.
