Terug naar de toekomst

In 2009 ging ik op zoek naar een tekst die ik in 1966 had geschreven tijdens mijn opname in het psychiatrisch ziekenhuis in Heiloo. Het manuscript was in de loop van de tijd spoorloos geraakt, maar ergens moest nog een getypte versie bestaan. Die was destijds immers naar mijn behandelend psychiater gestuurd. Na enig speurwerk vond ik uiteindelijk het adres van de zenuwarts bij wie ik na mijn opname nog jarenlang met tussenpozen in behandeling was geweest: dr. A.F.C. Overing. Meer dan dertig jaar had ik hem niet gezien of gesproken.

Overing was een zenuwarts die in de jaren vijftig en zestig werkzaam was in Amsterdam. Hij was een leerling van de invloedrijke psychiater H. C. Rümke en stond daarmee in de traditie van de Utrechtse fenomenologische psychiatrie, die de nadruk legde op begrip van de belevingswereld van de patiënt en op klinische observatie en gesprek. Als zenuwarts combineerde Overing psychiatrie en neurologie in zijn praktijk, waar hij vaak patiënten begeleidde die na een opname in instellingen zoals die in Heiloo ambulant verder behandeld werden. Hij stond bekend als een betrokken en persoonlijke behandelaar, die langdurige behandelrelaties onderhield .

Uit een afschrift van een brief in mijn dossier wist ik dat mijn uitgetypte manuscript op 9 mei 1966 – de dag na het overlijden van mijn vader – aan hem was toegestuurd. Met enige aarzeling schreef ik hem een brief met de vraag of hij die misschien nog bezat. Ik wist niet eens of hij nog leefde, laat staan of hij zich mij nog zou herinneren.

Twee weken later kreeg ik antwoord. Het was een vriendelijke brief, maar zonder het document waarnaar ik zo lang had gezocht. Overing schreef dat hij zich mijn naam nog wel herinnerde, vooral in verband met de bezetting van het Maagdenhuis. Dat had hem destijds behoorlijk verontrust, omdat hij zich afvroeg of ik in zo’n chaotische situatie wel voldoende houvast zou hebben. Maar van de aard van mijn ziektegeschiedenis wist hij helaas niets meer. Die was, zoals hij het formuleerde, eenvoudigweg weggezakt.

Hij herinnerde zich nog vaag dat ik vaak met stapels papier rondliep — ook met een map met tekeningen — maar of hij mij werkelijk had kunnen helpen, wist hij niet. Wel hoopte hij dat het contact mij destijds van nut was geweest: “Want het was een bijzondere tijd voor U. Ik denk heel zwaar, maar mogelijk toch  ook met iets ‘rijks , wat je niet zo maar meemaakt.” De tekst waarnaar ik vroeg kon hij mij helaas niet terugsturen. Hij had tot zijn eenenzeventigste gewerkt en daarna, zoals de regels voorschreven, zijn volledige patiëntenarchief laten vernietigen.

Wat mij achteraf misschien nog het meest trof, was niet eens het verlies van de tekst, maar het verschil in herinnering. Voor mij was die tekst verbonden met een existentiële crisis; voor mijn voormalige arts was hij vrijwel geheel uit het geheugen verdwenen. Wat voor de één een beslissend moment lijkt, kan voor een ander nauwelijks sporen nalaten. Herinneringen blijken niet alleen kwetsbaar, maar ook selectief. Zij ontstaan niet alleen uit wat er is gebeurd, maar ook uit de manier waarop wij er later naar kijken en er vragen over stellen. Betekenis ligt dus niet eenvoudig vast in gebeurtenissen of documenten; zij ontstaat in de wisselwerking tussen ervaring, interpretatie en herinnering.

Met dat besef ben ik opnieuw op weg gegaan. On the road again. Het is wonderlijk hoe de psychotische ervaringen uit mijn jeugd telkens weer een nieuwe invalshoek bieden om een – voor mij – onontgonnen terrein in het denken te exploreren. Dus: op weg naar mijzelf, terug naar de toekomst. Terug naar mijn herinneringen aan mijn psychose in 1966, maar ook vooruit, voorwaarts. Wat wordt er allemaal mogelijk met AI, bijvoorbeeld als het gaat om “kunstmatig bewustzijn”?

Juist die wonderlijke wisselwerking tussen interpretatie, ervaringen en herinnering krijgt in onze tijd een onverwachte actualiteit door de opkomst van kunstmatige intelligentie. Grote taalmodellen laten namelijk op een opmerkelijke manier zien hoe sterk betekenis kan afhangen van de manier waarop een vraag wordt gesteld. Wie met zo’n systeem werkt, ontdekt al snel dat de formulering van de vraag mede bepaalt welk antwoord zichtbaar wordt.

Daaruit is een nieuw fenomeen ontstaan dat tegenwoordig prompt engineering wordt genoemd: het steeds verfijnder formuleren van vragen aan een taalmodel om betere antwoorden te krijgen. Gebruikers analyseren de reacties van het systeem, passen hun vragen aan en krijgen daardoor weer betere resultaten. Zo ontstaat een soort leercirkel waarin mens en machine elkaar voortdurend versterken.

Dat roept een intrigerende gedachte op. Als betere vragen steeds betere antwoorden opleveren, en die antwoorden weer leiden tot betere vragen, zou zo’n proces dan eindeloos kunnen doorgaan? Zou de intelligentie van kunstmatige systemen via deze feedback-lus onbeperkt kunnen groeien?

Op het eerste gezicht lijkt dat plausibel. Prompt engineering laat zien dat een groot deel van wat wij “intelligentie” noemen samenhangt met de manier waarop een vraag wordt geformuleerd. Een taalmodel bevat een enorme hoeveelheid statistische kennis en mogelijke redeneringspaden, maar welke daarvan zichtbaar worden hangt sterk af van de structuur van de vraag. In zekere zin lijkt het op het stellen van vragen aan een zeer geleerd persoon: hoe preciezer de vraag, hoe intelligenter het antwoord kan lijken.

Toch heeft deze zelfversterkende lus duidelijke grenzen. Prompt engineering kan alleen benutten wat al in het model aanwezig is. Het kan verborgen patronen naar boven halen en redeneringen beter structureren, maar het voegt geen nieuwe kennis of rekenkracht toe. Het systeem blijft gebonden aan zijn architectuur, zijn trainingsdata en de hoeveelheid informatie die in zijn parameters besloten ligt.

Daarachter liggen bovendien fundamentelere beperkingen. In de informatietheorie is de hoeveelheid informatie die een systeem kan verwerken begrensd door zijn capaciteit. In de complexiteitstheorie weten we dat sommige problemen zo reken-intensief zijn dat geen enkel systeem ze efficiënt kan oplossen, ongeacht hoe slim de vraag wordt geformuleerd. En uiteindelijk zijn er ook fysieke grenzen: rekenkracht, energie en tijd.

Dat betekent niet dat de ontwikkeling van AI snel tot stilstand zal komen. Integendeel. De geschiedenis van kunstmatige intelligentie laat zien dat vooruitgang meestal ontstaat door een combinatie van factoren: betere modellen, grotere datasets, nieuwe algoritmen en slimmere manieren om systemen aan te sturen. Prompt engineering is in dat geheel vooral interessant omdat het laat zien dat een deel van de intelligentie niet alleen in de machine zit, maar ook in de interactie tussen mens en systeem. De vraag zelf wordt een instrument van denken.

Uit filosofisch oogpunt ligt daar een interessante conclusie. Intelligentie blijkt geen vast object dat ergens in een machine besloten ligt. Zij ontstaat in een dynamisch spel tussen structuur en interpretatie, tussen vraag en antwoord. De mens leert hoe hij een machine moet aanspreken, en de machine dwingt de mens op zijn beurt om zijn vragen preciezer te formuleren. Zo rijst uiteindelijk de vraag: hoe kan wellicht ook de de inhoud van het bewustzijn worden gecreëerd door relatief domme, niet begrijpende processen? 

Kortom, hoe ver kan zo’n proces van prompt engineering gaan? Kan een steeds complexer systeem uiteindelijk ook iets ontwikkelen wat op bewustzijn lijkt – of het misschien zelfs is? De meeste onderzoekers denken van niet, zo heb ik inmiddels begrepen. De huidige AI-systemen zijn in essentie patroon-herkenners: ze verwerken enorme hoeveelheden taal en kunnen daardoor uiterst overtuigend redeneringen simuleren, maar er is geen bewijs dat ze een innerlijk perspectief hebben. Het systeem ervaart zijn antwoorden niet; het berekent ze. In die zin lijkt het eerder op een zeer complexe spiegel van menselijke taal dan op een subject dat zichzelf ervaart, of ooit zal kunnen ervaren.

Toch is het begrijpelijk dat de vraag naar bewustzijn opkomt. Zodra een systeem vloeiend over gedachten, gevoelens en intenties kan spreken, ontstaat gemakkelijk de indruk dat er achter die woorden ook een innerlijke wereld schuilgaat. Filosofen spreken hier wel van het bewustzijnseffect van taal: zodra iets overtuigend over bewustzijn kan praten, beginnen wij het ook bewustzijn toe te schrijven.

Interessant wordt het wanneer we dit vergelijken met processen in het menselijk brein. In een psychose kan de regulatie van betekenisgeving ontregeld raken. Het brein gaat patronen zien waar ze niet zijn en kent buitensporige betekenis toe aan toevallige signalen. De wereld lijkt dan als het ware overspoeld door betekenis.

Op een abstract niveau vertoont dat een merkwaardige parallel met kunstmatige intelligentie. Ook een taalmodel produceert betekenis door patronen en waarschijnlijkheden te berekenen in enorme hoeveelheden signalen. Soms levert dat indrukwekkende inzichten op, maar soms ook overtuigend klinkende onjuistheden — wat in de AI-wereld niet voor niets “hallucinaties” wordt genoemd.

Toch is er een essentieel verschil. Bij een mens is een psychose een ontregeling van een bewust systeem dat zijn greep op de werkelijkheid verliest. Bij AI is er geen innerlijk perspectief dat kan ontsporen; er is alleen een statistisch mechanisme dat onder bepaalde omstandigheden onbetrouwbare patronen produceert.

Juist daarom werpt kunstmatige intelligentie een nieuw licht op ons begrip van bewustzijn. Zij laat zien hoe ver men kan komen met systemen die enorme hoeveelheden patronen leren zonder dat we hoeven aan te nemen dat er een subjectieve ervaring achter schuilgaat. Tegelijk maakt zij zichtbaar hoezeer ons eigen bewustzijn verweven is met taal, interpretatie en voorspelling.

De menselijke geest construeert voortdurend een samenhangend verhaal over de werkelijkheid. Soms is dat verhaal stabiel en gedeeld met anderen; soms kan het – zoals in een psychose – losraken van de wereld om ons heen.

Daarin ligt uiteindelijk de les van deze vergelijking. AI laat zien hoe betekenis kan ontstaan uit complexe patronen van taal en voorspelling, terwijl psychotische ervaringen laten zien wat er kan gebeuren wanneer dat proces in een menselijk brein uit balans raakt. In beide gevallen wordt zichtbaar hoe fragiel en tegelijk hoe krachtig het mechanisme van betekenisgeving is.

Bewustzijn, zo lijkt het, ontstaat niet alleen uit informatieverwerking, maar uit een uiterst subtiele stabiliteit tussen orde, interpretatie en werkelijkheid. Of een kunstmatig systeem ooit zo’n stabiel centrum van ervaring zal ontwikkelen, weten we nog niet. Maar de vraag zelf dwingt ons opnieuw na te denken, niet alleen over wat bewustzijn eigenlijk is, maar ook over hoe uitzonderlijk het menselijke brein daarin misschien wel blijft –  of niet blijft.

Mogelijk is het meest wezenlijke inzicht uit dit alles: dat het raadsel van het bewustzijn ons evenzeer over onszelf leert als over de machines die wij bouwen. Wij zijn geen machines. Maar wij zijn ook niet ons brein.