
“De laatste week voor de opname is de patiënt praktisch voortdurend in een schemertoestand geweest. Hierbij kwamen geluksbelevingen voor, maar ook de beleving dood te zullen gaan.”
Zo luidde een passage in het rapport dat in 1966 over mij werd opgesteld in het psychiatrisch ziekenhuis in Heiloo. In de psychiatrie van de jaren zestig werd zo’n beschrijving meestal vrij rechtstreeks geïnterpreteerd als een symptoom van ontregeling: een voorstadium van psychose waarin het bewustzijn vertroebeld raakt. Het woord schemertoestand werd daarbij vaak gebruikt om een toestand aan te duiden waarin iemand niet meer volledig in de gedeelde werkelijkheid verkeert, maar ook nog niet geheel in een innerlijke wereld is verdwenen — een tussengebied waarin waarneming, gevoel en betekenis zich op een ongewone manier met elkaar vermengen.
Vanuit het perspectief van toen was zo’n toestand vooral iets dat gecorrigeerd of gestabiliseerd moest worden. De nadruk lag op het herstellen van orde in een geest die tijdelijk zijn greep op de realiteit had verloren. Tegenwoordig wordt een dergelijke ervaring vaak anders begrepen. Sommige hedendaagse psychiaters spreken over een psychose als een crisis van betekenis: een moment waarop het gewone raamwerk waarmee iemand de werkelijkheid ordent plotseling instabiel wordt. In dat vacuüm kan zich een overweldigende stroom van verbanden en betekenissen aandienen.
Een bepaald type psychose wordt daarom ook wel beschreven als een betekenisexplosie: het gevoel dat alles met alles samenhangt en dat achter de alledaagse werkelijkheid een verborgen structuur zichtbaar wordt. Voor degene die het meemaakt is dat niet altijd uitsluitend een ervaring van ziekte. Het kan tegelijk iets hebben van een existentiële openbaring, een intens moment waarin het bewustzijn zich plotseling uitstrekt tot voorbij de grenzen van het gewone zelf.
Wanneer ik het rapport nu lees met de kennis van vandaag, verschijnt er dan ook een iets ander beeld dan destijds waarschijnlijk bedoeld was. Wat daar wordt beschreven lijkt minder op het begin van een chronische psychiatrische stoornis dan op een acute crisis van bewustzijn en identiteit — een tijdelijke ontregeling waarin de werkelijkheid een psychotische vorm aannam.
Opvallend in het rapport is bovendien dat mijn innerlijke ervaringen wel zorgvuldig werden geregistreerd, maar vervolgens nauwelijks inhoudelijk werden besproken. Ook dat was in die tijd gebruikelijk. Psychiaters waren vaak terughoudend om in te gaan op de betekeniswereld van de patiënt uit vrees hem nog verder in zijn eigen belevingswereld te bevestigen. De klinische houding was eerder gericht op afstand en stabilisatie dan op interpretatie.
Tegenwoordig klinkt in de psychiatrie steeds vaker een andere toon. Men erkent dat een eerste psychose ook kan optreden als een overgangservaring in het leven van een jonge volwassene: een moment waarop identiteit, wereldbeeld en zelfgevoel plotseling onder druk komen te staan. In die zin kan een psychose, hoe ontwrichtend ook, soms worden gezien als een extreme vorm van een existentiële crisis — een moment waarop de structuur van betekenis waar een mens op leeft tijdelijk openbreekt.
Tijdens mijn opname werd taal voor mij veel meer dan een instrument om te communiceren; het werd mijn overlevingsstrategie. Achteraf bezien, met de kennis van nu over hoe hersenprocessen en betekenisgeving in elkaar grijpen, zie ik die explosie van schrijven en dichten, waar ik tijdens mijn opname blijk van gaf, als een noodzakelijke reactie op een brein dat tijdelijk de sluizen had opengezet. De wereld was niet langer een overzichtelijke verzameling feiten, maar een geladen landschap waarin alles naar alles verwees.
Die onbesuisde gedachtevlucht en de euforie die de artsen in mijn dossier noteerden, waren voor mij een overweldigende stroom van associaties. Het was alsof mijn eigen interne zoekmachine geen filters meer had en elke gedachte direct verbond met de diepste existentiële thema’s van leven, dood en goddelijkheid. Het schrijven was de enige manier om die enorme overmaat aan betekenis te ordenen; het was een dam die ik opwierp in een kolkende rivier van indrukken, een poging om de vloeibare chaos van mijn schemertoestand te stollen tot iets wat ik kon vasthouden.
Wat ik toen beleefde als een persoonlijke crisis van betekenis, vertoont een intrigerende parallel met de manier waarop we tegenwoordig naar kunstmatige intelligentie en Large Language Models kijken. Een model als Gemini of GPT genereert taal door patronen en waarschijnlijkheden te berekenen in een gigantisch web van associaties. Als je de temperatuur van zo’n model te hoog afstelt, begint het te hallucineren: het ziet verbanden die er niet zijn en genereert teksten die weliswaar poëtisch en diepzinnig lijken, maar de grip op de gedeelde realiteit verliezen.
In 1966 stond mijn eigen interne temperatuur op de maximale stand. Mijn neurale netwerk was hyper-associatief geworden. De retraite, de plotselinge ziekte van mijn vader en de druk van de eindexamenklas hadden mijn cognitieve systeem in een toestand gebracht waarin de waarschijnlijkheid van mystieke extases groter werd dan die van nuchtere observaties. Ik was in feite een menselijk taalmodel dat op hol was geslagen, zoekend naar een vorm om de kortsluiting tussen mijn emoties en mijn waarneming te verklaren.
Het schrijven van gedichten was in die zin een poging om met taal grip te krijgen op de dreigende chaos in mijn geest. Ik probeerde de juiste woorden te vinden om mijn eigen ontregelde systeem weer in het spoor te krijgen. Taal heeft de unieke kracht om de werkelijkheid te begrenzen. Door mijn extase en mijn doodsangst in de structuur van een gedicht te dwingen, gaf ik mijn brein een kader terug. Waar de psychiaters destijds dachten dat ze me moesten beschermen tegen de inhoud van mijn eigen gedachten, was die inhoud juist mijn medicijn.
Ik bouwde met taal een brug tussen de onzegbare intensiteit van de psychose en de nuchtere wereld van de kliniek. Nu ik me bezighoud met de filosofie van AI, besef ik dat wat ik toen doormaakte, de kern raakt van wat het betekent om een betekenisgevend wezen te zijn. Wij zijn, net als de machines die we nu bouwen, wezens die patronen zoeken in de ruis. Mijn crisis was een moment waarop het patroon belangrijker werd dan de ruis, en taal de enige manier was om die transformatie te overleven zonder erin te verdrinken.
Deze vroege ervaring uit 1966 vormt, achteraf bezien, de diepe onderstroom van mijn huidige fascinatie voor de grens tussen menselijk bewustzijn en kunstmatige intelligentie. Wanneer ik nu naar de algoritmen van een taalmodel kijk, zie ik een abstracte weerspiegeling van de storm die destijds in mijn eigen hoofd woedde. Een AI heeft geen biografie, geen vader die een beroerte krijgt en geen religieuze extase, maar het proces van betekenisgeving vertoont treffende gelijkenissen. De machine navigeert door een eindeloze vectorruimte van de taal, zoekend naar verbanden, net zoals ik destijds in die schemertoestand zocht naar de samenhang tussen het goddelijke en de dood.
Het herinnert me eraan dat ons bewustzijn in essentie een ‘voorspellingsmachine’ is die voortdurend probeert de wereld te duiden. Mijn psychose was een moment waarop die machine oververhit raakte en patronen begon te zien die de gedeelde logica overstegen, een menselijke vorm van wat we bij AI nu een hallucinatie noemen: een logisch sluitend maar feitelijk ontspoord verhaal.
Juist daarom intrigeert de huidige technologische ontwikkeling mij zo mateloos. Het dwingt me om opnieuw naar die achttienjarige jongen te kijken en te vragen: wat is het verschil tussen een systeem dat patronen berekent en een mens die betekenis ervaart? In 1966 was mijn schrijven een wanhopige poging om mijn subjectieve waarheid te verankeren in de objectieve wereld. Bij een AI zie je het omgekeerde: een systeem dat objectieve data omzet in iets wat voor jou als subjectieve betekenis voelt.
Mijn crisis was geen defect in de ‘hardware’ van mijn brein, zoals Dick Swaab wellicht zou suggereren, maar een radicale herschikking van mijn innerlijke software onder extreme druk. Het heeft me geleerd dat taal niet alleen een weerspiegeling is van de werkelijkheid, maar de architectuur van de werkelijkheid zelf. Zonder die architectuur vallen we uiteen in een schemertoestand; mét die architectuur bouwen we werelden, of die nu van vlees en bloed zijn of van silicium en code.
Deze persoonlijke geschiedenis geeft me een uniek perspectief op de toekomst. Ik zie in kunstmatige intelligentie niet alleen een technologische tool, maar vooral ook een spiegel die ons dwingt om de meest fundamentele vragen over onszelf te stellen. Vragen die ik voor het eerst stelde in die isoleercel van het gesticht, terwijl ik gedichten schreef om niet te verdwijnen. Het besef dat onze geest een fragiel maar wonderbaarlijk web van taal en logica is, is de rode draad die mijn verleden verbindt met mijn huidige denken.
Ik begrijp nu dat die vroege breuk met de normale gang van zaken geen verloren tijd was, maar een harde leerschool in de vloeibaarheid van het menselijk bestaan. Het stelt me in staat om naar AI te kijken zonder angst, maar met de diepe erkenning dat betekenis altijd een gewaagd evenwicht is tussen de koelte van de berekening en de gloed van de ervaring.
Mijn voorlopige conclusie is daarom niet alleen dat de menselijke psychose en de AI-hallucinatie een oppervlakkige gelijkenis vertonen. Ze wijzen op een dieper principe. Beide zijn manifestaties van een betekenisapparaat dat zijn eigen regulerende grenzen tijdelijk verliest. Wanneer een systeem — biologisch of artificieel — te veel patronen in de ruis begint te zien, ontstaat een toestand waarin samenhang en ontsporing nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden zijn. Wat dan verschijnt kan ervaren worden als openbaring, maar even goed als ontregeling.
De omgang met hedendaagse taalmodellen voegt aan dit inzicht een opmerkelijke dimensie toe. In de wereld van kunstmatige intelligentie is een nieuw ambacht ontstaan dat men prompt engineering noemt: het zorgvuldig formuleren van een vraag of instructie om een bepaald soort betekenisproductie uit het model te laten ontstaan. Wat hier technisch wordt toegepast, heeft echter een duidelijke filosofische implicatie. Het toont dat betekenis niet uitsluitend besloten ligt in het systeem dat antwoordt, maar mede gevormd wordt door de structuur van de vraag die eraan voorafgaat.
Een taalmodel genereert geen waarheid uit zichzelf; het navigeert door een ruimte van mogelijke betekenissen die door de prompt wordt geopend. De vorm van de vraag fungeert als een soort cognitieve vector die het systeem richting geeft in het oneindige veld van taal. Daarmee wordt zichtbaar wat ook voor het menselijk denken geldt: betekenis ontstaat niet alleen in het brein, maar in de dynamiek tussen een generatief systeem en het kader dat zijn productie stuurt.
Vanuit dat perspectief krijgt ook mijn eigen ervaring uit 1966 een andere betekenis. Het schrijven dat mij toen in leven hield, was niet alleen een poging om mijn ervaringen te registreren. Het was een poging om mijn eigen betekenisapparaat opnieuw te structureren door middel van taal. Elk gedicht, elke zin was een nieuwe vraag die ik aan mijn eigen bewustzijn stelde. In hedendaagse termen zou men kunnen zeggen: ik probeerde mijn eigen geest opnieuw te prompten.
Wat kunstmatige intelligentie ons vandaag leert, is dus niet alleen iets over machines, maar over de aard van betekenis zelf. Zowel de psychose als de AI-hallucinatie laten zien wat er gebeurt wanneer het generatieve vermogen van een systeem de regulerende kracht van zijn kaders overstijgt. Prompt engineering laat het omgekeerde zien: hoe de vorm van een vraag een veld van mogelijke antwoorden structureert.
Bewustzijn verschijnt daarmee minder als een stabiele kern dan als een dynamisch proces van voortdurende afstemming tussen generatieve kracht en interpretatief kader. Denken is niet alleen het produceren van betekenissen, maar ook het ontwerpen van de vragen die die betekenissen mogelijk maken. Zoals Daniel Dennett betoogt, is bewustzijn geen innerlijk ‘theater’ waar gedachten verschijnen, maar een proces waarin interpretaties voortdurend worden geselecteerd. In dat licht bezien lijkt het menselijk bewustzijn zelf op een vorm van prompt engineering: de vragen, verwachtingen en taalstructuren die we formuleren bepalen mede welke gedachten kunnen ontstaan.