“Ik kon daar goed afstand van nemen, het was net alsof iedereen om me heen met een andere patiënt bezig was. Ook dat het ieder moment afgelopen kon zijn met me kon ik rustig incasseren. Dissociatie noemen ze dat in de psychiatrie. Een overlevingsmechanisme. Werkt prima. Ze hadden me eigenlijk even in de scan moeten leggen om te zien wat er dan in je hoofd gebeurt.”
Dat zei Dick Swaab onlangs in een interview in de NRC over zijn geestesgesteldheid toen hij twee keer kort na elkaar aan de dood was ontsnapt door een levensbedreigende ziekte. Dissociatie is een tijdelijke mentale afscheiding van gedachten, gevoelens, herinneringen of het gevoel van jezelf en de omgeving. Het is een mentale toestand die ik herken omdat ik dit vorig jaar precies zo heb ervaren na mijn (geslaagde) openhartoperatie en mijn (al even geslaagde) behandeling tegen prostaatkanker. Ik had voortdurend het gevoel dat ik vlak langs een afgrond liep, maar dat mij door een een dichte mist een blik in een peilloze diepte ontnomen werd.
Wanneer je onder zulke extreme druk komt te staan, kan het bewustzijn in een merkwaardige toestand terechtkomen. De gewone ordening van ervaringen lijkt dan tijdelijk te verschuiven. Wat normaal vanzelfsprekend is wordt minder stabiel. In zulke extreme omstandigheden kunnen verschijnselen optreden die in eerste instantie sterk van elkaar lijken te verschillen: zoals een dissociatie van het gevoelsleven, maar ook een visionaire of mystieke ervaring, of anders wel een sterke vernauwing van de belevingswereld, waarbij alles lijkt te worden samengeperst tot een gevoel van vreemde opwinding.
Het is een geestestoestand die enigszins overeenkomt met de schemerzone in de aanloopfase van een psychose, zoals ik dat eerder in mijn leven ervaren heb. Deze wonderlijke gemoedsstemmingen vertonen een opvallende verwantschap. In alle gevallen verandert de manier waarop het brein betekenis toekent aan wat er gebeurt.
Het menselijke bewustzijn functioneert normaal gesproken als een soort filter. Het brein ontvangt voortdurend een enorme hoeveelheid prikkels, maar slechts een klein deel daarvan krijgt werkelijk betekenis. Dat selectieproces is noodzakelijk; zonder zo’n filter zou de wereld onoverzichtelijk en overweldigend worden. Wanneer dat filter onder extreme omstandigheden verzwakt of tijdelijk ontregeld raakt, kan het tegenovergestelde gebeuren: gewone gebeurtenissen beginnen plotseling een ongewoon gewicht te krijgen.
Toevallige details lijken met elkaar samen te hangen, woorden of gebaren krijgen een symbolische lading, en de wereld kan een intens gevoel van betekenisvolheid aannemen. Veel mensen die een beginnende psychose doormaken beschrijven precies dit: het gevoel dat de werkelijkheid plotseling transparant wordt, alsof achter het alledaagse oppervlak een verborgen samenhang zichtbaar wordt.
Dat deze ervaring soms een religieuze of openbarende kleur krijgt, is niet zo vreemd. Mystieke tradities beschrijven al eeuwenlang bewustzijnstoestanden waarin het gewone onderscheid tussen subject en wereld vervaagt en alles doordrongen lijkt van betekenis. In beide gevallen lijkt het brein tijdelijk minder streng te selecteren welke signalen belangrijk zijn en welke niet. Wat normaal wordt weggefilterd, dringt nu door tot het bewustzijn. Daardoor kan de wereld een intensiteit krijgen die zowel extatisch als angstwekkend kan zijn.
Wie zelf ooit in een psychiatrische omgeving heeft verkeerd, herkent hoe scherp deze spanning tussen betekenis en verklaring kan worden ervaren. In de psychiatrie van de jaren zestig begon juist een verschuiving zichtbaar te worden tussen twee benaderingen van de menselijke geest. Enerzijds was er de oudere traditie waarin gevoelens, levensgeschiedenis en symbolische betekenis centraal stonden; anderzijds kwam steeds sterker een neurologisch paradigma naar voren waarin het brein werd opgevat als een elektrochemisch systeem van neuronen, synapsen en neurotransmitters. Voor patiënten betekende dat vaak een ingrijpende medische behandeling.
Intensieve kuren met antipsychotische middelen – destijds bijvoorbeeld hoge doses van preparaten als Sordinol of Trilafon – probeerden de ontregeling van het brein te stabiliseren door de dopaminerge activiteit te onderdrukken. Zulke behandelingen konden psychotische verschijnselen temperen, maar ze hadden ook diepe neveneffecten: het lichaam werd rustiger, emoties vlakten af en zelfs de seksualiteit kon maandenlang vrijwel verdwijnen. Wat dergelijke ingrepen op lange termijn precies met de complexe chemie van hersenen en hormonen doen, is nog altijd maar gedeeltelijk begrepen. In zekere zin blijft het brein, ondanks alle vooruitgang, een black box.
Die spanning tussen het medische model en de subjectieve ervaring van de patiënt werd soms bijna tastbaar. Zo heb ik destijds tijdens mijn opname een patiënt ontmoet die zich fel verzette tegen het idee dat zijn geestelijke toestand door hersenscans gelokaliseerd moest worden. Voor hem was zijn hun ontregeling geen defect in een neurologisch circuit, maar een overschot aan emotie en verbeelding, een overvloed aan gevoel waar de geest even geen raad mee wist. Juist zo’n ervaring laat zien hoe groot de kloof soms kan zijn tussen de taal van de psychiatrie en de beleving van degene die de crisis ondergaat.
In de jaren zestig werd deze kloof ook maatschappelijk zichtbaar. De naoorlogse psychiatrie, die sterk op medische stabilisatie en institutionele zorg was gericht, begon onder druk te komen staan van nieuwe ideeën. De opkomst van de antipsychiatrie stelde de vraag of psychose wel uitsluitend als ziekte moest worden gezien. Denkers als R. D. Laing en David Cooper benadrukten dat een psychose ook een reactie kon zijn op ondraaglijke sociale omstandigheden of op de vervreemding van de moderne samenleving. In hun visie kon de psychotische ervaring zelfs trekken vertonen van een existentiële of spirituele zoektocht – een reis naar binnen die in bepaalde culturen eerder als religieuze ervaring dan als ziekte zou zijn opgevat. Hoe controversieel deze ideeën ook waren, ze maakten duidelijk dat de betekenis van een psychose niet uitsluitend in neurochemische termen kon worden begrepen.
Juist die vraag naar de aard van innerlijke ervaring – of die nu als ziekte, bewustzijnstoestand of spirituele openbaring wordt geïnterpreteerd – raakt aan een breder filosofisch probleem: hoe het bewustzijn zelf begrepen moet worden. In dit verband is het goed nog eens te denken aan wat de filosoof Daniel Dennett over het bewustzijn heeft beweerd.
Onlangs heb ik opnieuw geprobeerd zijn boek Bewustzijn verklaard (1994) van begin tot eind uit te lezen. Wederom strandde ik in Dennetts eindeloze evenwichtsoefening: het cartesiaanse dualisme koste wat kost vermijden, maar tegelijk rationeel en begrijpelijk blijven redeneren, terwijl juist het wereldbeeld ontbreekt waarin bewustzijn werkelijk — en zonder frictie met het rationele denken — kan worden begrepen. Het resultaat is een merkwaardig soort intellectuele volharding: blijven kloppen op een deur waarvan iedereen inmiddels weet dat er niets meer achter ligt. Een filosofisch knock, knock, knocking on heaven’s door, terwijl de hemel allang failliet is verklaard. En wanneer ook dat niets oplevert, resteert uiteindelijk slechts de oude uitweg van het platte materialisme, al in de negentiende eeuw geformuleerd door Jacob Moleschott: Ohne Phosphor kein Gedanke.
Hoe dan ook, volgens Dennett is het bewustzijn geen centrale plek in de hersenen waar alles samenkomt, maar eerder een dynamisch proces waarin voortdurend meerdere interpretaties van de werkelijkheid met elkaar concurreren. In zijn zogenaamde “multiple drafts”-model ontstaan ervaringen uit een stroom van parallelle verwerkingsprocessen in het brein, die elkaar voortdurend corrigeren en herschrijven. Wat wij uiteindelijk als onze bewuste ervaring beschouwen, is in feite het resultaat van een selectieproces binnen deze vele mogelijke interpretaties.
Vanuit dat perspectief wordt ook begrijpelijk waarom extreme situaties zulke merkwaardige bewustzijnstoestanden kunnen oproepen. Wanneer de regulerende mechanismen van het brein – de systemen die normaal bepalen welke interpretaties dominant worden – tijdelijk ontregeld raken, kunnen alternatieve interpretaties van de werkelijkheid gemakkelijker naar de voorgrond treden. Het resultaat kan een gevoel van plotseling inzicht zijn, alsof de wereld een verborgen structuur onthult. Maar hetzelfde proces kan ook leiden tot een explosie van betekenissen die elkaar niet meer in balans houden, waardoor de ervaring uiteindelijk chaotisch of waanachtig wordt.
Dennett benadrukt bovendien dat het bewustzijn sterk afhankelijk is van taal en narratieve structuren. Mensen organiseren hun ervaringen voortdurend in verhalen over zichzelf en de wereld. Wanneer dat narratieve kader onder druk komt te staan – bijvoorbeeld door trauma, existentiële dreiging of een ontregeling van het brein – kan de samenhang van die verhalen tijdelijk verdwijnen. In de vroege fase van een psychose lijkt dan vaak een nieuwe, intens betekenisvolle interpretatie van de werkelijkheid te ontstaan. Voor de betrokkene voelt dat soms als een openbaring, omdat de gebruikelijke twijfel en zelfcorrectie van het brein tijdelijk verzwakt zijn.
Wat deze inzichten duidelijk maken, is dat de grens tussen alledaags bewustzijn, mystieke ervaring en psychotische betekenisvorming minder absoluut is dan vaak wordt gedacht. In alle gevallen gaat het om variaties in dezelfde fundamentele activiteit van het brein: het voortdurend genereren en selecteren van interpretaties van de werkelijkheid. Het verschil ligt vooral in de mate waarin die interpretaties nog in evenwicht blijven met elkaar en met de gedeelde wereld van andere mensen. Wanneer dat evenwicht behouden blijft, kan een intense ervaring worden geïntegreerd in het levensverhaal van iemand. Wanneer het evenwicht langdurig verstoord raakt, kan dezelfde dynamiek uitmonden in een psychose. Vanuit Dennetts perspectief laat juist dit zien hoe het bewustzijn geen vast gegeven is, maar een kwetsbaar en voortdurend herschreven proces waarin betekenis steeds opnieuw wordt geconstrueerd.
Wanneer men de inzichten van Dennett naast de werking van hedendaagse kunstmatige intelligentie legt, ontstaat bovendien een opmerkelijke parallel die helpt om deze verschijnselen in een nog breder kader te plaatsen. Net zoals bij het bewustzijn beschrijft Dennett ook in cognitieve systemen een proces waarin mogelijke interpretaties met elkaar concurreren. Iets vergelijkbaars gebeurt in grote taalmodellen zoals ChatGPT. Zo’n systeem heeft geen innerlijk centrum waar betekenis wordt “begrepen”. Het genereert bij elke stap meerdere mogelijke vervolgen van een zin, gebaseerd op statistische patronen in enorme hoeveelheden tekst, waarna één mogelijkheid wordt geselecteerd die het best past bij de context.
Vanuit dat perspectief wordt duidelijk waarom taalmodellen soms verrassend coherent kunnen redeneren, maar ook onverwachte of zelfs bizarre associaties kunnen produceren. Wanneer de context – de prompt – duidelijk en stabiel is, blijft het selectieproces dicht bij de gedeelde betekenisstructuren van taal en kennis. Maar wanneer de context ambigu of chaotisch wordt, kunnen andere interpretaties naar voren dringen die minder gecorrigeerd worden door een stabiel kader.
Hier ontstaat een interessante analogie met de menselijke geest. In het gewone bewustzijn functioneren de hersenen eveneens als een systeem dat voortdurend mogelijke interpretaties van de wereld genereert en selecteert. Sociale werkelijkheid, taal en ervaring vormen daarbij een stabiliserend kader dat de meeste interpretaties corrigeert. Maar onder extreme omstandigheden – zoals trauma, existentiële dreiging of de ontregeling van een psychose – kan dat correctiemechanisme tijdelijk verzwakken. Dan krijgen alternatieve interpretaties een grotere kans om dominant te worden. Het resultaat kan een plotselinge intensivering van betekenis zijn: de ervaring dat alles samenhangt, dat toevallige gebeurtenissen symbolisch worden, of dat de wereld een verborgen orde onthult.
De vergelijking met kunstmatige intelligentie laat zien dat betekenis in zekere zin altijd emergent is uit een proces van selectie. Zowel in het brein als in een taalmodel bestaan er talloze potentiële interpretaties van een situatie of een zin. Wat wij uiteindelijk ervaren als “de werkelijkheid” of als “de gedachte die in ons opkomt”, is het resultaat van een dynamisch filter dat sommige mogelijkheden versterkt en andere onderdrukt. Wanneer dat filter stabiel functioneert, ontstaat een coherent verhaal over de wereld. Wanneer het filter ontregeld raakt, kan een explosie van betekenissen optreden die moeilijk nog te ordenen is.
Juist daarom werpt kunstmatige intelligentie een onverwacht licht op de aard van het bewustzijn. Ze laat zien hoe complexe en ogenschijnlijk betekenisvolle structuren kunnen ontstaan zonder dat er een centraal “zelf” aanwezig is dat die betekenis begrijpt. Dennetts idee dat het bewustzijn eerder een voortdurend herschreven narratief is dan een innerlijke kern, lijkt in zekere zin bevestigd te worden door de manier waarop taalmodellen functioneren.
In dat licht krijgen ook de psychose en de mystieke ervaring een andere betekenis. Ze kunnen worden gezien als momenten waarop het menselijke betekenissysteem tijdelijk uit zijn gebruikelijke stabiliteit raakt en alternatieve interpretaties van de werkelijkheid een ongewoon gewicht krijgen. Het verschil is dat het menselijke brein die processen gewoonlijk verankert in een lichaam, een geschiedenis en een gedeelde sociale werkelijkheid. Wanneer die verankering tijdelijk losser wordt, kan de stroom van betekenissen een intensiteit bereiken die zowel visionair als ontregelend is.
Zo ontstaat de chaos van het visionaire, die tegelijk fascinatie en verwarring oproept, en waarin zelfs de grenslijn tussen inzicht en waanzin volledig kan vervagen. In tegenstelling tot de dissociatie die je kunt ervaren tijdens een levensbedreigende ziekte – als een afgrond die schuil gaat in de mist – kunnen zich dan juist diepe afgronden openen, vol afschuw en ontzetting. Maar als je zo het verstand lijkt te verliezen – of alles behalve het verstand – kan ogenschijnlijk ook een hemelpoort voor je opengaan.
