Hamlet flew over the cuckoo’s nest

Een van de eerste symptomen, die er op wijzen dat iemand zich in een psychotische toestand bevindt, is het verkeerd interpreteren van alledaagse teksten. Een ondertiteling op tv bijvoorbeeld kan opeens worden opgevat als een mededeling die specifiek is bedoeld voor degene die er ernaar kijkt. De tekst ‘Waarom ga jij niet met me mee’, die deel uitmaakt van een alledaagse dialoog, wordt dan opeens opgevat als een vraag uit een andere werkelijkheid, bijvoorbeeld van een hogere macht of een geheime dienst. 

Dat soort gecodeerde boodschappen kunnen opeens overal worden waargenomen. Bijvoorbeeld in zinsfragmenten die in het voorbijgaan worden opgevangen. Nu hebben dit soort nietszeggende zinsfragmenten so wie so vaak iets geheimzinnigs. De schrijver Bob den Uyl heeft eens een heel verhaal gewijd aan het zinnetje ‘Nasi, daar eet ik mij het schompus aan.’ Als je dat soort woorden in het voorbijgaan opvangt, dan blijven ze hangen in het brein. Bob den Uyl had daar last van op een bijna obsessieve manier. Bij een psychoticus kan zo’n ogenschijnlijk absurd zinsfragment een gedachtevlucht in een imaginaire werkelijkheid teweegbrengen. 

Rituele getallen, ook zoiets. Psychotici hebben vaak iets met specifieke getallen, die zij op magische wijze interpreteren. Als een dergelijk getal – bijvoorbeeld 42 – in hun directe omgeving wordt gezien of gehoord, dan kan dat als een signaal worden opgevat voor allerlei zaken, het naderend einde van de wereld bijvoorbeeld, maar ook dat er binnen een paar minuten een gebeurtenis gaat plaatsvinden, waar niemand nog weet van heeft, maar die zich aandient in de gecodeerde vorm van een getal. 

Wat deze ervaringen met elkaar verbindt, is het wegvallen van een duidelijke scheidslijn tussen binnen en buiten. In het normale bewustzijn fungeert die grens als een vanzelfsprekend organiserend principe: gedachten behoren tot het innerlijk, waarnemingen tot de buitenwereld. In een psychotische toestand wordt dat onderscheid poreus. Indrukken van buiten kunnen direct samenvallen met innerlijke betekenissen, terwijl gedachten zich lijken uit te strekken over de werkelijkheid. Daardoor ontstaat een voortdurende resonantie tussen het eigen denken en de omgeving, alsof beide deel uitmaken van één doorlopende betekenisstructuur.

De psychiater David Cooper verwoordde een verwant idee toen hij stelde dat de taal van de waanzin het waar maken van taal zelf is. In het alledaagse spreken functioneren woorden als stabiele ankerpunten die de werkelijkheid ordenen zonder zelf op de voorgrond te treden. Ze bepalen wie spreekt, wie aangesproken wordt en hoe de werkelijkheid wordt ingedeeld. Wanneer die stabiliteit verstoord raakt, verliest taal haar transparantie en wordt zij zelf onderwerp van ervaring. Woorden worden dan niet alleen meer gebruikt, maar lijken te handelen, te richten, te dwingen.

In een psychotische ervaring worden taalstructuren opnieuw gerangschikt. Het “ik” kan uitwaaieren, zich opsplitsen of samenvallen met andere posities. Het onderscheid tussen ik en ander, tussen binnen en buiten, verliest zijn vanzelfsprekendheid. Een zin die toevallig wordt gehoord of gelezen, wordt niet langer ervaren als onderdeel van een anonieme taalstroom, maar als een directe, intentionele boodschap. Daarmee verandert ook de status van betekenis: die wordt niet meer geproduceerd door interpretatie, maar lijkt zich op te dringen vanuit de wereld zelf.

Deze intensivering van betekenis gaat vaak gepaard met een gevoel dat alles met alles verbonden is. Wat in het gewone bewustzijn irrelevant of toevallig lijkt, krijgt plotseling een verwijzende kracht. Herhalingen, woorden, getallen en beelden vormen een netwerk waarin niets nog op zichzelf staat. De werkelijkheid wordt een overvol betekenissysteem waarin elk element mogelijk verwijst naar iets anders. Dat kan een gevoel van openbaring oproepen, maar ook van overweldiging, omdat de normaliserende selectie verdwijnt die in het dagelijks leven onderscheid maakt tussen belangrijk en onbelangrijk.

Opvallend is dat deze toestand niet louter chaotisch is. Er kan juist een eigen, interne logica ontstaan, waarin verbanden worden gelegd die binnen de gewone rationaliteit niet geldig zijn, maar binnen het nieuwe kader wel consistent functioneren. Identiteiten kunnen samenvallen, gebeurtenissen kunnen als noodzakelijk worden ervaren en symbolische verbanden krijgen een dwingende geldigheid. Wat van buitenaf als desintegratie wordt gezien, kan van binnenuit een vorm van coherentie hebben, zij het binnen een ander referentiekader.

In dat opzicht is de psychotische ervaring niet alleen een breuk met de rede, maar ook een verschuiving naar een ander type rationaliteit. Zij kan momenten van intens inzicht bevatten, waarin de werkelijkheid zich als diep betekenisvol openbaart. Tegelijkertijd is die openbaring moeilijk te delen, omdat zij niet past binnen de gedeelde structuren van communicatie die sociale werkelijkheid mogelijk maken. Wat voor de één een allesomvattende betekenis heeft, blijft voor de ander onzichtbaar of onbegrijpelijk.

Deze spanning tussen gedeelde en niet-gedeelde werkelijkheid wordt ook zichtbaar in de omgang met kunst, in het bijzonder met dramatische teksten zoals Hamlet. De verschijning van de geest van de vermoorde vader vormt daarin een essentieel element van het verhaal, maar in moderne interpretaties ontstaat vaak aarzeling om zo’n verschijning letterlijk te nemen. Zij wordt dan herleid tot een psychotisch fenomeen. Daarmee verdwijnt het bovennatuurlijke als zelfstandige realiteit en wordt het ingekapseld in een psychologisch verklaringsmodel van deze tijd.

Die verschuiving roept de vraag op wat er verloren gaat wanneer het bovennatuurlijke niet langer serieus wordt genomen als mogelijke werkelijkheid. Als, zoals Willem Jan Otten heeft opgemerkt, een geest slechts nog als innerlijke projectie kan worden begrepen, verandert ook de status van het personage dat hem waarneemt. De grens tussen verbeelding en werkelijkheid wordt dan niet opgeheven maar omgezet in een eenzijdige reductie, waarin alles binnen de psychologie wordt getrokken.

Sommige theatermakers proberen dit probleem te omzeilen door Hamlet te situeren in een psychiatrische context: een inrichting waar Hamlet verpleegd wordt. Daar lijkt de ervaring van stemmen horen en betekenisvolle boodschappen ontvangen opnieuw ruimte te krijgen. Maar ook hier verschuift de betekenis: wat ooit als transcendent werd ervaren, wordt nu een klinisch fenomeen. Hamlet flew over the over the cuckoo’s nest.

Tegelijkertijd maakt juist deze nabijheid tussen waanzin en theater duidelijk hoe dun de grens is tussen spel en werkelijkheid. De acteur die een rol speelt, neemt tijdelijk een ander zelf aan zonder zijn eigen identiteit volledig te verliezen. In een psychotische toestand kan die scheiding echter instabiel worden. De rol wordt dan niet meer als rol herkend, maar als realiteit ervaren. Figuren als Hamlet oefenen dan een bijzondere aantrekkingskracht uit, omdat zij een bekend format bieden waarin innerlijke chaos zich kan articuleren.

Wanneer iemand zich met Hamlet identificeert, gaat het niet alleen om imitatie, maar ook om een structurering van ervaring. De tekst biedt een taal waarin innerlijke intensiteit vorm kan krijgen. Tegelijk ontstaat een spiegeling waarin het onderscheid tussen ‘spelen’ en ‘zijn’ vervaagt. Echt en onecht vallen samen, alsof taal en werkelijkheid niet langer gescheiden domeinen zijn. De taal wórdt de werkelijkheid, en de werkelijkheid wordt louter taal.

Dat ineenschuiven van taal en werkelijkheid maakt zichtbaar hoe nauw ook taal en identiteit met elkaar verbonden zijn. Het verschil tussen fictie en realiteit blijkt geen absoluut gegeven, maar afhankelijk van een gedeelde afspraak over context en begrenzing. Zolang die afspraak functioneert, kan fictie worden herkend als fictie. Wanneer zij wegvalt, kan het spel zich verabsoluteren en werkelijkheid worden.

In een cultuur waarin het geloof in een transcendente orde is verzwakt, wordt deze grens problematischer. De neiging om bovennatuurlijke dimensies te psychologiseren of ironiseren laat een leegte achter waarin de vraag blijft bestaan naar betekenis die niet volledig door het subject zelf wordt geproduceerd. Die leegte kan worden opgevuld door analyse, door ironie of door spectaculaire vormen van ervaring, maar het verlangen naar een overstijgende dimensie verdwijnt daarmee niet.

De verplaatsing van Hamlet naar het gekkenhuis is overigens al eens eerder gedaan door het Noord Nederlands Toneel. Voorafgaand aan de voorstelling verbleef regisseur Olà Mafaalani een week lang in een psychiatrische inrichting. Under cover gek zijn, dat is helemaal van deze tijd. Ooit heb ik zelf in een gekkenhuis gezeten en het gekke is: ook ik heb toen wel eens gedacht dat ik Hamlet was. Ik heb in ieder geval teksten uit Hamlet luidop gedeclameerd toen ik opgesloten zat in een isoleercel. ‘Dit spel geeft de ban waarin ik het geweten van de koning vangen kan!’ schreeuwde ik naar ieder die het maar horen wilde.

De rol van Hamlet is ook een ideale rol als je in een psychose verkeert. Je bent immers toch al gek, dus niemand kan zien dat je het speelt. Zo verdubbel je jezelf in een eindeloze spiegeling tussen waan en werkelijkheid. Bovendien bleek ik in mijn waan ook nog een redelijk goed acteur te zijn. Ik kende niet alleen hele stukken van Hamlet uit mijn hoofd, maar ook de inaugurale rede van John F. Kennedy uit 1961. ‘But let us begin !!! galmde het door de gang. ‘Wereldburger nummer één’, zo noemden ze mij op de afdeling. Ik loog en bedroog en speelde de waan terwijl het de waarheid was. Liegen en bedriegen bestaan niet in de waanzin. Trouwens, voor sommigen ook niet als de geest ogenschijnlijk gezond is.