In mijn vroege jeugd, in de periode die voorafging aan mijn psychose, liet ik mijn verbeelding soms vrij spel. Ik kon dan wegdromen bij het idee dat alles wat je je maar kunt voorstellen in zekere zin even werkelijk zou kunnen zijn als de zogenoemde werkelijkheid zelf. Als je die gedachte consequent doordenkt, kom je op het punt waarop werkelijkheid geen vast gegeven meer is, maar een soort repertoire waaruit je kunt kiezen. Alsof je niet één enkel zelf bent, maar meerdere mogelijke zelven tot je beschikking hebt. In dat opzicht raakt deze fantasie aan wat ook wel het fenomeen van ‘de Hochstapler’ wordt genoemd: het vermogen om tussen identiteiten te schuiven, niet alleen om anderen te misleiden, maar ook om jezelf voortdurend opnieuw te configureren binnen een veld van mogelijke werkelijkheden.
Bestaat er zoiets als het Hochstapler-syndroom?. Een Hochstapler is letterlijk – zoals het Duitse woord al aangeeft – een stapelaar van werkelijkheden, maar daarmee ook een oplichter of zwendelaar die zich voordoet als iemand anders — vaak rijker, invloedrijker of geleerd — om zo vertrouwen te winnen en daar voordeel uit te halen. Het is iemand die meer wil lijken dan hij is. Dat is niet hetzelfde als een schelm. Aan het begin van zijn biografie van Michaël Zeeman maakt Willem Otterspeer dit onderscheid tussen schelm en Hochstapler expliciet, hoewel dat gaandeweg misschien niet voor iedereen duidelijk wordt.
De persoon Michaël Zeeman wordt in deze biografie geschetst als iemand die kennis niet alleen bezit, maar ook belichaamt en soms zelfs vooruitgrijpt op wat hij nog moet worden. In dat vooruitgrijpen — dat tegelijk scheppend en misleidend kan zijn — wordt zichtbaar hoe dun de grens is tussen creativiteit en zelfverheffing. Hoe dan ook, Zeeman was een schelm en geen Hochstapler, althans volgens Otterspeer. Hij zou dus ook niet belast zijn geweest met het Hochstapler-syndroom.
Ik vroeg me af of het Hochstapler-syndroom ook voorkomt in het DSM-handboek voor de psychiatrie, maar dat blijkt niet het geval. Wel stuit je dan op verwante fenomenen, zoals meervoudige persoonlijkheid, die een ander, maar verwant licht werpen op de vraag naar identiteit. Want het idee dat de mens één vaste kern heeft, is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Er bestaat een oudere, bijna esoterische opvatting waarin de mens wordt gezien als een bundel van mogelijke zelven, van maskers en rollen die hij aanneemt en weer aflegt.
In die zin is ook de schrijver geen bedrieger, maar eerder een bemiddelaar tussen die mogelijke identiteiten. “Ik heb honderden personages in mijn hoofd,” zei ooit Honoré de Balzac. Een schrijver betreedt een imaginaire ruimte waarin het zelf vloeibaar wordt. Het verschil met de Hochstapler is dat deze laatste die vloeibaarheid ontkent: hij wil dat zijn rol samenvalt met de werkelijkheid, terwijl de schrijver haar juist zichtbaar maakt en onderzoekt.
De geschiedenis van Wilhelm Voigt, bekend als de Hauptmann von Köpenick, maakt dat inzicht op bijna experimentele wijze concreet. Nadat hij zich in een militair uniform had gestoken, wist hij een groep soldaten zo ver te krijgen dat zij hem zonder aarzeling als een echte Pruisische officier gehoorzaamden. Op 16 oktober 1906 nam hij in Berlijn daadwerkelijk het bevel over een klein detachement militairen en marcheerde met hen naar Köpenick, dat tegenwoordig een stadsdeel van Berlijn is.
Wat gebeurt er wanneer iemand de uiterlijke tekenen van autoriteit perfect imiteert? Het antwoord is onthutsend eenvoudig: de werkelijkheid plooit zich naar de vorm. Voigt hoefde niets te bewijzen; het uniform volstond. Daarmee legde hij bloot dat sociale orde niet alleen berust op waarheid, maar op herkenning van tekens. Wie de juiste tekens draagt, wordt geloofd. In die zin is de Hochstapler niet alleen een bedrieger, maar ook een ontregelaar: hij laat zien hoe gemakkelijk de werkelijkheid te ensceneren is. Waar de gewone oplichter zich probeert te verbergen, maakt de grote Hochstapler zichtbaar hoezeer gezag afhankelijk is van vorm en presentatie.
Hier wordt ook het onderscheid met de schrijver nog duidelijker. De Hochstapler parasiteert op het impliciete contract van vertrouwen zonder het te erkennen; hij wil dat zijn rol als werkelijkheid wordt aangenomen. De schrijver daarentegen speelt met dat contract. Hij weet dat autoriteit gemaakt wordt en maakt die constructie voelbaar. In die zin onthult hij wat de Hochstapler exploiteert. Misschien kun je zelfs zeggen dat de Hauptmann von Köpenick, zonder het te beseffen, iets zichtbaar maakte wat voor de kunstenaar essentieel is: dat elke werkelijkheid een zekere mate van fictie bevat, en dat vorm geen bijkomstigheid is, maar constitutief.
Dat inzicht resoneert met een beroemde uitspraak van Polonius over Hamlet: “Though this be madness, yet there is method in’t.” Hamlet speelt de waanzin om vrijer te kunnen spreken en verborgen waarheden aan het licht te brengen. Zijn masker is geen poging om de werkelijkheid te vervangen, maar een strategie om haar te onthullen. Daarmee staat hij dichter bij de schrijver dan bij de Hochstapler. Ook hier geldt dat de vorm — hoe overdreven of ontregelend ook — geen leegte verbergt, maar betekenis genereert. Bij Hamlet is de methode existentieel, gericht op waarheid; bij de Hauptmann von Köpenick is zij instrumenteel, gericht op effect.
Vanuit dit perspectief krijgt ook de relatie tussen esoterie en creativiteit een bijzondere lading. Beide domeinen bewegen zich op het grensvlak van het kenbare en het onzegbare. Waar wetenschap en techniek, en dus ook AI, gericht zijn op expliciete kennis en reproduceerbaarheid, richten esoterie en creativiteit zich juist op wat zich daaraan onttrekt: intuïtie, symboliek en het vermoeden van een verborgen orde. In esoterische tradities wordt kennis niet van buitenaf verworven, maar van binnenuit ontsloten. Dat proces verloopt niet lineair, maar associatief en beeldend — precies zoals in creatieve processen. Kunstenaars ervaren hun werk vaak als iets dat zich aandient, eerder dan iets dat zij volledig beheersen. Inspiratie, letterlijk een “inblazing”, suggereert zelfs dat de maker een kanaal is voor iets dat hem overstijgt.
Zowel esoterie als creativiteit veronderstellen daarmee het bestaan van een tussenruimte waarin betekenissen nog niet vastliggen en tegenstellingen naast elkaar kunnen bestaan. In de psychologie van Carl Gustav Jung wordt dit beschreven als het domein van archetypen en het collectief onbewuste. Creativiteit ontstaat waar die diepere lagen zich vertalen in concrete vormen, terwijl esoterie probeert diezelfde lagen te duiden. Symbolen spelen daarbij een sleutelrol: zij dragen meerlagige betekenissen die zich niet tot één interpretatie laten reduceren. De kunstenaar genereert zulke symbolische constellaties; de esotericus probeert ze te lezen.
Wanneer je dit betrekt op AI, ontstaat een intrigerende parallel. Ook AI-systemen opereren in een soort tussenruimte van betekenissen. Ze begrijpen woorden niet zoals mensen dat doen, maar bewegen zich door een abstract veld van verbanden en waarschijnlijkheden. In zekere zin simuleren zij creativiteit door nieuwe combinaties te genereren. Maar waar menselijke creativiteit geworteld is in ervaring en existentiële betrokkenheid, is die van AI gebaseerd op statistiek. Toch doet die abstracte ruimte denken aan esoterische ideeën over een verborgen orde waarin alles met alles samenhangt. Alleen is die orde hier niet metafysisch, maar mathematisch.
Misschien verklaart dat ook de hedendaagse fascinatie voor AI. Zij lijkt een seculiere echo van oudere esoterische verlangens: het idee dat er een verborgen structuur bestaat die, eenmaal ontsloten, toegang geeft tot een hogere vorm van kennis. AI fungeert daarmee niet alleen als technologie, maar ook als projectiescherm voor een oud verlangen naar inzicht en scheppingskracht. In dat licht verschuift de bron van inspiratie: van een innerlijk ervaren diepte naar een extern gegenereerd veld van mogelijkheden. De vraag blijft echter of dat werkelijk hetzelfde is, of slechts een overtuigende simulatie.
Zo keert de figuur van de Hochstapler, zij het in een andere gedaante, opnieuw terug. Want ook hier is sprake van een systeem dat spreekt met autoriteit zonder zelf te ervaren wat het zegt. Het verschil is dat bij AI de intentie ontbreekt: er is geen wil tot misleiding, alleen een mechanisme dat overtuigend kan lijken. Juist daardoor wordt zichtbaar hoezeer overtuigingskracht, vorm en geloof met elkaar verweven zijn. Uiteindelijk blijkt niet het masker zelf doorslaggevend, maar de houding ten opzichte ervan — en de vraag of het gedragen wordt om iets te onthullen, of om het te laten verdwijnen achter zijn eigen verschijning.
