Het reuzenrad van het heimwee

Ik stond vannacht op de Dam, waar zelfs om drie uur ’s nachts altijd iemand staat te demonstreren tegen iets waar een normaal mens geen weet van heeft . Midden op het plein draaide een reuzenrad, alsof de stad had besloten zichzelf nog één keer uit te vinden als pretpark. Het wiel lichtte op in kleuren die zelfs de hemel onnodig vond. Ik voelde een onverklaarbare drang om in te stappen, alsof mijn hele biografie niets anders was geweest dan een wachtrij voor deze nachtelijke reis door de tijd. Ik kocht een kaartje en nam plaats in een cabine waarin een anonieme medereiziger mij aanraadde mijn ervaring vooral niet te delen op sociale media.

Langzaam kwam het rad in beweging. De Dam zonk onder mij weg, de weinige toeristen die de nacht trotseerden, werden pionnen op een schaakbord. Ik zag de kruinen van de bomen, de daken vol zonnepanelen die als zwarte postzegels overdag de zon probeerden te archiveren. Meeuwen krijsten boven mij als factcheckers zonder internetverbinding. De klokken in het Paleis hingen stil in de nacht, alsof zij ook wachtten op nadere instructies van de koning. Ik steeg hoger, boven de torens uit, en de stad ontrolde zich als een eindeloze tijdlijn waarop iedereen zijn probeerde zijn heimwee mnaar de moederschoot te verhullen voor de goegemeente.

Ik zag het zilveren lint van de Amstel en daarachter een horizon vol nieuwe gebouwen, glanzende dozen van glas waarin mensen hun dagen stapelden als documenten in een oneindige cloud. Sinds mijn vertrek waren er torens bijgekomen die zo recht omhoog staken dat ze de hemel leken te willen hacken om daarna gegevens van alle heiligen op het darkweb te zetten. Het IJ glom als een spiegel waarin de stad zichzelf bewonderde en tegelijkertijd niet herkende. Zelfs de ringweg leek van bovenaf een aureool, alsof Amsterdam zelf ook heilig was verklaard door zijn eigen verkeersdrukte.

Het rad hield stil op het hoogste punt. In de verte zag ik Ransdorp als een afgebroken potlood in het vlakke land. Durgerdam en Holysloot lagen er onbewogen bij, als herinneringen die niet meer wisten of ze ooit nog wel herinnerd zouden worden als het toevluchtsoord van Nescio. Het zicht was zo helder dat ik me afvroeg of iemand de atmosfeer had gefilterd. En terwijl ik daar hing tussen hemel en aarde, overviel mij een heimwee dat zich gedroeg als een stil algoritme: hoe hoger ik steeg, hoe nauwkeuriger het mij beelden teruggaf van wat ik had achtergelaten: een speeltuin in het middaglicht, een stem die mijn naam zei, een raam dat nog openstond in een huis dat allang niet meer het mijne was.

Waarom was ik ooit naar het Noorden vertrokken? Waarom had ik de stad ingeruild voor de leegte, de weilanden, de sloten en de dijken waar de horizon nog niet door projectontwikkelaars wordt ondertekend? Was het verlangen naar ruimte niet gewoon een allergie voor nabijheid? Had ik de oneindigheid gezocht omdat ik de begrenzing van mijn eigen persoon niet kon verdragen? Misschien was mijn vertrek slechts een poging om buiten beeld te raken, om niet langer onderdeel te zijn van een stad die alles registreert, zelfs je zwijgen.

De wind ging liggen. De meeuwen zwegen. De wereld leek even op pauze gezet, alsof iemand op een kosmische afstandsbediening had gedrukt. Boven de wolken verscheen een gestalte die zowel vaag als onmiskenbaar was. Mijn moeder, die al jaren dood was en dus eindelijk tijd had om mij toe te spreken zonder onderbreking.

Haar stem klonk niet van buiten, maar van binnen. ‘Waar heb je je blokkendoos gelaten?’ vroeg ze. ‘Waar zijn de steden die je als kind bouwde met straten en pleinen, met perken en lanen die altijd uitkwamen bij een fontein? Je hebt ze ingeruild voor weilanden waarin niets wordt gebouwd behalve twijfel. Je hebt de leegte verheven tot ideaal, alsof ruimte een deugd is en nabijheid een zonde. Je bent verliefd geworden op de horizon omdat die je nooit tegenspreekt.’

Ik wilde antwoorden, maar zij sprak verder. ‘Je drijft elk idee tot het uiterste. Als je verlangt naar ruimte, moet het meteen oneindig zijn. Als je zoekt naar identiteit, moet het kosmisch worden. Je hebt jezelf tot project gemaakt, tot onderzoeksobject, tot een proefschrift zonder begeleider. Heimwee is jouw religie geworden. Je bidt tot wat je hebt verlaten en offert wat je hebt behouden. Zo word je een ketter van je eigen ziel.’

De wolken bewogen niet. Zelfs het reuzenrad leek te luisteren. ‘Kijk naar die stad onder je,’ zei ze. ‘Zie hoe zij zichzelf voortdurend herbouwt, hoe zij zelfs haar grachten optimaliseert. Jij denkt dat je het mysterie van je persoon kunt onderzoeken zoals men een dataset analyseert. Maar hoe wil je de oceaan in een koffiepot gieten? Hoe wil je de oneindigheid comprimeren tot een biografie? Je zoekt het absolute in elke keuze. Als je in het Noorden woont, moet het Noorden het laatste woord zijn. Als je terugverlangt naar Amsterdam, moet dat het paradijs zijn. Maar een stad is geen paradijs en een weiland is geen verlossing. Het zijn decorstukken voor jouw behoefte aan grootsheid.’

‘Denk aan de wereld nu,’ ging ze verder. ‘Mensen bouwen hun meningen als wolkenkrabbers en breken ze de volgende dag weer af. Ze zoeken zekerheid in statistieken en vinden paniek in grafieken. Ze willen de planeet redden met apps en de democratie met hashtags. Iedereen wil boven zichzelf uitstijgen, maar niemand wil afdalen in zijn eigen diepte. Jij bent geen uitzondering. Jij hebt de leegte gekozen zoals anderen kiezen voor drukte. Dat is geen bevrijding, dat is omgekeerde hoogmoed.’

Ik voelde dat zij gelijk had, wat het nog absurder maakte. ‘Keer om,’ zei ze tenslotte. ‘Niet naar een plaats, maar naar een maat. Doe wat je wilt, zolang je het maar doet uit liefde en niet uit behoefte aan oneindigheid. Bouw weer met blokken. Maak een stad die past op de tafel van je hart. Je hoeft niet de hele horizon te bezitten om één straat te bewonen.’

Toen begon het weer te waaien. De meeuwen hervatten hun gekrijs, alsof zij commentaar leverden op een debat dat zij niet hadden gevolgd. De wolken sloten zich en mijn moeder loste op in de lucht, als een gedachte die te groot was geworden om vast te houden.

Het rad kwam opnieuw in beweging. Langzaam daalde ik af. De stad naderde, met haar terrassen, haar fietsen, haar eindeloze gesprekken over huizenprijzen en wereldvrede. Ik besefte dat ik, als ik consequent wilde zijn, hier boven moest blijven hangen tot ik het absolute had gevonden. Maar het rad draaide onverbiddelijk verder, zoals alles draait: de aarde, de meningen, de herinneringen.

Beneden op de Dam stapte ik uit. Het plein was weer gewoon een plein. Het reuzenrad draaide door, alsof het niets had gezegd. Ik keek omhoog en wist dat ik, als ik werkelijk het verleden wilde doen herleven, opnieuw een kaartje moest kopen, net zolang tot ik begreep dat geen enkele hoogte mij zou verlossen van de noodzaak om ergens te wonen, en volop in het heden door te leven — al was het maar in mijzelf in de tijd die mij nog rest.