Uit welke hoek de wind waait

De laatste dagen lees ik de onlangs verschenen autobiografie van Dick Swaab: Hersenonderzoeker bij toeval. Een neurobiografie. Swaab heeft deze autobiografie geschreven nadat hij het verzoek kreeg van zijn zoon om voor zijn aanstaande kleinzoon een boekje met vragen in te vullen: Papa schrijft over toen, voor later. Van de week heb ik zelf ook zo’n invuloefening moeten doen in datzelfde boekje. Ik heb dat  met enige tegenzin gedaan, moet ik zeggen, want ik hou niet zo van dit soort indringende vragen die je op commando moet beantwoorden. 

Bij mij zal dit project dan ook niet resulteren in een autobiografie. Het brein van Swaab zit blijkbaar anders in elkaar. Als ik aan hem denk, zie ik altijd weer dat boek Wij zijn ons brein voor me. Ook dat heb ik destijds met enige tegenzin gelezen, alweer zo’n vijftien jaar geleden. In die tijd was ik nogal onder de indruk van de ideeën van Herman M. Van Praag zoals hij die verwoord heeft in zijn boek  God en Psyche, de redelijkheid van het geloven. Visies van een Jood (2008). Hierin onderzoekt hij de relatie tussen psychiatrie en religie.

De tegenstelling tussen Dick Swaab en Herman M. van Praag lijkt op het eerste gezicht helder en onoverbrugbaar. Aan de ene kant staat het onwrikbare geloof in de hersenen als sluitstuk van elke verklaring: wij zijn ons brein, en wat wij ‘geest’ of ‘ziel’ noemen is niets anders dan het product van neuronale activiteit. Aan de andere kant klinkt een aarzelender, maar daarom niet minder principieel verzet: de menselijke ervaring laat zich niet volledig reduceren tot chemie en elektriciteit, hoe indrukwekkend de vooruitgang van de neurowetenschap ook is. Wat hier botst, zijn niet alleen twee wetenschappelijke opvattingen, maar twee manieren om de werkelijkheid te ordenen – en misschien zelfs te creëren.

Swaab vertegenwoordigt een visie die in de moderne tijd dominant is geworden: de werkelijkheid is in laatste instantie materieel en objectief, en het brein is het orgaan dat die werkelijkheid waarneemt en verwerkt. In deze optiek is de ziel een historisch bijproduct, een concept dat is ontstaan uit angst voor de dood en het verlangen naar voortbestaan. Dat dit idee in vrijwel alle culturen voorkomt, zegt volgens hem niets over de waarheid ervan, maar des te meer over de menselijke behoefte aan troost en betekenis. De ziel is geen entiteit, maar een projectie.

Die redenering heeft een zekere elegantie. Ze sluit aan bij een lange traditie van onttovering die al in de Verlichting gestalte kreeg. Ook Bertrand Russell rekende op jonge leeftijd af met religieuze dogma’s en beschouwde het geloof in een voortbestaan na de dood als “nonsens”. In zekere zin is Swaabs positie dus niet nieuw, maar eerder een radicalisering van een reeds lang bestaande tendens: de neiging om alles wat niet empirisch aantoonbaar is, uit het domein van de werkelijkheid te verbannen.

Toch wringt hier iets. Want wat Swaab presenteert als een nuchtere conclusie, berust zelf op een impliciete aanname: dat alleen datgene wat meetbaar en observeerbaar is, werkelijk bestaat. Die aanname is echter geen wetenschappelijk feit, maar een filosofisch uitgangspunt. En precies daar begint het probleem. Want als de wetenschap haar eigen grondslagen niet ter discussie stelt, loopt zij het risico een nieuwe vorm van dogmatiek te worden – een dogmatiek die zich juist kenmerkt door het ontkennen van haar eigen vooronderstellingen.

Van Praag wijst uitdrukkelijk op deze blinde vlek. Hij betwist niet dat het brein een cruciale rol speelt in ons denken en voelen, maar verzet zich tegen de reductie van de menselijke ervaring tot een louter neuro-chemisch proces. Volgens hem is het dominante wetenschappelijke perspectief niet neutraal, maar gestuurd door een impliciet programma: de onttovering van de wereld. Alles wat niet in dat kader past – religie, moraal, zingeving – moet worden herleid tot immanente, binnen-wereldse verklaringen.

Maar wat als die reductie zelf een vorm van interpretatie is? Wat als de hersenen niet alleen registreren wat er ‘buiten’ gebeurt, maar actief bijdragen aan het construeren van wat wij als werkelijkheid ervaren?

De hedendaagse neurowetenschap biedt hier ironisch genoeg aanknopingspunten die het strikte materialisme ondergraven. Het brein blijkt geen passieve ontvanger van prikkels te zijn, maar een actief voorspellend systeem. Het genereert voortdurend hypotheses over de wereld en toetst die aan binnenkomende signalen. Wat wij waarnemen, is dus niet simpelweg de werkelijkheid zelf, maar een door het brein geconstrueerde simulatie die zo goed mogelijk aansluit bij de beschikbare informatie.

Dit inzicht heeft verstrekkende gevolgen. Het betekent dat de scheidslijn tussen ‘objectieve werkelijkheid’ en ‘subjectieve ervaring’ minder scherp is dan vaak wordt aangenomen. Onze waarneming is altijd al geïnterpreteerd, gefilterd en gestructureerd. In die zin leven wij niet in de wereld zoals die is, maar in een wereld die door onze hersenen wordt vormgegeven.

Dat geldt in extreme vorm voor psychotische ervaringen, waarin de grens tussen verbeelding en werkelijkheid vervaagt. Maar in mildere vorm is het een algemeen menselijk gegeven. Iedereen leeft in zekere zin in een eigen werkelijkheid, opgebouwd uit verwachtingen, herinneringen en betekenissen. De vraag is dan niet zozeer óf de werkelijkheid geconstrueerd wordt, maar hoe stabiel en gedeeld die constructie is.

Vanuit dit perspectief krijgt ook het begrip ‘ziel’ een andere betekenis. Misschien is de ziel geen substantie die losstaat van het lichaam, maar een manier om te spreken over de samenhang en continuïteit van onze innerlijke ervaring. Niet iets wat ‘bestaat’ naast het brein, maar iets wat ontstaat in en door de dynamiek van dat brein , en tegelijk niet volledig tot die dynamiek te reduceren is.

Hier raakt deze discussie aan een oud filosofisch probleem, dat al bij Plato en Aristoteles werd gesteld: wat is de verhouding tussen lichaam en ziel, tussen materie en vorm? Waar Plato de ziel nog zag als een zelfstandige, onsterfelijke entiteit, beschouwde Aristoteles haar eerder als de vorm of organisatie van het levende lichaam. In moderne termen zou je kunnen zeggen: de ziel is niet een ding, maar een proces.

Die procesmatige opvatting sluit opmerkelijk goed aan bij wat we vandaag weten over het brein. Neurale netwerken zijn voortdurend in beweging; patronen van activiteit ontstaan en verdwijnen, zonder dat er een vaste kern is die alles bijeenhoudt. En toch ervaren wij onszelf als een samenhangend ‘ik’, als een continuïteit door de tijd heen. Dat ‘ik’ is geen vast object, maar een narratief – een verhaal dat het brein over zichzelf vertelt.

Religieuze tradities hebben dat narratieve karakter vaak intuïtief begrepen. In de Joodse traditie, waar Van Praag toe behoort, staat niet een vast dogma centraal, maar een eindeloze interpretatie van teksten: commentaar op commentaar op commentaar. Waarheid is hier geen statisch gegeven, maar een proces van betekenisgeving dat zich in de tijd ontvouwt. Ook de relatie tot God wordt gedacht als een dialoog, niet als een eenzijdige openbaring.

Dat idee van dialoog is cruciaal. Het impliceert dat de mens niet slechts een passieve ontvanger is van waarheid, maar een actieve participant in haar totstandkoming. Zelfs God kan, in deze visie, ter discussie worden gesteld. Dat staat haaks op het beeld van een almachtige, onaantastbare instantie, maar sluit verrassend goed aan bij het idee van de werkelijkheid als een open, dynamisch proces.

Tegenover deze openheid staat de neiging tot afsluiting die zowel in de wetenschap als in de religie kan optreden. Ook Swaab heeft overigens grotendeels Joodse voorouders en in zijn autobiografie schrijft hij daar uitvoerig over. Maar wanner hij  de ziel afdoet als een misverstand, sluit hij een hele dimensie van menselijke ervaring bij voorbaat uit. Wanneer religieuze systemen hun waarheden verabsoluteren, doen zij in feite hetzelfde, maar dan in omgekeerde richting. In beide gevallen wordt de complexiteit van de werkelijkheid gereduceerd tot één enkel perspectief.

Volgens mij ligt de uitdaging juist in het verdragen van die complexiteit. In het erkennen dat verschillende beschrijvingsniveaus naast elkaar kunnen bestaan zonder dat het ene tot het andere herleid hoeft te worden. Het brein kan worden bestudeerd in termen van neuronen en neurotransmitters, maar dat sluit niet uit dat we ook kunnen spreken over betekenissen, waarden en ervaringen die zich niet in die termen laten vangen.

Sterker nog, zonder die tweede laag verliest de eerste veel van haar relevantie. Want wat betekent het eigenlijk om te zeggen dat een bepaalde hersenactiviteit samenhangt met een emotie, als we niet weten wat die emotie voor iemand betekent? De neurowetenschap kan correlaties vaststellen, maar de betekenis van die correlaties ligt buiten haar bereik.

Zo wordt duidelijk dat de vraag naar de ziel uiteindelijk samenvalt met de vraag naar betekenis. En betekenis is per definitie relationeel: ze ontstaat in de interactie tussen mens en wereld, tussen subject en object, en tussen brein en omgeving. In die interactie speelt het brein een onmisbare rol, maar het is beslist niet het hele verhaal.

Daarom is vruchtbaarder om de ziel niet te zien als iets dat al dan niet bestaat, maar als een perspectief op de menselijke ervaring. Een manier om te spreken over datgene wat ons overstijgt, zonder dat we precies kunnen zeggen wat het is. In die zin is de ziel geen misverstand, maar eerder een metafoor – en zoals alle goede metaforen opent zij een ruimte van betekenis die zich niet laat reduceren tot een eenduidige verklaring.

De hersenen, zo zou je kunnen zeggen, leveren de bouwstenen van onze werkelijkheid, maar niet het ontwerp. Dat ontwerp ontstaat in een complex samenspel van biologische, psychologische, culturele en misschien zelfs existentiële factoren. Wie dat samenspel wil begrijpen, kan niet volstaan met één enkele benadering.

De echte vraag is dan ook niet of wij ons brein zijn, maar hoe wij ons tot ons brein verhouden. Zijn wij de passieve uitkomst van neuronale processen, of mede-architecten van de werkelijkheid die die processen mogelijk maken? Het antwoord op die vraag ligt waarschijnlijk ergens tussen Swaab en Van Praag in – in een gebied waar wetenschap en filosofie elkaar niet uitsluiten, maar aanvullen.

In dat tussengebied zou de ziel zich wellicht kunnen ophouden: niet als een ongrijpbare substantie, maar als een ervaring van samenhang in een wereld die wij zelf, al denkend en waarnemend, voortdurend mede tot stand brengen. Hoe dan ook, papa blijft voorlopig wel schrijven over toen, voor later. Maar wat je er ook verder van zeggen wil of kan, het is maar net wat de gek er voor geeft… of uit welke hoek de wind waait.