Bijna zeven miljoen Britten houden een weblog bij, zo las ik onlangs in de krant. Engeland blogt zoals het ooit kolen dolf, systematisch, met nationale discipline en een lichte ondertoon van existentiële vertwijfeling. Vrouwen die zich kleden alsof hun leven een doorlopende auditie is voor het dagboek van Bridget Jones tikken hun hartkloppingen online, maar ook pubers, parlementariërs, fitnesscoaches, postbodes, gepensioneerde taxichauffeurs, mensen die denken dat ze Napoleon zijn, en journalisten die hun eigen artikelen niet meer vertrouwen en daarom een tweede versie van zichzelf publiceren waarin ze zichzelf tegenspreken. Het lijkt een epidemie, maar dan zonder virus, althans zonder een virus dat men kan zien onder de microscoop; het virus zit in de zinnen zelf, het muteert per alinea in Britse blogtaal met een stiff upper lipp.
Men zou kunnen zeggen dat Britten altijd al woordverslaafd zijn geweest, dat hun taal een nationale sport is zoals cricket dat ooit was voordat zelfs cricketcommentatoren begonnen te bloggen over cricketcommentaar. Maar het verschijnsel is inmiddels planetair. De mens blogt zoals hij ademt, en sommigen ademen inmiddels alleen nog maar wanneer ze op ‘publiceren’ hebben geklikt. Het weblog heeft zich ontwikkeld tot een draagbaar geweten, een externe ziel, een tweede huid van letters. Wie geen blog heeft, heeft vermoedelijk ook geen schaduw meer en moet zijn identiteit lenen van passerende wolken waarboven de vrijheid welhaast grenzeloos moet zijn. Wie zong dat ook al weer?
Über den Wolken muß die Freiheit wohl grenzenlos sein. Alle Ängste, alle Sorgen, sagt man, blieben darunter verborgen, und dann, würde was uns groß und wichtig erscheint plötzlich nichtig und klein.
Wie blogt schrijft dagelijks zulke kleine en nietige dingen in een dagboek, maar dan bedoeld voor iedereen. Ooit had ook ik alleen zo’n dagboek. Dat discrete meubelstuk van de ziel waarin je heimelijk je wanhoop kon parkeren. En dan had je ook nog het feuilleton, dat vrolijke krantenlint waarin de wereld collectief kon meeleven met verzonnen drama’s. Die twee vormen hebben elkaar online herkend als lang verloren tweelingen en zijn samengesmolten tot een nieuw wezen: het interactieve zelfverhaal dat tegelijk biechtstoel, theater, rechtbank en marktkraam is. De blogger schrijft, leest, reageert, corrigeert, ontkent, bevestigt en archiveert zichzelf in één beweging, alsof hij een complete beschaving in zijn eigen schedel onderhoudt. In uiterste consequentie heeft hij geen vrienden meer nodig, want hij kan zichzelf quoten.
Het weblog is een capsule, maar dan een capsule met ramen die alleen naar binnen kijken. Van buiten lijkt hij transparant, van binnen blijkt hij spiegelend. Wie erin zit, ziet de wereld als achtergronddecor voor zijn eigen commentaar. Capsularisering is niet langer een sociologisch begrip maar een bouwstijl. De architectuur van de toekomst bestaat uit miljoenen kleine monologen naast elkaar, elk voorzien van wifi, klimaatregeling en een knop om kritiek te blokkeren. De steden van morgen zullen bestaan uit torens van afzonderlijke opinies, elk appartement een standpunt, elk balkon een mening die naar beneden valt als confetti. Uiteindelijk zal de mens slapen in een ergonomische metalen cocon die hem ’s nachts automatisch van nieuwe gedachten voorziet, gegenereerd door een algoritme dat zijn vroegere gedachten analyseert en concludeert dat hij zichzelf het prettigst vindt.
De oude gemeenschappen — dorp, kerk, café, vakbond — lossen op als suiker in thee, vervangen door een planetaire schuimstructuur van profielen, feeds en notificaties. In elk belletje van dat schuim zit iemand die roept dat hij uniek is, en juist daardoor identiek wordt aan alle andere roependen. De samenhang verdwijnt niet; hij explodeert. Alles hangt met alles samen via glasvezel, en juist daarom voelt niets nog verbonden. Het comfort neemt toe: thermostaten denken, koelkasten adviseren, horloges diagnosticeren, auto’s beslissen. De mens hoeft alleen nog maar te voelen, en zelfs dat wordt hem binnenkort uit handen genomen door sensoren die alvast registreren wat hij morgen zal voelen zodat hij het kan teruglezen als herinnering.
De politiek verandert intussen in een permanent referendum zonder vraag. Elke seconde stemmen miljoenen mensen op alles tegelijk: op brood, op oorlog, op kattenfilmpjes, op hun eigen gemoedstoestand. De macht verdampt in een wolk van reacties, likes, polls en spontane volksraadplegingen die elkaar tegenspreken nog voordat ze zijn voltooid. Regeringen bestaan straks uit dashboards. Ministers zijn grafieken. Verkiezingen zijn software-updates. Niemand regeert, maar iedereen bestuurt.
En ergens in dat borrelende universum lost ook het individu op. Niet dramatisch, niet met een knal, maar met een zachte plop, zoals een belletje in schuim. Het subject verspreidt zich over zijn eigen meningen totdat er geen centrum meer overblijft dat nog “ik” kan zeggen zonder eerst toestemming te vragen aan zijn vorige post. Interpretatie wordt onmogelijk omdat elk principe onmiddellijk een tegenprincipe genereert dat evenveel likes krijgt. Waar vroeger de Apocalyps werd voorgesteld als vuur dat uit de hemel viel, zal het einde nu waarschijnlijk aanvoelen als een overdaad aan meningen die zo snel vermenigvuldigen dat de werkelijkheid geen tijd meer heeft om plaats te vinden. De wereld zal niet verbranden maar overschuimen.
En ergens, op dat moment, zal iemand een blog schrijven om uit te leggen wat er gebeurt. Hij zal beginnen met de zin dat bijna zeven miljoen mensen bloggen, en niemand zal hem geloven omdat het er inmiddels zeven miljard zijn, plus de koelkasten, niet te vergeten. Eén ding is zeker: als ik blog ben ik niet alleen op de wereld. Ik blog zoals al die bloggers bloggen in hun eigen blogbubble. Ik ben de boy in een universum van blogbubbles. Dat betekent nog niet dat ik op u, als lezer van mijn blog, gesteld bent. Nee, nee, zeker niet. Zeker weten. Ja, ja…
I like to see you, but then again. That doesn’t mean you mean that much to me. So if I call you, don’t make a fuss. Don’t tell your friends about the two of us. I’m not in love, no no.
