Terug in de Grensstraat

Slide1

‘Aan het begin van de 20ste eeuw veroverde De Ysbreeker een vooraanstaande plaats in het Amsterdamse artistieke en politieke leven. Het was het centrum van de Sturm und Drang beweging en een ontmoetingsplek voor gezichtsbepalende figuren van de SDAP. Uit die tijd stamt ook de spelling van De Ysbreeker.(..) Er werden ook vele radio- en televisieprogramma’s uitgezonden vanuit De Ysbreeker waaronder de beroemde talkshow ‘Hier is Adriaan van Dis’.

Zo staat te lezen op de site van Café-Restaurant De Ysbreker aan de Weesperzijde in Amsterdam. Zaterdag werd hier opnieuw de reünie van klas 1b van het Ignatiuscollege uit 1960 gehouden, zoals de laatste jaren gebruikelijk is op de eerste zaterdag van mei. Niet iedereen was er. Jaap de Hoop Scheffer bijvoorbeeld moest dit keer wederom verstek laten gaan. In 2014 was hij er wel bij. Carlo Knüppe was druk bezig met de Giro d’Italia  in Apeldoorn. Leonard van Oudheusden had last van een loszittende knie. Philibert Kint was op vakantie en zo waren en nog een paar klasgenoten verhinderd.

Maar wie er wel was, was pater Jan Maarten Bremer S.J, –  tenminste voorheen pater Bremer, want hij is allang geen jezuïet meer en wordt tegenwoordig vergezeld door zijn lieftallige Friederike. Wij noemen hem nog altijd pater Bremer natuurlijk, want hij waakt nog steeds over zijn kudde al is die inmiddels oud en eenzaam. Tijd, waar blijft de tijd. Er werden weer heel wat ervaringen en herinneringen uitgewisseld. Ik zat lange tijd naast Rob Goorhuis, de componist die ook de muziek voor de 4 mei herdenking op de  Dam heeft geschreven. Hij heeft het daar elk jaar druk mee omdat die muziek jaarlijks moet worden aangepast aan de gewijzigde rituelen bij de kransleggingen.

Rob is een groot kenner van Gerard Reve, van wie hij ooit een aantal gedichten op muziek heeft gezet. Hij heeft Reve in de jaren zeventig nog bezocht in diens huis in Frankrijk en weet daar mooie anekdotes over te vertellen. Rob heeft ooit ook een paar chansonteksten van Jacques Brel – waarvoor nog geen muziek bestond – op muziek gezet en kreeg toen ruzie met de dochter van Brel. Ook componeerde hij de muziek voor de Bonifatiusopera, waarvan de tekst werd geschreven door good old Wilco Berga. Zo zie je maar weer, alle wegen leiden terug naar Friesland, zoals ooit in vervlogen roomse tijden alle wegen naar Rome hebben geleid. Hoe dan ook, wij beiden hadden genoeg te bespreken.

Kees Philips, die op de Zuidas carrière heeft gemaakt als jurist, vertelde mij over Pim Fortuyn die hij nog in zijn studententijd had gekend. Pim kwam ook wel bij zijn ouders thuis en vond het wel chique bij een nazaat van de roemruchte familie Philips op bezoek te komen. Zo hoorde ik van Kees wel meer karaktertrekjes van Pim, die voor mij een ander licht wierpen op deze nationale legende. Kees ken ik overigens al vanaf de Peetersschool, waar wij beiden onze lagereschooltijd doorbrachten. Kees die van nature linkshandig is, maar rechtshandig moest leren schrijven, bewaart daar gruwelijke herinneringen aan. Voor mij was dat juist een idyllische tijd. Links, rechts… het kan verkeren, in de politiek en ook bij het leren. Kees hield er een onleesbaar handschrift aan over, maar hij is wel hoogbegaafd. Je kunt niet alles hebben in het leven.

Eugène van der Kamp, die als kind ooit heel mooi geschilderd is door Jan Sluyters (zie hier) en die mij zijn naam had horen noemen in de AT5 uitzending onlangs over de Banstraat, houdt zich momenteel bezig met de computerprogrammering van een Jiddisch-Nederlands woordenboek. Het joodse bloed kruipt waar het niet gaan kan, ook als je daarvan geen druppel in de aderen hebt stromen. Verder vertelde Arnold Reuser enige bloedstollende verhalen over de praktijken die hij had meegemaakt als wetenschappelijk onderzoeker bij het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam, waar hij in 1978 promoveerde op onderzoek naar de zeldzame spierziekte van Pompe.

Van Jan Kniesmeijer kwamen ons verhalen ter ore over zijn zus Joke, die in 2008 is overleden is, en die ooit in de publiciteit het gezicht van de Anne Frank-stichting was. Het antisemitisme rukt op in de hoofdstad, zo begreep ik uit zijn woorden. Mokum is allang het oude Mokum niet meer. Waar zijn de tijden gebleven dat op de muren van de Amstelstad met grote letters stond geschreven: ‘Blijf met je rotpoten van onze rotjoden af !’

En Nard Loonen tenslotte, die onlangs een boek publiceerde over de Eerste Wereldoorlog – nota bene in het Frans – en die ooit een dissertatie schreef over het voorzetsel in de Nederlandse taal, legde ons haarfijn uit waarom het woord ‘ervandoorgaan’ als één woord wordt geschreven. ‘Omdat ik het zeg,’ zei Nard.  Zo hoort dat ook. ‘Roma locuta, causa finita.’ Die woorden had pater Bremer ons al bijgebracht. Zo zullen er zaterdag wel meer verhalen zijn verteld, verhalen die ik niet heb meegekregen, verhalen bij het voorbij glijden (of ‘voorbijglijden’) van de uren, terwijl het ene bier na het andere op tafel verscheen, gelardeerd met bruin gebakken bitterballen, worst, kaas en jodenuien. ‘Is dat allemaal wel goed voor de cholesterol?’ zo vroeg ik mij bezorgd af.

Michel van Overbeek, onze Casanova uit Oegstgeest, die een internationale carrière achter de rug heeft in de voedingsindustrie, hield zich onderwijl druk bezig met het vrouwelijk personeel. Toen de glazen wat traag gevuld werden, dreigde hij de hele tent op te kopen. ‘Heb jij nooit een klap op je bek gehad? vroeg ik.  ‘Jawel’, zei Michel, ‘in Moskou van een Rus. Maar die heb ik toen vermoord.’ Ook legde hij uit hoe je discreet moet handelen als je een vrouw uit de damestoilet ziet komen bij wie een stuk WC-papier uit haar rok hangt. De sfeer werd er niet minder om. Ik moest even denken aan Hôtel Les Trois Faisans, waar Jacques Brel ooit bijeen kwam met  l’ami Jojo en met l’ami Pierre en waarover hij zong in Les Bourgois:

‘Entre notaires on passe le temps
Jojo parle de Voltaire
Et Pierre de Casanova
Et moi, moi qui suis resté le plus fier
Moi, moi je parle encore de moi.’

Kortom, we waren weer even jongens, maar aardige jongens, dat wel, en meenden onder de langzaam dalende zon boven het water van de Amstel, waar sloepen, roeiboten en zelfs een enkel duur jacht voorbij dreven in vergetelheid, de hele wereld in onze zak te hebben. Zo’n kleine honderd jaar geleden moet dat niet anders zijn geweest toen Simon Vestdijk en Jan Jacob Slauerhoff, die elkaar nog kenden van de HBS in Leeuwarden, als jonge studenten medicijnen in de Amsterdamse Ysbreker bijeenkwamen. Ik heb het al eens eerder verteld, geloof ik. Maar ja, ik word ook een dagje ouder – een beetje seniel zoals sommigen wel eens achter mijn rug om zeggen –  maar het blijft een mooi verhaal. Vestdijk en Slauerhoff waren beiden lid van de De U.S.A., de Unitas Studiosorum Amstelodamensium, waarover Hans Visser in zijn Vestdijk-biografie het volgende beweert:

‘Op de Sociëteit De Ysbreker waar de studenten van de U.S.A. meestal bijeenkwamen bleven de studenten meestal beneden. Boven werd gedronken, eerst bier, dan jenever en er werd haring gegeten waarmee men elkaar om de oren sloeg. Vestdijks pak stonk daardoor naar haring als hij thuiskwam. Er werden liederen gezongen en moppen getapt.’

Vestdijk en Slauerhoff hadden het zeer naar hun zin in Amsterdam. Het was het Amsterdam zoals het altijd was geweest en waarvan ieder een dacht dat het altijd zo zou blijven. De stad aan de haven waarover Brel later zong: ‘In dat Oud-Amsterdam, zie je zeelieden bikken, zilv’ren haringen slikken, bij de staart, uit de hand’. Vestdijk en Slauerhoff hebben er heel wat gezopen en wat al niet meer. Ze zopen in De IJsbreker met uitzicht op de Amstel.

.
CIMG3073

Grensstraat Amsterdam, 7 mei 2016

Schermafbeelding 2016-05-08 om 20.52.29

Grondwerkzaamheden bij de aanleg van de Grensstraat, 1896 (foto: Jacob Olle, Stadsarchief Amsterdam)

Voordat ik aankwam bij De Ysbreker ben ik nog even wezen kijken in De Grensstraat, een zijstraat van de Weesperzijde, even verderop. Op 1 september 1917 begon Vestdijk aan zijn studie in Amsterdam. Zijn eerste woonadres  was Grensstraat 24 eenhoog. Hij woonde daar van 9 oktober 1917 tot 10 september 1918. Het was het huis van zijn oom Gerrit en tante Johanna, de jongste zuster van zijn vader. In de Anton Wachterreeks komen zij voor als ‘Oom Moos’ en ‘tante Bertha’.

De naam Grensstraat, zo kwam ik na enig googelen te weten, verwijst naar de gemeentegrens, die hier liep tot de annexatie in 1896 van grote delen van de gemeente Nieuwer-Amstel. En op nummer 10 kwam begin 20e eeuw regelmatig prins Hendrik langs, om een bezoek te brengen aan zijn maîtresse, juffrouw Le Comte.

Schermafbeelding 2016-05-08 om 13.10.32

Gerrit Haverman (1859-1930) en Johanna Vestdijk (1861-1936). (foto: Vestdijkkring)

In 1918 verhuisde Vestdijk naar een woning aan de Wijttenbachstraat nummer 51. Dat is vlak bij de tramhalte, waar ik 42 jaar later dagelijks op lijn 3 stapte richting het Ignatiuscollege. De studietijd van Vestdijk is verwerkt in zijn laatste vier Anton Wachter-romans: De beker van de min (1957), De vrije vogel en zijn kooien (1958), De rimpels van Esther Ornstein (1959) en De laatste kans (1960). In 1960 kwam ik mijn klasgenoten voor het eerst tegen op het Ignatiuscollege. Twee jaar later schreef Brel zijn chanson Les Bourgois. Vestdijk zat toen allang hoog en droog in Doorn. Soms droomde hij nog wel eens van de Grensstraat en van die studentikoze gezelligheid in De Ysbreker, even verderop. Ook toen dreef op de Amstel bij tijd en wijle een kurk voorbij.

11 Reacties »

  1. Eddy Drost

    9 mei 2016 op 09:30

    Bêste Josse,

    Even iets over mijn Frysktaliche verhaal ‘De Libbene Dream.’

    Het gaat over een jonge vrouw van 23 die te horen krijgt dat ze ongeneeslijk ziek is. Een tumor in haar hoofd en te groot om te opereren. Nog 6 maanden wordt ingeschat door de artsen.

    Zij huurt de molen in Boornzwaag aan de Langweerder Wielen voor een half jaar (van oktober tot april) om daar de laatste maanden van haar jonge leven door te brengen. Ik ken daar de omgeving en dat is wel makkelijk.

    In de avonden schrijft zij 3 uren en wel over het leven waarop zij gehoopt had. Zij sluit in de tussentijd vriendschap met een meisje van 17 dat door weer en wind elke dag het Friesch Dagblad bezorgd.

    Er komen dus in feite twee verhalen. Haar echte leven wat veel te kort gaat eindigen en een leven waarin zij wel oud wordt. In het ouder wordende verhaal is zij een voorvechter van een vrij Fryslân en doet zij ook haar uiterste best om het Frysk in stand te houden.

    Het geeft mij daarnaast de kans om mijn ideeën over de toekomst te ventileren zowel maatschappelijk als qua technologie. Of ik dat beter doe dan George Orwell is natuurlijk afwachten, maar wel heel waarschijnlijk..😉

    In beide verhalen nadert dus gaandeweg het einde. In haar gehoopte leven gaat zij dan ver in de tachtig (heel ziek en niet lang meer te leven) ook naar de molen in Boornzwaag (dan in de zomer) en sluit zij vriendschap met hetzelfde meisje dat het Friesch Dagblad bezorgd. Die is dus in beide verhalen dezelfde.

    De jonge vrouw is niet gelovig maar de oude vrouw wel. Hierdoor probeer ik weer te geven wat het voor iemand betekent als de dood nadert wanneer je gelovig bent dan wel niet en tevens uiteraard het verschil tussen jong en oud overlijden. Het verschil in wel dan niet geloven wordt in mijn ogen steeds kleiner naarmate de dood dichter bij komt.

    De jonge vrouw die steeds zieker wordt moet dus ook het overlijden van de oude vrouw (zij zelf dus in feite) beschrijven en dat doet haar verschrikkelijk veel verdriet. Het voelt zelfs als erger dan haar eigen (natuurlijke) naderende dood op 24 jarige leeftijd. Geboren 25 december.

    ‘De Libbene Dream’ heeft uiteraard geen happy end. Een verdrietig drama.

    Ik schrijf het nu fonetisch (3 à 4 pagina’s per dag) dus moet daarna flink aan de bak om het echt goed te doen in het Frysk. Dat gaat veel meer tijd vragen dan het verhaal fonetisch op te schrijven, maar het is toch inmiddels wel de hoogste tijd dat ik het Frysk onder de knie krijg. Ik schaam mij een beetje nog niet eerder een poging gedaan te hebben want het Frysk is in mijn ogen een hele mooie en rijke taal.

    Better let as net!

    Freonlike Groetnis út it tropysk Heitelân,
    Eddy Drost

    Nog even in ‘stijl’ afsluiten met een zelf geschreven Frysktalich liedje. De spelfouten in de mee lopende tekst zijn niet van mij. Hylke Speerstra attendeerde mij terecht er op dat er in de gezongen tekst ook een taalkundige fout zit en die mij valt dus aan te rekenen. Misschien zitten er wel meer in en was hij zo vriendelijk het bij eentje te laten..😉

    https://youtu.be/5cj_7fKv52I

  2. Eddy Drost

    9 mei 2016 op 09:36

    Gaat lekker, zet ik er bovenstaand de verkeerde link bij. Als Huub nog eens een ‘blunder prijs’ gaat uitreiken win ik ook nog eens wat..

    Deze moet het zijn… Nu maar hopen dat het wel goed gaat..😉

    https://youtu.be/T3OCyOKQOVo

  3. josse de haan

    9 mei 2016 op 11:50

    Moarn Eddy,
    Moai ferske Eddy, ek meinimmend songen troch Agnes.
    ‘De libbene dream’ is in nijsgjirrige titel – ik tidigje op it ferhaal. It Frysk kinst byslypje litte, it giet om ynhâld en foarm.
    Doei, Josse

  4. Eddy Drost

    9 mei 2016 op 12:27

    Moarn Josse,

    Aardig van u om even te reageren. De titel: ‘De Libbene Dream’ heeft een dubbele betekenis en die zal u niet zijn ontgaan.

    Ik doe mijn uiterste best, maar of ik er uiteindelijk in zal slagen Fryske literatuur te schrijven is hoogst twijfelachtig. Ik ben niet in Fryslân geboren en het Frysk zit dus niet in mijn genen. Toch een enorme handicap. Maar laat ik geen excuses aanvoeren nu er alleen nog maar op de de beer gericht wordt. Ik heb nog wel de tijd om het vizier op scherp te stellen.

    In 2018 gaat ‘De Libbene Dream’ verschijnen.

    Freonlike Groetnis,
    Eddy

  5. Keu

    10 mei 2016 op 03:10

    wie zuigt wie

  6. Keu

    10 mei 2016 op 03:14

    zuigt eddy josse, zuigt agnes eddy, wie zuigt wie o wie

  7. Keu

    10 mei 2016 op 03:18

    spannend hoor

  8. Eddy Drost

    10 mei 2016 op 14:08

    Ach Keu, bij jouw unieke geniale talenten vergeleken ben ik natuurlijk maar een prutser, waar maak jij druk om?

    Ga toch een gebakje eten, maak er een filmpje van, en zet het op YouTube. Bij de tien die er daar al van staan kan er best eentje bij!

    Wat een zielige gefrustreerde psychopaat ben jij.

  9. Keu

    10 mei 2016 op 22:10

    Ik zou zeggen (zoals ik tegen iedereen zeg die vindt dat ik nog een gebakjesfilm moet maken), ga naar de bakker, zoek een lekker gebakje uit, zet een camera op je gericht en uploaden maar. Succes! Als je het je lukt krijg je van mij een tientje.

  10. Keu

    10 mei 2016 op 22:25

    Een tientje is wel wat weinig zeker. Maak er maar tienduizend van! Kan mij ’t schelen.

  11. Keu

    10 mei 2016 op 23:47

    Tienduizend dollar. Wat wil je nog meer.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)