Een tijd op weg naar het einde

Dit is een van de weinige foto’s uit de jaren vijftig, waarop al mijn oudere zussen zijn te zien. Hij is waarschijnlijk genomen in 1956, toen ik acht jaar was. Van links naar rechts: mijn oudste zus Mariet, Tante Marie (de oudste zus van mijn moeder), mijn zus Cornelie (die in 2014 is overleden), mijn jongste zus Trees, pater Deden, ikzelf, mijn moeder en mijn zus Lucie (die in 2015 is overleden). 

Pater Deden was een volle neef van mijn vader en kwam nog wel eens bij ons thuis op bezoek. Hij was lid van de congregatie van de Priesters van het Heilig Hart en woonde in het Klooster Sint Jozef in de Kerkstraat in Nijmegen. Daar ben als kind ook wel eens geweest. Het was een groot gebouwencomplex dat nog de allure uitstraalde van het Rijke Roomse leven. Van daaruit kwam pater Deden ook wel bij mijn tantes in Huissen. Zo vormde hij wonderlijk genoeg een brug tussen mijn Friese familie en mijn familie van moederskant, die uit Arnhem afkomstig was. Een theoloog tussen noord en zuid zogezegd. 

Pater Deden was een aardige man, spraakzaam en heel open, een totaal ander karakter dan mijn vader die vooral zwijgzaam en gesloten was. Hij werd altijd met veel respect ontvangen en als hij zijn verhalen afstak was iedereen een en al oor. Veel later pas vernam ik dat pater Deden het nog tot professor in de theologie heeft geschopt. In de Friese Encyclopedie van 1975 staat hij met foto en al vermeld als prof. dr. D. Deden scj in de functie van supervisor van de Friese bijbelvertaling, waarmee in 1966 werd begonnen op initiatief van It Kristlik Selskip, It Roomsk Frysk Boun en de Kerken in Friesland. 

Maar nogmaals, dat wisten wij bij ons thuis nog niet in de jaren vijftig. Het jaar 1966, waarin begonnen werd met een nieuwe Friese bijbelvertaling, was ook het jaar dat mijn vader overleed en de grote uittocht uit de Kerk begon. Alleen mijn moeder bleef de Kerk trouw. Voor de rest gingen alle kinderen voortaan hun eigen weg. De Moederkerk was nu echt een moederkerk geworden, een herinnering aan een verleden dat voorgoed voorbij was. Bij mij viel de grote uittocht samen met het ineenstorten van het bolwerk der jezuïeten dat zich in mijn naaste omgeving voltrok.

Er wordt nog wel eens beweerd dat de teloorgang van het Nederlandse katholicisme in de jaren zestig primair veroorzaakt werd door de intellectuele, kerkelijke elite die teveel met zichzelf bezig was. Het gewone kerkvolk had het nakijken, helemaal toen het autoritaire Rome orde op zaken stelde door het uitbrengen van twee conservatieve encyclieken in 1967 – Sacerdotalis Caelibatus (over het celibaat) en Humane Vitae (over de anticonceptie) – en een reeks uiterst controversiële bisschopsbenoemingen.

Onlangs las ik het boek van Jos Palm, Moederkerk, De ondergang van rooms Nederland (2012). Ook daarin wordt het beeld geschetst dat de tragische teloorgang van het Nederlandse katholicisme te wijten zou zijn aan de kerkelijke elite die de vernieuwingen niet wist te vertalen voor het gewone kerkvolk. Ik waag te beweren dat dit een gebrekkige analyse is, omdat hiermee nauwelijks recht wordt gedaan aan de crisis die zich na de Tweede Wereldoorlog binnen de theologie zelf had aangediend. Theologie is een discipline die – evenals de kunst – een intrinsiek onderdeel vormt van het maatschappelijke en culturele systeem. 

In de jaren zestig was er in Nederland sprake van een diepgaande crisis van het religieuze symbool, een crisis die alles te maken had met het verdwijnen van transcendentie. Om het bovennatuurlijke te verdedigen tegen het doorgeschoten rationalisme en materialisme van de moderniteit, werd in de decennia daarvoor de transcendentie geheel losgekoppeld van het natuurlijke en zo van alle aardse smetten gevrijwaard. Van de weeromstuit kon de verwereldlijking ongestoord zijn gang gaan, waardoor uiteindelijk het geloof als zodanig plotseling als sneeuw voor de zon zou verdwijnen. Zelfs het seksueel misbruik van veel priesters in die ‘tijd op weg naar het einde’ heeft wellicht iets te maken gehad met de geheel van de aarde losgezongen bovennatuur. Kortom, het geloof verdween niet door een tekort, maar een teveel aan transcendentie.

Deze crisis had een veel bredere draagwijdte dan ‘het verraad van de theologische elite’. Het was eerder een crisis in de moderne ervaring van tijd en ruimte, die in de jaren zestig haar climax bereikte, waardoor het verlangen naar een bovennatuur door haar eigen velgen zakte. Onderwijl was de mystiek bij veel theologen geheel uit beeld verdwenen, terwijl de mystiek in de subculturen juist omhoog schoot als onkruid tussen het asfalt.

De religie droogde gaandeweg op en verdorde uiteindelijk geheel. Maar de spiritualiteit ging juist rijkelijk stromen in de verdwaasde hippie-cultuur en de oosterse renaissance van Bagwan-aanbidders en de transcendente meditatie van Maharishi Yogi. Iedereen leek te gaan shoppen op de spirituele markt van welzijn en geluk. Men rijpte zich rot, gaf zich over aan sensitivity training of koos voor het braakliggend terrein van de eigen seksualiteit als hedonistisch panacee voor emancipatie of spirituele zelfexploratie. Dat is een tendens naar individualisering die nog altijd niet ten einde is. Het zet zich voort in onze tijd van mindfulness en neoliberalisme. Kies voor jezelf.  Kies voor je eigen vrijheid. Je eigen hart is alles… en tegelijk ook hol als een cactusplant.

Ook van dat soort ontwikkelingen hadden wij bij ons thuis in de jaren vijftig nog geen weet. En zeker niet als die aardige pater Deden weer eens langs kwam en honderd uit sprak over de Moederkerk in heden, verleden en toekomst. Hoe met het hem is afgelopen, weet ik niet. Ook niet of hij zelf de Moederkerk is trouw gebleven. Misschien is hij wel uitgetreden en getrouwd, zoals zoveel priesters deden in die roerige jaren. Zelfs de meest fanatieke jezuïeten heb ik van de ene op de andere dag hun witte boord aan de wilgen zien hangen. De wijsheden, die mij jarenlang met strenge discipline waren bijgebracht, bleken nu ook voor henzelf praatjes voor de vaak te zijn geweest.

Reageer

Op bezoek bij Beppe

V.l.n.r.: oom Frans, tante Boukje, oom Hessel, Beppe, mijn moeder en mijn vader

Een ziel krijgt bij de geboorte een woonplaats en een naam. Mijn geboorte in 1947 leidde tot enig rumoer in de Friese familie, toen bleek dat mijn moeder de nieuwe stamhouder niet Manus Durk wilde noemen, zoals de familietraditie dat eiste. Mijn vader heette Durk Manus, mijn pake Manus Durk en mijn oerpake weer Durk Manus… ad infinitum. De weigering van mijn moeder werd door de Friese familie opgevat als een revolte tegen het geslacht der Mousen. Er volgden meerdere bemiddelingspogingen, maar telkens zonder resultaat. Uiteindelijk werd de sfeer wat onaangenaam en opende mijn moeder de post uit Friesland niet meer. Sterker nog, ze wierp die brieven ongeopend in de kachel, zonder dat mijn vader daar weet van had. Het werd uiteindelijk Hubertus Johannes, omdat mijn vader hechtte aan een typisch Limburgse naam.

Zo kruisen noord en zuid zich uiteindelijk ook in mijn naam. Hubertus, de Limburgse patroon van de jacht, de heilige die zich bekeerde toen hij het kruis zag verschijnen in het gewei van een hert. En Mous, de naam van van een geslacht van Poolse Joden, die zich ooit hadden bekeerd toen zij zich in Friesland vestigden. Katholieker kon het niet, en zo was het ook bij ons thuis. Biecht, bedevaart en processies maakten deel uit van het dagelijks leven. Op oudejaarsavond ging iedereen een kwartier voor twaalf op de knieën om gezamenlijk de rozenkrans te bidden. Op elke slaapkamer een wijwatervat aan de muur en in de slaapkamer van mijn ouders hing een immens groot kruisbeeld en een megaformaat rozenkrans.

Het moet eind jaren vijftig zijn geweest dat bovenstaande foto is genomen. Mijn vader en moeder waren op bezoek bij Beppe in Bakhuizen. Cornelia Dölle – want zo heette Beppe –  overleed op 2 juli 1960 en was toen 87. Die dag kan ik me nog goed herinneren. Er kwam ’s ochtends vroeg telefoon uit Friesland. Mijn vader stond nog in zijn borstrok. Hij was enigszins ontdaan toen hij de telefoon weer op de haak legde. Mijn moeder troostte hem. Ik ben nog samen met mijn vader naar de begrafenis geweest, met de boot van Enkhuizen naar Stavoren, zoals mijn vader en ik wel meer hadden gedaan. Mijn moeder bleef thuis voor de kinderen. Daar hoorde ik nu even niet bij. Als stamhouder diende ik aanwezig te zijn bij deze voorname gebeurtenis, ook al was ik pas twaalf jaar oud.

Toen we aankwamen in Bakhuizen, lag Beppe nog in de voorkamer opgebaard in de kist met de oorijzers nog op. De ‘gouden helm’ zo noemden wij dat. Ik neem aan dat ze daarmee niet het graf in is gegaan, maar je weet het maar nooit. Bij de begrafenis was het nog behoorlijk druk. Eerst de Mis in de Sint-Oldulphuskerk en daarna de plechtigheid op het kerkhof. Verder heb ik niet zoveel herinneringen aan Beppe. Ik denk dat ik er al met al vier of vijf keer ben geweest, telkens weer aan de hand van mijn vader. Ze zat dan altijd in de haardstoel en zei nooit zo veel. ’s Avonds brachten mijn tantes haar naar de bedstee, waar ze zich oprichtte aan een soort handvat aan het plafond dat ‘een papegaai’ werd genoemd. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit een woord met Beppe gewisseld heb.

Mijn moeder mocht haar niet zo. Beppe was nogal streng. Ze kon ook erg bot overkomen. Toen mijn moeder voor het eerst met mijn vader in Bakhuizen thuis kwam, droeg ze een jurk met een wat blote hals en opstaande kantkraagjes aan de mouwen. Kennelijk vond Beppe dat wat te wulps allemaal. Mijn moeder was een ‘stêdsje’ en dat zagen ze in Bakhuizen niet zo zitten. ‘Kun je, wat je hier hebt, niet daar aannaaien?’ vroeg Beppe, terwijl ze een wijzend gebaar maakte van pols tot hals. Daarna is het nooit meer echt goed gekomen tussen die twee. Mijn moeder had het ook altijd over de ‘Friese familie’. Die twee woorden alleen al spraken boekdelen, alsof het geen echte familie was. .

Mijn moeder had altijd een fleurig humeur. Ze was hartelijk en spontaan en niet bepaald ordentelijk. ‘Een verwaaid nest,’ zo werd ze vroeger op school al genoemd. Eigenlijk is ze dat haar leven lang gebleven. Ik heb de slordigheid van mijn moeder geërfd. Naarmate ik ouder werd is mijn handschrift steeds meer op dat van mijn moeder gaan lijken. In alles lijk ik meer op mijn moeder dan op mijn vader, behalve in mijn kleding dan. Mijn moeder kleedde zich als een dame, vooral toen ze wat ouder werd. Ik ben met het klimmen der jaren steeds slonziger geworden in mijn uiterlijke verschijning.

Eigenlijk heb ik heel weinig van mijn vader. Hij was een pietje precies. Ik ben ook niet technisch zoals hij, en bovendien zeer onhandig. Mijn vader kon met zijn handen alles maken wat hij met zijn ogen zag. Als een elektrisch apparaat het begaf, werd het door hem meteen gerepareerd. Ik kan nog niet eens een lamp indraaien. Ik ben ook wel eens verstrooid, dat was mijn vader nooit. Maar ik lees boeken. Mijn vader las nooit een boek. Hij was een wijs man, maar die wijsheid haalde hij niet uit boeken.

Mijn vader en moeder in 1957

Mijn vader had een zacht karakter en deed geen vlieg kwaad. Letterlijk zelfs, want als ik op het punt stond een mug dood te slaan, kreeg ik te horen dat zelf het kleinste dier door God geschapen is. Nee, echt op hem lijken doe ik niet. De zoon, waar hij zo lang naar had verlangd, moet hij zich anders hebben voorgesteld. Omgekeerd was mijn vader voor mij niet wat je noemt het ideale rolmodel. Ik trok meer naar mijn moeder. Diep in mijn hart was ik bang dat ik later steeds meer op mijn vader zou gaan lijken. Dat gesloten, Friese karakter van hem was een doembeeld voor mij.

Eigenlijk heb ik mijn vader nooit goed gekend. Hij zei ook nooit zo veel en het verschil in leeftijd was groot. We scheelden exact een halve eeuw. Bovendien viel mijn pubertijd samen met een van de moeilijkste perioden van zijn leven. De laatste jaren bij de PTT, als hoofdopzichter bij de afdeling huistelefonie heeft mijn vader het zwaar gehad. Voor de promotie tot hoofd van zijn afdeling werd hij gepasseerd door een collega, mijnheer Bal, die hij altijd als een ‘slijmbal’ had beschouwd, hoewel hij dat woord zelf nooit in de mond nam. Mijnheer Bal had HBS en mijn vader niet.

Daarna is het nooit meer echt goed gekomen met mijn vader. Hij werd een beetje een mopperkont en zat niet zo vaak meer ‘boven’ bij de zender met zijn soldeerbout, tussen al die lampen, draden, zekeringetjes en weerstandjes. In 1962 ging hij met pensioen. Alleen in de zomer genoot hij nog als hij samen met mijn moeder en mij zes weken lang Frankrijk en Spanje doorkruiste met een tent en zijn Fiat 600D. Op 8 mei 1966 overleed hij, 68 jaar oud. Ik ben nu al weer twee jaar ouder dan hij is geworden.

Misschien ligt de kern van je eigen identiteit wel in datgene wat je niét van een van je ouders hebt meegekregen, maar juist in het weinige dat je zelf met schade en schande in het leven hebt weten te verwerven. Hoe dan ook, echt lijken op mijn vader doe ik nog steeds niet.

Maar toch, soms denk ik wel eens…

Reageer

De eeuw van mijn vader

Het afscheid van mijn vader bij de PTT op 23 september 1962. Helemaal rechts is nog een glimp van mij te zien als veertienjarige.

Twee jaar eerder dan de vader van Geert Mak werd mijn vader geboren. Dat was op 23 september 1897 in Bakhuizen, een dorp in Gaasterland. Als kind was hij gefascineerd door techniek en van jongs af aan heeft hij alles wat telecommunicatie betreft met eigen ogen zien ontstaan. Sterker nog, als puber zat hij al te knutselen met primitieve kristal-ontvangertjes, zoals zoveel nieuwsgierige jongens in Friesland in die tijd. Hij verdiepte zich in begrippen als ‘frequentiemodulatie’ en ‘amplitudemodulatie’. Kortom, hij werd zendamateur. Na de lagere school in Bakhuizen ging mijn vader naar de ambachtsschool in Sneek, waar hij op 26 april 1916 zijn diploma mocht ontvangen. Daarna bleek er in Friesland weinig werk voor hem te zijn, al had hij af en toe een klus als timmerman of smid. In Stavoren bracht hij bijvoorbeeld bij Hotel De Vrouwe van Stavoren op de daktuin een ijzeren hek aangebracht dat daar in het begin van de jaren zestig nog altijd te zien was. 

Op 6 maart 1920 trad mijn vader in dienst van de PTT in Heerlen, waar hij aan de slag kon als monteur. Daar woonde hij in een tehuis voor katholieke vrijgezellen, en daarna in een zelfde tehuis in Maastricht. De PTT, die pas in 1928 zijn naam kreeg, heette toen nog anders: de APT, de Administratie der Posterijen en Telegrafieën. Ook mijn grootvader, Manus Durk Mous, werkte in Bakhuizen bij de postvoorziening. Hij was daar postkantoorhouder. En zelfs mijn overgrootvader, Durk Manus Mous. De PTT zat bij de Mousen in de genen.

In de jaren twintig maakte mijn vader de ene promotie na de andere. Hij schoolde zich bij door allerlei cursussen te volgen in de elektrotechniek, zodat hij beter zicht kreeg op de technische vorderingen binnen de telecommunicatie. Want de ontwikkelingen gingen snel in die tijd. Zo werd hij overgeplaatst naar Amsterdam. Hij werd een ‘schouwer’. Dat betekende dat hij storingen in installaties voor huistelefonie bij grote bedrijven moest opsporen. De storingen oplossen mocht hij niet, want daar waren weer anderen voor. Zo kwam hij in het hele land, bijvoorbeeld bij de AKU in Arnhem, waar hij in 1929 mijn moeder leerde kennen die daar telefoniste was.

Bij zijn afscheid bij de PTT sprak mijn vader over de tijden die veranderd waren in de veertig jaar van zijn werkzame leven, over hoe hij de spectaculaire ontwikkelingen van de techniek van dichtbij had meegemaakt en wat dat in zijn leven had betekend. Op een bandopname van die afscheidstoespraak op 23 september 1962 vond ik letterlijk de woorden terug die nog lang in mijn hoofd zijn blijven hangen:

 ‘En ik heb het tot een eer gevonden dat ik twee-derde van mijn leven heb mogen meewerken aan het welslagen van dat telecommunicatiebedrijf, dat tenslotte in het leven geroepen is om de mensen dichter bij elkaar te brengen. Het heeft mij helemaal geen moeite gekost, want ik heb in mijn jonge tijd bewust gekozen voor de PTT-dienst. Ik heb daar nooit geen spijt van gehad. (…) Ik geloof wel dat alles een klein beetje overdreven is wat hier vandaag verteld is, want ik ben er me bewust van, wanneer ik moet roemen, dan moet ik zeggen met Paulus, dat ik moet roemen op mijn zwakheden.’

En als ik heel eerlijk ben: zwakheden had mijn vader in overvloed. Toch heeft hij er alles uitgehaald, meer zat er gewoon niet in. Mijn moeder zei later wel eens: ‘Durk had eerder uit Friesland weg moeten gaan.’ Hij was een roomse Fries uit Gaasterland, waar het glooiende landschap hem als kind al deed verlangen naar het zuiden. Maar het werd uiteindelijk Amsterdam, waar hij het grootste deel van zijn leven zou wonen. 

In zijn boek Het rode tasje van Salverda meldt Goffe Jansma dat tussen 1860 en 1920 naar schatting 150.000 Friezen hun geboortegrond verlieten. Deze droge cijfers laten een glimp zien van de massale leegloop van Friesland, die zich decennialang moet hebben voltrokken. In Friesland was in die tijd geen droog brood te verdienen. Bij de eerste naoorlogse volkstelling bleek dat in de categorie van 68 jaar en ouder maar liefst 7% van de Amsterdamse bevolking in Friesland geboren was. Voor veel kinderen van ontheemde Friezen stond de wieg in de hoofdstad. Zo ook de mijne in 1947. 

In Amsterdam bouwde mijn vader een eigen zender, waarmee hij met mensen over de hele wereld kon praten. Zo kon het gebeuren dat ik hem als kind wel eens hoorde spreken met iemand uit Australië of Canada. Dat was in het begin van de jaren vijftig. Ik vond dat een magische gebeurtenis als ik hem zo zag praten in het niets. Soms fantaseerde ik wel eens wat ik zou doen als ik later zelf zo’n zender had. Het stoorde me vooral dat mijn vader er eigenlijk zo weinig mee deed. Het bouwen van de zender was voor hem de kick. Maar toen dat ding begon terug te praten vond hij er eigenlijk niets meer aan.

Jarenlang heeft die zender op de slaapkamer boven staan te verstoffen. Wat moet je ook zeggen tegen iemand uit Australië die je helemaal niet kent? Bovendien zei mijn vader toch al niet veel. Van een computer zou hij ook weinig plezier hebben gehad. Er zitten geen buizen in en geen zekeringetjes. Je kunt niet eens solderen. Een computer is een black box waar je blindelings op moet vertrouwen, onzichtbare techniek die je bewustzijn verandert zonder dat je het merkt. 

We leven in een tijd van de elektronische media die de wereld op onzichtbare wijze omvormen tot één groot dorp: ‘the global village’, zoals McLuhan het had genoemd. Tijd en ruimte schuiven steeds meer ineen en de mensen zijn inderdaad, zoals Geert Mak en mijn vader beweerden, ‘dichter bij elkaar gaan leven’. Maar toen de levensruimte in de beleving almaar kleiner werd, veranderde er ook iets in de ervaring van de tijd. In het elektronische werelddorp verdween de open horizon en ongemerkt slopen gevoelens van heimwee en nostalgie naar binnen.

( fragment uit: De Fries die in de toekomst sprong, Fries modernisme in de jaren zestig, 2016. )

Reageer

Alle malen zal ik wenen

Ingewikkelde droom vannacht. Meerdere verhaallijnen lopen door elkaar. Zoals in het begin van een film, als je nog niet weet waar het verhaal naar toe moet, zo beland ik van de ene situatie plotseling in de andere. Ik kan de droom alleen navertellen, als ik de scènes uit elkaar trek, maar in feite switchte alles voortdurend door elkaar heen. Het begint met een bergbeklimming. Zwaar bepakt loop ik naar boven. De berg wordt steeds steiler. Ik struikel en sta op. Ik struikel weer. Eventjes lijk ik zelfs weg te glijden, maar ik kan me nog net vastgrijpen aan een boomstronk. Het landschap om me heen wordt kaler en kaler. Ongeveer een kilometer voor de top beland ik bij een kleine hut, waar een oud vrouwtje woont. Ze lijkt op mijn moeder, maar ze is het niet. Met trillende stem vraagt ze me de zware bepakking af te doen. Ik doe er beter aan, verzekert ze me, om zonder ballast mijn tocht naar de top te vervolgen. Ze heeft het goed met me voor, zo lijkt het, en ik geef gehoor aan haar verzoek, wetend dat het zeer gevaarlijk is om zonder proviand naar boven te gaan.

Daarna voel ik me zo licht als een veertje en bereik ik zonder verdere problemen de top van de berg, waar een adembenemend uitzicht wacht. Ik zie het hele gebergte onder een paarse hemel en realiseer me dat ik op het dak van de wereld sta. Verre horizonten aan vier zijden kruisigen de wereld en een grenzeloos gevoel van troosteloosheid maakt zich van mij meester. ‘Eli, Eli, lama sabachtani!’….Hoewel het dwalen mij tegenstond intrigeerde het mij tegelijkertijd. Mijn gedachten dwaalden af. De poppetjes en schetsjes, die ik in deze afwezige bui tekende, stonden vol symboliek. Een poosje hoorde ik een Italiaanse zangeres een aria zingen, maar het licht van een vuurtoren stoorde me. Ik had niet de kracht op te staan, om het raam te sluiten. Het zal drie uur in de nacht zijn geweest, dat ik weer insliep. Toen wekte de maan me…

Achter mij stond een psychiater verkleed als adellijke heer uit de Pruikentijd. Hij begon voor te lezen uit een rapport dat kennelijk over mij ging. Hij had het over een boek dat ik geschreven had. Daarin wemelde het van de passages die gaan over het dwalen. Elk hoofdstuk getuigt van een geest 
die zich al te zeer opwindt over de genoegens van het dwalen, zo had men vastgesteld. De hoeveelheid tijd die ik besteedde aan het dwalen zou er 
eveneens op duiden dat ik vaak aan het onderwerp ‘dwalen’ dacht. Een van mijn favoriete gespreksonderwerpen als patiënt op de afdeling betroffen de gedachten die bij je opkomen tijdens het dwalen in de bergen. Later vroeg ik Jan en alleman te vertellen over hun ervaringen bij het dwalen, en wilde ik dat ze zeer gedetailleerd zouden zijn in hun beschrijvingen. 
Mijn eigen bijdrage aan deze gesprekken was dat ik lang en met stijgende opwinding sprak over het historische belang van mijn persoon.

Verschillende verplegers, die aan mijn ziekbed kwamen, vertelden dat er nooit veel 
meer gebeurde dan dat ik ‘de hele avond maar wat zat op te scheppen over eindeloze dwaaltochten en wat ik daarbij allemaal had beleefd’. Hoe graag ik ook over het dwalen praatte, meestal 
zorgde ik er toch voor om er niet te veel mee te koop te lopen. Niet ingewijden mocht ik graag nieuwsgierig maken en oudere vrouwen van 
het moederlijke type mochten mij wel eens over mijn haar strijken en me op mijn wang 
tikken. Als begaafde leerling op school was ik ooit woedend geworden toen mij werd voorgesteld om te leren jodelen. Later, als student, weigerde ik pertinent te jodelen, zowel op privé-feestjes als bij officiële gelegenheden. Ik had trouwens niets met jodelen, ook niet de keizerin van Oostenrijk en de koningin van Hongarije, en met Tiroler pornofilms al helemaal niet. Spritzen is ejaculeren, dat had ik er wel uit opgemaakt.

Copulatie associeerde ik met capitulatie. Dit zou kunnen verklaren waarom 
het idee van een algehele capitulatie van de Kerk mij zo enorm tegenstond; bij meerdere 
gelegenheden zei ik nadrukkelijk: ‘Er is één woord dat ik nooit kan gebruiken, en dat is copulatie.’ Maar ik bedoelde natuurlijk capitulatie. Ik stierf liever om aan de schande van capitulatie 
te ontkomen. In de loop der jaren bedacht ik vele redenen waarom het voor mij onmogelijk was nog langer in de bergen rond te dwalen. Ik had slechts één bruid: de Moederkerk, de enige met wie ik ook had kunnen dwalen was Sisi en die was dood. In het hier en nu, zo zei ik vaak, breekt een nieuwe beschaving zich baan. Religie is erotiek, maar daar is de mensheid nog niet aan toe.

Hoe dan ook, het lot bepaalt alles, zelfs het verloop van mijn gedachten. En hoe je het ook wendt of keert, mijn besluit stond vast. De dood werd mijn noodlot. Ik was voorbestemd voor de dood die zich in elk moment aandiende in zijn gruwelijke gedaante. De dood was een dolende ridder die verdwaald was in het hooggebergte. Zelfs de tijd op zichzelf was zwanger van de dood. Leven is sterven, zo dacht ik. In ieder ogenblik herhaalt zich het levensdrama. De bliksem sloeg telkens weer in, en het wachten was nog slechts op de voorwereldlijke donder die oprijst uit de oergrond: boem, Boem, BOEM…. een lange roffel van oorverdovende donderslagen die aan dit alles een einde zou maken. Het graf gaapt en de tijd zoemt….

Dan verandert het decor. Ik ben in een gebouw dat me bekend voor komt. Ik was ik daar al de hele tijd trouwens, ook toen ik naar boven klom. Nog kort geleden was ik ernstig ziek. Ik voel me nog wat zwak en wil naar huis, maar ik kan niet. Alle deuren zitten op slot. In de ruimte ernaast klinkt opeens rumoer. Er is ruzie uitgebroken. Er wordt gescholden en er vallen zelfs rake klappen. Ik kijk uit het raam en zie op het voorplein een soort schuur die leegstaat. Je kunt er door de kieren naar binnen kijken. Er is daar al jaren niemand geweest, zo lijkt het. De ruzie in het naburige vertrek loopt volledig uit de hand. Er vallen schoten. Ik hoor geschreeuw. God bewaar me, de dood is een afgezwaaide kogel…

Dan ben ik weer buiten. Ik loop de berg op en tegelijk naar huis en merk dat ik terug in Oostenrijk ben. Opnieuw sta ik op het dak van de wereld, maar dan opeens loop ik door de straten van een nachtelijk Wenen. Grote schaduwen sluipen over muren. Er kruipt een man uit een rioolput en ik moet denken aan een film met Orson Welles. De oorlog is voorbij. De stad is leeg en verlaten. Alleen het beroemde reuzenrad draait alweer. Er is gebrek aan alles en toch is de lucht verzadigd met de geur van appelgebak met slagroom. Als ik omkijk zie ik mijn hele leven nog voor me liggen. Sterker nog, ik moet nog geboren worden. Alles is er al en tegelijk ook niet. Vaag herinner ik mij een gedicht. ‘Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen, en herhaal ze honderd malen. Alle malen zal ik wenen.’

Reageer

Dromen in de Indische buurt

Schermafbeelding 2015-04-22 om 15.52.01

Borneostraat 30-34, met rechts het Timorplein. Gezien vanaf de derde etage van de Technische school, Timorplein 21. ( Foto Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

‘Het is of onze jeugdherinneringen zorgvuldig in ons onderbewustzijn opgeborgen liggen als de waardepapieren in de kelders van een bankgebouw. Zij wachten daar rustig totdat een stoutmoedige bankrover hen uit hun isolement verlossen komt. Die bankrover is de ouderdom.’

Aldus schrijft Bertus Aafjes in het boek In de Nederlanden zingt de tijd (1976). Het is een prachtig boek dat voornamelijk gaat over jeugdherinneringen. Dicht bij, want ook Bertus Aafjes werd – net als ik – in Amsterdam Oost geboren. Hij op 12 mei 1914 in de Borneostraat 32 1-hoog in de Indische buurt. Ik op 1 december 1947 in de Johannes van der Waalsstaat (destijds nog Van der Waalsstraat) 33 in de Watergraafsmeer. Daar zit ruim 33 jaar tussen, maar we gingen dezelfde weg naar school. Ook Bertus Aafjes ging naar het Ignatiuscollege aan de Hobbemakade. Elke dag met lijn 3, net als ik. Maar daarvoor moest ik eerst nog wel drie haltes met lijn 9. Overstappen op de hoek van de Linnaeusstraat en de Wijttenbachstraat. Ik weet er alles van.

Bertus Aafjes liep vaak naar huis. Ook dat deed ik wel eens als ik in een poëtische bui was. De Borneostraat is niet de meest vrolijke straat om geboren te worden. In mijn herinnering was het een straat waar je niet dood gevonden wilde worden. Misschien is troosteloosheid wel de grondvoorwaarde voor het ontstaan van poëzie. In de herinnering wordt alles mooier dan het was. Je moet op de wereld zijn gekomen in werkelijkheid die nooit heeft bestaan. Eigenlijk heeft de Indische buurt nooit een goeie naam gehad. Nu nog niet. Er hing een grauwsluier over die huizen daar, vooral in die lange, smalle straten met hoge bebouwing, zoals de Balistraat en 1ste en 2de Atjehstraat.

Die straatnamen, daar werd je ook niet vrolijk van. Je zult geboren moeten worden op het Ambonplein of in de Surabajastraat. God bewaar me. Dan zou ik liever in de baarmoeder blijven. En toch, juist in de meest troosteloze buurten worden vaak dichterlijke geesten geboren. Maar de echte malaise is eigenlijk pas later begonnen. In de jaren tachtig werd de Indische buurt volledig gerenoveerd. De meeste huizen gingen tegen de vlakte. Bertus Aafjes schreef zijn boek in 1976, een jaar voordat ik uit Amsterdam wegging. Hij overleed op 22 april 1993. Over het verval van de Indische buurt schreef hij het volgende:

‘Wat ik wel zag ware de barsten die jaar na jaar in de huizen verschenen. Omdat de bouw van de huizen zo inferieur was vestigde zich daar ook een andere klasse: de arbeidersklasse. Toen op haar buurt de oude Indische buurt verouderde trokken veel middenstanders naar de Watergraafsmeer of elders en zonder nu direct te verpauperen kreeg de buurt in de ogen van de gemiddelde man langzaam maar zeker een veel lagere status die vandaag de dag haar vrucht afwerpt in een terreurgroep als de Hells Angels, die wonende in de Indische buurt, de stad onveilig maakt.’

Schermafbeelding 2015-04-22 om 21.24.55

Flevopark gezien naar het toegangshek. Rechts: de Joodse begraafplaats ( Foto: Beeldbank, Stadsarchief Amsterdam)

Even verderop lag het Flevopark, met daarvoor nog de Joodse begraafplaats met al die grafstenen die schots en scheef naar de hemel wezen. Troostelozer kon het niet. Daar in het Flevopark heb later nog wel eens, vlak na zonsopkomst – waarom weet ik niet – een hele vracht papier in het water gegooid, dagboeken, aantekeningen, teksten over mezelf. Ik schreef en ik schreef. Opeens was ik het zat. Dat weggooien van teksten was een ritueel dat ik mijn hele leven bij tijd en wijle heb herhaald. Weggooien. Bewaren heeft immers geen zin. Om niet, dat is het leven. Ook ben ik in dat park wel eens compleet uit mijn dak gegaan na een van de weinige keren dat ik echt stoned ben geweest na een nacht doorzakken met veel drank en marihuana. Ik raakte daar in hoger sferen samen met Fransje Klink. God hebbe zijn ziel. Ook Bertus Aafjes kwam wel eens op de Joodse begraafplaats. Hij schrijft:

‘Het meest geheimzinnige gebied tussen ons huis en de zee was het Joodse kerkhof, gelegen aan het zwarte weggetje – deze laatste benaming alleen al was geladen met betekenis van mogelijk dreiging. Op het kerkhof plukten wij bossen geurige vlier en keken verbaasd naar het onleesbare Hebreeuws en de Davidster op de verzakte ingevallen grafstenen. Eenmaal opende ik er de deur van een kleine houten schuur, die temidden van de wijdverspreide zerken lag, en bleef ademloos van schrik toekijken. Het schuurtje was geheel gevuld met schedels en beenderen, zij lagen er in zulk een overvloed, dat men er een meterslange dodendans van Dürer mee kon formeren. Voor het eerst drong het toen tot mij door dat dit alles ook in mij aanwezig was – schedels, botten en beenderen – en dat het slechts in mij sluimerde om eens te ontwaken als zaad dat weer ontkiemen zou bij de verrijzenis des vlezes.’

Vorig jaar ben ik nog eens door de Indische buurt gefietst. Het zag er inmiddels weer een stuk beter uit. Ik fietste door de Borneostraat, over het Javaplein naar de Molukkenstraat. Ik ben zelfs nog even wezen kijken bij de Gerardus Majella Kerk, waar Bertus Aafjes als kind naar de Mis ging. Ook ben daar wel eens ter kerke gegaan. In die rare neobyzantijnse kerk met vreemde schilderingen op de muren boven het altaar. In de Molukkenstraat ging ik altijd naar de Openbare Bibliotheek. Daar leende ik mijn eerste boeken van Dostojevski en Camus.

Schermafbeelding 2015-04-22 om 20.56.15

Celebesstraat, met op de achtergrond het Muiderpoortstation (Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Vaak droom ik nog van de Indische buurt. Vannacht nog zelfs. Ik liep door de Celebesstraat in Amsterdam, dicht bij het Muiderpoortstation. Opeens realiseerde ik mij dat ik achtervolgd werd. Ik besloot niet om te kijken. Uit de vage geluiden kon ik opmaken, dat het gezelschap met de dronken B. besloten had om niet aan boord te gaan. Ik liep door langs de spoordijk die hier een flauwe bocht maakte. Langzaam kwam een trein voorbij. Ik zag mensen achter de ramen zitten, allemaal verdiept in hun Iphone, Smartphone, BlackBerry of wat er nog meer van dat spul op de markt is tegenwoordig. Ze waren met kettingen aan elkaar vastgebonden, alsof het ging om een stel zware criminelen dat op proefverlof was. Zat ik maar weer in die trein, dacht ik. Dan was alles duidelijk. Dan wist waar ik naar toe ging en waar ik vandaan kwam. Maar tegelijk realiseerde ik mij dit onmogelijk was, een gepasseerd station zogezegd.

O God, laat mijn ziel zich zo ver als mogelijk openen naar de volheid van het mysterie, maar laat het mysterie zich niet vernauwen om in de krochten van mijn brein te passen. Het geluid achter me verstomde. Leo Horn kwam mij tegemoet met een wedstrijdbal onder zijn arm. Ik groette hem en wij raakten in gesprek over de Koptische teksten die ruim honderd jaar geleden in Egypte gevonden waren en nu bewaard worden op de Egyptologische afdeling van een Museum in Berlijn. En naarmate onze conversatie een hoger niveau bereikte, bleven we klimmen, innerlijker denkend en sprekend over de Europacupfinale van 1962 in het Olympisch Stadion, met Puskás, Di Stéfano en natuurlijk Eusébio. De mooiste finale die ooit is gespeeld en nota bene geleid werd door onze eigen Leo Horn, de makelaar in textiel met een winkel in de Jodenbreestraat of wat daar nog van over was.

Ik bewonderde zijn flamboyante stijl van fluiten, zo liet ik hem weten, autoritair en toch met veel gevoel voor de wedstrijd. En zo kwamen wij, Leo en ik, op een nog hoger niveau en overstegen dat, om het buitenaardse spel te bereiken waar zelfs de voetbewegingen van Messi en Maradonna bij in de schaduw vielen en wij bereikten Brazilië, het land de onuitputtelijke overvloed, het carnaval met de schuddende billen en buiken, waar ook het voetbal al sinds mensenheugenis het hoogst denkbare niveau heeft bereikt, voortgestuwd door de ritmische bewegingen op het strand van Rio, bewegingen waar wij stijve Europeanen geen weet van hebben. Het land waar alle schijnbewegingen geschapen worden, ook de dingen die geweest zijn en die zullen zijn, terwijl zij zelf niet worden, maar zo zijn als zij geweest zijn en zo zullen zijn tot in lengte van dagen.

En terwijl wij praatten en naar dat hoogstaande spel van de bal haakten, gaf hij mij een stomp in de buik en wij slaakten een zucht, lieten de bal achter en keerden terug naar dit aardse tranendal, waar de zon noch de dood zich recht in de ogen laten kijken. Ik zag Leo Horn wegwandelen naar het Muiderpoortstation en opeens liep ik langs de vloedlijn van het strand in Rio waar ik stuitte op een jerrycan. Er bleek wijn in te zitten die ooit water was geweest. Hier spreekt de Logos, zo dacht ik bij mezelf. Of was het toch weer de Mythos? Misschien had mijn droom wel ongemerkt een punt bereikt waarop zich een vorm van antinomisch postfundamentalisme begon te ontwikkelen. Hoe dan ook, ik had het gevoel dat niets nog heilig was, zelfs niet deze jerrycan die toch overduidelijk van een wonder getuigde.

Er zijn mensen die water zien branden. Anderen zien de zon in een gele vlek op een schilderij van Vincent van Gogh. Ik zie niets, maar vind wel in mijn droom een jerrycan met wijn, goede wijn nog wel, uit 1950, een heilig jaar, ja zeker, en zomaar aangespoeld op het strand van Rio de Janeiro. ‘O Rio mio! O Dio mio!’ (2 x schudden met de goddelijke billen). Als je dit punt in je dromen eenmaal hebt bereikt, dan kan zelfs het wreedste en meest kwaadaardige gedrag worden gezien als een positief goed.

Ook in de grootste zonde is dan nog een zweem van vroomheid te ontdekken. In elk geval maakte deze ontdekking voor mij duidelijk dat als mensen eenmaal afscheid van de religie hebben genomen, van al die versleten symbolen van het christendom, zij niet zelden een koers inslaan die staat voor een nederlaag van de verbeelding. Des te belangrijker is dat wij leren te aanvaarden wat er schuil gaat achter deze diepe wanhoop en dat wij begrijpen dat aan de religieuze ervaring maar al te vaak eigenschappen worden toegeschreven die in hun uiterste consequentie weldra tot een zondige logica kunnen worden doorgedreven, waardoor de levende deugd in zijn tegendeel wordt gekeerd.

Dit ongetwijfeld belangrijke aspect van de religie zou ons gezonde verstand kunnen verblinden. Alsof de maximale codering van het erotische vuur om dezelfde reden als de verblinding door de zon of de mogelijkheid van de dood zou kunnen leiden tot de deze vergoddelijking van het eigene. Gods volle aanwezigheid kan echter door geen ruimte, geen tijdvorm, geen woord, geen getal, nee door geen enkel concept in deze onvolmaakte wereld worden gevat. Hij is een wezen dat ons aan alle kanten omringt en doordringt, zoiets als een oceaan, een naar alle kanten tot in het onmetelijke enkel maar grenzeloze zee, en alsof dan die zee een spons in zich had.

Dit gezegd hebbende, volgt nu het slot van mijn droom. Een wonderlijk slot, omdat ik er nog steeds geen raad mee weet. Als een slot zonder slot, een open einde zogezegd. Op de terugweg van een bijeenkomst, waarvan ik niet meer weet wie daar aanwezig waren, laat staan waartoe deze bijeenkomst eigenlijk diende, voelde ik een sleutel ik mijn broekzak zitten. Het was de sleutel van een gevangeniscel. Hoe was hij daar gekomen? vroeg ik mij af. Had ik hem misschien per abuis mee naar huis genomen? Maar zo’n sleutel laat je niet slingeren. En dan, wat moet ik er mee? Ik zit niet in de gevangenis. Niemand in mijn kennissenkring die daar iets mee heeft, noch als veroordeelde noch als cipier. Kennelijk had iemand deze sleutel in mijn zak gestopt. Misschien ook was de sleutel al in onbruik op het moment dat hij in mijn bezit kwam. Waarom vind je anders een gevangenissleutel in je eigen broekzak, een sleutel waarvan je niet eens weet op welk slot hij ooit heeft gepast?

aafjesindex

Ook Bertus Aafjes keerde in 1976 – hij was inmiddels 62, acht jaar jonger dan ik nu – terug naar de Indische buurt. Hij wilde het nog wel eens zien allemaal. En bovendien, zijn moeder woonde er nog in het ouderlijk huis in de Borneostraat. Ze was inmiddels al in de negentig. Hij vierde daar Oud en Nieuw en herinnerde zich een oud gebruik uit zijn jeugd, toen iedereen op de veranda’s met pannendeksels kabaal maakte om de geest van het ouwe jaar te verdrijven. Het werd een desillusie. Aafjes schrijft hierover het volgende:

‘Ook dit jaar sloeg ik als een waanzinnige de deksels tegen elkaar, maar tot mijn diepe ontgoocheling, ja schrik, bemerkte ik dat er zich geen levend wezen in de tuinen en op de veranda’s bevond. Achter de gesloten verandadeuren van de lege veranda’s waren slechts blauwe schijnsels zichtbaar, waarin grillige televisiefiguren zich rond de jaarwisseling bewogen. Alleen verweg klonk geluid van vuurwerk, op straat en open plein. Ik sloeg de deksels steeds uitzinniger tegen elkander alsof ik een leemte in de tijd moest vullen. Maar even plotseling als de bezieling gekomen was sijpelde zij in mij weg en ik voelde mij als een wazige halve eeuw die verstreken was. Eerst de volgende dag hoorde ik dat ik zo hard met de deksels tegen elkaar geslagen had, dat zij niet meer op de pannen pasten.’

Reageer