Bestaat er dan toch zoiets als de ziel?

Twee onderzoekers die zich gespecialiseerd hebben in kwantumfysica, verklaren dat zij kunnen bewijzen dat er leven is na de dood, en dat er een ziel is. Het gaat om dokter Stuart Hameroff en Sir Roger Penrose. Zij kwamen met de ‘Quantum theory of consciousness’. Sinds 1996 hebben ze hieraan gewerkt. De theorie zegt dat de ziel van de mens een speciale plek heeft in de breincellen, in bepaalde structuren in de breincellen die ze ‘microtubules’ noemen. Volgens hen is ons brein een soort computer, en het bewustzijn is een programma dat op die computer loopt. Ze ontdekten dat het programma van het bewustzijn blijft lopen, ook nadat we doodgaan. De theorie stelt dat, nadat mensen doodgaan, de ‘microtubules’ de informatie die ze bevatten niet verliezen.

Dit bericht las ik gisteren. Het nieuws circuleert al enige tijd op internet, maar tot nog toe was het mij ontgaan. Bestaat er dan toch zoiets als een ziel die na de dood blijft voortbestaan? Veel mensen hebben die gedachte inmiddels als een illusie bestempeld. Na de dood van God is dood dood en daarmee uit. Maar is dat ook zo. Hebben we alleen maar de ratio en de harde wetenschap om troost in te vinden?

De Franse biochemicus Jacques Monod heeft ooit beweerd dat onze moderne, onttoverde wereld baat heeft bij een ‘ethiek van de kennis’ waarbij niet alleen het objectiviteitsprincipe van de wetenschap wordt gerespecteerd, maar ook het domein van de kennis niet verward wordt met het domein van de waarden. Maar hoe doe je dat zonder God? Hebben we niet iets te snel afscheid genomen van de ’werkhypothese God’? Is het niet zo dat de laatste echo van God nogal altijd in de wetenschap opklinkt? Hoe kun je anders verklaren dat alle levende organismen blijk geven van een intrinsieke planmatigheid, terwijl de objectivistische wetenschap geen raad weet met begrippen als planmatigheid, bestemming, teleologie etc. ?

Is er dan toch zoiets als een Punt Omega, waar alles wat groet en bloeit en ons altijd weer boeit, naar op weg is? We zijn in de wetenschap gaan geloven, maar kunnen moeilijk afscheid nemen van ‘het bezielde heelal’, waar onze voorouders eeuwenlang in hebben geloofd. Hoe komt het dat de wetenschap nog steeds niet de kloof kan overbruggen tussen wat we als waar moeten aannemen en datgene wat we blijven vermoeden? Schopenhauer heeft ons universum ooit beschreven als

…de oneindige ruimte van talloze stralende bollen rond elk waarvan ongeveer een dozijn kleinere bollen cirkelt die, van binnen heet, met een gestolde, koude korst bedekt zijn, waarop een schimmellaag levende en kennende wezens heeft voortgebracht.’

Als je van die gedachte van Schopenhauer niet somber wordt, , dan zou op zijn minst de angst om zich heen moeten grijpen. Dat was ook de verbijstering van Pascal, de angst voor een leeg heelal waarin alles wegsterft in het niets, zodat ooit zelfs de laatste echo van elk bezield leven, ja zelfs van God verstilt in de ultieme stilte. Misschien is het heelal wel een echolalie in een litanie van liefde.

Hoe worden ideële en immateriële verschijnselen van ons bewustzijn objectief? Een woord is maar een woord. Evenals bij het woord ‘roos’ van Gertrude Stein geldt bij elk woord telkens weer de mantra: ‘Een god, is een god, is een god…’ Die leegte van de taal blijft altijd bestaan, ook als je er uiteindelijk het zwijgen toe doet en zo het duisternis van het niets wilt binnengaan. Het hoogste woord in de taal mag dan God zijn, maar die God is per definitie onbenaderbaar met woorden. Kan het onvermogen om dit te begrijpen soms iets te maken hebben met ons gespleten brein? De twee hersenhelften met daartussen de diepe kloof tussen digitaal en analoog, het analytische en het holistische denken. Het is een vermoeden waar ook Jacques Monod gewag van maakte, en dat in een tijd waarin hier nog weinig  over bekend was.

Er is iets wat ontbreekt in ons denken. Hoe sterft een echo weg in de verte? Wanneer is hij echt verdwenen en hoor je werkelijk niets meer?  Waar ligt precies de grens tussen geluid en stilte? ‘Er bestaat geen stilte,’ zo schreef Lyotard, ‘die zich niet als zodanig laat horen, die geen enkel geluid maakt.’ Wat na het vervagen van de laatste rimpeling in de vijver nog overblijft, is iets wat niet kan bestaan omdat het onmogelijk is. Het is de moderne onvermijdelijkheid die het verstand moet aanvaarden, maar die de intuïtie nog altijd niet wil geloven.

In de vorige eeuw is natuurkunde iets geworden wat nog het meest lijkt op een wonderlijke vorm van kansberekening. Het kan zus zijn, maar tegelijk ook zo zijn. Feiten zijn altijd theorie-afhankelijk. De waarnemer zit altijd besloten in datgene dat wordt waargenomen. Op microniveau valt van alles waar te nemen, maar nooit te voorspellen. Dat is met dode objecten zo, maar met levende evenzeer. Ook biologische processen kun je pas volledig fysisch analyseren, als je het organisme eerst hebt gedood. Het mechanistisch-deterministische wereldbeeld kan dus op de helling, al doet menigeen nog altijd alsof er niets aan de hand is. Alsof we precies weten waar we het over hebben, als we natuurwetenschap bedrijven.

Wat is eigenlijk een atoom? Iets wat in ons hoofd bestaat, maar niet in de werkelijkheid. Telkens ontglipt het kleinste deeltje op het moment dat je het meent waar te nemen. Wat je waarneemt is altijd maar een deel van de materie. En trouwens wat is materie? Licht bestaat uit deeltjes, maar tegelijk uit golven. Ra ra, hoe kan dat? Oorzaak en gevolg, gelijktijdigheid, het principe van de uitgesleten derde… alles staat op losse schroeven. Er zit kennelijk een rare kronkel in onze hersenen die verantwoordelijk is voor ons onvermogen om de natuur te kunnen begrijpen. Een soort lus, een oneindige spiegeling, een intrinsieke verbondenheid van het subject dat telkens weer terugkeert in elk waargenomen object.

Zo komt er een oneindig Droste-effect in beeld. De werkelijkheid is alleen te kennen in een model van de werkelijkheid dat op zijn beurt weer afhankelijk is van een ander model dat al in het eerste model besloten lag. Ik zeg het maar even op zijn boerenfluitjes, maar zo zat het ongeveer in elkaar. Escher heeft dat motief talloze malen op pakkende wijze in beeld gebracht. Het eerste boek waarin dit motief tot een ware symfonie werd samengevat was de bestseller Gödel, Escher, Bach (1979) van Hofstädter.

Begin jaren tachtig behoorde ik tot de uitverkorenen die dit boek van zo’n duizend pagina’s helemaal  tot het eind had uitgelezen. De meeste mensen haakten al na honderd pagina’s af en daarna verdween het op een goed zichtbare plaats in de boekenkast. Want je moest wel laten zien dat je het gelezen had. De nieuwe natuurkunde werd een gespreksonderwerp voor aan de borreltafel. Iedereen babbelde erover en vrijwel iedereen snapte er de ballen van. Ik wil niet zeggen dat ik het snapte, maar het fascineerde mij wel.

Sterker nog, dit alles irriteerde mij mateloos. Na Gödel, Escher, Bach sloeg bij mij de koorts pas echt toe. Ik las alles wat ik te pakken kon krijgen over supersnaren, de terugkeer van de betovering, dansende woeli-meesters, chaostheorie, de evolutie van het heelal, oer-knal en eind-krak en niet te vergeten de terugkeer van God in de nieuwe natuurkunde. Want dat was het grote mysterie dat daagde in de tijd waarin de grote verhalen achter de horizon verdwenen. De opkomst van het postmodernisme liep in de jaren tachtig gelijk op met de terugkeer van God in de nieuwe natuurkunde.

Zo verbaasde het mij dat de grote paradigma-wisseling van de kwantumfysica geen gevolgen had gehad voor de theologie. Ik las het boek van Paul Davies God in de nieuwe natuurkunde (1984), maar moest tegelijk constateren dat dit soort natuurkundigen waarschijnlijk nog nooit een boek over theologie had gelezen. Het dagende godsvermoeden werd door hem nogal naïef verwoord. Kortom, er gaapte nog altijd een diepe kloof tussen deze twee disciplines, ook al leek de afstand tussen beide afgronden steeds kleiner te worden.

Met het postmodernisme was het niet veel beter gesteld. Duistere filosofen als Derrida, Lyotard, Deleuze, Lacan en Baudrillard bedienden zich graag van begrippen die direct werden ontleend aan de natuurwetenschap, maar gebruikten die alleen in metaforische zin om zo hun eigen ideeën nog onbegrijpelijker te maken. Zo stelde Lacan zelfs wiskundige formules op om de werking van het onbewuste verlangen te verklaren, maar veel wijzer werd je daar niet van.

Derrida beweerde dat er niets buiten de tekst bestaat. Teksten verwijzen naar andere teksten en dus was alles representatie. De tijd was een spoor dat de woorden achterlieten. Zelfs het hier en nu kwam op losse schroeven te staan. Het postmodernisme werd een filosofie van de afwezigheid. Van het eeuwige uitstel van het heden. Arrive-t’il? Gebeurt er eigenlijk wel iets? Nee dus. Niets bestond. Alleen een verschil. Altijd maar opschorten. Dat was de essentie van het postmodernisme dat elke essentie had dood verklaard.

Zo raakte je nog dus nog verder van huis. Of beter gezegd, steeds meer raakte ik de weg kwijt in de schemering. Het licht verdween in een langzaam intredende duisternis. Alles wat ooit met waarheid van doen had, raakte allengs uit beeld. Niets is waar en zelfs dat niet. Had Nietzsche dat al eens niet eerder gezegd: ‘Niets is waar, alles is geoorloofd’? En toch sprak dit soort filosofen maar al te graag wederom over God. God als het onuitsprekelijke. God als datgene wat niet in taal is uit te drukken. God als God met een streep erdoor: God dus. De Gods wiens enige doel de doelloosheid was. Die onbespreekbare en onuitspreekbare God was de God van het postmodernisme. De God van het apofatische spreken, het niet-spreken, de negatieve theologie die al duizenden jaren oud was. De God van de repeterende ontkenning die uiteindelijk zichzelf ontkent in het onaanraakbare. De God van het sublieme waar je alleen maar ademloos over kunt zwijgen. Kortom, gooi het maar in mijn pet.

Zo raakte ik mijn belangstelling kwijt voor de ‘theorie over alles’, the theory of everything, ook wel ‘TOE’ of ‘kleine teen’ genoemd, een plaatsvervanger voor God, maar dan in de nieuwe natuurkunde. Er liepen convergerende lijnen vanuit de nieuwe natuurkunde, de postmoderne filosofie en de theologie. Dat was zeker, maar zouden die lijnen elkaar ooit raken? In het oneindige wellicht en dus nooit. De woorden lopen uiteindelijk stuk, als je het domein van de wiskunde verlaat. En omdat ik de formules al niet snapte, liet ik de boel de boel. Ik ging andere boeken lezen en zo gingen de jaren voorbij. Maar ook al begreep ik er weinig van mijn de objectieve kennis die de exacte wetenschap pretendeert te bieden bleef mij intrigeren. Zou er door de natuurkunde dan toch zoiets als kennis van God mogelijk zijn?

Ik las over Max Planck, voor wie natuurkunde en religie elkaar naadloos aanvulden, en God een niet geproblematiseerde, vanzelfsprekende aanname was. Over Albert Einstein die evenals Planck alleen de onpersoonlijke God van Spinoza erkende, maar ook zo zijn eigen ideeën had over een kosmische religiositeit en de mystieke beleving van het heelal als de essentie van alle verwondering. Over Niels Bohr die in de God van Spinoza zelfs de trekken van het complementaire denken van de kwantumfysica herkende. Over Werner Heisenberg voor wie deze onpersoonlijke God niet voldeed en zelfs christelijke trekken meende te herkennen in de God van de nieuwe natuurkunde.

Over Wolfgang Pauli die niet alleen op zoek was naar een alchimistische weg naar God, maar ook naar een geünificeerd wereldbeeld dat ruimte laat om materie en psyche te verstaan als complementaire trekken van de werkelijkheid. En tenslotte over Erwin Schrödinger, de meest religieuze wellicht van alle founding fathers van de nieuwe natuurkunde, Schrödinger dus, die er vanuit ging dat er in feite slechts één wereldbewustzijn bestaat. Alle verscheidenheid in de verschijnselen en de gescheidenheid der individuen, het is allemaal slechts schijn. Zo kwam ik weer terug bij de Brahma van de Oepanisjaden. Ik ging Schopenhauer lezen en zo kwam ik weer uit bij die…

…oneindige ruimte van talloze stralende bollen rond elk waarvan ongeveer een dozijn kleinere bollen cirkelt die, van binnen heet, met een gestolde, koude korst bedekt zijn, waarop een schimmellaag levende en kennende wezens heeft voortgebracht.’

En wederom duizelde het mij als zo vaak tevoren. Verbazing beving mij hierover; verbijstering greep mij aan. Ik ben als puber opgegroeid met Augustinus die ik van de jezuïeten in het Latijn moest leren lezen. Ik ken zijn angsten, zijn godsverlangen, zijn seksuele obsessie en zijn driftverzaking. Maar bovenal zijn heldere geest die bleef zoeken naar de grond van ons bestaan, de ziel die met God doordrenkt zou zijn als water in een spons.

Geen reactie mogelijk

Met blijdschap geven wij kennis

Hedenochtend, 11.45 uur

Reageer

Jerre Hakse op zijn kop

Gisteren las ik in de Huis aan Huis bovenstaande column van Ate de Jong. In mijn boek De kleur van Friesland, beeldende kunst na 1945 (2008) staat een schilderij van Jerre Hakse op zijn kop afgebeeld. Een beetje dom natuurlijk. Niet dat ik dit niet wist, ik heb het in de afgelopen jaren talloze malen van mensen gehoord. Jerre Hakse vertelt het kennelijk aan iedereen die het horen wil als een mooie anekdote. En gelijk heeft hij, want dat is het ook.

De gouache van Jerre Hakse, op zijn kop in De kleur van Friesland

Ik weet ook wel hoe het gekomen is. Deze foto was oorspronkelijke een ingeraamde kleurendia. Deze dia moest gescand worden. Daarvoor moest hij uit het raampje worden gehaald en daarna weer terug worden geplaatst. Zo kon het gebeuren dat hij verkeerd om in het raampje kwam en uiteindelijk op zijn kop in het boek werd afgedrukt. Maar dat is natuurlijk geen excuus. Ik had de scan moeten vergelijken met het origineel en niet met de dia. Dat had ook best gekund want deze gouache heeft jarenlang bij mij op het werk gehangen, eerst bij de Fryske Kultuerried en later bij Keunstwurk. Ik had dus beter moeten weten. Een blunder inderdaad.

Ate de Jong en ik in 2004

Maar blunders gebeuren ook in de kunstwereld. De grootste blunder die ik van mijzelf herinner is de volgende. In 2001 solliciteerde ik bij het Fonds voor Beeldende Kunst Vormgeving en Bouwkunst naar het lidmaatschap van de commissie individuele subsidies. Eerder was ik bij dit Fonds zes jaar lang lid geweest van de  commissie voor basisstipendia. Ik werd uitgenodigd voor een gesprek op het bureau van het Fonds aan de Brouwersgracht, waar nu de Mondriaan Stichting is gevestigd.

Het sollicitatiegesprek verliep prima. Ik werd gevraagd of ik nog even wilde nablijven, want er was een receptie waar een drankje werd geschonken. Die receptie vond plaats in een ruimte waar voorheen tentoonstellingen werden georganiseerd. Toen ik daar met het glas in de hand rondliep, meende ik dat er ook nu een tentoonstelling was te zien. Op de muur waren vierkante witte vlakken zichtbaar die in tint iets afweken van de kleur van het achterliggende muurvlak.

Dit is wel heel minimalistisch werk, dacht ik nog. Ik ging er wat dichter op staan en bestudeerde nauwgezet de textuur van het oppervlak om te zien hoe het geschilderd was. Op dat moment kwam de voorzitster van de sollicitatiecommissie naar mij toe.

‘Zoekt u iets?’ vroeg ze belangstellend.

“Ik wilde zien hoe dit werk geschilderd is,” antwoordde ik.

“O,” zei ze. “maar dit is geen kunst. Wij organiseren hier geen tentoonstellingen meer. Dit zijn gewoon panelen op de muur zelf.”

Een week later hoorde ik dat ik niet was aangenomen. Na zo’n blunder kun je onmogelijk nog subsidieverzoeken beoordelen. Einde verhaal. Maar wel een mooi verhaal, dacht ik zo.

Reageer

Fiat Lux!

Volgende week vrijdag word ik zeventig. Ik kan er nog niet goed aan wennen. Om mezelf wat gerust te stellen, heb ik gisteren maar vast een cadeautje gekocht. Al weken had ik hem zien staan, de grote Tyffany-lamp in de etalage van het kleine antiekwinkeltje op de Oostergrachtswal. Hij is zestig centimeter hoog en heeft een zware bronzen voet in de vorm van een amfora.

Gisteren ben ik bezweken. Het zal wel geen echte Tiffany zijn. Daar is de prijs ook niet naar. Maar ik vind hem wel erg mooi. Hij heeft een plaats gekregen onder de houten zeepaardjes aan het strand van Cadiz op de grote foto van Rob Nypels. Hij geeft ook prachtig licht en zet de hoek van de huiskamer opeens in een stralend schemerlicht. Alsof het eeuwig zomer is en warm.

De kleuren van het glas-in-lood voegen zich naadloos bij het patroon van de quilt die mijn zus Mariet ooit heeft vervaardigd en die als rouwkleed heeft gediend bij de uitvaart van Marijke. Fiat Lux! Dat er licht moge zijn! Dat zei mijn vader altijd, maar met die woorden placht hij zijn kleine autootje aan te prijzen, een Fiat 600, die voor hem een grote luxe was.

De donkere dagen naderen. De bladeren zijn gevallen en de kou komt in de lucht. In veel godsdiensten speelt het licht een cruciale rol. Kerstmis is het lichtfeest bij uitstek. De midwinter, het vuur dat ontbrandt als het licht op zijn zwakst is. Het leven is met licht begonnen.  Ik verlang naar het midden van de winter, naar het feest van het licht, wanneer de vuren worden ontstoken en een brandend zonnerad over de akkers wordt geduwd.

Met deze lamp komt Jan Splinter door de winter.

Reageer

Ids en Foekje

Tweede van links: Ids Willemsma als atleet. Inzet: Foekje Dillema

Van de week hoorde ik dat Ids Willemsma een ontwerp heeft gemaakt voor een monument ter ere van Foekje Dillema. Zij is de atlete die in 1950 werd geschorst vanwege haar vermeende mannelijkheid. Foekje liep de 200 meter in 24,1 seconden. Ze was ze sneller dan wie dan ook, zelfs sneller dan Fanny Blankers-Koen. Maar de echtgenoot van Fanny, Jan Blankers, die bobo was bij de KNAU, haalde een smerige streek uit. Hij eiste een seksetest en Foekje viel door de mand. Tenminste zo verluidt de geschiedenis. Foekje kreeg de uitslag te horen op het station in Hilversum, terwijl ze op het punt stond met de Nederlandse atletiekploeg naar Frankrijk te vertrekken. Ze was diep beledigd en wilde het er nooit meer over hebben. Op 5 december j.l. overleed ze eenzaam een roemloos in haar geboorteplaats Burum in Friesland. Inmiddels is ze door de KNAU gerehabiliteerd. Ze is destijds op verkeerde gronden tot man verklaard. Tegenwoordig had ze gewoon door mogen lopen.

Dit schreef ik op mijn blog van 16 maart 2008. Foekje Dillema verdient een opera, zo luidde de titel van mijn betoog. Dat had ik niet zelf bedacht. Het was ooit een idee van wijlen Jaap Castelein die ik in mijn blog dan ook alle eer gaf. Ruim een jaar later, op 25 mei 2009, ontving ik een mailtje van Lowell Dykstra. Hij is componist. Ik had eerder van hem gehoord in het kader van het Frysk Festival 1990, toen hij een compositieopdracht zou krijgen, die door het NNO zou worden uitgevoerd, en die uiteindelijk niet is doorgegaan. Dat was nog in de tijd dat Jaap Castelein – als de spreekwoordelijke spin in het web – de leiding had over het Frysk Festival. In 1993 zou ik Jaap in die functie opvolgen.

Lowell Dysktra liet mij weten dat hij Foekje Dillema als onderwerp wilde nemen voor een compositieopdracht voor Soli Brass en koor. Hij had kennelijk mijn blog gelezen en had geen zin om voor de zoveelste keer het Friese landschap te bezingen door middel van een natuurgedicht. Hij vroeg mij of ik een suggestie had wie zo’n tekst over Foekje Dillema zou kunnen schrijven. Hij suggereerde zelfs dat ikzelf dat misschien zou kunnen doen. Nu vind ik schrijven best wel leuk en ik schrijf doorgaans over van alles en nog wat, maar een mens moet ook zijn beperkingen kennen. Ik heb dus de naam Bouke Oldenhof laten vallen. Dat leek me de meest voor de hand liggende optie, na het muziekspektakel ABE uit 1995.

Drie jaar later kreeg ik opnieuw een mailtje van Lowell Dykstra:

‘Om met Herman Gorter te spreken: ” Het ding is af “. Mijn nieuwste werk ” Draaf, Foekje. Draaf! is klaar om uitgevoerd te worden. Op bijgaande poster kun je lezen waar en wanneer……’

Zo raakte ik gaandeweg, tegen wil en dank, betrokken bij de nagedachtenis van Foekje Dillema. Maar dat verhaal is nog niet af. Gisteravond was ik aanwezig in een kantine op het Sportpark Nijlân in Leeuwarden. De buurtbewoners werden daar geïnformeerd over de plaatsing van het beeld Een ode aan Foekje Dillema van Ids Willemsma. Dat beeld zal een plaats krijgen bij de entree van het sportpark.

Dit beeld van Ids heeft een lange weg achter zich. Burum, de voormalige woonplaats van Foekje, wilde het niet hebben. Het beeld heeft zelfs een tijd naast het Museum Belvedère gestaan. Maar Staatsbosbeheer vond dat niet goed. Uiteindelijk belandde het bij Ids in de tuin. Na een dringend verzoek van Ids toonde wethouder Sjoerd Feitsma belangstelling om het beeld te herplaatsen bij het sportpark Nijlân, waar ook een atletiekbaan is van de de atletiekvereniging Leonitas. Foekje heeft daar weliswaar nooit gedraafd, maar het is wel een hele mooie en passende plek.

Geesje Jorna, vriendin van Foekje Dillema, gisteravond samen met Ids Willemsma

Ids had mij gevraagd of ik voor deze hoorzitting een powerpoint-presentatie wilde maken. Ids zelf hield een gloedvol betoog. Bijzonder was dat ook Geesje Jorna aanwezig was. Zij was ooit nauw bevriend met Foekje Dillema en heeft samen met Foekje nog in een estafetteteam gelopen. Geesje Jorrna vertelde een aantal ontroerende anekdotes over Foekje. Onder meer dat ze samen met Foekje in een hotelbed had geslapen. Zodoende kon ze met haar hand op haar hart bevestigen dat Foekje een echte vrouw was. Ze had alles wat een vrouw moet hebben. Zo hoor je nog eens wat.

Reageer