Hitler en de filosofie van de waanzin

hitler

Ik heb me altijd afgevraagd waarom het Derde Rijk van Hitler eigenlijk ‘het Derde Rijk’ heette. Zes jaar geleden, toen ik een weekje in Berlijn was, kreeg ik het antwoord op die vraag te horen. Het Eerste Rijk was het oude Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie dat van 843 tot 1806 heeft geduurd, bijna duizend jaar dus. Het Tweede Rijk was van veel korter duur, 47 jaar om precies te zijn. Van 1871 tot 1918 was sprake van het Tweede Duitse Keizerrijk. Hitler zou dus voor de derde keer met een Duits Rijk zijn begonnen, maar dat heeft uiteindelijk maar 12 jaar mogen duren. Eigenlijk wilde Hitler ook niets van de term ‘het Derde Rijk’ weten. Hij verbood de Duitse media zelfs om deze aanduiding te gebruiken. Misschien wel, omdat hij de vijand geen alibi in handen wilde geven om hem te demoniseren. De apocalyptische symboliek van zijn onderneming zou zich vanzelf wel bewijzen. Toch is de term ‘Het Derde Rijk’ de geschiedenis in gegaan, alle bezwaren van Hitler ten spijt.

Een ander gedachte, die vaak met Het Derde Rijk wordt verbonden, is het duizendjarig bestaan van dit Rijk. Dit idee komt voort uit het Bijbelboek de Apocalyps, waar gesproken wordt over een Duizendjarig Rijk, dat zal beginnen als Christus terugkeert op aarde. Satan zal dan uit de wereld worden verstoten, om tenslotte – bij de komst van de Antichrist – door Christus definitief verslagen te worden. De nazi’s waren niet afkerig van apocalyptische gedachten omtrent de bestemming van de wereld. De gedachte aan een Duizendjarig Rijk, dat na tweeduizend jaar christendom ophanden zou zijn, heeft binnen de geschiedenis van het christendom een lange traditie gehad. De centrale vraag was of je het boek van de Apocalyps letterlijk moest lezen (en dus historisch) of geestelijk (en dus allegorisch). Volgens Augustinus was het laatste het geval. De Bijbel sprak in louter geestelijke termen die ook als zodanig geïnterpreteerd moesten worden.

Deze allegorische wijze van interpreteren kon overigens ook in de Middeleeuwen tot de meest wonderlijke gedachteconstructies leiden. Zo was het de mysticus Joachim van Fiore die in de twaalfde eeuw een heel eigen theorie bedacht over het einde der tijden. Hij schreef een commentaar op de Apocalyps, waarbij hij de geschiedenis verdeelde in drie grote tijdperken. Het tijdperk van het Oude Testament stond in het teken van de Vader, het tijdperk van het Nieuwe Testament in het teken van de Zoon, en het derde en komende tijdperk in het teken van de Heilige Geest. Zo werd het idee van de Drie-eenheid verbonden met de gedachte aan een Derde Rijk, dat tegelijk ook een Duizendjarig Rijk zou zijn. Joachim van Fiore meende dat de wereld op de drempel stond van een nieuw Utopia, een spiritueel tijdperk van bezinning en ascese, waarin het kloosterleven een hoge vlucht zou nemen.

Al met al kun je concluderen dat Hitler – ook al wilde hij er zelf zogenaamd niets van weten – geprobeerd heeft een kerngedachte uit de Apocalyps te misbruiken voor eigen politieke doeleinden. Het idee dat de wereldgeschiedenis in een beslissende fase was beland, hoefde hijzelf niet te propageren. Dat hadden anderen al voor hem gedaan, Oswald Spengler bijvoorbeeld in Der Untergang des Abendlandes (1919). Het christendom moest overwonnen worden met eigen middelen. Daarvoor moesten eerst de Joden worden opgeruimd, want zij waren – als het uitverkoren volk – de representanten van het Eerste Rijk dat in het teken stond van de Vader, Jahweh. Daarna zouden de christenen uit de weg geruimd moeten worden, want zij stonden voor het Tweede Rijk van de Zoon, Christus. Het Derde Rijk, dat inmiddels was aangebroken. zou de vervolmaking worden van het christendom en het Jodendom tegelijk. Het was de ultieme synthese: het Rijk van de Heilige Geest die in de Führer was neergedaald en sprak met een vurige tong.

‘In dat ziekenhuis in Pasewalk was er een vonk overgesprongen. Het was daar, 
tijdens de jaarwisseling 1918-1919, dat Hitler zijn identiteitsprobleem tot een 
oplossing bracht en, wat hijzelf noemde, ‘de meest verstrekkende, beslissing 
van mijn leven’ nam. Want nu wist hij eindelijk wie hij was en wat hem te 
doen stond. Hij was de leider die door het lot was uitgezonden. Hij moest gehoor geven aan de ‘stemmen’ die hij volgens hem gehoord had – net als Jeanne d’Arc – en die duidelijk tot hem hadden gesproken toen hij in zijn ziekenhuisbed lag. De stemmen zeiden hem zijn moederland te redden van de joden
die zich hieraan vergrepen hadden. Hij besluit zijn hoofdstuk met: “Met de joden valt er niets te onderhandelen. Er is slechts plaats voor het harde of/of. Ik had besloten politicus te worden.” Men ziet dat het antisemitisme in zijn besluit de centrale rol vervulde. Hitlers 
strijd tegen de Joden die het moederland bedreigden, was de centrale, drijvende kracht geworden van zijn politieke missie. Jaren later zou hij zijn volgelingen eraan herinneren dat hij dertig jaar was 
toen hij zijn missie voor het Duitse volk begon, precies dezelfde leeftijd waar – 
op een andere Messias begon aan de uitvoering van Zijn opdracht. ‘

4 april, 1980(3)0001   Aldus Robert G.L. Waite in zijn boek Hitler als psychopaat (1978). Ik ben dit boek momenteel aan het herlezen met het oog op een lezing die ik volgende week donderdag zal houden in de ISVW, de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden. Onderwerp van de lezing is: De romantische wortels van het fascisme. Het boek van Waite gaat vooral in op de psychiatrische kant van Hitler. Daarover is behoorlijk wat literatuur. Al lezende werd ik telkens weer teruggeworpen in het boek van Wouter Kusters, Filosofie van de waanzin, dat ik in de afgelopen dagen uitputtend heb besproken. Veel van de theorieën van Kusters over de waanzin kun je terugvinden bij ‘het geval Hitler’. Met dit verschil dat Waite uitvoerig gebruik maakt van alles wat de psychoanalyse van Freud heeft opgeleverd, en dat Kusters eigenlijk niets van Freud en consorten wil weten. Voor hem is de waanzin een autonome ervaring van de mens die op zijn eigen merites beoordeeld moet worden. Maar wat betekent dat, als je zijn theorieën over de waanzin doortrekt naar ‘het geval Hitler’? Er zijn veel aanwijzingen dat Hitler een zwaar gestoorde persoonlijkheid was en bovendien psychotische fasen heeft gekend, vol Messias-wanen, Uno-wanen, Ω-wanen en wat al niet. Kusters heeft het allemaal heel mooi in kaart gebracht, maar wat betekent deze taxonomie van de waanzin, als je haar toepast op de psychopaat Adolf Hitler?

Maar er is nog iets. Hitler en ik. Na mijn psychose in 1966 heb ik vaak gedacht dat Chritsus, Jeanne d’ Arc, Hitler en ik iets met elkaar gemeen hebben. Door mijn psychose was ik dat gaan denken. De komst van een Duizendjarig Rijk maakte ook deel uit van mijn eigen waanwereld (Plan). Het katholicisme is hofleverancier van dergelijke wanen. Ook in het gebed Onze Vader wordt gewag gemaakt van een Rijk dat komen gaat:

Onze Vader,
die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd,
Uw Rijk kome,
Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel…

Dat laatste kan op God de Vader slaan, maar ook op elke psychoticus die zich zelf tot God – of gezonden door God – verklaard. In Filosofie van de waanzin stelt Kusters:

‘Mous geloofde allicht – op zeker moment, in zekere zin – dat hij God was of diens profeet, maar het is onzinnig om een dergelijk moment uit de context te halen en er een bewijs in te zien dat Mous foutieve gedachten of ‘wanen’, had.’

Deze zin licht ik nu uit zijn context en ik voeg er aan toe, dat ik destijds wel degelijk in een waanwereld verkeerde. Maar hoe zat het dan met Hitler, Jeanne d’Arc en Christus? In Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011) schreef ik:

‘Ik had het syndroom van Jeanne d’Arc. Of je nu daadwerkelijk stemmen hoort of niet, als je direct gehoor geeft aan de stem van God of andere demonen, beland je in het gekkenhuis of op het slagveld. In het laatste geval kunnen sommige mensen in extreem afwijkende mentale condities het kennelijk heel ver schoppen, zo bedacht ik bij mezelf. Opeens zag ik mijzelf als de redder van mijn vaderland: het Heilige Roomse Rijk dat in Rome zelf bevochten moest worden.’

Kortom, ik had evenals Hitler, die in 1918 zijn ‘Jeanne d’Arc-achtige stemmen’ hoorde, de opdracht gekregen mijn moederland te redden. Niet Duitsland, maar het Rijke Roomse Rijk, in casu: De Rooms-katholieke kerk, die in de hoogtijdagen van het modernisme ten onder dreigde te gaan. Ik moest mij niet richten tot de Führer, maar tot de Paus. In zijn boek Filosofie van de waanzin behandelt Kusters in hetzelfde hoofdstuk, waarin hij mijn waan (‘Plan’) behandelt, de waan van een patiënt (geval 43) die Conrad behandelt in zijn boek Die beginnende Schizophrenie. Versuch einer Gestaltanalyse des Wahns (1958). Deze patiënt, die eind jaren dertig psychotisch was geraakt, werd opgeroepen als soldaat in het Duitse leger en kwam uiteindelijk (waarschijnlijk) aan zijn eind in het euthanasieprogramma dat Hitler had uitgevaardigd voor psychiatrische patiënten. Kusters schrijft hierover:

‘Net als bij Mous is er in het Plan van geval 53 een grote medespeler of adressant van de boodschappen. Terwijl Mous met zijn neo-katholieke geschriften naar de paus wilde, draait het bij geval 53 om adviezen en wijsheden voor Hitler’

Maar hoe zat het nu met de stemmen die Hitler hoorde? Op Internet is informatie te vinden over de psychiatrische behandeling die Hitler in 1918 in Pasewalk onderging. Wat mij vooral interesseert is niet de vraag hoe een vergaande psychische ontsporing gepaard kan gaan met het plotseling verkrijgen van messianistische inzichten, maar hoe in sommige gevallen deze inzichten tot grote gevolgen kunnen leiden. De meeste van deze wanen verdwijnen of worden medisch onderdrukt, maar er zijn enkelingen die de waan (Plan) weten om te zetten in een groter – soms zelfs mondiaal – transformatieproces. Zij stichten een nieuwe religie of geven zich over aan geweld, terreur, oorlog en vernietiging. Het demonische en religieuze raken elkaar in de psychose. Williams James heeft daar het een en ander over geschreven in zijn Varianten van religieuze ervaring (1902), met name over de figuur Paulus op weg naar Damascus. Maar daarmee is nog lang niet alles gezegd, lijkt mij. Wat zijn de voorwaarden voor een transformatieproces op grote schaal. Het stellen van een vraag is makkelijker dan het vinden van een antwoord.

fotohit_0

Hitler, staande tweede van rechts, als patiënt in Pasewalk, 1918

De verwondingen, waarvoor Hitler in 1918 werd behandeld in het militair hospitaal Pasewalk, waren zowel psychisch als psychosomatisch van aard. Zo had hij last van trillende ledematen, maar ook van blindheid door het gifgas. Dat laatste wordt ook bestreden. Zo zou gifgas niet tot pseudo-blindheid kunnen leiden. Het verhaal doet sterk denken aan de blindheid van Saulus en zijn transformatie in Paulus. Van Paulus wordt aangenomen dat hij leed aan epilepsie. Over Hitler heb ik zoiets nergens gelezen. Verder zou hij in Pasewalk die wonderlijke stemmen hebben gehoord over de opdracht die hij moest vervullen. Volgens sommigen was deze ervaring beslissend voor de transformatie van zijn persoonlijkheid (o.a. voor hersenwetenschapper Oliver Sacks). Anderen daarentegen zien de transformatie van zijn persoonlijkheid als een gefaseerd proces. Zo zou de zelfmoord van Geli Raubal in 1931 ook een beslissend moment zijn geweest, waarbij voor Hitler de laatste brug naar het menselijk gevoel en empathie werd afgebroken. Ook de ervaringen tijdens de ‘Nacht van de lange messen’ in 1934 zouden van belang zijn geweest. Hier ontdekte Hitler de ‘killer’ in zichzelf en (h)erkende hij definitief de sadistische aard van zijn persoonlijkheid.

Al deze interpretaties gaan ervan uit dat voor het ontstaan van de uitzonderlijke psyche van Hitler een verklaring te vinden is. Anderen ontkennen dat en gaan ervan uit dat de psyche van Hitler absoluut uniek en onverklaarbaar is. Hierbij spelen ook metafysische en zelfs theologische vooronderstellingen een rol. Het epistemologisch model van waaruit je het fenomeen Hitler benadert is bepalend voor de conclusie. Grosse modo kun je stellen dat er een seculiere en niet-seculiere stroming is bij het Hitler-onderzoek. De meest extreme interpretatie binnen de niet-seculiere stroming gaat ervan uit dat door Hitler en de Holocaust de verhouding tussen God en zijn schepping (de mens) definitief veranderd is. De rol, die Hitler wordt toebedeeld, krijgt dan een eschatologische dimensie, omdat hij een teken zou zijn voor een fundamentele wijziging in ‘de bestemming’ van de mens. Er zijn aanwijzingen dat Hitler iets dergelijks ook over zichzelf heeft gedacht. De vraag of het psychisch gezond is om zo te denken – of dit van jezelf te denken – laat ik hier even in het midden. De vragen die mij interesseren zijn de volgende. Wat zijn de condities, niet alleen in de persoonlijkheid, maar ook in de cultuur om tot zo’n ontsporing tin je denken e kunnen komen. Wanneer valt het dubbeltje naar het goede, en wanneer naar het kwade? Hoe kom je op de gedachte om een Duizendjarig Rijk te stichten?

‘Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, die de dood niet smaken zullen, totdat zij de Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk. ‘

Zo staat te lezen in Mattheüs 16:28. In Marcus 9:1 en Lucas 9:27 staan vergelijkbare teksten. Toen ik nog koorknaap was op het St.-Ignatiuscollege, zong ik het in de woorden van Huub Oosterhuis: ‘De mensenzoon komt op de wolken ten overstaan van alle volken.’ Welnu, er zijn inmiddels 1981 jaar verstreken sinds de mensenzoon stierf aan het kruis, maar hij is nooit meer op de wolken verschenen, niet binnen in één generatie en ook niet voor al die generaties daarna, inclusief de mijne. Het was een vergissing van Jezus van Nazareth die in zijn messianistische koortsdroom een iets te optimistische inschatting had gemaakt van zijn eigen eschatologische mogelijkheden. Jezus en Hitler, het zijn twee fenomenen in de geschiedenis die op afstand bezien enige gelijkenis vertonen, al was het maar omdat de twee uitersten elkaar hier lijken te raken op de grens van de waanzin. Het extreem kwade tegenover het extreem goede.

Maar bestaat die tegenstelling wel? Gaat niet in elk kwaad – hoe afzichtelijk ook – iets goeds schuil? En verbergen zich niet in alles wat goed is – misschien juist wel in het extreem goede – de kiemen van het kwaad? Wie als mens het absolute opzoekt loopt het gevaar om in de waanzin te eindigen. Wij kunnen het absolute alleen maar vluchtig raken, schampen slechts. In bezit nemen kunnen we het absolute nooit. Dat mag een mens ook niet. Tenminste, als hij menselijk wil blijven. Elk beeld kan niet zonder een tegenbeeld, een achtergrond, een reliëf. Waarheid is iets wat oplicht tegen een achtergrond, waarna de achtergrond doorgaans verduisterd en verketterd wordt, maar het tegenbeeld hoort intrinsiek bij het beeld, zoals de Duivel hoort bij God, het goede bij het kwade.

6 Reacties

Het boek van verlangen

3036

Bij de crematie van mijn zus Cornelie ontmoette ik haar voormalige geliefde Rob de Leeuw. ‘Woon je nog altijd in datzelfde huis in Zevenaar?’ vroeg ik. ‘Ja,’ zei Rob, maar ik heb er wel een huis naast laten bouwen.’ ‘Als mensen ouder worden gaan ze meestal kleiner wonen,’ gaf ik hem voorzichtig in overweging. Maar die gedachte maakte geen indruk op Rob. Integendeel: ‘Als je ouder wordt moet je juist groter gaan wonen,’ zei hij met veel overtuiging. Ik geloofde hem graag, maar je moet daar natuurlijk wel de pecunia voor hebben. Zelf zou ik graag in een Engels kasteel gaan wonen, met zo’n prachtige bibliotheek met boekenkasten langs alle muren en allemaal leren banden daarin. Maar mijn pensioen is helaas niet toereikend. Rob was voorheen een van de directeuren van de Turmac-fabriek die lange tijd in Zevenaar gevestigd was. Ze hadden daar een prachtige schilderijencollectie die inmiddels verkwanseld is.

Begin jaren negentig had ik Rob voor het laatst ontmoet. Dat was bij een symposium in het Stedelijk Museum dat ging over bedrijfssponsoring. Rob sprak daar namens de Turmac en Wim Beeren leidde de forumdiscussie. Toen ik hem hieraan herinnerde vertelde Rob een fraais anekdote. Als voorbereiding op dat symposium was hij samen met zijn mededirecteur bij Beeren op bezoek geweest in het Stedelijk. Zijn mededirecteur heette Vos. Toen zij zich aangemeld hadden bij de portier, gaf die de boodschap door aan de secretaresse van Beeren met de gevleugelde woorden: ‘Mijnheer De Leeuw en mijnheer Vos voor mijnheer Beeren.’ De secretaraisse van Beeren moet toen de slappe lach hebben gekregen waarvan ze pas een kwartier later weer enigszins herstelde. Het verhaal ging als een lopend vuurtje door hele museum en werd daar nog jaren naverteld.

Maar ik wilde het vandaag over boeken hebben. Of beter gezegd, over het verlangen naar een boek. In 1995 maakte ik een rondreis langs Engelse kastelen. Vol bewondering keek ik naar de library’s. Hoe groter het kasteel, hoe groter de bibliotheek. In elke bibliotheek stond ook een bureau met foto’s in staande lijstjes waarop de heer des huizes te zien was met de groten der aarde. Deze foto’s hadden dezelfde functie als de boeken. Zij waren een bewijs van de statuur van de kasteelheer. Boeken zijn symptomen van ijdelheid.  Daarom hebben mensen graag veel boeken om zich heen. Ik ook waarschijnlijk. Toch is het tegendeel wellicht even bedenkelijk. Ik ken iemand die alleen dié boeken in zijn boekenkast wil hebben die hij ook daadwerkelijk gelezen heeft. Dat is onzin natuurlijk. Een groot deel van de boeken, die ik bezit, heb ik (nog) niet gelezen. Vele daarvan zal ik waarschijnlijk ook nooit lezen. En toch vind ik het belangrijk om ze onder handbereik te hebben. Vaak als mensen binnenkomen – mensen die niet veel lezen – dan vragen ze als eerste: ‘Heeft u dat allemaal gelezen?’ Het ideale antwoord op die vraag heb ik ooit eens gelezen in een boek van de parapsycholoog Van Praag. Hij zei dan: ‘Nee, die boeken heb ik niet allemaal gelezen. Maar het aantal boeken, dat ik wèl gelezen heb, is veel malen groter dan het  aantal dat u hier kunt zien.’  IJdel natuurlijk. Ach, alles is ijdelheid.

Vooral autodidacten zijn erop gesteld om zich zelf te laten vereeuwigen met veel boeken om zich heen. Zo heb ik eens een foto gezien van de filosoof Bolland met heel veel boeken. Zulke foto’s duiden op ijdelheid en een groot ego, maar ook op angst. Het is de angst dat al de zelf vergaarde geleerdheid slechts een vluchtig bezit zal zijn. Boeken kun je niet meenemen in het graf. Zelfs geleerdheid niet. Geleerde mensen die zich laten vereeuwigen met veel boeken, zijn dus niet alleen ijdel, deepdown twijfelen ze aan zichzelf en vooral aan hun eigen intellectuele vermogens. Bovendien hebben ze een diepe angst voor de dood. Michaël Zeeman – God hebbe zijn ziel, hoewel hij daar zelf weinig vertrouwen in had – liet zich graag tussen veel boeken vereeuwigen. IJdel was hij zeker. Onzeker was hij ook, hoewel je dat niet zou zeggen. (Over de doden niets dan goeds). Of hij angst had voor de dood, weet ik niet, maar ik vermoed van wel. Wie niet trouwens ? Bezit, dat door ijdelheid is verkregen, verdwijnt met de dood als sneeuw voor de zon. Of, zoals het in het boek Spreuken te lezen staat: ‘Bezit, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergaart, zal het vermeerderen.’

In de jaren zestig ben ik een tijdje lid geweest van de EC-Boekenclub. Ik heb er zo’n  dertigtal – veelal ongelezen – boeken aan overgehouden. Niets eens slechte, een dik boek van Nabokov bijvoorbeeld, waar ik ooit in begonnen ben, maar niet doorheen kwam. As je niet kon kiezen dan kreeg je ‘Het boek van de maand’ vanzelf toegestuurd. Het probleem met die boekenclubs was het beperkte repertoire. Het waren wel mooie boekenkastvullers. Maar dat waren ook de zogeheten trilogieën (waarom zie je die niet meer) bijvoorbeeld van Toon Kortooms, Jan de Hartog, Jan Mens of Herman de Man. Je had in die tijd inderdaad veel dikke boeken met goedkope banden die toch nog wat leken en heel goed de boekenkast opvulden. Tegenwoordig zie je dat soort boeken nog wel eens in een café, waar ze voor de sfeer een boekenwand hebben gecreëerd. Laatst kwam ik in een wegrestaurant bij Breda, waar de wanden vol waren met dat soort boeken.

Zo heb je ook mensen die graag ‘een wandje boeken’ hebben zonder ooit een boek te lezen. Dat soort boekenkasten herken ik trouwens meteen. Een goede boekenkast heeft een ziel. Het is moeilijk te benoemen waar dat in zit. Ik herinner mij een anekdote die ik ooit van een boekbinder hoorde. Een Amerikaan had bij een antiquariaat in Amsterdam voor een vermogen oude boeken in leren banden gekocht. Maar hij kwam terug bij de boekbinder met de vraag of van alle boeken een halve centimeter af kon, omdat ze net niet in zijn eikenhouten boekenkast pasten. Ik kan me dat ergens wel voorstellen. Als je mooie boeken koopt om daarmee je boekenkast op te sieren, dan moeten ze ook passen, anders is het een miskoop.

Begin jaren zestig kocht mijn vader een ‘Kant en klaar’ wandmeubel, waar de glazen in konden staan. Daar zat ook een boekenplankje in. Maar meer dan tien boeken kan ik me niet herinneren. De Peelwerkers van Antoon Coolen en een vijfdelige Winkler Prins. Soms kwam er een boek in huis dat je goedkoop bij de Margriet kon krijgen. Van Pearl S. Buck bijvoorbeeld of Kronkels van Carmiggelt. Ook kan ik me herinneren dat er wel eens een Prisma-boekje door het huis heen slingerde met titels als De leugen daalt over China of Augustinus de zielzorger, maar dat was het dan ook wel. Lezen deed je niet. Ja, de krant. Die werd elke avond door mijn vader gespeld.

Wij hadden thuis een abonnement op De Nieuwe Dag. Dat was de Amsterdamse editie van De Tijd. En er was natuurlijk de parochiekrant Sursum Corda met het kerkelijk nieuws en niet de vergeten de katholieke radiogids, die later Studio ging heten. Ook kan ik me herinneren dat we wel eens een tijdje een abonnement hebben gehad op Readers Digest. Maar een boek was een zeldzaam fenomeen bij ons huis. Het lezen van boeken werd ook niet door de kerk gestimuleerd. Integendeel. Heel wat boeken stonden op de verboden lijst, de index, die pas in 1966 door Paus Pius VI werd opgeheven.

Ik denk dat mijn liefde voor het boek voor een groot deel is voortgekomen uit  de omstandigheid dat ik opgegroeid ben in een huis zonder boeken. Uit pedagogisch oogpunt heeft het ook weinig zin om kinderen al in hun vroegste jeugd met boeken in aanraking te brengen, zo er al een heilzame werking van boeken uitgaat, wat zeer discutabel is. Een auteur als Jean Paul Sartre, die niet over gebrek aan verbeeldingskracht en verbaal vermogen te klagen had, beschrijft in zijn autobiografie Les mots dat hij opgroeide in een ouderlijk huis vol boeken, maar tegelijk als kind verslaafd raakte aan het lezen van stripverhalen. Zonder effectbejag of ironie, maar letterlijk en oprecht bekent dat hij dat hij nog altijd liever strips las dan Wittgenstein.

Een te vroege toewijding aan het boek zou de fantasie zelfs kunnen remmen in haar vrije ontwikkeling. Geletterdheid, zo beweerde McLuhan, draagt aan de versplintering van de zintuigen. Het Gutenberg-tijdperk heeft de mens geen goed gedaan. De nieuwe media brengen volgens hem nieuwe vormen van synesthesie voort. Daarmee zou een eind kunnen komen aan de verschraling van het zintuiglijk leven, die sinds de Romantiek door dichters en kunstenaars is gesignaleerd en bestreden. Misschien hadden de katholieken met hun middeleeuwse afkeer van het boek dan toch gelijk. Ze wilden het Gutenberg-tijdperk gewoon overslaan. Protestanten zijn wettisch en symboolblind. Katholieken daarentegen zijn beelddenkers en hebben gevoel voor het irrationele.  Boeken lezen remt het creatieve vermogen. Sterker nog: boeken maken je dom.

Toch heb ik zelf leren denken door boeken te lezen en niet andersom. Om die reden heb ik in de loop der jaren mijn huis volgestouwd met boeken. De planken in de gang beginnen zelfs vervaarlijk door te buigen, omdat ze het gewicht van de kast nauwelijks meer kunnen dragen. Er moet binnenkort een betonnen vloer in worden gestort, anders gebeuren er ongelukken. Ik heb ooit eens een verhaal gelezen over een Franse bisschop in de zestiende eeuw die zijn huis zo vol gebouwd had met boeken dat het uiteindelijk is ingestort. De bisschop kwam om het leven tussen zijn eigen boeken. Door de ijdelheid van het overmatig boekenbezit komt de bezitter vanzelf voor de val. God straft door de zwaartekracht, waartegen zelfs het boek niet bestand is. Maar ook als je boekenkast niet omvalt, kun jezelf nog altijd uitgroeien tot een ‘omgevallen boekenkast’

Een overdaad aan boekenkennis, zonder samenhangend inzicht, leidt tot een kwaal die moeilijk te genezen is. Soms denk ik wel eens dat ik zelf ook met die kwaal behept ben, maar dan denk ik weer bij mezelf. ‘Schrijf dat op! Dat is een mooi verhaal.’ Een kwaal kan ook een gave zijn. Neem nou ijdelheid. Niets menselijks is mij vreemd, dus ook ijdelheid niet. Je moet er alleen niet mee te koop lopen. ‘IJdelheid der ijdelheden.’ In welk boek stond dat ook al weer? Het leven vliedt als een schaduw heen. Waarom verzamel ik eigenlijk boeken? Waarom lees ik telkens weer een boek? Welk vreemd verlangen drijft mij? Misschien is het wel het verlangen naar het boek van verlangen.

4 Reacties

Heimwee naar de zon

unnamed

Deze foto kreeg ik eergisteren toegestuurd van mijn nicht Fieke. Het is een foto van een schilderij dat is aangetroffen in de nalatenschap van mijn zus Cornelie die op 20 maart j.l. overleed. Ik schilderde het in 1976, zoals links onderin bij de signatuur is te zien: ‘Mous 1967’. Het  doek heeft een behoorlijk formaat, ongeveer 100 x 120 cm. Het is geen meesterwerk, maar Cornelie was erg gesteld op dit schilderij. Ze wilde het meteen hebben toen ik het af had. Wellicht herkende zij er iets in.

De symboliek van het beeld is ook niet zo moeilijk te vatten. Tenminste voor wie niet symboolblind is. Het hing ergens op een kamer in haar huis. Ik had al het al jaren niet meer gezien. Cornelie en ik zagen elkaar ook niet meer zo vaak. We gingen ieder ons eigen weg, eigenzinnig als we waren, en dat was zij misschien nog het meest. ‘Eigengereid’ zo noemde mijn moeder haar wel eens. De laatste jaren was Cornelie het liefst alleen. Ze verdiepte zich in het boeddhisme, schilderde, boetseerde en schreef veel brieven.

Nu ik het schilderij terugzie, komen allerlei beelden terug in mijn herinnering. Ik studeerde kunstgeschiedenis in die tijd, na twee eerdere studies die op niets waren uitgelopen. Vooral in die tijd heeft Cornelie veel voor mij betekend. Ze nam me elk jaar mee op vakantie, en hielp me als ik weer eens vastliep in mijn studie. Tien jaar na Heiloo kwam mijn leven weer een beetje op het rechte spoor. Hoezo, op het rechte spoor? The middle of the road? Voor mij was alles nog onwerkelijk, clownesk zelfs.

Ik liep nog altijd bij een psychiater die waakte over mijn ‘geestelijk evenwicht’. Maar wat betekent het om je evenwicht te bewaren, als je ooit naar de zon bent opgeklommen? Het leven daarna is dan zo’n beetje van bordkarton. Het vuur is weg. ‘Heimwee naar de zon’, dat zou een mooie titel voor dit schilderij zijn geweest. Ik hoefde het niet meer terug. Het was van Cornelie geworden en niet meer van mezelf. Ik heb het achter me gelaten, zoals je een ladder achter je weggooit zodra je omhoog bent geklommen. Het is opgehaald door de kringloopwinkel van Zevenaar. Wie het nog wil hebben, kan het daar kopen. Ik neem aan voor een habbekrats.

7 Reacties

Een psalm voor dit heelal

images

Lindau Evangeliën, 870 n.C.

‘Maar de ware wijsheid – die tevens waanzin is – toont zich pas in het
patroon van de vier. De vierde persoon is de geheimzinnige macht die de 
grond van de drie geformatteerd heeft. De vier is impliciet en verzwegen 
en wanneer deze vier geëxpliciteerd – of geëxploiteerd en geëxplodeerd! – 
wordt, verschijnt het Inzicht. De vier werkt als een spiegel, transformator 
of portal. Met de vier kun je situaties herdefiniëren, constellaties. omzetten, codes en teksten vertalen. Vier is de ondergrond in de filosofie en
 de onderdoorgrond in de waanzin. Sporadisch wordt de vier besproken in autobiografieën en psychiatrische verslagen. Zo noemt Perry (1974: 30) ‘de
 gekwadrateerde wereld’ een wezenskenmerk van de waanzinnige wereld. ‘Gekwadrateerde wereld: een viervoudige structuur van de wereld of kosmos wordt gevestigd, gewoonlijk in de vorm van een gekwadrateerde cirkel (vier continenten of kwartieren; vier politieke facties, regeringen of naties; vier rassen of religies; vier personen van de godheid; vier elementen of
toestanden van het zijn).’ (Zie ook Arends, 2013: 174 e.v., en Mous, 2014)

Aldus Wouter Kusters in zijn boek Filosofie van de waanzin.  We zijn inmiddels in het laatste hoofdstuk beland, de finale. Het is ook de laatste keer dat Kusters naar een tekst van mij verwijst. Ditmaal naar mijn boek Modernisme in Lourdes, waarin ik een passage heb gewijd aan het begrip quaterniteit bij Jung. Kusters heeft het niet zo op Jung. Jungs theorieën over de waanzin doen hem teveel denken aan primitivisme, kinderlijkheid, de terugval naar oude archaïsche lagen in de geest, of de ziel, wat hwt ook mag zijn. Jung zag de geest opgebouwd in lagen: het bewuste, het onbewuste en het collectief onbewuste, maar volgens Kusters is de psychose geen retro-reis naar archaïsche lagen, maar een stap naar buiten.

De inhoud van een psychose is geen verhalencomplex van oude mythen, maar een staat van perplexiteit die aanleiding geeft tot actie. Hij spreekt dan ook liever niet over ‘waan’ of ‘mythe’, maar over ‘een Plan’. En in dat Plan is sprake van een eigen Plan-tijd en een eigen Plan-logica. Die Plan-tijd is wat voorheen ‘de mythische tijd’ werd genoemd, ‘De Grote Tijd’ bij Charles Taylor, Tempus illud, de tijd, waarin de grote verhalen ontstonden. Jung  gebruikt wat dat betreft het begrip ‘co-aetern’. Het eeuwige is altijd in het hier en nu aanwezig. Ook het christendom kent dat begrip. Christus wordt elke dag weer opnieuw gekruisigd. De opstanding uit de dood vindt telkens weer plaats. Het is elke dag opnieuw Pasen. Hij is opgestaan. Hij verrijst. Telkens weer.

Het perspectief van Jung zou volgens Kusters ook te weinig ruimte bieden aan de lucide staat van het bewustzijn tijdens een psychose. Kusters spreekt over hyperreflectie, de uitzonderlijke staat van intelligentie die zich in de staat van de waanzin kan openbaren. Het is inderdaad waar, in een psychose kun je jezelf bijzonder lucide wanen. Of dat een illusie is of werkelijk zo is, laat ik graag in het midden. Zeker is dat ik in een intelligentietest, die ik in Heiloo bij mijn psychologisch onderzoek moest ondergaan, een uitzonderlijk hoge score kreeg toebedeeld (142), die ik daarna nooit meer heb gehaald. Maar die score was voornamelijk gebaseerd op een (tijdelijk) uitzonderlijk hoog ruimtelijk, motorisch inzicht. Ik herinner mij ook dat ik in die tijd ruimtelijke situaties vaak in één keer kon doorzien, alsof er in dat opzicht een blokkade was weggevallen.

Een psychose is niet alleen een ingrijpende verstoring van het brein, maar ook een radicale ontremming, waardoor allerlei gaven en talenten, die in de normale staat van het bewustzijn niet geactiveerd worden, opeens volop aan de dag kunnen treden. Een psychoticus is vaak zeer creatief, vindingrijk, poëtisch, visionair, soms zelfs helderziend en beschikkend over gaven als telepathie en telekinese. Op dat punt kan ik het betoog van Kusters helemaal volgen, en zelfs op basis van mijn eigen ervaringen beamen. Maar het is natuurlijk wel ‘hic Rhodos hic salta’. Er zijn maar weinig psychotici die op basis van hun (tijdelijk) uitzonderlijke gaven de wereld hebben veranderd. Misschien waren Jezus Christus, Jeanne d’ Arc of zelfs  Adolf Hitler psychotici, die – ieder op hun eigen wijze – hun waanwereld  (Plan) onder controle hebben gekregen en zo tot uitvoering konden overgaan. Zeker weten doen we dat niet, maar voor een ex-pyschoticus is dat een verleidelijke gedachte.  Ook ik heb dat vaak gedacht.

Wat Kusters ook van Jung moge denken, het getal vier speelt een centrale rol in het slotakkoord van zijn boek. Het stramien van de vier elementen aarde, lucht, water en vuur, waarin het geheel was onderverdeeld, convergeert nu in de apotheose van het kristal. Maar wie gedacht had dat de steen der wijzen nu onthuld zou worden, komt een beetje van een kouwe kermis thuis. Het is een nogal esoterisch eindspel dat de lezer krijgt voorgeschoteld. Het heeft er alle schijn van dat een tekst, die de schrijver zelf in een staat van waanzin heeft geschreven, hier koud wordt opgediend. Misschien is het een waanzinnige versie van zijn briljante bachelorscripte. Misschien moet je eerst een LSD-pil slikken om aan de hand van deze cryptische bewoordingen tot verlichting te kunnen komen. Mij lukte het in ieder geval niet. Ik had hier graag het Halleluja van Händel horen klinken, zeker op deze Eerste Paasdag. Maar in plaats daarvan was het eerder zoiets als de oorverdovende rock van Einstürzende Neubauten, metaforisch gesproken dan. Geen King of Kings, Lords of Lords.…. maar: Kollaps bis zum Kollaps....

Naarmate het einde naderde werd de verwachting gewekt dat de lezer zou worden ingewijd in het grote geheim van de waanzin, de compositie van de wereld, het raadsel van het bestaan, het mysterie van de tijd, het afgrondelijke van al datgene waar ons de namen voor ontbreken. Maar waar de dingen geen naam hebben, daar is het zwijgen geboden. De verwachting van een visioen wordt gesmoord in abracadabra, terwijl ons toch beloofd was, dat de waanzin iets profetisch kan hebben. We moeten weer leren naar de waanzinnige te luisteren. Zijn visionaire staat van genade kan ons wijzen op het ongeziene, datgene wat in het hier en nu wellicht in de kiem aanwezig is, maar wat iedereen over het hoofd ziet. Het grootste gevaar sluimert in de kleinste hoeken, in de kieren van de wereld, waar niemand het ziet. Maar de waanzinnige ziet alles in zijn helderziende staat van genade, terwijl het volk verwildert (of ‘ver-Wilders-t’). Waar het visioen sterft, verwildert het volk (Spreuken 29:18).

Kusters had een verwachting geschapen, een belofte van een ophanden zijnde onthulling. Al lezende werd je op weg geleid naar de openbaring van het Plan. Maar wat onthuld wordt is toch voornamelijk de ontdekking van de auteur, dat zijn eigen missie is geslaagd, het Plan is uitgevoerd. Geen Heilsplan. Geen Behandelplan. Nee, een Leesplan. Op pagina 676 – 15 pagina’s voor het einde – schreef hij nog:

‘Ik zal hier nu verder over zwijgen, de lezer begrijpt wel waar ik op doel: 
Het Plan is geen psychische afwijking, maar de matrix die ons inbedt, de 
lucht die ons doet ademhalen én verstikken, de aarde die  ons steunt én ons doet beven. Het Plan kent begin noch einde, maar slechts contractie en expansie. Het feit dat u deze zinnen leest, betekent dat ons Plan geslaagd is.’

Plan geslaagd. Patiënt overleden. Zoiets moet het zijn. Op het moment suprème, waarop de kraan van de waanzin voluit wordt opengedraaid, gaat de kraan piepen in een oorverdovend geluid. Geen lyrische ontboezeming. Geen taal van de oude profeten. Geen dichtersader die overstroomt. Nee, een piepende kraan. Op pagina 659 schreef Kusters nog:

In mijn openbaringsfase in 2007 schreef ik zelf ook bijzonder veel en 
meende ik dat ik een ‘dichtader’ had aangeboord, waardoor de woorden 
vanzelf stroomden. Ik kocht daarom ook een opnameapparaat je om maar
 niets van mezelf te hoeven missen. Gezien de omvang van het onderhavige werk kunnen we ons afvragen of en wanneer er aan mijn openbaringsfase een eind is gekomen.

Nu dus. Het is volbracht.

Maar toch… het is niet onopgemerkt gebleven. Het was een zware en onvergetelijke beklimming van het hooggebergte van de geest. Maar aangekomen op de top, is de hemel bewolkt zodat het schitterende panorama, dat de lezer had verwacht, achterwege blijft.

Systeem! hoe graag met U alleen
verklein ik in mijn droom Uw blote
heelal tot knuffelbare grootte
en koester U door mij heen!

Hoe dolgraag schurkt mijn oude huid
flink langs Uw Tijdeloos Begin,
zaait er mijn dood verleden in
en zuigt er mijn toekomst uit!

Maar ach ik zit hier met mijn wit
vel vol beeld- en tegenspraak
en weet niet wat het scheelt:

eerst stond er niets, en nu weer dit,
ik weet het niet en schrijf maar raak
en toch is dit Uw beeld

Gij doet mij schrijven want ik maak
per ongeluk Uw beeld

Gij schrijft mij nooit, ik schrijf te vaak
en heb U weer verveeld.

Leo Vroman, Een psalm voor dit heelal

3 Reacties

Ontsnappen uit de film van je leven

escher-tekenen

‘Het Plan dat ik ontwierp in de nazomer van 2007 bestond onder andere uit een grondige en bondige herschrijving van mijn bachelorscriptie met behulp van één A4tje
zou de door mij geziene/gedachte waarheid integraal uit de doeken kunnen worden gedaan. Maar al snel na mijn ontvangst van de openbaringen en de genade botste dit voornemen met de aardse realiteit in de vorm van een maandenlange onderdompeling in haldol en andere geestdodende substanties. De uitwerking van mijn Plan uit 2007 kreeg in de jaren daarna vorm in het onderhavige boek. Maar de verst doormeanderende gedachtegangen en uitkristallisaties verdampten voortijdig in de hitte van de waanzin  – zoals zo vaak het geval is. Hoe eindigen Plannen? Wat zijn de spelbrekers. Hoe kun je ontsnappen uit ‘de film van je leven’?

Aldus Wouter Kusters in zijn boek Filosofie van de waanzin (p. 618), De cirkel sluit zich wederom. Het boek dat de lezer leest is de uitvoering van de waan waar de schrijver in terechtkwam. In de voor hem zinderende zomer van 2007 gaf hij een intensieve leescursus op de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden over het boek De bronnen van het Zelf van Charles Taylor. Gaandeweg kwam hij met zijn eigen gedachten in een lus tussen Taylors gedachtegoed 
en de inhoud van een indalende godsdienstwaan. De waan van Kusters – ‘het Plan’ zoals hij het zelf noemt – moest ten uitvoer worden gebracht en het boek Filosofie van de waanzin is na zeven jaar het gerealiseerde Plan. Ook mijn eigen waan in mijn psychose in 1966 bevatte een Plan. Sterker nog dit Plan wordt in een van de laatste hoofdstukken van Filosofie van de waanzin uitgebreid besproken. Er klinken wonderlijke echo’s in het boek van Kusters, die mij herinneren aan mijn eigen leven. Over twee weken geef ik zelf een lezing op de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden. Ook vorig jaar was ik daar te gast.

Iedere keer gaat er iets tollen als ik dit boek lees.  Toen ik in 1966 in Heiloo behandeld werd voor mijn psychose, kreeg ik van psychiater te horen dat de inhoud van mijn waan op dat moment geen onderwerp van gesprek was. Hij wilde het er niet over hebben. Wellicht dacht hij, dat de inhoud van een psychose voor het herstelproces er niet toe doet.  ‘De psychose is een vormprobleem’, heeft ooit de psychiater Rümke beweerd. Het gaat niet om de inhoud, maar om de patiënt uit zijn verwrongen stelsel van ideeën te verlossen en weerbaar te maken om zelfstandig het leven aan te kunnen en weer ‘baas te zijn in eigen brein’. Daar is iets voor te zeggen, maar het hele betoog van Kusters is gericht op het tegendeel. Ook het boek Tegen de tijdgeest was in feite een pleidooi om aandacht te schenken aan de inhoud van de psychotische waan, aan het waanzinnige Plan dat volgens de psychoticus ten uitvoer moet worden gebracht.

Het enige, wat ik destijds van mijn psychiater te horen kreeg, was dat de inhoud van mijn psychose iets zou kunnen bevatten dat in mijn latere leven duidelijk zou kunnen worden. De opdracht, die ik had ontvangen ‘van gene zijde’, zou ik wellicht op een andere – en nog onvermoede – manier toch ooit ten uitvoer kunnen brengen. In zekere zin is dat in mijn latere leven ook gebeurd. Jarenlang heeft de gedachte in mijn hoofd rondgespookt dat ik ooit nog eens een boek moest schrijven over mijn vreemde ervaringen in de jaren zestig. Pas na mijn vervroegde pensionering in 2007 ben ik een en ander in praktijk gaan brengen. Mijn bijdrage aan Tegen de tijdgeest (2011) en de tekst van mijn boek Modernisme in Lourdes (2013) maakten aanvankelijk deel uit van één manuscript. Het geheel was – achteraf bezien – de realisatie van mijn Plan uit 1966. Ik had er alleen veertig jaar voor nodig om met de uitvoering van mijn Plan te beginnen. Wouter Kusters nam de uitvoering van zijn Plan meteen na zijn psychose in 2007 ter hand en was na zeven klaar klaar. Achteraf schrijft hij:

‘Zo bezien bevatte mijn waanzin uit 2007 de grillige, compacte en soms onbegrijpelijke kiem – door Taylor geplant – van datgene wat ik in dit boek op een begrijpelijker manier uitwerk.‘

Nogmaals, daarmee is de cirkel rond. Het idee voor het boek Filosofie van de waanzin werd geplant in een toestand van waanzin. Het is de auteur zijn hond uitlaat en zich afvraagt ‘Wie laat wie nou uit?’ Hij schrijft over iets wat hem ooit werd voorgeschreven. De schrijvende hand van de schrijver produceert een tekst, die ooit in een notendop werd gedacht/gezien in een psychose.  Het beeld is duidelijk, dit is Escher in het kwadraat, maar dan vertaald naar het domein van de waanzin.  Elders komt Kusters zelf terug op die wonderlijke ets van Escher, waarin alles lijkt samengevat:

‘Beeldend kan dit worden voorgesteld met een beroemde lithografie van 
Escher, Tekenen uit 1948. Hierop staan twee dezelfde handen getekend die 
een tekening van een hand op papier maken. Deze tekening loopt echter over in de hand van de ander. Beide handen worden dus tegelijk getekend en zijn zelf tekenend. Oftewel, binnen het Plan is de gewone wereld 
een dekmantel en binnen de dekmantel is het Plan slechts een verzinsel. No way out! ‘

De psychoticus laat zich leiden door de stem van de waanzin, maar kan – als het hem zo uitkomt – ook een rol spelen. Hij is dan de gek, maar speelt ook de gek. Hij volgt een stem van buiten die zijn gedrag dicteert, maar lijkt zich bewust te worden van zijn situatie en doet het voorkomen dat het allemaal maar spel is, een maskerade, een rol in een toneelstuk die op briljante wijze voor het voetlicht wordt gebracht. Dat motief duikt in allerlei varianten op in de wereldliteratuur. ‘Dit spel zegt Hamlet geeft me de ban waarin ik het geweten van de koning vangen kan. ‘

In het voorjaar van 1965  zag ik op televisie het toneelstuk Hendrik IV van Pirandello. Het maakte een verpletterende indruk op mij. Ko van Dijk speelde de hoofdrol, dat weet ik nog goed. Hendrik IV gaat over een existentieel probleem. Hoe is het om in het schemergebied te leven tussen waan en werkelijkheid? Waar ligt de grens tussen het normale bewustzijn en de waanzin? Is die grens absoluut of wordt hij alleen bepaald door een relatief verschil in beleving van binnenuit en van buitenaf? Allemaal vragen, die uiteindelijk uitkomen bij de laatste vraag. Wat is de identiteit van een mens? Een essentie, een constructie of een illusie?

Voor het schrijven van dit stuk werd Pirandello geïnspireerd door de persoonlijke ervaringen die hij had opgedaan met zijn vrouw, die twee jaar eerder in een gesticht was beland. Het proces van het langzaam wegglijden in de waanzin had hij zich dus onder zijn ogen zien voltrekken. Hij moet gezien hebben dat die grens gradueel is en uiteindelijk bepaald wordt door de omgeving. Er zijn geen absolute verschillen tussen waan en werkelijkheid. Integendeel, we hebben met ons allen ooit afgesproken dat het gezonde verstand overeenstemt met de wereld. Maar wie zegt dat een waanzinnige niet veel meer recht van spreken heeft? Waanzin kan soms een toevluchtsoord voor het bewustzijn vormen, een comfortabele binnenwereld die veruit te verkiezen is boven de dorre eenzaamheid van het alledaagse bestaan.

Het verhaal van het stuk is intrigerend. De hoofdpersoon, een depressieve jongeman, valt tijdens een historische optocht, waarin hij de rol van Hendrik IV speelt, van zijn paard en wordt krankzinnig. Hij denkt dan dat hij werkelijk Hendrik IV is, de Duitse keizer uit de 11de eeuw die barrevoets de gang naar Canossa moest maken naar de Paus. In plaats van zijn waanzin te behandelen, besluit zijn welgestelde neef om hem in zijn waan te laten en hem op te sluiten in een middeleeuws kasteel, waar alles is ingericht als het hof van de historische Hendrik IV. Daar verblijft hij twintig jaar lang, letterlijk in een burcht van illusies.

Als het stuk daadwerkelijk begint, komt een groepje oude vrienden bij hem langs. Onder hen bevindt zich zijn oude geliefde Mathilde die opeens de hoop blijk te koesteren om hem te genezen, hoewel ze hem jarenlang aan zijn lot heeft overgelaten. Op advies van een psychiater besluiten men een poging te wagen om ‘Hendrik IV’ met een schok uit zijn waanwereld te laten ontwaken. De dochter van Mathilde trekt de kleren aan die haar moeder twintig jaar tevoren had gedragen toen het ongeluk gebeurde.

Uiteindelijk blijkt dat Hendrik al acht jaar eerder genezen was, maar al die tijd zijn waanzin is blijven simuleren om niet te hoeven terug te keren in de wereld van het gezonde verstand. Hij verkoos het geruststellende comfort van zijn historische identiteit boven de trieste werkelijkheid van zijn eigen verspilde leven. Maar als de burcht van illusies dreigt te bezwijken, kan alleen een wanhoopsdaad nog uitkomst bieden. Het stuk eindigt dramatisch met een moord, waarmee de hoofdpersoon alsnog zijn waanzin voor zijn directe omgeving onomstotelijk bevestigt.

Maar de vraag die natuurlijk blijft hangen is: wat stelt die waanzin nog voor? Hendrik IV is waanzinnig, maar in relatie tot welke werkelijkheid? Zijn eigen bewustzijn? De leugen van zijn geliefde? De historische schijnwereld die zelfs zijn directe omgeving twintig jaar lang in stand heeft gehouden? Een absolute grens is verdwenen. Er bestaat geen waarheid meer, geen werkelijkheid en geen waanzin. Een half jaar nadat ik het stuk op TV had gezien belandde ik zelf in een gesticht. Ik heb daar nog vaak aan het stuk van Pirandello teruggedacht. Ik speelde met de gedachte om voortaan net te doen alsof.

Soms denk ik wel eens bij mezelf, dat ik nog altijd doe alsof. Ik doe alsof ik ‘ik’ ben, maar dat ben ik niet. Ik doe alsof ik ‘Fries’ ben, maar dat ben ik niet. Ik doe alsof ik ‘Huub Mous’ ben, maar dat ben ik niet. Ik doe alsof ik ‘gek’ ben, maar dat ik ben ik niet. Of anders gezegd, de ware gekte is de werkelijkheid zelf. We houden met zijn allen de illusie in stand dat de werkelijkheid de normaalste zaak van de wereld is. We trekken een geruststellend decor overeind van een historische of existentiële identiteit, waarin we ons niet alleen als groep, maar ook als individu heel veilig wanen. Maar identiteit bestaat niet. Het is een blinddoek die ons behoedt voor een gigantische leegte. Wie de moed heeft om die blinddoek af te doen ziet de waanzin recht in de ogen. Die horror dekken we af met de illusie van een gezond verstand. Hendrik IV is een soort Elckerlyc. Het gaat over iedereen. Ieder mens leeft immers in een burcht van illusies.

Eergisteren belde Huib Schreurs. Hij vroeg of ik een concept-persbericht wilde schrijven voor mijn lezing op 9 mei a.s. in boekhandel Schreurs &De Groot in Amsterdam. Huib wil dat ik het ga hebben over de vraag of Gerard Reve nu echt, oprecht katholiek was, of dat het allemaal maar spel was, een maskerade van ironie. Ik denk dat het echt was – zoals ik ook in Modernisme in Lourdes – heb beweerd en ook heb proberen te onderbouwen. De romantische ironie was een stijlmiddel voor Reve, niet meer en niet minder. Zijn bekering tot het katholicisme was oprecht ,want hij was een diepreligieus mens.

En toch, Reve was behalve een magistraal schrijver, ook een briljant poseur. Bovendien waren er periodes in zijn leven dat hij ook een psychiatrisch patiënt was. Sterker nog, een normaal mens is hij nooit geweest. Wie wel trouwens? In zijn boeken kwam ook nooit een normaal mens voor, zoals hij zelf vaak beweerde. Reve speelde misschien wel een rol, die hij in zijn eigen leven echt was. Maar was hij het nou echt of niet?  Om bij zijn publiek elke twijfel weg te nemen, werd hij misschien ‘echt’ wat hij speelde. De echtheid was mogelijk een ontsnappingspoging uit de rol die hij tot het einde bleef spelen, ook al geloofde hij er zelf niet meer in. Hoe het ook zij, de dubbele boekhouding van de ironie is in de waanzin heel gewoon. In het katholicisme ook trouwens.

2 Reacties