Ik in de bol, de bol in mij

HANDWITHSPHERELG

In een beroemde litho van M. C. Escher uit 1935 zien we niet alleen de gestalte van Escher zelf weerspiegeld in een bol, maar ook de kamer waarin Escher zich bevindt. De verbinding tussen de werkelijkheid en de weerspiegeling daarvan wordt tot stand gebracht door de hand van de kunstenaar die de bol draagt. Die hand is als een Atlas die de wereldbol torst. Maar wat is werkelijkheid? Wat we zien afgebeeld is wat Escher te zien kreeg toen hij de spiegelende bol voor zijn ogen hield. Hij plaatste hem tegen de muur zodat de kamer zich achter zijn rug bevond toen hij naar de bol keek. Maar dat beeld van de kamer is vervormd door ingewikkelde wiskundige wetten die de formele structuur van een spiegelbeeld op een bol kunnen verklaren. We krijgen letterlijk een vertekend beeld te zien Als het licht van buiten via de lens van ons oog op ons netvlies valt. krijgen we ook een vertekend beeld te zien. Dat beeld staat zelfs op zijn kop. Maar ergens tussen netvlies en cortex wordt dit vertekende beeld gecorrigeerd. Het brein kent de wetten van de wiskunde die voor deze correctie nodig zijn. Het oog kan niet denken, maar het brein kan zien.

Maar er is meer. In het beeld dat de litho van Escher laat zien wordt de illusie gewekt dat wie maar deze voorstelling kijkt op dezelfde stoel zit als Escher gezeten heeft in 1935. Het is een illusie die in de schilderkunst wel vaker werd toegepast, denk aan het beroemde schilderij Las Meninas van Velazques, waar het Spaanse koningspaar in een spiegel op de achtergrond is te zien. Het is een fotografisch effect dat werd gebruikt nog voordat de fotografie werd uitgevonden Foucault wijdde er een fraaie beschouwing aan in het begin van zijn boek Les mots et les choses (1966). Eerder schilderde Parmigianino een zelfportret in een bolle spiegel en de Jan van Eyck schilderde zichzelf  een spiegel op de achterwand in het portret van het echtpaar Arnofini. Het waren optische trucs die in de schilderkunst bekend waren, maar Escher zit dit illusoire spel van de weerspiegeling pas echt op scherp. Beeld en spiegelbeeld, de werkelijkheid en de weerspiegeling daarvan zijn verwikkeld in een wederzijdse maskerade. Het echte wordt onecht maar het onechte wordt ook echt. Kan het zijn het spiegelbeeld soms de werkelijkheid is? Dat de kunstenaar niet van buiten naar binnen kijkt, maar van binnen naar buiten? Wat weerspiegelt wat eigenlijk, en wie kijkt wie nu aan?

threespheres2

Twaalf jaar later, in 1947, kwam Escher terug op dit motief in een reeks van drie bollen, waarin het verwarrende spel van binnen en buiten opnieuw wordt gespeeld. De bol transformeert in drie fasen van half open en transparant tot gesloten en ondoorzichtig. In de middelste bol keert de weerspiegeling van de kunstenaar zelf terug, maar nu zit het weerspiegelde beeld niet op het oppervlak van de bol, maar in de bol zelf. Althans zo lijkt het, want in dit beeld kun je eigenlijk helemaal niet meer zien waar je nu eigenlijk naar kijkt. Het lijkt een montage van de twee beelden links en rechts, maar helemaal zeker is dat niet. De dragende hand van Escher is verdwenen. De bol ligt nu op een spiegelend tafeloppervlak. Links lijkt de weerspiegeling van de bol een beeld op te leveren dat sterk aan het Yin Yang teken doet denken. Rechts heeft zowel de bol als zijn weerspiegeling veel weg van een ei. Bij de middelste bol wordt de deels weerspiegelde beeltenis van de kunstenaar zelf niet herhaald in de weerspiegeling van de bol op het tafeloppervlak. Deze transformatie van de spiegelbol levert een reeks beelden op die zwanger is van symboliek. Peter Sloterdijk zou ervan gaan dromen. Wouter Kusters lust er wal pap van. (zie: hier) Het de de eeuwige symfonie van Gödel, Escher, Bach, maar ook de taoïstische topologie van de bol en de sferen,waarbij de grenzen tussen binnen en buiten vervagen. Zit ik de bol of zit de bol in mij? Kan ik de wereld eigenlijk wel begrijpen zolang ik er zelf deel van uitmaak? Het universum kijkt naar zichzelf, dat is het grootse raadsel van het bewustzijn en de anomalieën van de kwantumfysica maken de zaak er niet simpeler op.

U-eye

In de slotscène van het toneelstuk Spinoza van Dimitri Frenkel Frank staat Spinoza alleen op het toneel met een vergrootglas in de hand. Berooid en gelouterd, uitgestoten door de joodse gemeenschap en de gemeente Amsterdam vanwege zijn vermeende godslasterlijke ideeën, maakt hij de balans op. Hij steekt zijn vinger tussen de bladeren van een struik en haalt er iets uit. Een lieveheersbeestje. Hij bekijkt het nauwkeurig, stelt het gerust dat het niet zal verbranden en alvorens het weg te blazen neemt hij zich voor lenzen te gaan slijpen en ook het glas in zijn hoofd te zullen scherpen tot er geen geheimen meer zijn. ’God we sluiten een nieuw verbond’. En dan gebeurt er iets merkwaardigs. Uit een luidspreker ergens achter het toneel wordt –  gehuld in de stem van Spinoza  – God hoorbaar die zegt: ‘Wat stel je voor Spinoza?’

Spinoza leefde in een tijd waarin grote ontdekkingen werden gedaan op het terrein van de optica. Er werden lenzen geslepen waarmee niet alleen de kleinste microwereld van de natuur van zijn raadsels kon worden ontdaan, maar ook de planeten in een verre uithoek van een heelal. In zijn Stelkonstige Reeckening van den Regenboog gaat Spinoza – in navolging van Descartes – in op de waarneming van de natuurkundige, door te berekenen wat de grootste hoek is waaronder je kleinste regenboog kunt zien (47 graden en 47 minuten) en de kleinste hoek voor de grootste (51 graden en 37 minuten) . Spinoza wilde niet alleen elk woord exact op zijn plaats zetten in een verhouding van één op één tot de werkelijkheid, maar ook de regenboog. In de zeventiende eeuw werd de regenboog als een metafoor van het goddelijk verbond ontluisterd tot een optische illusie binnen het veelvoudig kristal van waterdruppels. De mechanisering van het wereldbeeld, die toen op gang kwam, heeft niet alleen God uit de natuurkunde weggehaald, maar ook – binnen de wetenschap – de beeldspraak uit de woorden. Sindsdien is er een verwijdering ontstaan tussen der woorden en het oog, tussen het verstand en de verbeelding. Het ware en het schone liggen sindsdien niet meer in elkaars verlengde, om van het goede maar te zwijgen. Het complot van de wereld is in duigen gevallen. De regenboog is letterlijk de regenboog niet meer. We weten niet eens meer waarnaar we kijken. Kijk ik naar de wereld of kijkt de wereld naar mij?

‘Het is een waar verhaal. Ik was vroeg in de twintig, en die tijd wilde ik als jonge intellectueel wanhopig ontsnappen aan de sleur. Ik wilde iets nieuws zien, ik wilde me storten in en of andere praktische bezigheid, iets fysieks op het platteland bijvoorbeeld of op zee. Op een dag voer ik op een kleine boot, met enkele vissers, die allen behoorden tot één familie, afkomstig uit een kleine haven.  In die tijd was Engeland nog niet zo geïndustrialiseerd als het nu is. Er waren geen gemotoriseerde boten. De vissers voeren uit in een kleine zeilboot op eigen risico. Het was juist dat risico, dat gevaar dat ik met hen wilde delen. Maar het was niet allemaal gevaar en opwinding wat de klok sloeg, er waren ook plezierige dagen. Op een dag dat wij wachten op het moment dat de netten ingehaald moesten worden, wees een jongen die Kleine Jan werd genoemd – zoals heel zijn familie stierf hij jong aan tuberculose die in die tijd een constante bedreiging vormde voor die hele sociale klasse – deze Kleine Jan wees mij op iets dat dreef op het oppervlak van de golven. Het was een klein blikje. Een sardineblikje. Het dreef daar in de zon, als getuige van de blikindustrie, die wij als vissers in feite verondersteld werden te bedienen. Het schitterde in de zon. En Kleine Jan zei tegen mij; ‘Kun je dat blikje zien? Zie je het? Wel, het ziet jou niet!’

Deze autobiografische gebeurtenis beschrijft Jacques Lacan in zijn boek The four fundamental concepts of psycho-analysis (1977). Het lijkt een onbeduidend voorval, maar dat is het niet. De als grap bedoelde vraag van Kleine Jan heeft Lacan destijds heel serieus genomen. Hij was er niet zo zeker van, dat de conclusie van de jongen wel klopte. Is het inderdaad wel zo, dat als ik naar een blikje kijk, dat in het water drijft, dit blikje tegelijk niét naar mij kijkt? Volgens Lacan moet je onderscheid maken tussen het ‘cartesiaanse kijken’, waarbij het subject van het cartesiaanse ‘cogito’ iets waarneemt en de onbewuste blik. Bij de bewuste, cartesiaanse  vorm van kijken gelden niet alleen in letterlijke zin de wetten van de optica van Newton, maar wordt in figuurlijke zin ook uitgegaan van een subject, dat in deze optische beeldspraak een ideaal punt is van waaruit het geziene wordt gezien.  Lacan echter ontwerpt een andere – psychoanalytische – optica, waarbij niet uitsluitend sprake is van bewust kijken vanuit een ideaal subject, maar ook van een onbewuste ‘blik’. Deze ‘blik’ (gaze) begint niet in het ideale optische subject, maar in het geziene. Dus bij het blikje!

Het geziene werpt een blik naar het onbewuste, terwijl het ideale, optische subject , dat in feite een constructie is, terugkijkt naar het geziene. Dit terugkijken is niet zozeer een kijken zoals bij het fotograferen een foto wordt genomen die als een beeld gefixeerd wordt in een donkere kamer ( in casu: het oog, het brein). Nee, het is een afwerende beweging, een soort bezweren van de totaal-indruk van de blik die als onvatbare werkelijkheid (het reële) dreigend op ons afkomt. Wat wij werkelijkheid noemen is wat op ons scherm verschijnt, daarachter ligt het reële, waar het libidinale verlangen structureel op gericht is. Wat wij ‘kijken’ noemen is in feite een ‘scherm van bewustzijn’ opwerpen, dat ons van het reële afscheidt.  Dit is de symbolische orde van taal en teken, die wij ons bij het ontstaan van ons cartesiaanse subject in de vroegste jeugd (het spiegelstadium) voor het eerst betreden hebben. Zien is dus in feite een gemiste ontmoeting met het reële. In feite is het bewuste leven zelf een gemiste ontmoeting met het reële. Het bewustzijn kan de verslindende realiteit van het reële niet aan. Het temporeel-libidinale bewustzijn komt steeds structureel te laat om de het reële direct – één op één – te ontmoeten.

We kunnen het reële alleen ‘schuins bezien’ in de symbolische orde van taal en teken. We zien de werkelijkheid als in een anamorfose, nooit frontaal, maar altijd van opzij. Soms dringt de werkelijkheid in één keer door het scherm heen. Dan scheurt het schermt. Er ontstaat een trauma, een scheur, of een totale breuk wanneer het brein zich in een psychose stort. Een psychose is volgens Lacan in feite de totale eenwording van onbewuste en wekelijkheid. In de psychose is de symbolische orde van taal en teken zijn structuur kwijt geraakt en is ‘het scherm’, dat ons scheidt met de verslindende realiteit verdwenen. In feite is dit een tragische opvatting van het bewuste bestaan, een opvatting die zich baseert op de psychoanalytische theorie van Freud. Lacan voorziet Freuds theorie aangaande het onbewuste van een ‘optisch-talige’ symbolische orde, die ook het onbewuste als een taal structureert, en waardoor het subject als een illusoire constructie wordt ontmaskerd.

Mijn brein (voor zover de woorden ‘mijn brein’ enige zin kunnen hebben) heeft meerdere malen in een psychotische toestand verkeerd. Ik ken uit eigen ervaring de ‘schermloze’ staat van het brein, die Lacan beschrijft, een toestand waarin de symbolische orde verstoord is en waarin het onbewuste zich direct mengt met het reële. Ik weet wat het is om ondertitels op een tv-scherm te lezen en stellig te denken, dat deze ondertitels gecodeerde boodschappen bevatten die specifiek voor mij alleen bestemd zijn. Toch ben ik het niet helemaal eens met Lacan. De psychotische toestand van het brein, zoals hij die beschrijft, is in principe juist, maar deze ‘ontschermde toestand’ verschilt niet wezenlijk van de normale – gezonde – ‘schermtoestand’ van het brein. De scheidslijn tussen bewust en onbewust is nooit absoluut aanwezig. Het scherm is eerder poreus. Juist door dat doorlaatbare karakter van het scherm is er een voortdurend proces van osmose mogelijk tussen binnen en buiten. In feite is er geen harde scheidslijn tussen binnen en buiten. Ik kijk naar de wereld, maar de wereld kijkt ook naar mij. Ik zit in de bol, maar elke bol die ik zie wordt uiteindelijk geformeerd door de wiskunde in mijn hoofd. Ik ben een speldenknop die is blijven steken in de zoom van het heelal. Maar al is mijn ziel volstrekt alleen in de grootse bol van dit van God verlaten universum, ik ben nooit echt alleen want de bol zit ook in mij.

 

3 Reacties

Het geheugen van een vlinder

無-cursive-order

Gisteravond voltrokken zich kort na elkaar twee gebeurtenissen in en rond mijn huis. Eerst vloog er een gigantische libelle de kamer in. Hij was wel 15 cm lang en leek op een gevechtshelikopter. Gefascineerd keek ik naar zijn constructie. Elk onderdeel van de anatomie was uiterst kwetsbaar maar ook zeer effectief. Een ideaal ontwerp zou je zeggen. Ik realiseerde mij dat libelles – net als vlinders – zich ontpoppen uit een cocon. Deze kleine helikopter moest zich dus zeer recentelijk in mijn tuin hebben ontvouwd. Kort daarop zag ik een gigantische vlinder zih nestelen in de vlinderboom die d0or het warme weer dit jaar hoger is dan ooit.

Gisteren las ik ook een paar teksten van Zuang Zi in het wonderlijke boek van Kristoffer Schippers over het taoïsme. Ik las over een droom die Zuang Zi ooit heeft had. Hij droomde dat hij een vlinder was, waarna hij niet meer wist of hij Zuang Zi was die droomde dat hij een vlinder was, dan wel een vlinder die droomde dat hij Zuang Zi was. Hij concludeert dan: ‘Tussen mij en de vlinder bestaat noodzakelijkerwijs een onderscheid; dit is wat men noemt de transformatie van de vlinder.’ En even verderop:

‘O mijn Meester, mijn Meester, Die zonder geweld de tienduizenden schepsels verbrijzelt, die liefdeloos de tienduizenden generaties bevrucht. Die ouder is dan de oudste oudheid en nochtans niet oud. Die de Hemel bedekt en de Aarde draagt, die alle vormen heeft geschapen en nochtans niet bekwaam is. Dit is de vreugde van de natuur en daarom wordt er gezegd: ‘Voor hen die de vreugde van de natuur kennen, is leven een spontaan gebeuren en sterven de transformatie van de schepsels’.’

‘God is niet dood. God heeft de kanker,’ zei Gerard Reve. God is het oergevoel. God is heimwee. Er is altijd iets wat mij in diepste wezen omgeeft, een restant van de moederschoot dat als een gebroken eierschaal wordt meegesleept door mijn tot ‘ik’ geboren geest. Die gebarsten schaal van de herinnering aan een verloren paradijs verandert in een andere gedaante als ik schrijf over mijn vroegste jeugd. Hij sluit zich dan tot een nieuwe baarmoeder, een embryonale ruimte, het vruchtwater van de herinnering. Zo word ik elke dag opnieuw geboren. Mijn nieuwe ‘ik’ blijft met een vreemde navelstreng met mijn oude ‘ík’ verbonden. Ik leef in twee sferen tegelijk, twee ruimtes, buiten en binnen, dat wil zeggen: in de echte wereld en tegelijk ook in een mistige haven aan de zee. Als u deze zinnen leest, vlieg ik weg als een vlinder met de tedere vleugels van het verleden, terwijl ik toch met beide benen op de grond sta in het hier en nu.

Net als Zuang Zi droomde ik vannacht dat ik een vlinder was. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat vlinders geen weet hebben van hun bijzondere vermogen om te vliegen waarheen zij maar willen. Wonderlijk genoeg was ik me dat vannacht wèl bewust. Sterker nog, ik was me bewust dat ik droomde. Ik wist dus dat ik eigenlijk helemaal geen vlinder was, maar een mens die droomde dat hij een vlinder was. Ik was in mijn droom getransformeerd in iets anders dat tegelijk toch ook mezelf was. Vreemd, dacht ik, als ik weet dat ik droom en dus niet écht vlieg, waarom ben ik er dan zo zeker van dat ik vlieg? Is het wel vliegen wat ik hier doe?

Toch was over dat laatste was geen twijfel mogelijk. Ik bewoog mijn vleugels, steeg op, daalde neer, rustte uit op een bloem en vloog weer verder. Alles was licht geworden. Alle zwaarte leek uit de wereld verdwenen. En terwijl ik mij verheugde op dit vlinderachtig bestaan, waarvan ik diep in mijn hart wist dat het slechts van korte duur zou zijn, dacht ik terug aan de zwaartekracht die mij straks weer in zijn greep zou krijgen. Als vlinder dacht ik even aan de onontkoombaarheid van de dood.

Ik vroeg me af hoe ik mij dit vlinderbestaan zou herinneren als ik voor eeuwig was ingeslapen, dood in de grond. Zou ik terugverlangen naar mijn vlinderbestaan of niet? Zou ik er nog weet van hebben? Hoe tragisch is de metamorfose van leven en dood?  Misschien zou ik wel blij zijn weer zo dood als een pier te zijn. En terwijl ik mijn vlindergedachten zo liet gaan, vloog ik hoger en hoger tot de wind mij meenam naar een oord, waarvan ik helaas geen beelden meer in mijn geheugen terug kan vinden.

‘En terwijl ik mij zo liet gaan en naar wijsheid haakte, raakte ik haar even aan door een algehele stoot van mijn hart, en ik slaakte een zucht, liet de eerstelingen van de geest, die daar gebonden zijn achter en keerde terug naar het gedruis van mijn  mond, waar het woord een begin neemt en een einde krijgt.’

6 Reacties

Geen Tao aan vast te knopen

Slide1

We kunnen de wetenschap van de toekomst niet scherp omlijnd tekenen. We kunnen alleen vermoeden dat dan de scherpe scheiding tussen de mens en de wereld langzamerhand zal verdwijnen, dat de mensen minder egoïstisch en met een warmer gevoel niet alleen tegenover zichzelf maar ten opzichte van de hele organische en ook de zogenaamd levenloze natuur zullen staan. Zo’n vermoeden heeft misschien 2000 jaar geleden de grote Chinese filosoof Licius aangegrepen, toen hij wees op een oud menselijk geraamte en in een korte en krachtige stijl, die gedicteerd werd door het tekenschrift, tot zijn leerlingen de woorden sprak: “Alleen dit gebeente en ik bezitten de kennis dat wij noch leven noch dood zijn.”

Aldus beweerde de natuurkundige en wetenschapsfilosoof Ernst Mach (1838-1916). Ik heb dit altijd een raadselachtige passage gevonden. Ten eerste weet ik niets van Licius. Het schijnt de weinig bekende Latijnse naam te zijn voor iemand die waarschijnlijk Lie Yukou heette en leefde in de vierde eeuw voor Christus – twee generaties voor Confucius – in de staat Zheng, in de huidige streek Shandong in China. Over het leven van de goede man blijkt nauwelijks iets bekends te zijn, behalve dan dat hij een boek geschreven heeft, ‘Het ware boek van de stromende oergrond’, dat nog altijd geldt als een van de filosofische oerteksten van het Taoïsme. Ernst Mach, die nog over de allesomvattende eruditie beschikte van een negentiende eeuwse kamergeleerde, moet dit obscure boek wellicht ooit gelezen hebben, lang voordat het in de mode raakte om verbanden te zoeken tussen de bevindingen van de moderne natuurwetenschap en eeuwenoude oosterse wijsheden.

Mach was niet de eerste de beste. Hij wordt algemeen beschouwd al een van de grondleggers van de hedendaagse natuurkunde. Einstein betitelde hem zelfs als de belangrijkste voorloper van zijn relativiteitstheorie. Hij was een positivist die niettemin een scherp oog had voor de filosofische implicaties van de moderne natuurwetenschap. Zo had hij grote belangstelling voor wat destijds de ‘psycho-fysica’ werd genoemd, een stroming in de toenmalige wetenschap die er vanuit ging dat psychologie en natuurkunde één en dezelfde grondslag hadden en dus ook vanuit één optiek benaderd moesten worden. Achteraf beschouwd kan dit streven wellicht als een laatste wanhoopspoging worden gezien om de dreigende breuk tussen natuurwetenschap en geesteswetenschap te dichten. Het drama van onze tijd komt nog altijd voort uit deze breuk die zich in de negentiende eeuw heeft voltrokken. Er is een scheur ontstaan in ons westerse wereldbeeld, een scheur die door de wetenschappelijke revolutie sindsdien alleen maar groter is worden.

Lezend in het boek Sferen van Peter Sloterdijk stuitte ik op een beschouwing over de dood. Kan het zo zijn, zo vroeg ik mij af, dat ons hedendaagse onwrikbare beeld van de dood mede bepaald is door deze breuk in het westerse wereldbeeld. We zien de dood tegenwoordig als de absolute tegenpool van het leven, als een ultieme, ondoordringbare grens, waarachter alles ophoudt en het grote niets begint. Dood is een blinde muur geworden waar elk leven uiteindelijk hopeloos op stuk loopt. De dood is ontaard in iets fataals, iets wat elk begrip te boven gaat. Niet ‘te boven’ in de zin van ‘verheven’, ‘subliem’, of ‘geheimzinnig’, maar ook daar nog bovenuit, als iets dat nergens meer bij hoort, iets dat alleen meer tragisch is en noodlottigs. Iets dat niets is.

De dood staat in feite voor een nieuwe categorie in het westerse denken. Dood is de categorie van het absolute niets, het niets dat zich dialectisch niet meer kan omkeren in zijn tegendeel, in een ander soort ‘alles’, een ‘alles’ dat ook het niets omvat. De cyclische gedachte dat het leven voortkomt uit de dood, om daar weer in terug te keren, zoals je een lepel soep optilt en vervolgens weer terug in de pan schenkt, die gedachte is in onze huidige tijd ondenkbaar geworden. Er is immers geen pan meer, dat wil zeggen, een plenaire volheid die leven en dood in een allesomvattende ‘pan-visie’ omvatten kan. Het leven zelf is de oersoep geworden en de pan is allang van tafel gehaald.

Zo kon het wellicht gebeuren dat het grote niets van de dood zoiets werd als zwarte gat waar alles in verdwijnt. Er werd een nieuw soort troost bedacht. Het zwarte gat van de moderne dood keerde zich om als een ultieme oorsprong van het meest duistere verlangen. De dood werd een warmtedood, het eindpunt van de entropie, de ultieme chaos waar alles, maar dan ook alles, uiteindelijk naar op weg is. Maar dat eindpunt van de entropie kan evengoed een beginpunt zijn, zo leerde de natuurwetenschap. Zo werd de dood in de psychologie een verborgen bron waar de eeuwige stroom van het driftleven ontspringt. De dood werd de tegenpool van de liefde. Eros werd de spiegel van Thanatos. Freuds doodsdrift werd een verlangen naar een ultieme ontknoping, naar het moment dat de machinerie uiteindelijk ontspoort en de totale chaos om zich heen grijpt, naar het inferno van moleculen dat een mens te wachten zou staan als het leven voorgoed ophoudt levend te zijn. Als het ijskoude niets bezit van ons neemt.

Zou het zo kunnen zijn dat dit vreemde, ijzingwekkende beeld van de dood een schaduw is van het positivisme? Dat deze wonderlijke gedachteconstructie is voortgekomen uit een het moderne onvermogen om een breuk in het wetenschappelijke wereldbeeld heel even op te schorten. Het onvermogen om over de grenzen van het eigen, beperkte denkkader heen te kijken? De eclips van de moderniteit ontneemt wellicht het zicht op een oorspronkelijke verbondenheid van leven en dood. Bij Ernst Mach heeft een dergelijke gedachte misschien heel even door het hoofd gespookt, toen hij terugdacht aan die vreemde Chinees Licius: “Alleen dit gebeente en ik bezitten de kennis dat wij noch leven noch dood zijn”. Het zijn gedachten die bij ieder mens misschien wel eens opkomen als hij denkt aan de dood. Als hij als Hamlet dwaalt op het kerkhof en op een schedel stuit die een doodgraver heeft opgegraven uit een gedolven graf: de schedel van een bekende wellicht.

Toen Einstein in 1954, ziek en verzwakt – nog geen jaar voordat hij zelf zou sterven – een condoleancebrief moest schrijven aan de weduwe van zijn oude vriend Michele Besso, kwamen er woorden in hem op die hij als natuurkundig nauwelijks verantwoorden kon. Die woorden wekken bij mij een vergelijkbare verwondering als de passage van Mach over Licius. ‘De dood betekent niets’, zo schreef Einstein: “This signifies nothing, for us believing physicist the distinction between past, present, and future is only an illusion, even if a stubborn one.” (Barnesh Hoffmann, Albert Einstein, ceator and rebel) .

Deze gedachten kwamen in mij op bij het lezen van een passage in het fraaie boek Sferen van Sloterdijk. In zijn beschrijving van het mesmerisme van Hufeland, als een half vergeten hoofdstuk in de ontstaansgeschiedenis van de westerse natuurwetenschap, duiken er opeens wonderlijke verbanden op tussen het doodsbegrip in de Gnosis en dat van de vroege Romantiek. Het zijn vergeten vergezichten die achter de horizon van de moderne wetenschap verdwenen zijn. Sloterdijk schrijft:

“Hier in de kleine ruimte van Hufelands betoog botsen twee tegengestelde doodsbegrippen op elkaar: in de eerste wordt de dood op romantisch-holistische wijze geïnterpreteerd als hereniging met het Al-Organisme, in de tweede wordt hij op naturalistische en nihilistische wijze opgevat als een terugval in het anorganische. Het woord ‘anorganisme’ maakt iets zichtbaar wat als een scheur door het omhulsel van de levenswarmte loopt, het werpt een schril licht op het gebod van de Verlichting, het essentiële onderscheid tussen binnen en buiten, tussen het organische lichaam van de wereldmoeder en het anorganische gebied van de dodenwereld onder geen beding te verdonkeremanen.”

Een dode geliefde is niet dood, beweerden de dichters van de Romantiek. Dood en leven zijn geen tegenpolen, maar nauw met elkaar verweven in de meest letterlijke zin. ‘Peace, peace! he is not dead, he doth not sleep, He hath awaken’d from the dream of life.’ Dat schreef  Shelley in zijn lange gedicht Adonais: An Elegy on the Death of John Keats. Maar daartegenover stond de dood van het als onvermijdelijk en onontkoombaar ervaren grote niets. De dood van de wetenschap. Freuds leer van de doodsdrift kan gezien worden als een meer afstandelijke en berustende versie van dat polariteitsdogma. Ze doet een concessie aan de gnostische voorstelling dat niet de dood ontbreekt in het leven, maar dat het eigenlijk het leven is dat als een vreemde indringer in het algemene levenloze opduikt. Verlichting en duistere Gnosis zijn hierin verklaarde bondgenoten; allebei bestoken ze de zelf-warmende vitaliteitsillusie met onmenselijke waarheden.

Uit deze verlegenheid heeft Nietzsche de filosofische consequenties getrokken: ‘Laten we er voor oppassen te beweren dat de dood de tegenpool van het leven is. Het levende is slechts een bestaansvorm van het dode,’ schreef hij in Die fröhliche Wissenschaft. Daarmee was de onverdraaglijke oppositie tussen leven en dood heel even op zijn kop gezet. Maar echt troost bood deze gedachte niet. Dood bleef dood… en het leven bleef het leven. Tussen die twee zat niets, maar dan ook echt niets. Nu ook nog altijd niet. Die breuk tussen leven en dood is onze condition humaine geworden in een wereld zonder God. Maar is dat zo erg? Epicurus had het ooit al eens eerder gezegd: ‘Als wij er zijn is de dood er niet en als de dood er is, zijn wij er niet. Dus daar zou ik me niet te druk over maken.’ En toch is er niets in de wereld waar een mens zich meer druk over maakt dan juist de dood. Misschien wel omdat de dood ons bevattingsvermogen nog altijd totaal te boven gaat. Er is geen Tao aan vast te knopen.

9 Reacties

It giet oan!

4 Reacties

Er is iets wat blijft en beklijft

4 april, 1980(3)0001

 Ik ben ooit met dit weblog begonnen, omdat de balans tussen de input en de output van woorden weer hersteld moest worden. Het is een kwestie van spijsvertering. Wat erin komt moet er ook weer uit, zij het in een andere vorm. Zo niet, dan krijg je verstopping en dat moeten we niet hebben. Maar vandaag weet ik het even niet. Ik heb een writersblock. Een witersblock is zo oud als de literatuur. Het is een akelige psychische aandoening waar ook de grootste literatoren vroeg of laat last van krijgen. Toch is er wel degelijk iets aan te doen.

Grote schrijvers ontwikkelen vaak haast neurotische rituelen om aan dit soort remmingen te ontsnappen. Je moet dus je eigen ritueel bedenken. Een soort bezwering om het spook van de blokkade buiten de deur te houden. Zo is van Schiller bekend dat hij altijd een paar rotte appels had liggen in de la van zijn schrijfbureau. Balzac schreef in een monnikspij. Vestdijk bij voorkeur in de brandende zon. Proust liggend op bed achter de gordijnen. Simenon sloot zich twee weken achter elkaar op met twintig scherp geslepen potloden. Hemmingway had een fobie voor de schrijfmachine, die woorden voortijdig aan elkaar soldeert en zo de grillige wegen van de inspiratie afsluit. Hij schreef het liefst op een papier dat boven zijn hoofd op een soort schildersezel was vastgeprikt.

U begrijpt wellicht mijn probleem, vandaag zou ik bij God niet weten waarover ik zou moeten schrijven. Waarom meld je iets, als je weet dat je eigenlijk niets te melden hebt?  Deze wat ongemakkelijke vraag spookt nu al een uur door mijn hoofd. Voor een dagelijkse blogger is zo’n vraag natuurlijk dodelijk. Ook al heb je niets te melden, er moet geschreven worden. ‘I have nothing to say, and I’m saying it,’ zei ooit John Cage. Er schuilt een soort Zen-achtige leegte in de dwang dat je voortdurend je mening wilt geven, ook als je meent dat je even geen mening hebt.

Schrijven is in feite niets anders dan woordjes in een mooie volgorde achter elkaar plaatsten. Maar wast is een mooie volgorde? Je zou ook het toeval het werk kunnen laten doen. Gewoon schrijven wat toevallig in je kop op komt. En als je er even niets in je hoofd komt bovendrijven dan loop je even naar de boekenkast, je pakt een boek slaat dat open en leest een willekeurige zin die je fantasie dan prompt weer in beweging brengt. De woorden komen dan opeens weer in een nieuwe volgorde te staan. De wereld zit niet logisch in elkaar. Logica is een uitvinding van de mens die hem nut is bij het verrichten van handelingen die gericht zijn op een doel. De natuur kent geen doel. Toeval, dat is het enige wat bestaat. Toeval is wat de wereld draaiende houdt. Een andere structuur is er niet.

Het toeval is alles en toch is het toeval tegelijk ook niets. Voor de verklaring van de kleinste gebeurtenissen in het heelal is de kennis van alle gebeurtenissen nodig, Er is een ultiem kader nodig waarin het toeval een plaats vindt. We moeten alle natuurkundige wetten kennen, waaraan ruimte, tijd en de kleinste deeltjes gehoorzamen. Sterker nog, we moeten alle kaders kennen waarin deze gebeurtenissen plaatsvinden en eventueel met elkaar samenhangen, terwijl die kaders op zich weer kunnen samenhangen met andere kaders die we nog niet kennen. Zo bezien stuitten we wellicht ooit op een reeks van samenhangende kaders, waarin het toeval uiteindelijk niet blijkt te bestaan. De logica van het toeval is de tedere onverschilligheid in de chaotische ordening der dingen. De schrijver Jorge Luis Borges heeft eens op het bestaan gewezen van een ‘Chinese encyclopedie’ waarin het volgende geschreven staat:

‘Dieren kunnen worden verdeeld in: a) die de Keizer toebehoren, b) gebalsemde, c) tamme, d) speenvarkens, e) sirenen, f) fabeldieren, g) loslopende honden, h) die in deze indeling voorkomen, i) die in het rond slaan als gekken, j) ontelbare, k) die met een fijn kameelharen penseeltje getekend zijn, l) et cetera, m) die juist een kruik gebroken hebben, n) die uit de verte op vliegen lijken’.

Ik heb me altijd verbaasd over deze exotische vorm van taxonomie. De ordening van het dierenrijk volgt hier een geheel andere logica dan de onze. Een absurde logica, zo te zien. De logica van het toeval. Maar wie zegt dat dat inderdaad zo is. een tijdje geleden raakte ik met iemand in gesprek over astrologie. Hij wist daar behoorlijk veel van af. Ik ben een varken, zo wist hij mij te vertellen, want ik ben in 1947 geboren, het jaar van het varken. De Chinese jaarkalender kent een ordening die ontleend is aan de dieren. Daarbij geldt een cyclus van 60 jaar.

De Chinese astrologie beschrijft trekken van de mens die onbekend zijn in de westerse astrologie, maar tegenwoordig laten westerse astrologen zich ook wel door de Chinese inspireren, zo liet ik me vertellen. Welnu, ik heb er niks met astrologie en met varkens al helemaal niet. Het idee dat mijn karakter bepaald zou door de symboliek van een dier of door de stand van de sterren op het moment dat mijn moeder op zondagochtend 1 december 1947 om 9.04 uur ‘s definitief ontsluiting kreeg, lijkt me absurd. Wat hebben de sterren met mijn genen te maken, laat staan met de loop der dingen?

Gisteren sloeg ik de I Tjing open, het boek van de veranderingen. Niet omdat ik benieuwd was hoe de loop der dingen voor mij in de nabije toekomst een nieuwe wending zal nemen, maar om een citaat op te zoeken. Iemand had mij een per mail een vraag gesteld waarop ik het antwoord schuldig moest blijven. Hij vroeg mij of ik soms bezeten was van het schrijven, of ik soms verslaafd was aan de magie, aan het ritueel van het schrift. Wie schrijft die blijft, maar de oorsprong van die obsessie om steeds maar te schrijven moet zoiets zijn als angst voor de dood. Bovendien had hij – toeval of niet – zelf ook  de I Tjing geraadpleegd en daaruit opgemaakt dat ik mijn weblogwerkzaamheden vandaag zou moeten beëindigen, vanwege een plotseling optredende writersblock. Maar ja, zeg nou zelf, de I Tjing is ook niet alles. Wat moet je met die rare Chinese kwakzalverij.

De I Tjing is het ‘Boek van de Veranderingen’ en met verandering moet je altijd oppassen, al was het maar omdat hun belangrijkste eigenschap is – het woord zegt het al – dat ze veranderen. In zijn inleiding op de Nederlandse vertaling van de I Tjing uit 1971 schreef Herman Cohen: ‘De I Tjing geeft ons de verandering, laat ons in feite zien, dat er niets anders is dan verandering is en leidt ons daarmee tot een rust in verandering.‘ En even verderop: ‘De I Tjing kan met evenveel recht het boek der veranderingen als het boek der volkomen rust worden genoemd.’ Het gaat er kennelijk om het eeuwig duurzame te ontdekken in de voortdurend wisselende stroom van gebeurtenissen.

Er is iets wat blijft en beklijft. Wij westerlingen menen dat het de liefde is die eeuwig blijft voortbestaan, ook al verdwijnt een geliefde die zich verwijdert in de tijd. In het Oosten gelooft men niet zo in die eeuwige vlam van de liefde. Integendeel, de liefde moet tot rust komen, afkoelen, uitdoven… Het eeuwig duurzame is de onverstoorbare rust in het oog van de orkaan. ‘Rust roest.’ zeggen ze in het Westen. ‘Rust moet,’ zegt de oosterling. Het raadplegen van de I Tjing moet dan ook met een zekere prudentie geschieden. Wie niet open staat voor de benodigde rust binnen de stroom van veranderingen zal de betekenis van de verandering zelf niet waarnemen, zelfs niet in de I Tjing. Het betekenisvolle toeval van de I Tjing moet zich vermengen met de achteloze verwachting van het onverwachte. Wat je in de I Tjing leest zit uiteindelijk in je zelf. In die zin zijn de tekens van de I Tjing niet anders dan alle andere tekens of woorden. Of zoals de I Tjing ons laat weten:

‘Kijk eerst de woorden aan
Bezin je , wat ze beduiden,
Dan komen de vaste regels aan het licht.
Doch ben je niet de rechte man,
Dan openbaart zich aan jou niet de zin.’

Op een foto die afkomstig is uit de nalatenschap van mijn zus Cornelie loop ik op een camping in de richting van de camera. Ik loop de toekomst in, al die jaren tegemoet waar ik op dat moment nog geen weet van had. Het is ogenschijnlijk een toevallig moment, stilgezet in een stroom van voortdurend veranderende momenten die ook wel ‘de tijd’ wordt genoemd. Elke foto is een scheur in de tijd, een beeld dat is blijven haken aan een krib in de grote rivier. Deze foto is gemaakt in 1969. Dat was een roerig jaar. Ik studeerde in die tijd nog Nederlands zonder overigens veel uit te voeren. Sterker nog, ik deed bijna helemaal niets. Wel volgde ik colleges bij Jacques Presser in een zaal in de Oudemannenhuispoort. Maandenlang sprak Presser elke week twee uur lang over het schrijven van zijn boek Ondergang. Zo vertelde hij over een writersblock waarmee hij een jaar lang had geworsteld.

Op een dag zat hij aan het raam in zijn werkkamer van het NIOD. In het grote grachtenpand aan de overkant was ook een kantoor gevestigd. Er waren drie grote ramen daar. Links zat – elke dag weer — een vrouw achter een bureau, rechts een man. In het raam in het midden was niets te zien. Elke dag weer was er nauwelijks beweging te bespeuren in dit strakke, symmetrische patroon. Op een dag echter, dat Presser weer uit het raam zat te staren, zag hij opeens beweging aan de overkant. De man en de vrouw stonden beiden gelijktijdig op, liepen naar het midden en gaven elkaar een kus. Ze bleven even daar staan, voor het middelste raam, om vervolgens weer terug te keren en hun bureauwerk te hervatten. Presser noemde het als een absurd voorval dat hem nog lang was bijgebleven. Het was ogenschijnlijk niets bijzonders, maar voor hem betekende het heel veel. Toeval of niet, dit wonderlijke moment markeerde het einde van zijn writersblock.

6 Reacties