Dromen van het Wilde Westen

Je devenais indien
Pourtant déjà certain
Que mes oncles repus
M’avaient volé le Far West

Aldus zong Jacques Brel in zijn beroemde chanson Mon Enfance. In mijn jeugd bestond er geen Far West. Wel Nieuw-West. Zo heetten de westelijke tuinsteden in Amsterdam. Als je er niet wezen moest, dan ging je er ook niet naar toe. Het was een ongenaakbaar gebied in wording, het toonbeeld van de wederopbouw, kaal en stenig met een oneindige ruimte tot aan de horizon. Jacques Brel groeide op in Brussel. Hij werd zijn leven lang verteerd door het verlangen om verre reizen te ondernemen, om te vluchten voor de burgerlijke beschaving van het oude Europa.

Brel droomde daarom van een eigen Far West. Hij verlangde intens terug naar het geluk van zijn vroege jeugd, maar droomde ook van verre kusten. Hij had evenals Slauerhoff een fascinatie voor verlaten eilanden in verre oceanen. Ik ben geen Brel en zal dat ook nooit worden. Toch heb ik mij altijd een beetje met hem verwant gevoeld. Ik begrijp zijn dromen, zijn idealen, maar vooral ook zijn intens verlangen naar zijn vroege jeugd. Het is een vreemd soort heimwee, want zo idyllisch waren mijn eerste levensjaren nu ook weer niet.

Mijn herinneringen aan mijn vroege jeugd zijn nauw verbonden met een pijnlijke bewustwording van mijn eigen lichaam. Met de ontdekking dat je een lichaam hebt dringt het besef door onderworpen te zijn aan de blik van de ander. Je eigen lichaam ervaar je van binnenuit, maar vooral ook van buiten af in de ogen van anderen. Voor mij is die eerste ervaring van mijn eigen lichamelijkheid gepaard gegaan met gevoelens van angst en schaamte. Als kind vond ik het heel vervelend zichtbaar te zijn. Ik schaamde me voor mijn eigen lichaam dat te klein was, te mager, nietig en kwetsbaar. Ik had spillepoten, een kippenborstje en wat het ergste was, geen spierballen, hoe vaak ik de spieren mijn bovenarm ook spande.

Wie niet sterk is moet slim zijn, maar dat wist ik toen nog niet. Ik fantaseerde dan ook vaak dat ik onzichtbaar was, dat ik kon ontsnappen aan die kooi van breekbare botten omhuld door een witte huid waarin ik mij gevangen voelde. Op mijn achtste jaar brak ik mijn rechter elleboog, maar onze huisarts heeft die breuk nooit goed herkend. Mijn hele bovenarm werd helemaal paars en als ik nu op mijn rechter arm steun, staat die nog altijd in een vreemde bocht. Het is een euvel waar heel goed mee te leven valt, maar destijds ervoer ik het als een bewijs temeer dat mijn lichaam kwetsbaar was. Als kind was ik een brekebeen. Mijn knieën waren altijd stuk. Er was geen broek waar ik niet een gat in viel. Hoe vaak heb ik niet een buil op mijn hoofd gehad. Pleisters waren niet aan te slepen. Mijn moeder werd er wel eens horendol van.

Voor mijn geboorte had ik geen eigen lichaam. Ik zwom veilig rond in het vruchtwater van de moederschoot. Niemand zag mij en zelf moet ik ook weinig gezien hebben. Wel gehoord. Laatst las ik dat het het binnen het embryo een kabaal van jewelste moet zijn, een walhalla van syncopen. Je hoort niet alleen het kloppen van je eigen hart, maar ook dat van je moeder, als twee ritmes die voortdurend asynchroon lopen. Toch was het juist het water dat mij als kind het meest beangstigde. Eind jaren zestig zag ik de documentaire De stem van het water van Bert Haanstra. Vooral de scene van het kleine jongetje met watervrees sneed mij dwars door de ziel. Ik zag mezelf in spiegel als klein kind. Ik was als de dood voor water. Het schoolzwemmen was voor mij een gruwel.

Jarenlang heb ik dat met grote weerzin moeten doen, niet alleen in het Zuiderbad, maar ook in het AMVJ. Zwemmen heb ik eigenlijk nooit goed geleerd. Ik had er een gruwelijk hekel aan, vooral omdat ik in mijn blootje helemaal een spiering was. Ik leerde het pas een beetje toen iemand mij uit balorigheid in het diepe duwde en ik zomaar weg zwom. Opeens zwom ik omdat ik niet anders kon. Mijn angst verdween bij toverslag op het moment dat ik er niet meer bij nadacht. Maar een waterrat ben ik nooit geworden.

De mens heeft de mogelijkheid neigingen die in wezen volstrekt tegenstrijdig zijn moeiteloos met elkaar te verenigen. Waarom koester ik het heimwee naar mijn vroege kinderjaren die toch vooral in het teken stonden van de angst? Ik heb altijd vermoed dat ik al sinds mijn geboorte in hevige mate met heimwee belast ben. Dat is ook niet zo verwonderlijk als je bedenkt, dat ik een maand te laat geboren ben. Mijn moeder was al vier weken overtijd toen de eerste weeën zich aandienden.

Mijn geboortetrauma moet dus immens zijn geweest. Of misschien juist niet. Misschien heeft mijn symbiose met het vruchtwater te lang geduurd en is er juist te weinig sprake geweest van een breuk. Voer voor psychologen wellicht, maar zelf zal ik er nooit achter komen. Bestaat er eigenlijk zoiets als een prenataal bewustzijn? Bewaar ik daar nog herinneringen aan? Kan ik diep in mijn geheugen terugkeren naar het vruchtwater, waarin ik ooit als foetus heb rondgedreven? Is er een weg die terug leidt naar die paradijselijke levenszee?

Heimwee is het verlies van het vroeger, het vruchtwater, de tijd die er ooit was toen alles nog wees naar het midden van de bol. Dat gevoel heeft iets mateloos. Als het zich eenmaal aandient verwijdt het zich zonder ophouden. Het spreidt zich uit als een druppel olie op de oceaan. Toen ik zo’n jaar of veertien was fantaseerde wel eens dat ik een oliedruppel was. Ik had ergens gelezen dat moleculaire structuur van olie zodanig was dat één druppel olie zich vrijwel eindeloos op het oppervlak van de zee kon uitspreiden. De moleculen onttakelden zich dan in hele lange ketens die zo een vliesdun olietapijt op het water konden vormen.

Dat leek me prachtig, mezelf als een oliedruppel uitspreiden over de oceaan. Later bedacht ik dat dit oceanisch verlangen een puberale, orgastische fantasie moet zijn geweest en tegelijk op een diep gevoeld heimwee moest duiden. Een basaal terugverlangen, niet alleen naar de prilste kindertijd, maar ook naar de zee. Mogelijk duidt het ook op een heimwee naar het embryo. De zee staat immers voor de moeder, maar de moeder staat ook voor de zee. Ooit is iets wat een mens zou worden uit de zee gekropen en opgekrabbeld op het strand. Voortaan leefde hij van de lucht. Water werd zuurstof en het laatste wat een mens ontdekt is het eerste water waarin hij zwom.

Ondanks mijn heimwee naar mijn jeugd kom ik telkens weer bij die pijnlijke waarheid terug: mijn eerste kinderjaren stonden in het teken van de angst. Ik was een bang kind. Bang voor water. Bang voor hoogte. Bang vooral ook voor andere kinderen.  Op mijn eerste kinderfoto’s heb ik ook een bijna panische blik in de ogen. ‘Waarom moet dit?’ zie je mij denken. Ik was liever binnen gebleven, veilig in de moederschoot, waar ik ook veel te lang ben achtergebleven.

Vaak heb ik me afgevraagd waar die telkens weer opduikende angst van mij uit voortkwam? Lag het in mijn aard besloten? Waren het mijn oudere zussen tussen wie ik mij als benjamin allerminst op mijn gemak voelde? Mijn oudste zus was zestien toen ik geboren werd, mijn jongste vier. En de twee daartussen: acht en twaalf. Dat is geen geruststellende omgeving als je de penisnijd, die Freud bij meisjes veronderstelde, als een serieus fenomeen opvat.

Mijn zussen hadden ook alle reden om jaloers op mij te zijn. Ik was immers de stamhouder. Eindelijk een jongen, na al die jaren vergeefs proberen. Ook al werd het bij hoog en bij laag door mijn ouders ontkend, het had er alle schijn van dat mijn vier zussen een misdruk waren geweest. Voor mijn moeder was ik de lang verwachte prins. Ze nam mij in bescherming bij de minste bedreiging van buitenaf. Ik kreeg als kleine jongen een status aparte, als een bedreigde schat in een wereld vol gevaar.

Zo werd ik natuurlijk strontverwend, en misschien daarom ook verlegen, schuw zelfs. Ik had nachtmerries, plaste nogal eens in mijn bed en werd soms midden in de nacht badend in het zweet wakker, omdat er in de hoek van de kamer een vreemde paal stond die er natuurlijk helemaal niet bleek te zijn toen het licht aanging. Nee, aan mijn eerste levensjaren bewaar ik geen tedere herinneringen.

Het bewustzijn waardoor ‘het niets’ in de wereld komt is een ‘val’ (‘une chute‘), heeft Sartre ooit beweerd. Waar het vandaan komt kan niemand zeggen. Opeens is het er. Je bent buiten de wereld en binnenin tegelijk. Vanaf dat moment ontstaat de angst voor de leegte. De angst voor het grote niets. Juist in de meest onschuldige beelden van mijn vroegste jeugd lijkt dat pas ontdekte ‘niets’ aanwezig te zijn. Het houdt zich schuil in de de lucht achter de huizen. Achter het bordkartonnen decor van lange gevelrijen die alleen waren opgetrokken om het grote niets, dat daarachter gaapte als een diepe afgrond, aan het oog te onttrekken. De wereld om me heen was niet echt. Hij bestond niet. En toch kon iedereen mij zien. Vreemd toch dat ik daar naar terug verlang.

Reageer

De stilte van Huissen

Huissen, begin jaren vijftig. Ik sta in het midden. Staand v.l.n.r.: tante Marie, tante Luus, mijn moeder, mijn oudste zus Mariet. Zittend: mijn zus Lucie, tante Door en mijn zussen Trees en Cornelie.

Ik ben tussen vrouwen geboren. Vier zussen had ik en een moeder. En ook nog eens drie ongetrouwde tantes in Huissen. Of dat een zegen is geweest of een ramp, laat ik nu maar even in het midden. Hoe dan ook, in de jaren vijftig hadden wij het bij ons thuis niet breed. De vakantie werd vaak een fietsvakantie. Ik zat dan bij mijn vader in een zitje voor op het stuur. Zo reden we ook wel naar Huissen. Dat was zo’n honderd kilometer vanuit Amsterdam. Op een keer reden we vroeg in de morgen weer terug, maar het weer sloeg om en de temperatuur daalde tot een bedenkelijk laag niveau. Even buiten Arnhem zei mijn moeder: ‘Hij wordt blauw, Durk, we moeten stoppen.’ Ze zijn toen maar op  de trein gestapt. Nee, het was niet altijd rozengeur en maneschijn. Maar voor het overige was ik natuurlijk een strontverwend kind.

Ik was een geschenk uit de hemel, een bevoorrechte stamhouder, uitverkoren door het lot, bestemd om het geslacht der Mousen te doen voortleven in een nieuwe tijd vol hoop en verwachting. Duizend wegen lagen open, maar juist in die eerste levensjaren schijnt de teerling geworpen te zijn, als we de psychologen mogen geloven. En toch, ik was een makkelijk kind. Vroeg zindelijk ook, misschien wel iets te vroeg. Mijn moeder las geen Doctor Spock en bovendien groeide ik op binnen dit gesloten cordon van instant-moeders die mij het gezonde verstand met de paplepel hebben ingegoten.

Met de fiets onderweg naar Huissen, v.l.n.r.: Mariet, ik, mijn moeder, Lucie en Trees.

We spreken over de eindeloze jaren vijftig. Een tijd zonder horizon, vooral als de zomervakantie was aangebroken, want dan begon de eeuwigheid pas goed. In die lange zomermaanden werd ik vaak bij de tantes in Huissen ‘geparkeerd’. Mijn tantes waren ongetrouwd gebleven en al vroeg bij elkaar  wonen. Ze hadden een kast van een huis aan de Stephanus Huismanstraat nummer 3 – destijds ook wel Laak genoemd –  een lange laan met grote bomen aan de rand van de bebouwde kom.

Huissen was in die tijd misschien wel het meest katholieke bolwerk in Nederland. Op Bakhuizen na dan, die roomse enclave in Friesland, waar mijn vader werd geboren. Huissen is van oudsher een eigenaardig plaatsje geweest. In 1502 wilden de heerser van Gelderland de stad veroveren. Die aanval hebben de Huissenaren manmoedig weten te pareren. Later, na de tachtigjarige oorlog, werd het een katholieke enclave in het protestantse Nederland.

Huissen ligt zo’n vijf kilometer ten zuiden van Arnhem en heeft nu zo’n zeventienduizend inwoners. In  de tijd dat ik er vaak kwam, in de jaren vijftig, moeten dat slechts een paar duizend zijn geweest. Je liep er in een uur omheen. Over de dijk langs de Rijn, waar je ook bij het Loo-veer kon komen. Huissen was in die tijd een beetje achterlijk stadje aan de rivier, maar ook een plek waar altijd wat te doen was. Als het geen lustmoord was, dan toch zeker een slepende vete die de gemoederen jarenlang bezig hield.

Er heerste in Huissen een wonderlijke stilte, alsof de tijd was stil blijven staan. Huissen had zwaar te lijden gehad onder de oorlog. Het lag precies in de frontlinie ten tijde van de slag om Arnhem. De Duitsers hebben hier een kampement gehad en de bevolking werd maandenlang geheel geëvacueerd. Ook mijn tantes moesten toen hun huis verlaten. Hier bij mij thuis in Leeuwarden staat nog altijd het penantkastje dat de oorlog in Huissen heeft overleefd en ik uiteindelijk heb geërfd. In het houten blad zit een grote barst die veroorzaakt werd doordat de Canadezen, die later het stadje bezet hielden, hier op hebben gekookt. Op de begraafplaats is een massagraf voor de omgekomen Huissenaren. De kerk werd zwaar getroffen door bombardementen en het heeft jaren geduurd voordat de kerktoren weer kon worden opgebouwd. Overal kon je nog sporen zien waar de granaten destijds waren ingeslagen.

Zoals gezegd, eind jaren vijftig heb ik hier hele zomervakanties doorgebracht, zes weken lang. Ook begin jaren zestig kwam ik er vaak. Ik ken dit stadje dus als mijn broekzak. Tenminste, zoals het toen was. Het leven was er harmonisch, dicht bij de natuur. Groente en fruit kochten mijn tantes bij de boer en elk jaar werd alles in weckflessen gestopt voor een goedkope overwintering. In het portaal hing een klein kastje voor de drie missalen waarmee ze elke zondag ter kerke gingen. Mijn tantes stonden ‘s ochtends al om zes uur op  en gingen ‘s avonds al voor tien uur naar bed. Het leven verliep als een uurwerk dat steevast te strak was opgewonden. In de hoge gang van het huis hing een Fries staartklok waarvan het harde tikken de loodzware stilte hoorbaar maakte. Het rook er naar boenwas en in de vensterbanken stonden sigarendoosjes met DDT om de insecten te weren. Daar lagen dode muggen in.

alleen in Huissen, 1955

Of het pedagogisch verantwoord was om mij als kind elke zomer weer zolang  bij drie oude tantes alleen te laten, hebben mijn ouders zich nooit afgevraagd. Ik had er zelf geen enkele moeite mee, want ik kon mijzelf uitstekend vermaken. Nu nog trouwens. Elke zomer, als ik bij Huissen logeerde, verdiepte ik mij in oude jaargangen van de Katholieke Illustratie. Mijn tantes hadden alle jaargangen sinds 1938 keurig ingebonden in gemarmerde kaften. Ze stonden in een kast boven op de grote zolder, waar ook de hele uitleen-inventaris van het  Wit-Gele Kruis stond opgeslagen. En zo zat ik tussen de po’s en ondersteken, krukken en beddenklossen, urenlang geheel verdiept in al die plaatjes. Daar in het halfduister kon ik als kind wegdromen. Plaatjes kijken is altijd mijn mijn belangrijkste liefhebberij geweest. Later heb ik er zelfs mijn beroep van gemaakt.

Onlangs ben ik nog even vanuit Arnhem naar Huissen gefietst. De Huissensedijk ligt er nog, en zo reed ik langs de uiterwaarden waar nu een snelweg doorheen loopt. Eenmaal in Huissen kon ik het niet laten om het grote huis te bekijken, waar ik in de jaren vijftig vaak bij mijn tantes heb gelogeerd. Op het eind van de Kloosterlaan fietste ik weer de dijk op. Ik zag tot mijn ontzetting dat het prachtige uitzicht, dat je hier vroeger had op de Rijn in de verte, verloren is gegaan in een compleet verrommeld landschap. Er is veel veranderd tegenwoordig. Huissen is Huissen niet meer. Het stadje is helemaal dicht gebouwd. Het landelijk karakter van de omgeving met zijn Betuwse boomgaarden heeft langzaamaan plaatsgemaakt voor een drukke forensenplaats die geheel tegen Arnhem is aangebouwd. Gelukkig staat het Mariabeeld er nog. Onze Lieve Vrouw van Lourdes aan de dijk in Huissen.

Onze Lieve Vrouw van Lourdes aan de dijk in Huissen

Ook mijn drie tantes in Huissen hadden iets met Lourdes. In de jaren twintig en dertig waren ze vaak mee geweest als ziekenverzorger op de treinbedevaart naar Lourdes. Ook mijn moeder, die de jongste was thuis, ging vaak mee. Op de overloop van het grote huis in Huissen stond en groot plastic Mariabeeld met daarin Lourdeswater dat na al die jaren bedorven moet zijn geweest. Maar Lourdeswater bederft niet, zo beweerden mijn tantes. Mijn moeder was daar niet zo zeker van.

De jaren vijftig werden in Huissen overschaduwd door een kerkelijk conflict. Er waren twee kerken in Huissen. De parochiekerk die werd beheerd door zogeheten ‘wereldheren’ was weinig geliefd. De meeste bewoners gingen naar de paterskerk van de Dominicanen, die zich aan de Kloosterlaan bevond. De paters konden beter preken en dus zat deze kerk elke zondag tot de nok toe vol. Dat leidde tot scheve ogen bij de wereldheren die zich ging beklagen bij de bisschop in Utrecht. Daar zat kardinaal De Jong nog in die tijd, maar hij werd bijgestaan door een hulpbisschop, de latere kardinaal Alfrink. Deze opereerde weinig tactisch in het gerezen conflict.

Alfrink was nogal autoritair en zijn optreden leidde tot een rel die tot ver over de grens  bekend werd. Hij liet de kapel van de Domicanen vergrendelen, waarbij hij zich beriep op een een contract dat  in ln 1938 was afgesloten met de Dominicanen. Als er in zijn bisdom een nieuwe parochie bij zou komen, dan werd die werd toevertrouwd aan de Dominicanen, en dan zou in ruil daarvoor de kapel in Huissen gesloten worden. De pastoor van de reguliere parochie in Huissen ergerde er zich vooral aan dat zijn parochianen liever bij de paters te biecht gingen en niet bij hem. 

Meer dan duizend inwoners van Huissen hebben toen hij toevlucht gezocht bij het Vaticaan om de sluiting van de kapel te voorkomen. Alfrink hield zijn poot stijf met als gevolg dat de Huissenaren met een bijl de kerkdeur van de kapel open hebben gebroken. Nog altijd zijn daarvan de sporen in de kerkdeur te zien.

De Kloosterkapel der Dominicanen, met bijlen opengebroken door de parochianen. Huissen, 6 januari 1952. (foto: Beeldbank, Nationaal Archief)

Sporen van de aanslag met de bijl, nog altijd zichtbaar in de kerkdeur van de Kloosterkapel in Huissen

Dit drama vond plaats op 6 januari 1952. Drie dagen dagen later schreven de daders een excuusbrief Alfrink, maar die was door deze hele affaire behoorlijk in opspraak geraakt.  De pers had er lucht van gekregen en het werd een landelijke rel. Zelfs het Amerikaanse weekblad Time besteedde er aandacht aan. Pas in 1955 kwam de zaak tot bedaren. De parochie van Huissen werd uiteindelijk overgedragen aan de Dominicanen. Alfrink kwam er zonder gezichtsverlies mee weg en zou het later nog tot aartsbisschop en kardinaal schoppen.

Alfrink gaf uiteindelijk de Dominicanen de schuld, want zij zouden hem onvoldoende in bescherming hebben genomen. Er kwam een compromis maar de kloosterkapel bleef dicht. Het conflict liet diepe sporen na in de dorpsgemeenschap die nog jaren nadien in twee kampen verdeeld was. Zo kwam in Huissen na de oorlog een nieuwe oorlog. Ik kan me nog herinneren dat bij de dood van Alfrink een documentaire op tv was te zien, waarin deze zaak nog uitgebreid aan de orde kwam als een laatste stuiptrekking van Het Rijke Roomse Leven

Mijn drie tantes hadden zich openlijk gemengd in het conflict  Ze kozen onomwonden de kant van de wereldheren en waren tegen de paters dus. Gezag is gezag, zo moeten ze hebben gedacht. Maar er was nog iets. Mijn tantes kwamen uit Arnhem en voelden zich altijd een beetje boven de Huissenaren verheven. In hun ogen was het maar een barbaars gedoe zoals die zich hadden gedragen met die bijl bij de kerkdeur.

‘Wij intellectuelen, wij pikken dit niet!’ Ik hoor het tante Door nog zeggen. Ze was wijkverpleegster en wist dus alles wat er in het dorp omging. Alle achterklap kwam haar ter ore en wat ze niet wist kon tante Luus wel vertellen, want die was onderwijzeres bij de nonnen op de dorpsschool, waar de kinderen van alle dorpsbewoners vroeg of laat in de schoolbanken zaten. Zo kwam ik in die dagen heel wat te weten over Huissen en zijn eigenaardige bewoners.

Maria A.L. Sanders, Lucia R. Sanders en Theodora A. Sanders. Ootmoedig neergeknield aan de voeten van Uwe heiligheid verzoeken om den apostolischen Zegen en een Volle Aflaat in het stervensuur, mits tot biechten of communiceren niet meer in staat zijnde, den H. Naam Jezus met den mond, of ten minste met het hart, ootmoedig aanroepen.

Zo luidt het opschrift van bovenstaand document. Het is een pauselijke aflaat die op 28 april 1952 werd afgegeven aan mijn drie tantes in Huissen. Het document werd ondertekend door Diego Venini. Hij was in die tijd ‘geheim-aalmoezenier’ van paus Pius XII. Dat is een hoge functie in het Vaticaan, een geestelijk functionaris die direct onder de paus ressorteert. De aflaat was een beloning van de paus voor hun moedige en standvastige houding bij de kerkelijke ongeregeldheden. Het is bijzonder document, de getuigenis van een stukje Nedrelandse  kerkgeschiedenis. Het hangt nu bij mij aan de muur in de huiskamer.

Het kan niet vaak genoeg worden gezegd, Huissen was een bijzonder stadje. Ik herinner mij dat ik samen met mijn vader wel eens wandelde in de omgeving van Huissen. Mijn vader wilde dan altijd de Rijn zien. Zo liepen wij dwars door de uiterwaarden en klommen zo nu en dan over de boerenhekken om bij de zomerdijk te komen, waar de kribben ver de rivier in staken en rijnaken traag voorbij voeren. Dat was een hele wandeling, want Huissen ligt een flink eind van de rivier af. Zo raakten we ver van huis en zagen uiteindelijk in de verte Arnhem liggen, met daarachter de eerste glooiingen van de Veluwe. In dat soort herinneringen staat de tijd voor mij stil, alsof dat landschap er altijd al was en ook altijd zo zal blijven. Zelfs de stromende rivier leek voor eeuwig stil te staan. Het was de stilte van Huissen.

Reageer

Mijn ouders in de oorlog

4 april, 1980(3)0001

Dit is mijn moeder. Christina Hendrika Maria Sanders (1905-1989). De blik is wat dromerig naar binnen gericht, het haar opzichtig weggestoken om het linkeroor goed zichtbaar te maken. De foto is in 1940 genomen, kort nadat de Duitsers ons land waren binnengevallen. Het is een pasfoto op een identiteitskaart die iedereen in die tijd moest laten maken en altijd bij zich moest dragen. Mijn moeder kijkt enigszins bedrukt. Zo heb ik haar nooit gekend. Het moet ook een zware tijd zijn geweest. Ze was 35, inmiddels negen jaar getrouwd en had drie kinderen. Hoe zou het verder gaan in de toekomst? Rotterdam was net gebombardeerd. Het gerucht deed de ronde dat de Duitsers de Watergraafsmeer onder water wilden zetten. Wat zou er nog meer voor ellende volgen? Zou mijn vader zijn werk kunnen behouden? Ik ben van na de oorlog, dus ik weet niet veel van die donkere jaren. Hoe leefden mijn ouders toen? Wat dachten ze? Zou alles ooit nog goed komen?

Mijn moeder kwam uit Arnhem, waar ze op 4 april 1905 geboren werd als jongste dochter van Theodorus Sanders en Maria Reiniera Gerritsen. Haar ouderlijk huis  stond in de Willemstraat, die loopt tussen de Klarendalseweg en de Roosendaalsestraat. Haar vader had een bakkerij. In 1929 had mijn moeder mijn vader ook in Arnhem leren kennen, waar ze destijds telefoniste was bij de AKU. Mijn vader was toen al 32.

CIMG2936

Mijn vader en moeder hand in hand bij hun verloving, Arnhem 1930 (linksboven: Theodoor Sanders, mijn grootvader van moederskant)

Op  2 mei 1931 trouwden ze in de Sint Janskerk in Arnhem. Daarna gingen ze in Den Haag wonen. Mijn vader was inmiddels vanuit Amsterdam overgeplaatst naar Den Haag, waar ze een woning huurden in de Volkerakstraat, op nummer 46, voor 45 gulden per maand. Die straat ligt niet ver van het Station Den Haag Centraal. Ze hebben daar overigens maar kort gewoond. Wel werd hier in 1932 hun eerste kind geboren: mijn oudste zus Mariet. Daarna verhuisden ze naar Amsterdam, nadat mijn vader wederom was overgeplaatst. Daar zouden nog drie dochters ter wereld komen, telkens met een tussenpoos van zo’n vier jaar. In 1947 werd dan eindelijk de eerste en enige zoon geboren: Hubertus Johannes, de stamhouder van de Mousen. Mijn vader had jarenlang gebeden om een zoon. Elk jaar liep hij juist om die reden in zijn eentje De Stille Omgang in Amsterdam.

Toen ik zo’n jaar of acht was, moest ik met hem mee op die nachtelijke wandeling dwars door Oud Amsterdam. Ik heb nooit begrepen waarom, maar later hoorde ik dat het dankbaarheid was, omdat zijn gebeden waren verhoord. Vooral in het laatste oorlogsjaar zal hij veel gebeden hebben. Met mijn komst begon pas echt de bevrijding. Overigens werd de Stille Omgang tijdens de oorlog door het uitgaansverbod van de Duitsers in de nachtelijke uren niet gelopen. Maar na de bevrijding was de belangstelling hiervoor opeens ongekend. Op 15 maart 1945 – nog geen twee maanden voor de bevrijding – was het 600 jaar geleden geweest dat het Mirakel van Amsterdam zich had voltrokken. Het jaar daarop werd dit alsnog uitbundig gevierd in Amsterdam. Op 24 juni 1946 werd in het Olympisch Stadion voor deze gelegenheid een Mis opgedragen, waarbij meer dan vijftigduizend mensen aanwezig waren. Naar alle waarschijnlijkheid  was mijn vader daar ook bij, maar zeker weten doe ik dat niet.

stadion

Viering 600 jaar Het Mirakel van Amsterdam, Olympisch Stadion, 1946.  (Foto: Nationaal Archief)

Eigenlijk heb ik heel weinig van mijn vader. Ik ben ook niet technisch zoals hij, en bovendien zeer onhandig. Mijn vader kon met zijn handen alles maken wat hij met zijn ogen zag. Als een elektrisch apparaat het begaf, werd het door hem meteen gerepareerd. Ik kan nog niet eens een lamp indraaien. Ik ben ook wel eens verstrooid, dat was mijn vader nooit. Gisteren nog deed ik kattenbrokjes in plaats van koffiebonen in het espresso-apparaat. Als ik dit soort dingen niet al mijn hele leven had gedaan, zou ik me daar nu grote zorgen over maken. Maar ik ben nu eenmaal een warhoofd. Mijn vader was het tegendeel. Ik heb ook nooit veel met mijn vader gesproken. Hij was een man van weinig woorden. Eigenlijk heb ik mijn vader ook nooit goed gekend. Het verschil in leeftijd was groot. We scheelden exact een halve eeuw. Hij leefde met zijn hoofd in een andere tijd. Ik leefde in een tijd die nog moest komen. Het grote niets zat daartussen. Altijd was er die afstand tussen mij en de anderen. Ik was een kind dat geboren werd in een liefdevolle leegte. En toch was het beslist geen ongelukkige jeugd

CIMG2939

In de kinderwagen eind jaren veertig tussen mijn zusjes Trees, Lucie en Cornelie (Mariet ontbreekt op de foto).

Mijn oudste zus Mariet vertelde mij eens dat het haar nog steeds niet duidelijk is wat mijn vader in de oorlog eigenlijk heeft uitgespookt. Hij was een nogal precieze en formele man, iemand die beslist geen onnodige risico’s nam. Niet iemand die in de wieg gelegd was om een verzetsheld te worden. Dat is hij dan ook niet geweest. Maar wat deed hij dan wel in al die jaren? Niet dat mijn vader voor de Duitsers was, integendeel. Wel had hij een Ausweis, waardoor hij in noodgevallen ook na acht uur ’s avonds over straat mocht. Kennelijk moest hij acuut kunnen komen opdraven in het hoofdgebouw van de PTT om daar aan de Duitsers tekst en uitleg te kunnen geven over speciale schakelingen of wat dan ook.

Volgens mijn zus deed hij daar ook wel eens iets wat de Duitsers niet mochten weten. Wat dat was, dat heeft ze als kind nooit vernomen. Wel herinnerde Mariet zich dat mijn vader eens midden in de nacht naar het PTT-kantoor is gegaan – drie kwartier lopen vanuit de Watergraafsmeer – en toen ook op kantoor de nacht heeft doorgebracht. Wat hij daar deed of moest doen heeft gedaan heeft ze hem nooit durven vragen. Misschien moest hij de sporen uitwissen van iets wat het daglicht niet kon velen of in ieder geval de Duitsers niet mochten zien. Hoe dan ook, hij moet die nacht behoorlijk in de rats hebben gezeten. Tijdens die nachtelijke wandeltocht door Amsterdam, zal hij zeker aan de Stille Omgang hebben teruggedacht. Misschien spookten de beelden van die tocht hem later ook nog wel eens door het hoofd, toen hij jaren later samen met mij de Stille Omgang liep. Maar wat hij in de oorlog deed zullen we nooit meer te weten komen.

getuigschrift

Het getuigschrift van mijn vader voor de ambachtsschool in Sneek, 26 april 1916

Mijn vader was een selfmade-man. Door zelfstudie had hij zich opgewerkt binnen de PTT, na zijn examen voor de Ambachtsschool in Sneek op 26 april 1916. Hij stond erom bekend dat hij wonderlijke schakelingen kon aanbrengen. Zo wist hij te bewerkstelligen dat al zijn betrouwbare collega’s Radio Oranje konden beluisteren door op kantoor een geheim nummer te draaien. Hij had er eens speciaal genoegen in dat zij dit konden doen onder de ogen van hun ‘foute collega’s’ die van niets wisten. Onderwijl werden er nep-gesprekken gevoerd om de schijn op te houden dat er gewoon gewerkt werd. Afijn, het waren geen heldendaden en de oorlog heeft er ook geen dag korter door geduurd. Toch is het wonderlijk om dit soort dingen pas na zoveel jaren te horen. Dingen waar ik nooit met mijn vader over gesproken heb. Hij praatte er niet over en wij vroegen er niet naar. Zeker is inmiddels – en ook dat was  mij tot voor kort niet bekend – dat mijn vader in 1946 een eervolle gratificatie heeft gekregen voor illegale activiteiten in de oorlogsjaren.

Dit soort dingen kleuren het beeld nu anders in, dat ik na al die jaren van mijn vader had gevormd. Soms denk ik wel eens hoe het zou zijn om hem nog één keer te kunnen spreken. En dan al die vragen te kunnen stellen die nooit eerder zijn gesteld. Alle verhalen van hem te horen, niet de grote, maar de kleine, over hoe het was in de oorlog en hoe die uiteindelijk is verdwenen. Er zijn in mijn familie geen erge dingen gebeurd. Iedereen heeft het overleefd en iedereen had uiteindelijk te eten, mede dankzij de familie in Friesland. En toch, juist het gewone leven van alledag is achteraf zo moeilijk voor te stellen. Hoe leefden mijn ouders? Wat dachten ze?

Nog iets wat wat mijn zus Mariet mij ooit vertelde. Meteen nadat de Duitsers waren binnengevallen heeft mijn vader voor 250 gulden – dat was een vermogen in die tijd – een radiotoestel van hoge kwaliteit gekocht, waarmee alle buitenlandse zenders goed kon ontvangen. Mijn vader wist meteen dat dit in de komende jaren heel belangrijk zou worden. Deze radio bouwde hij in een kast in de huiskamer, vlak onder het plafond, zodat hij staande op een stoep en met zijn hoofd in de kast thuis ook buitenlandse zenders kon luisteren, en Radio Oranje natuurlijk. Daarnaast was hij zendamateur en had hij al voor de oorlog op de slaapkamer een eigen zender gebouwd waarmee hij kon communiceren met zendamateurs uit de hele wereld. Toch denk ik niet dat hij daar tijdens de oorlog gebruik van heeft gemaakt. Dat was veel te gevaarlijk en mijn vader wist precies wat de Duitsers op dit gebied konden weten of niet konden weten.

Afijn, het moest een raar gezicht zijn geweest om mijn vader elke avond het zijn hoofd boven in de kast te zien verdwijnen. De kinderen werd het streng verboden om over dit soort dingen te praten op school of op straat. Want niemand was betrouwbaar in die tijd. Of mijn moeder dan ook meeluisterde weet ik niet. Hoe dan ook, ze hebben het vijf jaar uitgehouden met zijn tweeën ook in de hongerwinter, toen de inmiddels vier kinderen werden ondergebracht bij de Friese familie. Voor mijn moeder moet dat een zware tijd zijn geweest. Mijn jongste zus was toen nog heel jong. Zij werd geboren in 1943. Tijdens de hongerwinter werkte de telefoon niet meer, dus het enige contact tussen mijn ouders en de kinderen in Friesland verliep via brieven en ansichtkaarten die af en toe in Bakhuizen binnenkwamen.

Mariet, die toen twaalf jaar was, is toen even bang geweest dat ze mijn ouders nooit meer terug zou zien. Op een dag kwam er een brief waarin mijn vader verslag deed van de stand van zaken die behoorlijk somber was. Hij was bang dat het in Amsterdam net zo zou gaan als in Boedapest. Een groot bombardement zou aan alles een einde maken. Maar het liep goed af. De oorlog liep op zijn eind. Vanuit het bovenraam van het huis hebben mijn ouders in mei 1945 de voedselpakketten van de geallieerden als manna uit de hemel zien vallen. Het waren de tekenen van een nieuwe tijd. Er gloorde hoop aan de horizon.

CIMG2935

De bakkerij van mijn grootvader in de jaren twintig, Willemstraat 22, Arnhem

In de herfstvakantie van 1966 – een half jaar na de dood van mijn vader – ben ik nog eens alleen met mijn moeder een dagje naar Arnhem geweest. Ze liet me toen de plekken van haar jeugd zien. De Willemstraat bijvoorbeeld, waar de bakkerij heeft gestaan. We zijn toen ook nog bij een jeugdvriendin langs geweest, die nog altijd in Klarendal woonde. We liepen over de Zijpendaalse weg, waar ze vroeger bij haar vader op de kar de broden aan huis bracht. Bij Musis Sacrum hebben we koffie gedronken, en ‘s middags wandelden we in het park Sonsbeek, waar tussen de geurende herfstbladeren een beeldententoonstelling was te zien.

Ook toen vertelde ze me over de oorlog en hoe die voorbij ging. Over de bombardementen op Arnhem de stad van haar jeugd, de stad ook waar ze mijn vader had leren kennen en waar ze samen hand in hand over de heuvels langs de Rijn hadden gelopen, bovenover en onderlangs… Je had er zo’n mooi uitzicht, zei ze dan. Daar was op 5 mei 1945 niet zo veel meer van over. Niet alleen door ‘De slag om Arnhem’ was de stad zwaar gehavend. In april werd de gebied rond de Grote Markt en de Sint Eusebiuskerk door de geallieerden gebombardeerd. (zie: hier)

Reageer

Een Arnhems meisje

Slide16-e1341588072516

Mijn grootouders van moederszijde: Theo Sanders en Maria Sanders-Gerritsen

Arnhemse meisjes zijn ovale hardgebakken koekjes die bestrooid zijn met suiker. Je ziet ze niet zoveel meer, maar in Arnhem kun je ze nog altijd krijgen. Ook mijn moeder was een Arnhems meisje. Ze groeide op in de wijk Klarendal en werd daar op 4 april 1905 geboren als jongste dochter van Theodorus Sanders en Maria Reiniera Gerritsen. Haar ouderlijk huis stond in de Willemstraat, die loopt tussen de Klarendalseweg en de Roosendaalsestraat. Haar vader had een bakkerij. Mijn moeder vertelde daar vaak over. Zo ging ze als kind met haar vader met paard en wagen de broden bezorgen bij de dure klanten aan de Velperweg.

Achter het huis was een stal waar het paard werd verzorgd. Mijn grootvader was nogal bijgelovig en het wilde nogal eens spoken in de stal. Eens dacht hij dat het paard door de duivel bezeten was, want elke ochtend trof hij het volkomen bezweet aan. Het paard stond dan achterste voren, terwijl niemand eraan had gezeten. Mijn grootvader heeft toen een kruisbeeld in de stal opgehangen. Daarna was het afgelopen met deze duivelse streken.

Mijn moeder had drie oudere zusters die alle drie ongetrouwd zouden blijven. Later gingen ze bij elkaar wonen in Huissen, een stadje onder Arnhem, waar ik als kind vaak ben geweest. Ook had mijn moeder nog een oudere broer, maar die wilde niet deugen. Later ging hij varen en thuis leerden wij hem kennen als Ome Toon die altijd op de meest ongelegen momenten kwam binnenvallen. Ome Toon was het zwarte schaap van de familie. Als kind was hij al  ‘een nagel aan de doodskist van zijn vader’. Hoe dan ook, ze konden het niet met elkaar vinden, terwijl mijn grootvader toch een hele aardige man moet zijn geweest. Zelf heb ik hem niet gekend.

Tot verdriet van mijn moeder is mijn grootmoeder niet oud geworden. Ze overleed op 28 januari 1924 op zestigjarige leeftijd. Zo staat het op een bidprentje dat ik nog van haar heb. Mijn moeder was toen pas 18 jaar oud. Mijn grootmoeder moet een erg zachtaardige vrouw zijn geweest en mijn moeder miste haar erg. Ze werd begraven op het R.K. Kerkhof dat aan de rand van Klarendal lag. De uitvaartdienst was in de Sint Janskerk, waar later ook mijn ouders getrouwd zijn. Eind jaren twintig had mijn moeder mijn vader leren kennen die toen al bij de PTT werkte. Aanvankelijk werkte hij in het hele land. Zo kwam hij bij de AKU in Arnhem terecht, waar hij mijn moeder destijds als telefoniste werkzaam was. ‘Pas op, het is een afgelikte beer!’ zeiden haar collega’s, maar mijn moeder zette door.

Zelf was ze veel te mondain voor de stijve Friese familie. Een echt ‘stêdtsje.’ Toen ze voor het eerst in Bakhuizen bij haar aanstaande schoonmoeder op bezoek kwam, was haar decolleté veel te diep. ‘Kun je, wat je hier hebt, niet daar aannaaien?’ vroeg Beppe, terwijl ze een wijzend gebaar maakte van pols tot hals. Maar het Arnhems meisje ze was natuurlijk smoorverliefd op mijn vader en die dorpse bekrompenheid nam ze op de koop toe. In 1931 trouwden ze.

Daarna gingen ze in Den Haag wonen, waar ook de eerste dochter werd geboren. In 1936 verhuisden ze naar Amsterdam, waar nog drie dochters zouden volgen, telkens met een tussenpoos van exact vier jaar. In 1947 werd dan eindelijk de eerste en enige zoon geboren: de stamhouder van de Mousen. Durk Manus had hij moeten heten. Mijn vader heette immers Manus Durk. Maar mijn moeder vertikte het en hield haar poot stijf. Tussen haar en de Friese familie is het daarna nooit meer helemaal goed gekomen. Als er een boze brief uit Friesland kwam, verdween die ongeopend in de kachel.

In de jaren voor haar huwelijk hield mijn moeder van uitgaan en van dansen. Daarmee had ze het niet makkelijk, want ‘de dansvloer is het plafond van de hel’, werd er thuis vaak gezegd. De jaren twintig waren in het Roomse Nederland een tijd van dreigende verwording van de jeugd. Jongeren gaven zich over aan bioscoopbezoek en de charleston, hoe fel de pastoor in de kerk daartegen ook fulmineerde.

Mijn moeder moet zich daar niet veel van aan hebben getrokken. Ze was een echt fuifnummer en had altijd een fleurig humeur. ‘Een verwaaid nest’, zo werd ze op school genoemd. Eigenlijk is ze dat haar leven lang gebleven. Ik heb de slordigheid van mijn moeder geërfd. Naarmate ik ouder werd is mijn handschrift steeds meer op dat van mijn moeder gaan lijken. Vaak kan ik het zelfs niet eens meer lezen. In alles was mijn moeder de tegenpool van mijn vader: ze was spontaan, impulsief en had het hart op de tong.

In de herfstvakantie van 1966 ben ik nog eens alleen met mijn moeder een dagje naar Arnhem geweest. Mijn vader was een half jaar daarvoor overleden. Ze liet me toen de plekken van haar jeugd zien. De Willemstraat bijvoorbeeld, waar de bakkerij heeft gestaan. We zijn toen ook nog bij een jeugdvriendin langs geweest, die nog altijd in Klarendal woonde. We liepen over de Zijpendaalse weg, waar ze vroeger bij haar vader op de kar de broden aan huis bracht.

Bij Musis Sacrum hebben we koffie gedronken, en ’s middags wandelden we in het park Sonsbeek, waar tussen de geurende herfstbladeren een beeldententoonstelling was te zien. Ik herinner me nog, dat we even bij De Slegte in de Jansstraat zijn langsgegaan, waar ik twee boeken kocht – van Nietzsche en van Jung – die nog altijd in mijn boekenkast staan. Mijn moeder liet me mijn gang gaan. Dat deed ze al toen ik nog kind was. ‘Je hebt ook wat van mij’, placht zij te zeggen, als ik wat wat somber was of zwaar op de hand.

In de jaren zeventig begon mijn moeder de eerste symptomen van Alzheimer te vertonen. Ze was wat vaak de sleutel kwijt van het huis. Toen ze een keer op reis was en wij de parkieten water zouden geven, had ze de kooi naast het zand gezet, zodat de parkieten dood in de bodemloze kooi lagen. Ze kreeg op haar verjaardag een bandrecorder, maar die kon ze niet bedienen. Toen heb ik pleisters met daarop nummers en pijlen op het cassettedeck geplakt, zodat ze altijd een gebruiksaanwijzing bij de hand had.

Gaandeweg vielen er steeds meer gaten in haar geheugen. Het verleden leek te verdwijnen en alleen haar vroegste jeugd hield stand. Op een keer had ze haar eigen stem opgenomen:‘ Hier spreekt jullie moeder,’ sprak ze op gedragen toon. Het was kennelijk een opname voor later, als ze er zelf niet meer zou zijn. Die stem heb ik nooit meer terug gehoord. Ik zou ook niet weten waar dat cassettebandje gebleven is. Ze zong Lorelei in het Duits, waarschijnlijk omdat dit liedje haar herinnerde aan haar eigen jeugd.

Har laatste jaren bracht ze door in Zevenaar, waar mijn zus Cornelie haar eerst een tijdje in huis nam alvorens ze in een verpleeghuis belandde. Ze ging toen nog wel eens naar de kerk, maar mijn zus vond dat uiteindelijk niet meer verantwoord. Vaak was mijn moeder het niet eens met wat de de priester vanaf de preekstoel verkondigde. Op een keer begon zij te roepen: ‘Schande, schande !’ terwijl mijn zus haar snel de kerk uit leidde. Op het laatst zei ze nog maar één zin: ‘We hebben het goed gedaan ! ….We hebben het goed gedaan.!’

Daar had ze volledig gelijk in. Ze had het goed gedaan.

Op 16 februari 1989 is mijn moeder overleden, 83 jaar oud, maar nog altijd ‘een Arnhems meisje’. Ze werd niet begraven, maar gecremeerd in het crematorium Moscowa in Arnhem. Nog altijd bewaar ik haar rouwkaart. Bovenaan staan woorden uit psalm 126:

‘Als Hij ons thuis brengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn.’

In het begin van de novelle Bouwval van Frans Kellendonk gelooft de tienjarige hoofdpersoon nog in de onsterfelijkheid van de ziel en aan het eind van het verhaal ontdekt hij in de bodem van de auto van zijn vader een gat, en door dat gat ziet hij een oneindige lege kosmos. Later in zijn leven schrijft Kellendonk: ‘Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen’.

In zo’n leemte zou ook mijn moeder passen. Het katholicisme is in Nederland uiteindelijk een fossiel geworden uit een voorgoed voorbije tijd. Een fossiel dat wonderlijk genoeg nog steeds het vermogen in zich heeft om een intens gevoel van nostalgie op te roepen. Voor mij geldt dat in hoge mate, vooral als ik terugdenk aan mijn moeder.

Geen reactie mogelijk

De lijn wordt weer een cirkel

Slide1

Onze 
lineaire tijd-as, die zo vanzelfsprekend ons denken bepaalt, is in feite een constructie is van het 
denken zelf. De gedachte dat de tijd zich op een rechte lijn beweegt is ergens in de tijd zelf ontstaan. Er 
wordt wel beweerd dat dit moment samenvalt met de overgang van het polytheïsme naar het 
monotheïsme. Wonderlijk genoeg wordt die gedachte in de Griekse mythologie al 
aangekondigd. De Grieken noemden de tijd Kronos, de jongste van de Titanen, de twaalf 
kinderen die waren voortgekomen uit het huwelijk van de aarde met de hemel: Gaia en 
Ouranos. Toen Ouranos niets meer van zijn kinderen wilde weten, zette Gaia ze op om hun 
vader te wreken. Allen aarzelden behalve Kronos. Zodra de nachtelijke hemel zich uitspreidde 
over de aarde, verminkte Kronos de hemel op afschuwelijke wijze en verdreef zijn 
heerschappij. Uit het bloed dat voortdruppelde uit de schoot van de aarde kwamen gruwelijke wezens voort, de furiën, het noodlot, de slaap met zijn angstaanjagende dromen en 
uiteindelijk zelfs de dood.

Voortaan werd alles beheerst door Kronos die zijn zuster Rea tot vrouw nam. Maar toen Kronos van Gaia vernam dat ook hij door zijn eigen kinderen 
verdreven zou worden, verslond hij ze één voor één zodra ze geboren werden. Alleen Zeus 
kon door een list van Gaia aan dit vreselijke lot ontsnappen. Kronos was de cirkel, Zeus werd 
de lijn. Zo ontstond uit het mythische denken van de Grieken het lineaire denken over de tijd. De Romeinen dachten niet langer in cirkels maar begonnen de tijd als een lijn te denken. De premoderne tijd was de cirkeltijd. De tijd dat de mensen nog zeiden: ‘Daar neem ik de tijd voor.’ De tijd van de lijn was de tijd van de vooruitgang die door Augustinus uiteindelijk verbonden werd met een heilsgeschiedenis. De lineaire tijdsbeleving die in de Griekse oudheid zich aankondigde, zou met de opkomst van het Christendom definitief 
zijn bevestigd. Met de theologie is ook de teleologie 
ontstaan, de gedachte dat alles een einde en een doel 
heeft. De prefiguraties in het Oude Testament vinden 
hun vervulling in het Nieuwe, maar daarna ontstaat de vooruitgang ten opzichte van de tijd die achter 
ons ligt, de wetenschap, de evolutie, de dialectiek, 
de klassenstrijd, de technologie.

Eigen aan het lineaire tijdsbesef is het begrip van de 
vrije wilsbeschikking van de mens, die zijn lot in eigen handen neemt en deels onafhankelijk wordt van het noodlot. Als de tijden niet terugkeren in een 
eeuwige wederkeer, ben IK het, die de tijden kan veranderen. Maar met deze vrije keuze komt ook een eigen 
verantwoordelijkheid in beeld, de moraal, de ethiek, het besef van goed en kwaad, die geen vaste gegevenheden zijn, maar die in elke situatie opnieuw moeten worden getaxeerd en gedefinieerd. Dat is, om kort te gaan, de geschiedenis van het christendom. De ene ware God en de lineaire, al maar voortgaande tijd waren sindsdien intrinsiek met elkaar verbonden. Voor Augustinus zou God zich voortaan schuil houden in de ervaring van tijd zelf. God zou verstopt zitten in het geheugen van de mens. Zo schrijft hij in zijn Belijdenissen:

Augustine

‘Waar heb ik u dus gevonden, zodat ik u leerde kennen? Want alvorens ik u leerde kennen waart gij nog niet in mijn geheugen. Waar heb ik u dus gevonden, zodat ik u leerde kennen? Waar anders dan in u, boven mij? En daar is geen sprake van een plaats; en wij verwijderen ons en komen naderbij, en van een plaats is geen sprake. Waarheid, overal zijt gij gezeten voor allen die u raadplegen, en aan allen tegelijk geeft gij antwoord, ook al raadplegen ze u over verschillende dingen. Duidelijk antwoordt gij, maar niet door allen wordt gij duidelijk gehoord. Zij raadplegen u allen over hetgeen ze willen, maar ze horen niet altijd wat ze willen. Uw beste dienaar is diegene die er niet zozeer naar uitziet om van u te horen wat hij zelf heeft gewild, maar die er eerder op bedacht is te willen wat hij van u gehoord heeft.’

Zo keerde de tijd daarna nooit meer op zijn schreden terug. De tijd werd onomkeerbaar een voortgang naar de dood. Het onbehagen in de voortgang van de tijd maakte de mens ongedurig. Hij ging op zoek naar verklaringen, naar wiskundige relaties tussen de dingen, naar de waarheid in de werkelijkheid. Zo ging hij de wereld onderzoeken door proeven te doen en die proeven almaar herhalen in de tijd. Zo ontdekte hij dat de wereld vol zit met onomkeerbare fenomenen, vanaf het simpelste tot de meer complexe verschijnselen die je dagelijks op je pad vindt. Als ik mijn tube tandpasta leeg knijp, dan krijg ik mijn tandpasta er niet meer in. Het zou een heksentoer zijn om dat te proberen. Maar dit soort alledaagse voorbeelden werden in klassieke natuurkunde bekeken als een vorm van fenomenologie, een tussenfase van de ware kennis, die op een zekere dag zou resulteren in een klassieke verklaring voor alles, zelfs voor de tijd. De richting van de tijd, zo werd steeds in de klassieke fysica beweerd, is altijd omkeerbaar. Dat wil zeggen: de tijd heeft geen richting.

Zowel naar links als naar rechts op de tijd-as zijn de processen spiegelbeeldig. Dat heeft alles met entropie te maken, dat wil zeggen: de mate van wanorde, waarin een systeem zich bevindt. Toestanden van wanorde zijn in een gesloten systeem waarschijnlijker dan toestanden van orde. Dus elk gesloten systeem beweegt zich vanzelf naar een toestand van wanorde. Als je het systeem opvat als een afgesloten gasmengel, dan geldt de tweede hoofdwet van de thermodynamica: ‘Bij een omkeerbaar proces is de toename van de entropie gelijk aan de toegevoerde warmte gedeeld door de absolute temperatuur.’ De entropie is dus een functie van de tijd die omkeerbaar is, als het om een richting gaat naar verleden of toekomst.

Maar de wereld als geheel geen gesloten systeem, zoals een afgesloten gasmengsel, maar een zeer complex en dynamisch, open systeem. Met de chaostheorie is de tweede hoofdwet van de thermodynamica in een ander licht komen te staan. De chaostheorie zegt in essentie dat in een situatie van instabiliteit elementen de neiging hebben om zich te organiseren tot structuren van een hogere orde (auto-organisatie, zo noemt Prigogine dat). De klassieke fysica ging altijd uit van ideale situaties. Situaties die herhaalbaar waren. Dat zijn gesloten situaties. Maar de werkelijkheid zelf is veel complexer.

Ilya

Of zoals Prigogine het ooit heel simpel heeft verwoord: ‘De klassieke fysica beschrijft de uitzondering, het bijzondere geval. Neem het voorbeeld van de slinger zonder wrijving. U kent dat wel: zo’n ideale slinger blijft eeuwig slingeren, daar zit geen element van tijd in. In de werkelijkheid is er echter wel wrijving, en de slinger valt stil. Er is duidelijk een richting van tijd, de beweging vertraagt, er is energieverlies (dissipatie). Wel, het is de ideale slinger die de uitzondering is, niet omgekeerd. Het irreversibele is geen benadering van het reversibele. Ik denk dat het omkeerbare een bijzonder geval is in een wereld die onomkeerbaar is.’

Het is niet zo dat alles zich voortbeweegt naar een hoogste mate van wanorde. Er is ook een impliciete tendens naar orde die zich in de wanorde zelf kan manifesteren. Zoals een luchtzak horizontaal strak gaat staan doordat hij door de wind wordt vol geblazen, zo kan een zekere mate van ordening ontstaan in een open complex en dynamisch systeem. De ordening ontstaat dan als het ware automatisch. Het chaotisch systeem creëert zijn eigen fuik waarin orde als vanzelf ontstaat.

Het verschijnen van leven op aarde wijst erop dat er ook een neiging is in de natuur naar toenemende complexiteit, een tendens die haaks staat op de zo vaak veronderstelde uiteindelijke hittedood van het heelal. Maar deze tendens naar orde is secundair, ‘tegen de wind in’ zoals dat heet. De wind waait naar de chaos toe. Wat uiteindelijk rest is de dood, de ultieme afwezigheid van een ordening. En toch vraag ik me wel eens in alle bescheidenheid af: Hoe zit dat met de tijd? Wat zit er eigenlijk achter de tijd? Bestaat er zoiets als een wereld ‘an sich’, waar de tijd misschien niet bestaat?

Of is er in het heelal alleen sprake van ‘gebeurtenissen’? Is de tijd een vorm van uitgestrektheid, om te voorkomen dat alles tegelijk gebeurt? Of heeft de tijd niets met ruimte en uitgestrektheid te maken? Eerlijk gezegd snap ik er helemaal niets van. Ik zou me zelfs kunnen voorstellen dat de richting van de tijd een illusie is. Wij denken dat de tijd vooruitloopt, omdat we ons in een heelal – of een deel van het heelal – bevinden, waar de wetten van de thermodynamica gelden. Entropie is hier inderdaad een functie van de tijd. Er ontstaat meer wanorde, naarmate de tijd verstrijkt. Maar omgekeerd zou het ook zo kunnen zijn, dat we de tijd ervaren als een vooruitlopend proces naar de toekomst toe, omdat we in een soort ‘entropie-dal’ leven, dat wil zeggen: in een ‘kuil’ van het heelal, waar de tijd op de ene helling vooruitloopt met toenemende entropie en op de andere helling terugloopt met afnemende entropie. Dit ‘entopie-dal’ ziet er dan als volgt uit.

fig

Er zouden dus ook andere regio’s in het heelal kunnen bestaan, waar alles dus omgekeerd verloopt. Een heelal waar de tandpasta weer terug in de tube kruipt en slechts af en toe een zekere mate van chaos ontstaat. Dat laatste heelal – zo las ik laatst – heeft Ludwig Boltzmann in het begin van de vorige eeuw bedacht. Het is een duizelingwekkende gedachte. Ergens ver weg buiten ons melkwegstelsel wonen wezens die eerst sterven en dan pas geboren worden. Zij gaan ’s ochtends naar bed en staan ‘s avonds pas op. Zij slikken al hun zinnen in. Het brood komt uit hun mond als ze eten. Kleine kinderen kruipen terug in de moederschoot als ze uiteindelijk sterven. De kinderen, die verslonden waren door Kronos, komen weer uit zijn gapende muil tevoosrchijn. De lijn zou zich weer sluiten in een cirkel. De doden stonden op uit hun graf. De poort van het paradijs zwaaide open. God trok zich terug in de hemel en de aarde – woest en ledig –  verdween uiteindelijk in het niet.

10903175_780710215309396_352346873_n

Ludwig Boltzmann was een briljant natuurkundige en filosoof, die in veel opzichten de tegenpool was van Ernst Mach. Beiden waren in een hevig debat verwikkeld. Het ging daarbij over ‘atomisme in een kinetische gastheorie’ tegenover de ‘fenomenologische thermodynamica’. De idealistische visie van Boltzmann (hij was een atomist) botste met de puur beschrijvende visie van Mach. In zijn in 1974 verschenen autobiografie heeft Karl Popper een prachtig hoofdstuk gewijd aan deze wetenschappelijke strijd op leven en dood, die honderd jaar geleden in Wenen is gestreden. Boltzmann’s theorie heeft het niet gered. De tijd heeft in de klassieke natuurkunde geen richting, zo concludeerde men op basis van tal van overtuigende argumenten. De relativiteitstheorie van Einstein bracht uiteindelijk de beslissende doorbraak teweeg. Boltzmann heeft de strijd verloren. Hij raakte zwaar depressief en pleegde zelfmoord in 1906.

Maar had hij echt ongelijk? Hoe zit het nu precies met de richting van de tijd? We leven nu honderd jaar later. De hedendaagse chaostheorie werpt een nieuwe licht op de klassieke theorie van de tijd. De spiegelbeeldige tijd zonder richting lijkt zijn langste tijd te hebben gehad. De gedachten van Bergson met zijn onderscheid tussen ‘temps’ en ‘durée’ – ‘geobjectiveerde tijd’ en ‘beleefde tijd’ – lijken door aanhangers van de chaostheorie opnieuw uit de kast te worden gehaald. De structuur van ons bewustzijn is intrinsiek verweven met onze perceptie van tijd. Elke objectivering is een abstractie, de tijd zelf blijft telkens weer ongrijpbaar voor het verstand dat met tijd lijkt behekst. ‘De tijd is een uitbreiding van de ziel’, zei Augustinus al. We weten het niet, als we ernaar gevraagd worden. En we weten het, zolang we er maar niet over gaan denken.

Stel dat deze tekst, die ik nu schrijf, zich op een rechte lijn bevindt. Precies op het punt waar uw oog nu voortgaat van links naar rechts bevindt zich punt (t). Op dit punt (t) bevindt zich nu de tijd. Terwijl u verder leest zal dit denkbeeldig punt gaan voortbewegen, totdat de laatste zin van mijn verhaal door een laatste punt wordt afgesloten. 
Stel dat dit verglijdende punt van aandacht zich niet alleen op een lijn, maar tegelijk op een 
cirkel voortbeweegt. Dat kan alleen als mijn verhaal oneindig lang zou zijn. Het denkbeeldig 
punt beschrijft dan een cirkel die zo gigantisch groot is dat wij de kromming ervan niet 
kunnen zien. In dat geval zal het verschuivende middelpunt van mijn betoog ooit terug 
kunnen keren in de tijd. Het begin dan zal na het einde liggen en het einde voor het begin.

In onze tijd is er iets aan het veranderen in het 
lineaire tijdsbesef. Het vooruitgangsdenken is steeds minder vanzelfsprekend aan het worden, niet alleen op het terrein van de economie, maar ook op dat van de 
geschiedenis en zelfs van de exacte wetenschappen. Er dienen zich talloze richtingen aan, waarin het 
denken zich kan ontwikkelen. De geschiedenis kan ook op talloze manieren worden gereconstrueerd, al naar gelang het standpunt dat we kiezen, en in de fysica is in laatste instantie geen onderscheid meer te maken tussen een werkelijkheid, die door mij in een
waarneming wordt ervaren, of een werkelijkheid die door mij in een waarneming wordt gecreëerd. Het denkbeeldige punt, buiten het heelal van waaruit alles verklaarbaar zou worden, is aan het vervagen. Sterker, dat Archimedisch punt is er niet meer. De tijd 
gaat weer ronddraaien. Het einde is zoek.

Met deze constatering komt het archaïsch beeld in 
zicht. Het cyclische zou opnieuw het dualisme impliceren, de gelijkwaardigheid van goed en kwaad, de hernieuwde overgave aan het noodlot of het complot van 
de wereld, het fatalisme en het verdwijnen van de vrije wilsbeschikking, het vervagen van de verantwoordelijkheid en de ethiek. In de geschiedenis van
 het christendom is deze traditie van het dualisme en het cyclische altijd in de schaduw gedrongen, verdreven naar de ketterse traditie van de Manichaërs, de Katharen en in laatste instantie naar de Antichrist 
van Nietzsche met zijn Jenseits von Gut und Böse en 
zijn leer van de eeuwige wederkeer. Er is iets nieuws  op komst. Maar is het wel iets nieuws en onbekends, of is het juist iets heel ouds? Hoe dan ook, de tijd keert zich om zonder dat we daar erg in hebben. De wereld wordt weer heidens en de lijn wordt weer een cirkel. Het wordt weer tijd om de tijd serieus te nemen.

Reageer