Huub Mous_DSC_6425 kopie

foto: Sipco Feenstra, 20 mei 2016

 

Reageer

Slideaa1

Reageer

Leven in gebrokenheid

maxresdefault

‘Alle waarnemingen, zowel van de zintuigen als van de geest zijn naar analogie van de mens, niet naar analogie van het universum. Het menselijk verstand verhoudt zich als een ongelijke spiegel tot de stralen der dingen; het mengt zijn natuur in die der dingen en verdraait en bederft die. ‘

Aldus schreef Spinoza in zijn Verhandeling over de verbetering va het verstand. Het zijn wijze woorden, vooral omdat hier een besef in doorklinkt dat er grenzen bestaan die aan het heldere denken zijn gesteld. Spinoza was zich bewust dat het menselijke verstand de dingen vermenselijkt. Wat van nature waar lijkt te zijn is waar voor de mens en daarom nog niet waar voor het universum. Je zou zeggen, als je deze bescheidenheid ten aanzien van het menselijk kenvermogen eenmaal in je denken is ingedaald, dan spreek je voortaan ook met een zekere ingetogenheid als het gaat over grote zaken als ‘God’, ‘openbaring’ of ‘het ‘bovennatuurlijke.’

Het tegendeel is het geval. Spinoza dacht en sprak over dit soort zaken met grote stelligheid. Hij ergerde zich mateloos aan de theologen van zijn tijd die de waarheid in pacht dachten te hebben. Het was juist de logica, waardoor hij meende te kunnen aantonen dat God nooit ingrijpt in de natuurlijke orde van de dingen, om de simpele reden dat die natuurlijke orde juist door God zelf was vastgesteld. Als God wel zou ingrijpen, dan zou hij tegen zijn eigen natuur handelen. Wonderen bestaan dus niet. Bijbelse profetieën waren een product geweest van de menselijke verbeelding. Het ging erom de Bijbel niet letterlijk te lezen als Gods woord, maar symbolisch als een historisch product van zijn tijd.

Slide1

God was volgens Spinoza een immanente en niet een transcendente oorzaak. Daarmee werd de bovennatuur met één pennenstreek van het verstand weggestreept. Een mens is slechts een deel van de natuur. Er bestaat geen scheiding tussen de begrippen ‘God’ en ‘de natuur‘. Er is slechts sprake van één substantie. De natuurlijke kennis die mens kan opdoen via de rede leidt tot waarheid, maar de geopenbaarde kennis van de Bijbel leidt slechts tot gehoorzaamheid. Uiteindelijk gaat het erom de goddelijke wet te leren kennen in de liefdevolle vrijheid van het verstand in plaats van in de strenge richtlijnen van de gehoorzaamheid die de Kerk en het godsgeloof van de theologen van ons eisen.

Spinoza had dit alles beweerd in zijn beroemde boek Theologisch-politiek traktaat, dat hij schreef in 1670, in het Latijn. In 1997 verscheen er en nieuwe Nederlandse vertaling van de hand van Fokke Akkerman. Dat boek verscheen dat jaar de maand in mei, drie maanden na de Boekenweek die toevalligerwijs als thema had: ‘God’. Hoe kun je het verzinnen. Niet zo’n beste timing van de uitgever zou je zeggen. Ook Michael Zeeman merkte dat destijds op in zijn bespreking van Spinoza’s boek:

‘Het enige bezwaar de vertaling die Fokke Akkerman maakte van Spinoza’s beroemde Tractatus theologico-politicus is de verschijningsdatum ervan: zaterdag 17 mei 1997. Drie maanden eerder zou werkelijk een godsgeschenk zijn geweest. Dan had het boek, meer dan drie eeuwen na verschijning van de oorspronkelijke, in het Latijn gestelde versie, ineens een rol kunnen vervullen in de verwarde en hardvochtige debatten die, in geschrifte en in zaaltjes, ter gelegenheid van het thema van de Boekenweek werden georganiseerd.’

Hoe dan ook, in dat jaar 1997 leek God opeens terug te keren in het seculiere discours van Nederland. Maar ook daarvoor waren er al tekenen die wezen op een kentering, niet alleen in de literatuur maar ook in de literatuurbeschouwing. De jaren tachtig waren een beslissende periode van de omslag, toen de naoorlogse secularisering, die in de jaren zestig en zeventig zijn hoogtepunt beleefde, voor het eerst plaatsmaakte voor een langzame terugkeer van de religie. In 1982 verscheen de publicatie Over God van Oek de Jong en Frans Kellendonk. Het was ook Frans Kellendonk die in de jaren tachtig in het geweer kwam tegen de teloorgang van het bezielde verband tussen kerk en samenleving.

Maar 1997 was het keerpunt. Tegelijk leek het ook of Spinoza opeens was teruggekeerd in de Lage Landen. Zijn wijze woorden gingen erin als Gods woord in een ouderling. Ik heb dat destijds met enig wantrouwen aangezien. Altijd al had ik moeite gehad om Spinoza’s betoog over God serieus te nemen. Vooral die extreme gedachte van hem, dat er slechts sprake kan zijn van één substantie, was voor mij geen evidentie. Het leek me eerder een discutabele aanname van het verstand. Wat mij vooral interesseerde was de breuk, of beter gezegd: de Gestaltsprong die deze aanname van het verstand tot stand brengt. Als je eenmaal zo als Spinoza gaat denken, dan kun je daarna ook niet anders meer denken. Maar is het daarom ook waar?

Bij een persoonlijke God is er sprake van voorzienigheid, dat wil zeggen: de mogelijkheid dat God ingrijpt in de loop der dingen, dat hij van gedachten verandert, dat hij tot inkeer komt, dat een gebed verhoord kan worden. Als er slechts sprake is van één substantie, dan kan alles worden herleid tot  de noodzakelijke loop der dingen of de eerste oorzaak daarvan. Er is dan geen hoop meer. Alleen nog overgave en berusting in de vrijheid van het verstand die Spinoza in al zijn vermetelheid voorschreef. Maar biedt die vrijheid van het verstand ook vrijheid voor het gevoel? In de woorden van Spinoza hoorde ik teveel zijn hersenen kraken. Ik proefde te weinig de wijsheid van het gevoel. Zonder gevoel is het verstand reddeloos verloren.

Samen met Descartes rolde Spinoza de loper uit voor de ratio, wat de weg vrijmaakte voor het oprukken van de natuurwetenschap. Maar wat heeft dat ons meer opgeleverd dan een kokerblik als het gaat om het gevoel voor het sacrale, voor het ontzagwekkende, voor het onvoltooide en onvolmaakte, voor onze eigen nietigheid? Kortom, waar blijft de verwondering? Voor de vraag gesteld waarom de wereld telkens weer de indruk wekt van een schipbreuk, valt het verstand stil. Ook al is elk detail van het universum te verklaren, in het geheel deugt er iets niet. De westerse wetenschap heeft eeuwenlang geïsoleerde, voorspelbare situaties onderzocht, maar de intrinsieke veranderlijkheid van het totaalproces genegeerd. ‘We hebben het steeds over de stenen’, zei Prigogine, ‘maar we zijn de kathedraal vergeten waar we het ooit over hadden’. Denkend aan Spinoza realiseer ik mij dat ik nog altijd heimwee heb naar de kathedraal. Tegelijk wil ik de ratio niet loslaten.

Hoe kun je in die voortdurende staat van gebrokenheid de weg terugvinden zonder jezelf te verliezen? Leven zonder God is leven in gebrokenheid, niet in de christelijke zin van het woord – een leven na de erfzonde – maar in post-christelijke zin. Dat wil zeggen: wetend hoe het ooit was om als christen te geloven in God, maar niet begrijpend hoe dat geloof zo snel verdwijnen kon. Het is dus een soort gebrokenheid in het kwadraat, waarbij de vraag rijst of in deze nieuwe staat van gebrokenheid het christendom niet gewoon terugkeert in zijn oorspronkelijke gedaante. Kort en goed komt het hier op neer: ik herken de verstandelijke nieuwsgierigheid van Spinoza, maar ik weiger mij neer te leggen bij de filosofische berusting die hij predikte. Want hoe je het ook wendt of keert, ook Spinoza was een prediker. Hij predikte het geloof in het verstand. Als ik ooit ergens in iets zou geloven, dan zou ik dat te mager vinden.

666762560

Het is alweer ruim tien jaar gelden dat ik Damasio’s prachtige boek De vergissing van Descartes las. Volgens mij is zijn belangrijkste stelling dat er geen rationaliteit zonder emoties kan bestaan.  Zonder het gevoel is het verstand reddeloos verloren. Zonder emoties is het zelfs onmogelijk om rationeel te zijn. De ratio is uit het gevoel ontstaan. Dus kan het gevoel nooit een ontsporing zijn van het verstand. Overigens is Damasio zelf lang niet zo zeker van zijn zaak, als velen die hem graag citeren. De volgende passage in zijn boek op pagina 278-9 heb ik destijds onderstreept.

‘Ik heb het in dit boek over onweersproken gegevens gehad, over betwiste gegevens en over interpretaties van gegevens: over ideeën die al dan niet door een groot aantal wetenschappers die zich met de hersenen en de geest bezighouden worden gedeeld; over de dingen die zijn zoals ik ze beschrijf en dingen die zouden kunnen zijn zoals ik ze beschrijf. De lezer heeft zich er misschien over verbaasd dat ik steeds benadruk dat zoveel ‘feiten’ onzeker zijn en zoveel uitspraken over de hersenen het best als werkhypothesen geformuleerd kunnen worden. Natuurlijk wilde ik dat ik kon zeggen, dat we zeker weten dat de hersenen erin slagen om de geest voor te brengen, maar dat kan ik niet zeggen – en ik vrees dat niemand dat kan. ‘

Voor een hersenwetenschapper is dit een bewonderenswaardige houding die je in deze tak van wetenschap niet zo vaak tegenkomt. Onderzoekers van het brein zijn er doorgaans op uit om heilige huisjes omver te halen, waarbij een mate van zekerheid wordt voorgewend die meestal niet strookt met de stand van wetenschap binnen hun eigen discipline. Neem nou Dick Swaab. Keer op keer wil hij zijn lezers ervan overtuigen dat het idee dat er een God bestaat een overleefd standpunt is, dat door de wetenschap in het algemeen en door de hersenwetenschap in bijzonder onderuit is gehaald.

Het geloof in God zit in onze hersenen, zegt Swaab, waarbij hij graag verwijst naar het boek The God Gene (2004) van Dean Hammer. We geloven in God omdat we daar ooit voordeel bij hadden in de evolutie van de menselijke soort, een redenering waarbij zelfs Spinoza van stal wordt gehaald, die beweerd zou hebben, dat godsdienst een krampachtige poging is om Gods woede af te wenden. Die uitspraak heb ik nergens bij Spinoza terug kunnen vinden. Als Spinoza dit al beweerd heeft, dan toch zeker niet in het verband waarin Swaab deze woorden gebruikt.

Spinoza wist nog niet veel van evolutie, laat staan van de werking van de hersenen. Maar hij wist wel hoe je kon voorkomen dat een redenatie in een cirkelredenering vervalt. Zolang je de werking van de hersenen verklaart vanuit de werking van de hersenen, zal je telkens weer tot de conclusie komen dat de werking van de hersenen niets anders voortbrengt dan een werking van de hersenen.

Heel wat filosofen die hebben nagedacht over de ziel – Plato, Aristoteles, Augustinus – zouden niet raar opkijken van dit soort hersenonderzoek. Zij zouden hun gedachten ook op geen enkele wijze weerlegd zien, om de simpele reden, dat ze een ander vertrekpunt nemen voor hun denken. Ze verklaren de werking van de hersenen niet uit de werking van de hersenen, maar gaan uit van de interactie tussen geest en werkelijkheid, die een breder kader nodig heeft om niet in tautologieën te vervallen.

Vanuit dat denken is de gedachte ontstaan dat er zoiets als een ziel bestaat. De vraag of de ziel onsterfelijk en persoonsgebonden zou zijn, is niet noodzakelijkerwijs gebonden aan de aanname dat er zoiets als een ziel bestaat. Primair gaat het om de gedachte dat er meer is dan alleen ‘werking’, ‘actie’, ‘interactie’ , ‘hersenprocessen’. ‘vurende zenuwcellen’ en ‘ dempende synapsen’. Dat is een ruimere wijze van denken waar de wetenschap sinds Descartes zich niet meer mee bezig houdt, wat overigens niet wil zeggen dat het zinloos is om over dit terrein te spreken of te denken. Net zomin als het zinloos is om over God te spreken, ook al heeft niemand tot nog toe kunnen aantonen dat er zoiets als God bestaat.

God bestaat of hij bestaat niet. Dat levert vier mogelijkheden op. Als ik erop gok dat hij bestaat en hij bestaat inderdaad, dan heb ik een oneindig groot geluk te winnen. Als ik erop gok dat hij bestaat en hij bestaat niet, dan lijd ik geen verlies. Als ik erop gok dat hij niet bestaat en hij bestaat, dan lijd ik een oneindig groot verlies. As ik er tenslotte op gok dat hij niet bestaat en hij bestaat ook niet, dan is er geen sprake van winst maar ook niet van verlies. Ik handel dus het meest redelijk als ik gok op zijn bestaan. Die keuze resulteert hoe dan ook in de meest optimale winst. Dit is kort gezegd ‘de gok van Pascal’ zoals hij die in zijn beroemde boek Pensées uiteen heeft gezet. Het is een rationele redenering waar ogenschijnlijk geen speld tussen is te krijgen, al heeft deze theologische speltheorie door de eeuwen heen tot heel wat irritatie geleid.

9.1_nd_1986_2871

Ook Spinoza begint zijn Verhandeling over de verbetering van het verstand met een gok. Bij hem gaat het niet om het bestaan van God, maar om een existentiële keuze tussen enerzijds het najagen van roem, rijkdom en lust of anderzijds het zich toeleggen op het verwerven van kennis omtrent het ware en het goede. Een middenweg tussen die twee uitersten – zo heeft Spinoza met schade en schande ondervonden – lijkt niet te bestaan. Om een definitieve keuze te maken hanteert ook Spinoza een soort kansberekening, zij het wat minder logisch van aard dan die van Pascal. Het is een afweging waarbij – door wikken en wegen – de balans langzaam omslaat in zijn tegendeel.

Het begint als een keuze tussen iets wat zeker goed is (roem, rijkdom en lust) tegenover iets dat onzeker is (het zoeken van het ware en goede). Vervolgens gaat het tussen iets wat goed is vanwege een onzekere natuur tegenover iets wat onzeker is vanwege zijn gevolgen en niet om zijn natuur. En tenslotte tussen iets wat zeker slecht is tegenover iets wat zeker goed is. Uiteindelijk kiest Spinoza dan ook voor het laatste: het zoeken van het ware en het goede. Het is een beslissing die gebaseerd is op een rationele redenering die zich ontvouwt op basis van beredeneerde ervaring.

De hedendaagse post-metafysische filosofie biedt volgens de Italiaanse filosoof Gianni Vattimo opnieuw ruimte voor de ‘gok van Pascal’. Er zijn filosofen die het einde van de metafysica hebben geïnterpreteerd als een ondermijning van het filosofisch atheïsme en als een opening voor een nieuw soort religieuze ervaring. Voor anderen daarentegen betekent het einde de metafysica niet alleen dat God morsdood is, maar ook het einde van alle ‘grote verhalen’. Het besef dat het zicht op een laatste waarheid uit beeld is geraakt, wordt door de een opgevat als een zwakheid van de rede die weer ruimte biedt voor geloof, maar door de ander juist als een overtuigend argument voor extreem relativisme of een dialoog zonder eind over hoe het nu met de wereld verder moet.

Dat lijkt het belangrijkste dilemma te zijn van de hedendaagse filosofie. Je moet kiezen tussen twee opties die beide niet echt voldoen. Het is het een of het ander: extreem relativisme of het opnieuw in leven roepen van een groot verhaal. Tolerantie en pluralisme omwille van zichzelf of een aanspraak op een universele waarde die geen metafysische grond meer heeft om te bestaan. Dit resulteert niet zelden in een soort gordiaanse knoop, waar ook Vattimo zelf niet aan lijkt te ontsnappen. ‘Wil de overwinning van de metafysica totaal zijn’, zo beweert hij, ‘dan mag zij niet gereduceerd worden tot alleen een nieuwe legitimering van de mythe van de ideologie en ook niet van de sprong in het geloof van Pascal.’

Maar op welke gok dan wel? Misschien is achteraf beschouwd de gok van Spinoza dan toch iets beter geformuleerd dan de gok van Pascal. Of toch niet? Hoe dan ook, het geloof in God is een hachelijk zaak die net zoveel met de wetenschap van doen heeft, als theologie met een casino. Het geloof is een zaak van het gevoel dat – om met Damasio te spreken – aan de basis ligt van het verstand. ‘Credo’ betekent oorspronkelijk: ‘cor do‘, ‘ik geef mijn hart’. Het godsgeloof heeft dan ook meer met een basaal vertrouwen, dan met krakende hersencellen te maken. ‘Het hart kent wegen die het verstand niet kent’, zei Pascal, maar voor menig hersenwetenschapper lijkt de ratio de enige weg te zijn die voor het godsgeloof van belang is.

54 Reacties

Terug in het Oosterpak

CIMG3075 kopie

Afgelopen zaterdag was ik al vroeg in Amsterdam zodat ik alle tijd had om nog even rond te fietsen. De eerste dertig jaar van mijn leven woonde ik in deze stad. Mijn geheugen heeft daarna een ander decor gekregen, maar als ik droom trek ik mij daar niets van aan. Vrijwel al mijn dromen spelen zich af in Amsterdam. Het gevolg is dat het werkelijke decor van deze stad iets droomachtigs heeft gekregen. Niets lijkt meer echt. Het is een filmset geworden voor een opeenvolging van flashbacks. Ik fiets hier dwars door mijn eigen verleden. Overal waar ik om me heen kijk schieten herinneringen heen en weer als in een weidse, onbegrensde ruimte.

Ik ben gaan zitten op een bankje in het Oosterpark, waar ik als kind vaak ben geweest. Ik nam een foto van wat ik daar voor me zag. Veel is nog het zelfde en toch is alles anders. Er is de laatste jaren hard gewerkt aan de renovatie van het park en vorig jaar september werd het officieel en feestelijk heropend. De bomen leken vroeger hoger, maar de speelweide is er nog. Even verderop zitten de Titaantjes op een bankje. Ze zijn in brons gegoten en voor de eeuwigheid stilgezet. Net als deze foto.

Misschien, zo dacht ik bij mezelf, staat alles in werkelijkheid stil en is het verstrijken van de tijd slechts een illusie van het bewustzijn. Alles wat er was is er nog en staat stil en alles wat nog komen moet is er al, bevroren en onbeweeglijk. Het leven is een plaatsjesboek. De beweging wordt er aan toegevoegd maar bestaat in werkelijkheid niet. Ook herinneringen zijn slechts schijn. Het zijn droombeelden die zomaar opduiken uit het niets, als vreemdelingen in de nacht, spookgestalten die je blijven achtervolgen.

Opeens herinnerde ik mij een onaangenaam gebeuren. Jaren geleden, het moet eind jaren zeventig zijn geweest, was ik een weekend terug in Amsterdam. ’s Nacht liep ik in mijn eentje terug naar het huis van mijn moeder, vanuit Oud-Zuid richting Watergraafsmeer. Dat heb ik vroeger vaak gedaan. Ik vond het altijd prettig om ’s nachts alleen door de stad te lopen en het licht te zien van de straatlantaarns die zich  spiegelen in het natte asfalt. Ik wilde de stilte horen waarin alle raadsels van de stad zich schuilhouden. De Ceintuurbaan over, de brug over de Amstel, dwalend door die oude straten zoals zij altijd waren  geweest en altijd zouden blijven.

Maar de tijden waren veranderd. Aangekomen bij het Oosterpark passeerde ik een viertal donkerkleurige mannen in leren jassen. Toen ik voorbij liep, riepen ze me na. Daarna hoorde ik voetstappen achter mij. Ze volgden me. Ik wist op dat moment, dat ik mijn pas niet moest versnellen en dat ik ook beslist niet om moest kijken. We liepen honderd meter door naar de hoek Oosterpark-Linnaeustraat, vlak bij de plek waar later Theo van Gogh is vermoord. Ik sloeg naar rechts en passeerde die plek tegenover het oude Burgerziekenhuis, waar mijn vader ooit overleden is, en waarin nu een hotel is gevestigd.

Ik liep verder en de vier mannen volgden mij nog steeds. Toen kreeg ik opeens een idee. Op zo’n honderd meter afstand, onder het spoorwegviaduct door, aan de linkerkant van de weg was het politiebureau Linnaeusstraat. Ik verwachtte niet dat dit bureau nog open was, want het was inmiddels een uur of vier in de nacht. Aangekomen bij het politiebureau stak ik de weg over. Daar stond pal voor het bureau, dat inderdaad gesloten was, een witte politiewagen met zwaailicht (zo’n Volkswagen kever). Ik pakte een sleutelbos uit mijn zak en deed net of ik het portier van de auto zou gaan openen. Op dat moment keek ik om naar de overkant. De vier mannen stoven weg. Ze verkeerden in de stellige overtuiging dat ik een stille agent was.

Starend naar de kinderen op de speelweide dwaalden mijn gedachten telkens weer naar andere tijden en opeens werd ik mij bewust van de zinloosheid van de dingen. Wat heeft het voor zin om alles op te schrijven wat ik beleef of ooit beleefd heb, wat ik denk en wat ik mij herinner. Alsof dat alles zo bijzonder is. En dan, er wordt al zo veel geschreven tegenwoordig. Ook die woorden zullen wel eens eerder zijn geschreven. Ik wil schrijven wat ik voel, maar wat voel ik eigenlijk zelf? Ik kan niet schrijven, als ik het zelf niet heb beleefd, bedoeld of gevoeld. Niemand kan dat. Nemo dat quod non habet. Niemand kan geven wat hij zelf niet heeft.

En opeens werd mij iets duidelijk. Als ik mij innerlijk met mijzelf verbonden voel, doe ik niet alleen alles wat ik graag doe, maar ook alles wat die innerlijke verbondenheid van mij vraagt. Zittend op mijn bankje keek ik nog eens goed om me heen en ik bemerkte dat ondanks alles wat er veranderd was het hek van het Oosterpark nog altijd hetzelfde is gebleven. Er is iets dat overleeft. Dat hek heeft in de ruim honderd jaren dat het bestaat heel wat volk aan zich voorbij zien lopen, wandelaars, schuinsmarcheerders, schrijvers en dichters, zondagsschilders en sigarenmakers, drugsdealers en moordenaars, teveel om op te noemen…. en natuurlijk, hoe kan ik het vergeten, de Titaantjes:

‘Heele zomernachten stonden we tegen ‘t hek van ‘t Oosterpark te leunen en honderduit te boomen. Een heel kamerameubelement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschreven tegenwoordig.’

1 Reactie

Terug in de Grensstraat

Slide1

‘Aan het begin van de 20ste eeuw veroverde De Ysbreeker een vooraanstaande plaats in het Amsterdamse artistieke en politieke leven. Het was het centrum van de Sturm und Drang beweging en een ontmoetingsplek voor gezichtsbepalende figuren van de SDAP. Uit die tijd stamt ook de spelling van De Ysbreeker.(..) Er werden ook vele radio- en televisieprogramma’s uitgezonden vanuit De Ysbreeker waaronder de beroemde talkshow ‘Hier is Adriaan van Dis’.

Zo staat te lezen op de site van Café-Restaurant De Ysbreker aan de Weesperzijde in Amsterdam. Zaterdag werd hier opnieuw de reünie van klas 1b van het Ignatiuscollege uit 1960 gehouden, zoals de laatste jaren gebruikelijk is op de eerste zaterdag van mei. Niet iedereen was er. Jaap de Hoop Scheffer bijvoorbeeld moest dit keer wederom verstek laten gaan. In 2014 was hij er wel bij. Carlo Knüppe was druk bezig met de Giro d’Italia  in Apeldoorn. Leonard van Oudheusden had last van een loszittende knie. Philibert Kint was op vakantie en zo waren en nog een paar klasgenoten verhinderd.

Maar wie er wel was, was pater Jan Maarten Bremer S.J, –  tenminste voorheen pater Bremer, want hij is allang geen jezuïet meer en wordt tegenwoordig vergezeld door zijn lieftallige Friederike. Wij noemen hem nog altijd pater Bremer natuurlijk, want hij waakt nog steeds over zijn kudde al is die inmiddels oud en eenzaam. Tijd, waar blijft de tijd. Er werden weer heel wat ervaringen en herinneringen uitgewisseld. Ik zat lange tijd naast Rob Goorhuis, de componist die ook de muziek voor de 4 mei herdenking op de  Dam heeft geschreven. Hij heeft het daar elk jaar druk mee omdat die muziek jaarlijks moet worden aangepast aan de gewijzigde rituelen bij de kransleggingen.

Rob is een groot kenner van Gerard Reve, van wie hij ooit een aantal gedichten op muziek heeft gezet. Hij heeft Reve in de jaren zeventig nog bezocht in diens huis in Frankrijk en weet daar mooie anekdotes over te vertellen. Rob heeft ooit ook een paar chansonteksten van Jacques Brel – waarvoor nog geen muziek bestond – op muziek gezet en kreeg toen ruzie met de dochter van Brel. Ook componeerde hij de muziek voor de Bonifatiusopera, waarvan de tekst werd geschreven door good old Wilco Berga. Zo zie je maar weer, alle wegen leiden terug naar Friesland, zoals ooit in vervlogen roomse tijden alle wegen naar Rome hebben geleid. Hoe dan ook, wij beiden hadden genoeg te bespreken.

Kees Philips, die op de Zuidas carrière heeft gemaakt als jurist, vertelde mij over Pim Fortuyn die hij nog in zijn studententijd had gekend. Pim kwam ook wel bij zijn ouders thuis en vond het wel chique bij een nazaat van de roemruchte familie Philips op bezoek te komen. Zo hoorde ik van Kees wel meer karaktertrekjes van Pim, die voor mij een ander licht wierpen op deze nationale legende. Kees ken ik overigens al vanaf de Peetersschool, waar wij beiden onze lagereschooltijd doorbrachten. Kees die van nature linkshandig is, maar rechtshandig moest leren schrijven, bewaart daar gruwelijke herinneringen aan. Voor mij was dat juist een idyllische tijd. Links, rechts… het kan verkeren, in de politiek en ook bij het leren. Kees hield er een onleesbaar handschrift aan over, maar hij is wel hoogbegaafd. Je kunt niet alles hebben in het leven.

Eugène van der Kamp, die als kind ooit heel mooi geschilderd is door Jan Sluyters (zie hier) en die mij zijn naam had horen noemen in de AT5 uitzending onlangs over de Banstraat, houdt zich momenteel bezig met de computerprogrammering van een Jiddisch-Nederlands woordenboek. Het joodse bloed kruipt waar het niet gaan kan, ook als je daarvan geen druppel in de aderen hebt stromen. Verder vertelde Arnold Reuser enige bloedstollende verhalen over de praktijken die hij had meegemaakt als wetenschappelijk onderzoeker bij het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam, waar hij in 1978 promoveerde op onderzoek naar de zeldzame spierziekte van Pompe.

Van Jan Kniesmeijer kwamen ons verhalen ter ore over zijn zus Joke, die in 2008 is overleden is, en die ooit in de publiciteit het gezicht van de Anne Frank-stichting was. Het antisemitisme rukt op in de hoofdstad, zo begreep ik uit zijn woorden. Mokum is allang het oude Mokum niet meer. Waar zijn de tijden gebleven dat op de muren van de Amstelstad met grote letters stond geschreven: ‘Blijf met je rotpoten van onze rotjoden af !’

En Nard Loonen tenslotte, die onlangs een boek publiceerde over de Eerste Wereldoorlog – nota bene in het Frans – en die ooit een dissertatie schreef over het voorzetsel in de Nederlandse taal, legde ons haarfijn uit waarom het woord ‘ervandoorgaan’ als één woord wordt geschreven. ‘Omdat ik het zeg,’ zei Nard.  Zo hoort dat ook. ‘Roma locuta, causa finita.’ Die woorden had pater Bremer ons al bijgebracht. Zo zullen er zaterdag wel meer verhalen zijn verteld, verhalen die ik niet heb meegekregen, verhalen bij het voorbij glijden (of ‘voorbijglijden’) van de uren, terwijl het ene bier na het andere op tafel verscheen, gelardeerd met bruin gebakken bitterballen, worst, kaas en jodenuien. ‘Is dat allemaal wel goed voor de cholesterol?’ zo vroeg ik mij bezorgd af.

Michel van Overbeek, onze Casanova uit Oegstgeest, die een internationale carrière achter de rug heeft in de voedingsindustrie, hield zich onderwijl druk bezig met het vrouwelijk personeel. Toen de glazen wat traag gevuld werden, dreigde hij de hele tent op te kopen. ‘Heb jij nooit een klap op je bek gehad? vroeg ik.  ‘Jawel’, zei Michel, ‘in Moskou van een Rus. Maar die heb ik toen vermoord.’ Ook legde hij uit hoe je discreet moet handelen als je een vrouw uit de damestoilet ziet komen bij wie een stuk WC-papier uit haar rok hangt. De sfeer werd er niet minder om. Ik moest even denken aan Hôtel Les Trois Faisans, waar Jacques Brel ooit bijeen kwam met  l’ami Jojo en met l’ami Pierre en waarover hij zong in Les Bourgois:

‘Entre notaires on passe le temps
Jojo parle de Voltaire
Et Pierre de Casanova
Et moi, moi qui suis resté le plus fier
Moi, moi je parle encore de moi.’

Kortom, we waren weer even jongens, maar aardige jongens, dat wel, en meenden onder de langzaam dalende zon boven het water van de Amstel, waar sloepen, roeiboten en zelfs een enkel duur jacht voorbij dreven in vergetelheid, de hele wereld in onze zak te hebben. Zo’n kleine honderd jaar geleden moet dat niet anders zijn geweest toen Simon Vestdijk en Jan Jacob Slauerhoff, die elkaar nog kenden van de HBS in Leeuwarden, als jonge studenten medicijnen in de Amsterdamse Ysbreker bijeenkwamen. Ik heb het al eens eerder verteld, geloof ik. Maar ja, ik word ook een dagje ouder – een beetje seniel zoals sommigen wel eens achter mijn rug om zeggen –  maar het blijft een mooi verhaal. Vestdijk en Slauerhoff waren beiden lid van de De U.S.A., de Unitas Studiosorum Amstelodamensium, waarover Hans Visser in zijn Vestdijk-biografie het volgende beweert:

‘Op de Sociëteit De Ysbreker waar de studenten van de U.S.A. meestal bijeenkwamen bleven de studenten meestal beneden. Boven werd gedronken, eerst bier, dan jenever en er werd haring gegeten waarmee men elkaar om de oren sloeg. Vestdijks pak stonk daardoor naar haring als hij thuiskwam. Er werden liederen gezongen en moppen getapt.’

Vestdijk en Slauerhoff hadden het zeer naar hun zin in Amsterdam. Het was het Amsterdam zoals het altijd was geweest en waarvan ieder een dacht dat het altijd zo zou blijven. De stad aan de haven waarover Brel later zong: ‘In dat Oud-Amsterdam, zie je zeelieden bikken, zilv’ren haringen slikken, bij de staart, uit de hand’. Vestdijk en Slauerhoff hebben er heel wat gezopen en wat al niet meer. Ze zopen in De IJsbreker met uitzicht op de Amstel.

.
CIMG3073

Grensstraat Amsterdam, 7 mei 2016

Schermafbeelding 2016-05-08 om 20.52.29

Grondwerkzaamheden bij de aanleg van de Grensstraat, 1896 (foto: Jacob Olle, Stadsarchief Amsterdam)

Voordat ik aankwam bij De Ysbreker ben ik nog even wezen kijken in De Grensstraat, een zijstraat van de Weesperzijde, even verderop. Op 1 september 1917 begon Vestdijk aan zijn studie in Amsterdam. Zijn eerste woonadres  was Grensstraat 24 eenhoog. Hij woonde daar van 9 oktober 1917 tot 10 september 1918. Het was het huis van zijn oom Gerrit en tante Johanna, de jongste zuster van zijn vader. In de Anton Wachterreeks komen zij voor als ‘Oom Moos’ en ‘tante Bertha’.

De naam Grensstraat, zo kwam ik na enig googelen te weten, verwijst naar de gemeentegrens, die hier liep tot de annexatie in 1896 van grote delen van de gemeente Nieuwer-Amstel. En op nummer 10 kwam begin 20e eeuw regelmatig prins Hendrik langs, om een bezoek te brengen aan zijn maîtresse, juffrouw Le Comte.

Schermafbeelding 2016-05-08 om 13.10.32

Gerrit Haverman (1859-1930) en Johanna Vestdijk (1861-1936). (foto: Vestdijkkring)

In 1918 verhuisde Vestdijk naar een woning aan de Wijttenbachstraat nummer 51. Dat is vlak bij de tramhalte, waar ik 42 jaar later dagelijks op lijn 3 stapte richting het Ignatiuscollege. De studietijd van Vestdijk is verwerkt in zijn laatste vier Anton Wachter-romans: De beker van de min (1957), De vrije vogel en zijn kooien (1958), De rimpels van Esther Ornstein (1959) en De laatste kans (1960). In 1960 kwam ik mijn klasgenoten voor het eerst tegen op het Ignatiuscollege. Twee jaar later schreef Brel zijn chanson Les Bourgois. Vestdijk zat toen allang hoog en droog in Doorn. Soms droomde hij nog wel eens van de Grensstraat en van die studentikoze gezelligheid in De Ysbreker, even verderop. Ook toen dreef op de Amstel bij tijd en wijle een kurk voorbij.

11 Reacties