Gedachten bij het stockholmsyndroom

Jaren geleden las ik het boek Samir (2007) van Arjan Erkel. Daarin beschrijft hij de geschiedenis van Samir A, die in 2006 werd veroordeeld voor 8 jaar gevangenisstraf vanwege het voorbereiden van terroristische acties. Arjan Erkel heeft in de gevangenis met Samir A. mogen spreken en ook zijn dagboeken gelezen. Samir A. heeft geprobeerd om naar Tsjetsjenië te gaan om daar aan de strijd van de moslimrebellen deel te nemen. Zijn eigen ervaringen tijdens zijn twee jaar lange gijzeling in Dagestan heeft Arjan Erkel deels in dit boek verwerkt. Daar had hij ook twee jaar eerder verlag van gedaan in zijn boek Ontvoerd: 607 dagen tussen leven en dood.

Dat schiep kennelijk een band met Samir A. Het verhaal van het boek is een mengeling van feit en fictie, maar het geeft ook een haarscherp beeld van de kleine wereld van moslimjongeren in de buitenwijken van de Europese metropolen. Deze jongeren kunnen kennelijk in korte tijd radicaliseren en van goed geïntegreerde allochtoon veranderen in een gevaarlijke terrorist. Samir A. kende Mohammed B. persoonlijk en nam ook deel aan een aantal huiskamer-gesprekken bij hem thuis in de Marianne Philipsstraat in Amsterdam Geuzenveld die leidden tot de moord op Theo van Gogh.

Arjan Erkel beschrijft het proces dat zich tussen de oren van deze jonge mensen voltrekt. Droog en met veel inlevingsvermogen. Hij probeert het te begrijpen, zonder overigens begrip op te brengen voor hun abjecte gewelddadigheid. Als cultureel antropoloog weet hij als geen ander, dat je eerst objectief moet waarnemen alvorens je kunt analyseren. Om die reden wordt hem wel eens verweten, dat hij zou lijden aan het stockholmsyndroom, dat wil zeggen: een teveel aan begrip voor degenen die hemzelf kwaad hebben aangedaan. Het stockholmsyndroom kan tot ontwikkeling komen in situaties waarbij de gijzelnemer absolute controle over de gegijzelde kan uitoefenen en zodoende kan voorzien in de basisbehoeften van het slachtoffer. Voor de buitenwereld is dit een paradoxale situatie. Ook de gegijzelde weet immers dondersgoed dat hij of zij zich een afhankelijke situatie bevindt. Op Wikipedia wordt het stockholmsyndroom als volgt beschreven: 

De benaming komt van de Norrmalmstorg-overval op de Kreditbanken aan het Norrmalmstorg in Stockholm en de daaropvolgende gijzeling van 23 tot 28 augustus 1973. De gegijzelden namen het voor hun gijzelnemers op, zelfs nog ná de zesdaagse gijzeling. Tijdens de verhoren hielden ze zich in ten voordele van de gijzelnemers. De criminoloog en psychiater Nils Bejerot, die de politie toen bijstond, gaf uiteindelijk de naam aan dit verschijnsel.

In november 2009 ontmoette ik Arjan Erkel in Theater De Bres in Leeuwarden. Als moderator van een debat mocht ik de discussie leiden. Ik vroeg hem wat hij zelf van dit verwijt vond dat hij aan het stockholmsyndroom leed. Hij was hij het hier niet mee eens. Arjan Erkel wilde het proces van radicalisering van binnenuit begrijpen en anderen met zijn inzichten confronteren. Ik moet zeggen dat hij daar wat mij betreft uitstekend in geslaagd is. Maar dat wil niet zeggen dat hij door zijn stellige ontkenning mij ook overtuigd heeft, dat hij na zijn gijzeling op geen enkele manier met het stockholmsyndroom te kampen heeft gehad.  

Jaren geleden zag ik op tv een interview met Natascha Kampusch. Op 10-jarige leeftijd werd zij ontvoerd en vastgehouden in een kelder in Wenen. In dat interview vertelde ze ruim een halfuur lang over haar acht jaar durende opsluiting. Ik heb er gefascineerd naar zitten kijken. Nog afgezien van de uitzonderlijke ervaringen, waar hier verslag van werd gedaan, was het vooral de wonderbaarlijke zelfbeheersing die mij trof van dit meisje dat geen meisje meer was. Het meest gruwelijke van zo’n opsluiting werd heel aannemelijk gemaakt in afgewogen en raak geformuleerde zinnen. Het betoog was rationeel, maar de emotie was steeds tussen alle woorden voelbaar, al was het maar door de subtiele lichaamstaal (haar geklemde vingers) die niets te raden overliet.

Het viel me in die tijd op op dat op de Belgische televisie dieper op de zaak werd ingegaan dan in Nederland. Kennelijk had  men daar de verschrikkingen van de zaak Dutroux nog vers in het geheugen. Op Canvas was een gesprek te zien met een psychiater die de beelden analyseerde. Daarbij werd ook uitvoerig ingegaan op het stockholmsyndroom, waar ook dit meisje aan zou lijden. Toch is het de vraag of bij dit meisje wel van een dergelijk syndroom sprake was. Natascha nam het niet echt op voor haar gijzelnemer. Ze keurde zijn motieven duidelijk af, hoewel ze begreep dat hij behept was met een gebrek. Zelf werd hij ook in gijzeling gehouden door zijn moeder die nooit had toegelaten dat hij ooit volwassen zou worden.

Natascha maakte zich vooral zorgen voor zijn familie voor wie zijn schijnwereld ooit volledig in zou storten, als zij eenmaal zou ontsnappen. Ze realiseerde zich dat haar ontsnapping onvermijdelijk tot zijn dood (zelfmoord) zou leiden. Vandaar ook dat zij een groot schuldgevoel moest overwinnen alvorens voor haar eigen vrijheid te kunnen kiezen. In 2010 verscheen haar boek 3096 Tage (Nederlandse titel: De diefstal van mijn jeugd). Daarin wijst zij de diagnose, dat zij zou lijden aan het stockholmsyndroom, stellig af. Maar evenals bij Arjan Enkel, kun je ook deze afwijzing betwijfelen, omdat je als gijzelnemer mogelijk een blinde vlek kunt hebben voor je eigen stockholmsyndroom.  

Feit blijft dat Natascha Kampusch eerst een gevoel van schuld moest overwinnen alvorens zij wist te ontsnappen. Dat laatste is misschien wel het meest paradoxale wat een mens kan overkomen. Je schuldig voelen omdat je kiest voor je eigen vrijheid. Tegelijk realiseerde ik mij dat dit dilemma – weliswaar in minder dramatische vormen – een heel herkenbaar probleem is. Het syndroom van Stockholm is niet alleen bij gegijzelden geconstateerd, maar ook bij slachtoffers van incest of kindermisbruik. Mensen die dit overkomt kunnen de verschrikkelijke gevolgen daarvan soms extreem rationaliseren en zelfs relativeren. Door allerlei verwrongen redeneringen kan een dergelijke situatie door eigen toedoen zelfs jarenlang mede in stand worden houden als een soort gekoesterde onvrijheid.

Misschien is het zelfs zo dat ieder mens – op een of ander wijze – lijdt aan het stockholmsyndroom. Iedereen zwemt wel eens als een goudvis rond, terwijl er helemaal geen kom is te zien die het water afsluit. Het laatste wat een vis ontdekt is het water waarin hij zwemt. Het laatste wat een mens ontdekt is de onvrijheid waarin hij leeft. Misschien heeft heeft ieder mens wel een relatie opgebouwd met zijn eigen onvrijheid. Hoeveel huwelijken en werksituaties zitten zo niet in elkaar? Zelfs een heftige verliefdheid kan tot een gijzeling leiden als de andere partij met zijn of haar gevoel afhaakt en de relatie alleen voor de vorm laat voortbestaan. Ooit heb ik moeten ervaren dat ook zo’n gijzeling doorgegeven wordt, omdat de gijzelnemer zelf in de liefde ooit door een ander is gegijzeld. Angst voor de vrijheid heeft veel van doen met liefde voor je eigen gijzelnemer. En zo kon ik gisteren, terugkijkend op mijn eigen schooljaren bij de jezuïeten, tot de volgende conclusie komen.

De wereld leek helemaal op orde bij de jezuïeten, zeker in het begin van de jaren zestig. Wat achter de schone schijn verborgen ging, dat wilde niemand toen weten. Het vreemde heimwee naar de extreme ordening van het leven in de vroege puberteit, dat ook mij niet vreemd is, heeft soms iets weg van een stockholmsyndroom.

Als ik deze woorden nu herlees in het perspectief van wat echte gijzelaars zoals Arjan Enkel en Natascha Kampusch hebben doorgemaakt, dan realiseer ik mij dat de term stockholmsyndroom misplaatst is als het gaat om de ‘geestelijke gijzeling’ die ik zelf heb ervaren in de jaren van mijn puberteit. Er zijn gradaties in de onvrijheid die een mens kan worden opgedrongen en het is zaak het taalgebruik daarop aan te passen. Van een echt stockholmsyndroom is bij mij geen sprake geweest, maar welk syndroom was het dan?

Ware liefde is een zaak van het hart en niet van de lust, zo luidt een oud gezegde. Misschien is dat wel de meest blijvende erfenis van het lust-vijandige katholicisme van weleer. De liefde van het hart werd heilig verklaard. De liefde van de lust werd als zondig bestempeld. Opgroeien in een lust-vijandige omgeving kan achteraf bezien ervaren worden als een gijzeling, maar dat wil nog niet zeggen dat die gijzeling, in de jaren dat hij daadwerkelijk plaatsvond, ook door alles betrokkenen ook als zodanig werd ervaren. En toch, zelfs een stille vorm van gijzeling kan bij de gijzelaar een zeker gevoel van sympathie voor de gijzelnemers wekken. Het is een mechanisme dat wordt doorgegeven. Slachtoffers worden daders… ad infinitum. Dat is de tragische, onderliggende wet van het eeuwige stockholmsyndroom.

Reageer

Brief aan mijn klasgenoten

Onderstaande tekst is een licht bewerkte versie van een mail die ik van de week heb gestuurd aan mijn klasgenoten op het St.- Ignatiuscollege uit het schooljaar 1960-1961. Op 25 september a.s. zullen wij elkaar weer ontmoeten bij onze jaarlijkse reünie in Amsterdam. Bovenstaande foto’s zijn genomen bij de trap van het patershuis van het voormalige onderkomen van het St.- Ignatiuscolege aan de Hobbemakade in Amsterdam. Ze dateren van oktober 1960 (de eerste klas) en mei 2014, toen we voor het eerst weer bijeenkwamen.

***

Beste klas- en tijdgenoten, 

Op mijn tekst Het ritme van de eenzaamheid’ mocht ik van jullie enkele reacties ontvangen die blijk geven van sterk nostalgische gevoelens die kennelijk door mijn woorden waren gewekt.  Vooropgesteld, ik word niet gehinderd door enig omzien in wrok om mijn Ignatius-jaren, integendeel. Het valt ook niet te ontkennen dat de meeste oud-ignatianen een positief beeld hebben overgehouden van de jaren dat zij onder de hoede waren van de Societas Jesu. De wereld leek helemaal op orde bij de jezuïeten, zeker in het begin van de jaren zestig. Wat achter de schone schijn verborgen ging, dat wilde niemand toen weten. Het vreemde heimwee naar de extreme ordening van het leven in de vroege puberteit, dat ook mij niet vreemd is, heeft soms iets weg van een Stockholm-syndroom. Dit syndroom is niet alleen bij gegijzelden geconstateerd, maar ook bij mensen die lange tijd in een situatie hebben gezeten van een zogeheten ‘totalitair instituut’. 

Het St.-Ignatiuscollege was dat in strikte zin niet, maar het verschilde niet veel, want het gehele leven van de ignatianen werd door de jezuïeten geregisseerd in een allesomvattend stramien, dat niet alleen betrekking had op het onderwijs, de sportbeoefening en de godsdienstige ontwikkeling, maar – in een enkel geval – ook op de seksuele inwijding van de leerling, wat bijzonder was omdat de pedagogische voorlichting over de seksualiteit in het algemeen niet sterk ontwikkeld was bij de jezuïeten, al was het maar omdat in De geestelijke oefeningen van Ignatius van Loyola hierover niets werd medegedeeld. 

Toch was niet alles kommer en kwel. Zo herinner ik mij een godsdienstles in de derde klas, waarbij seks voor het eerst openlijk ter sprake kwam. De dienstdoende pater kon absoluut geen orde houden. Misschien was dat ook wel de reden waarom hij besloten had om het eens anders aan te pakken. Zo vertelde hij verhalen over films, James Dean, rebel without a cause bijvoorbeeld, en legde verbanden met puberteit, opstandigheid en seksuele verlangens. Het werd muisstil in de klas, vooral toen voor het eerst het woord ‘masturbatie’ viel. ‘Een jezuïet sprak over zelfbevlekking! Het was of de paus de zegen gaf en heel de natuur stil en vredig werd, behalve dan Ignatius van Loyola die zich van schrik in zijn graf omdraaide. Want het moet worden gezegd, wat wij te horen kregen klonk alleszins redelijk. Het was geen zonde om ‘het wonder aan jezelf te voltrekken’ en je hoefde er ook niet voor te biechten.

Het laatste wat een vis ontdekt is het water waarin hij zwemt. Het laatste wat een mens ontdekt is de onvrijheid waarin hij leeft. En toch, de jezuïeten stimuleerden je talenten. Ze maakten je nieuwsgierig en creatief. Ze zetten je aan het lezen en leerden hoe je dingen nooit zomaar moest doen, maar altijd met volle overgave. Ze wisten je te behoeden voor hoogmoed. (‘Denk niet dat je slim bent, want er is altijd iemand slimmer dan jij’) Als je goed kon leren, dan werd je zelfs extra streng behandeld. Telkens weer werd je ingepeperd dat er geen enkele reden was om trots te zijn op je talenten en vermogens. Die had je immers niet van jezelf. Een talent gaf je de plicht om dubbel goed je best te doen. Als je goed was in Latijn bijvoorbeeld, dan werd er stilzwijgend van je verwacht, dat je in je vrije tijd alvast de hele De Bello Gallico van Julius Caesar zou gaan vertalen. Omgekeerd was het niet best met je gesteld, als je niet goed mee kon komen. Dan kon je beter opkrassen en op een andere school proberen alsnog je diploma te halen. 

Zo herinner ik mij de wrede aftocht van een van onze klasgenoot Kees van Rooijen ( hij overleed in 2007, God hebbe zijn ziel). Door ons allen werd hij uitgelachen toen hij bij het declameren van het gedicht De Dijk van Jan Engelman bij de gedenkwaardige woorden ‘Hier ligt hij nu. Hier ligt hij later’ met ondersteunende armgebaren duidelijk maakte, dat De Afsluitdijk eerst ‘hier’, in casu links van Kees, en daarna ‘daar’, dat wil zeggen: rechts van Kees lag. Toen ons gelach niet tot bedaren kwam, brak Kees, staande voor de klas, in snikken uit en riep:‘ Ik doe het niet meer. Ze lachen me allemaal uit!’

Met een variant op de woorden van Nescio kun je zeggen: ‘We waren jongens, maar geen aardige jongens. ‘En dan die jezuïeten. Die waren van oudsher ook niet zo aardig. Ze stonden bekend als de intellectuelen binnen de Kerk. Of zoals de katholieke zegswijze luidde: ‘De dominicaan weet het, de franciscaan begrijpt het, en de jezuïet kan het uitleggen.’ Maar de jezuïeten kenden gelukkig ook de bevrijdende lach die het drama van het leven draaglijk kan maken. Alleen al pater Lorié S.J. was op het IG de vleesgeworden absurditeit verhuld in een soutane. 

Hoe dan ook, een zekere gekte was de jezuïeten niet vreemd en humor al helemaal niet. Wat wil je ook, zelfspot is van oorsprong een katholieke vorm van satire. Dat wordt wel eens vergeten, ook door katholieken zelf, om over voormalig katholieken maar te zwijgen. Overigens was de gekwelde godsdienstleraar, die in zijn lessen aandacht besteedde aan James Dean en ons de eerste beginselen van de seksuele omgang bijbracht, bij mijn weten ook de enige die ons iets te melden had over de zogeheten ‘eigentijdse geestelijke stromingen.’ 

Achteraf blijf ik het vreemd vinden dat zo’n uitstekende onderwijsinstelling als het IG zo weinig deed aan het onderwijs in de filosofie. Het enige wat ons geleerd werd waren de gedachten van Augustinus en andere kerkvaders. Uiteindelijk wisten we alles over manicheeërs, gnostici, donatisten en ander vormen van ketterij uit de tijd van het vroege christendom, maar niets over wat eigentijdse filosofen te melden hadden over goed en kwaad. Dat leidde ertoe dat je dat dan zelf maar moest uitzoeken, ondersteund door wat later mijnheer Groote, onze gestoorde leraar Frans, te melden had over wat er in Parijs na de oorlog zoal was beweerd. 

Ondanks alle wisselingen door zittenblijven en het kiezen voor alpha of bèta, hebben wij de eerste drie jaar allen in dezelfde klas gezeten. Dat derde schooljaar was niet alleen de tweesprong, maar in veel opzichten ook het rumoerigste en meest opstandige jaar. De slechte rapportcijfers kwamen dat jaar niet uit de lucht vallen. Met onze klas was geen land te bezeilen in die tijd. Ik herinner me de grote keet die elke keer weer uitbrak als er aan het eind van een lesuur van leraar werd gewisseld. Pater Zaat SJ, die dat jaar onze klassenpater was, heeft ons heel wat keren vermanend toegesproken. 

Ach, Pater Zaat SJ.… Wat een wonderlijke man was dat! Nomen est omen, zei men in het Latijn, en dat gold zeker voor deze gewijde priester die – afgaande wat de geschiedenis ons nadien hierover heeft geleerd – wat al te losjes omging met zijn eigen zaad. Maar wierook maakte het leven licht en de spreekwoordelijke ‘roomse blijheid’ was de vruchtbare voedingsbodem voor de milde droefheid van het absurde, waar veel jezuïeten met hun scherpe intelligentie een gevoelige antenne voor hadden. Je geloofde, maar je verstand nam het allemaal niet serieus. Dat was uiteindelijk de fluwelen knock out van Ignatius van Loyola. De ultieme waarheid kon altijd nog plotseling worden omgekeerd in een jezuïtische redenering.

Pater Zaat SJ was er meester in om de kool en de geit te sparen. Zo herinner ik mij een keer dat hij de klas in kwam en ons vermanend begon toe te spreken. Hij zei dat hem iets ter ore was gekomen wat niet door de beugel kon. Daarom raadde hij ons sterk aan om hem voortaan niet in kennis te stellen van dingen die hij liever niet wilde weten. ‘Als ik het weet,’ zo zei hij letterlijk, ‘dan wordt er van mij verwacht dat ik actie onderneem.’ Die uitspraak onthulde in een notendop de dubbele moraal waar deze jezuïet patent op had. Wat niet weet, wat niet deert. 

In het universum van de jezuïeten bestonden er in feite twee werkelijkheden: die van het verstand en die van het geweten. Pascal heeft ooit gezegd: ‘Het hart kent wegen die het verstand niet kent.’ De jezuïeten zouden dit nooit beamen. Voor hen gold als regel: ‘Het verstand kent wegen die het geweten niet kent.’ Voorts herinner ik mij Pater Zaat SJ vooral van zijn stichtende woorden die in dat schooljaar 1962-1963 op mijn rapporten kwamen te staan, zoals: ‘Wij zijn er niet van overtuigd dat Huub aan zijn talenten beantwoordt. Op de leraren maakt hij de indruk van: juist voldoende ijverig om geen stukken te maken.’ 

Al die rapporten heb ik nog bewaard, maar de hoge verwachtingen, die de jezuïeten aanvankelijk van mij hadden, heb ik nooit echt waar kunnen maken. Rouwig ben ik daar niet om. Ik troost mij met de woorden van de dichter J.C. Bloem:

Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onverganklijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.

Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: ’t had zoveel erger kunnen zijn.

Met goede groet uit het hoge noorden 

Huub

Reageer

De droom die leven heet

‘Hitler dacht te strijden voor één land, maar hij streed voor alle, ook voor die welke hij aanviel en verachtte. Het hindert niet dat zijn ik het niet wist; zijn bloed, zijn wilskracht, wisten het. De wereld was haast gestorven aan het jodendom: het geloof van Jezus; wij leren haar de gewelddadigheden van het geloof van het zwaard. Dat zwaard doodt ons en we zijn te vergelijken met de tovenaar die het labyrint weeft en die zich gedwongen ziet daarin te dwalen tot het einde van de dagen. (…) Boven de hele wereld hang nu een dreigend en onverbiddelijk tijdperk. Wij hebben dat gevormd, wij die er al het slachtoffer van zijn.’ 

Dat zegt de hoofdpersoon in het verhaal Deutsches Requiem van Jorge Luis Borges. Hij is een voormalig kampcommandant met vele doden op zijn geweten, en hij doet zijn opmerkelijke bekentenis voorafgaande aan zijn eigen executie. Duitsland zou weliswaar de oorlog verloren hebben, maar het werkelijke doel was wel bereikt. Dat doel was niet alleen de vernietiging van de Joden, maar ook de vernietiging van het christendom, en alles wat daarbij hoort, het geweten en de joods-christelijke moraal. Zo had Hitler-Duitsland de weg vrijgemaakt voor een nieuwe mens die geen last meer zou hebben van morele scrupules en voortaan zou leven met een ijzeren wil zonder genade. De moraal werd zo ontdaan van zijn onnatuurlijke joods-christelijke ontsporing. De mens was weer terug bij de moraal van de natuur zelf, met zijn survival of the fittest en zijn evolutionaire bestemming in de rassenstrijd voorbij goed en kwaad. ‘Moge de hemel bestaan, ook al is onze plaats de hel,‘ zo besluit deze kampbeul zijn schokkende bekentenis.

Goed en kwaad keren zich hier volledig om met als resultaat een schandalig wereldbeeld. Het lijkt een absurde redenering, maar wie in de wereld van vandaag om zich heen kijkt, kan zich afvragen of Borges met dit verhaal misschien in enig opzicht toch de spijker op de kop sloeg. Het christendom lijkt anno 2021 definitief op zijn retour, net zoals alle ‘grote verhalen’ van ‘de nieuwe christenen’ die meenden de erfenis van het christendom in pacht te hebben. En wat ervoor in de plaats kwam – het democratisch neoliberalisme – stemt niet echt vrolijk. Maar…. we hebben altijd nog Rutte als de ultieme ‘man zonder eigenschappen’. 

De schrijver Jorge Luis Borges was in veel opzichten een profeet. Zijn leven lang had hij last van een terugkerende droom. Die droom ging over een dromer die zelf niet droomt, maar door een ander gedroomd wordt. Het hele werk van Borges gaat over het onwerkelijke karakter van de werkelijkheid. De werkelijkheid op zichzelf bestaat niet. Het is ons geloof in een fictie die de werkelijkheid creëert. Verbeelding is herinnering, maar het wordt nooit duidelijk of een herinnering, die terugkeert in het bewustzijn, ook werkelijk een beeld is van een voorbije werkelijkheid. Wij dromen niet alleen dat we in het verleden bestaan hebben, maar ook het bestaan in het heden heeft veel met een droom gemeen. Wat is trouwens ‘het heden’? Dat is al voorbij voordat de klank van het woord ‘heden’ wegsterft in het gedruis van mijn mond. Wat we beleven als ‘tijd’ bestaat niet. We leven in een verzegelde tijd. Het heden zit voor eeuwig op slot. We kunnen er niet bij, alleen in onze verbeelding.

Als kind heb ik wel eens gedacht dat het leven eigenlijk een droom is die als een film wordt afgedraaid in mijn hoofd. De wereld is een virtuele werkelijkheid die zich achter een gigantische spiegel aan het plafond bevindt. Onder de spiegel dalen we af in het domein van de droom. We zitten dus gevangen in een besloten ruimte die eigenlijk niet bestaat. De droom is de ware werkelijkheid. De droom kent geen tijd. De toekomst bestaat al, maar je kunt haar alleen nog niet zien. Het hier en nu zou slechts een rimpeling zijn die voorbijtrekt in een hele grote vijver van tijd.

Ik denk niet meer dat het zo in elkaar zit. Maar dromen brengen me wel vaak op die gedachte terug. De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige lijkt onder de wereld te liggen als een spanlaken dat alles bijeenhoudt. Preciezer geformuleerd: het bewustzijn in het hier en nu heeft slechts betrekking op een fractie van het brein. Daaronder zit een groot reservoir van informatie waar we niets van weten en dat we voor een groot deel ook niet en misschien zelfs nooit gebruiken.

Gerard Reve speelde wel eens met de gedachte dat de wereld een droom van God zou zijn. Als God wakker wordt, zijn wij plotseling verdwenen in het niet. Dat het leven een droom is, die door de dood wordt gewekt, is een gedachte die al te vinden is bij de Spaanse mystici. ‘Het leven is een overnachting in een slechte herberg,’ heeft Teresa van Avila ooit beweerd. En ook Shakespeare heeft vaak met het idee van ‘het leven als een droom’ gespeeld. ‘We are such stuff as s dreams are made on; and our little life is rounded with a sleep.’

Maar dat de hele wereld een droom zou zijn van God, is een bewering die alle perken te buiten gaat en ons hele wereldbeeld op zijn kop zet. De materie bestaat niet. Het hele universum is slechts schijn. Alles verdwijnt zodra God ontwaakt, en wie weet is het wel een verschrikkelijke God, wreed en zonder genade, zoals de natuur dat is, zal zijn, en ook altijd is geweest. Wat na het ontwaken van deze horror-God nog van de wereld resteert, zijn dan hooguit nog wat farden die nog even zullen rondspoken in zijn gruwelijke, goddelijke Geest als Tagesresten van dit ijle droom-universum.

Tussen twee dromen wil ik dromen in jouw droom
Een droom die van geen einde weet
Het sterrenstof waar dromen ooit uit zijn gesmeed
Een droom binnen de droom die leven heet

Reageer

Een leegte die geen leegte is

Hanshan Roebrs, begraafplaats Sneek (foto: Keunstwurk)

Ik had vannacht een bijzondere droom. Ik stond op een podium tegenover een zaal vol mensen die ik probeerde ergens van te overtuigen. Wat dat was, weet ik niet meer. Hoe ik ook aandrong, het lukte me niet. De groep ging gewoon zijn eigen gang. Deze mensen hadden mijn raadgevingen helemaal niet nodig. De zaal liep leeg en ik stond ik alleen op het podium in mezelf te praten. Het werd zwart voor mijn ogen. Ik draaide me om in het donker en zag door een barst in de muur een spleet licht naar binnen vallen.

Toen ik wakker werd, heb ik lang nagedacht over wat deze droom zou kunnen betekenen. Ik kwam tot de conclusie dat zowel de ik-figuur op het podium als de groep mensen in de zaal tezamen een symbool vormen voor mijzelf. Hoe ik ook over mijn gedrag nadenk en dit probeer te veranderen, mijn lichaam gaat toch zijn eigen gang. Er is een leegte om me heen die zich iedere keer vanzelf vult, ongeacht mijn gedachten daarover. Anders gezegd, ik zou wat minder met mijn hoofd moeten denken en wat meer moeten luisteren naar mijn gevoel, mijn intuïtie. ‘Dichter bij je gevoel komen’, zo heet dat in het hedendaagse therapeuten-jargon. De moraal van deze droom klinkt ook een beetje Zen-achtig: je moet je eigen intentie loslaten en dan pas lukt het wat je intentie is. Hoe komt mijn onbewuste aan zo’n gedachte? 

Jaren geleden las ik het boek  van de Amerikaanse schrijver Robert M. Pirsig  Zen en de kunst van het motorenonderhoud In de jaren zeventig was het een cultboek dat ik destijds heb gespeld. Ik heb me eens laten vertellen dat dit boek op een bijzondere manier is ontstaan. De schrijver had alleen een kaartenbak met duizenden fiches met tekst over allerlei onderwerpen. Ze waren door de jaren heen geschreven, zonder enige structuur. Een redacteur heeft deze kaartenbak voor de auteur geordend. Daarna is pas – als een soort doorlopende raamvertelling – het verhaal over de motorreis van Pirsig en zijn zoon – ontstaan

Leitmotiv voor Pirsig was een zoektocht naar zijn oude ’ik’ van voor zijn psychose. Naast deze autobiografische laag bevat het boek een uiterst heldere filosofische verhandeling over het begrip kwaliteit in de meest brede zin van het woord. Pirsig maakt onderscheid tussen ‘Romantische kwaliteit’ en ‘Klassieke kwaliteit’. Het eerste is dynamisch, het tweede statisch. Het eerste ontstaat uit een impuls tot oordelen waarbij altijd twee elementen in het spel zijn: gevoel en verstand. Het tweede is een vastgeroest begrip geworden in de ‘tempel van de wetenschap’, waar de illusie heeft postgevat dat er objectieve maatstaven bestaan, waardoor het zogenaamd subjectieve domein van de esthetica verdacht isgeworden.

De hoofdpersoon in de roman raakt in de ban van het begrip kwaliteit, een obsessie die hem op de rand van de waanzin brengt. Zijn leidende  gedachte is dat kwaliteit zowel in de techniek als in de esthetica functioneert en eigenlijk in elk menselijk handelen een drijvend beginsel is. Als het om kwaliteit gaat is het gevoel even belangrijk als het verstand. De impuls van het oordeel vult zich in een leegte die geen leegte is. De uiteindelijke definitie, die Pirsig van kwaliteit formuleert, vertoont – zoals hij later ontdekt – een opvallende gelijkenis met een passage van een 2400 honderd jaar oud geschrift van Lao Tse. De definitie van Pirsig luidt als volgt:

‘Kwaliteit ie de aanhoudende prikkel die onze omgeving ons opdringt om de wereld te scheppen waarin wij leven. De hele wereld Van A tot Z. Tot het kleinste onderdeel toe.’

Jaren geleden sprak ik Hanshan Roebers. Hij was toen net in Japan geweest en vertelde me van een Zenmeester. Voordat die met zijn tekenpen één lijn tekende, staarde hij eerst vijftien minuten lang stil voor zich uit, om daarna in één beweging zijn inkt te ontladen op het papier. Het verhaal deed mij aan mijn vader denken die een hekel had aan brieven schrijven. Voordat hij begon te schrijven staarde hij met de pen boven het papier soms wel een kwartier lang voor zich uit. Toen Pirsig in 2017 overleed, werd Hans Han Roebers in de Volkskrant geciteerd met de volgende woorden.

De inzichten die ik dank aan het boek van Pirsig zijn nog altijd geldig. Ik heb jarenlang gedacht dat stilte de afwezigheid was van geluid. Maar stilte is een áánwezigheid. Een aanwezigheid van energie die zich manifesteert als dat andere er niet is. Als je iets probeert te scheppen vanuit wat je weet, schiet je niet veel op. Maar als je aan het werk gaat zonder dat je precies weet wat er gaat gebeuren – vanuit het ‘niets’ – kun je op nieuwe, onverwachte zaken komen. Het lezen van Zen and the Art of Motorcycle Maintenance  betekende voor mij dat er in één klap een leegte werd opgevuld, waarvan ik niet wist dat hij bestond. Pirsig formuleerde zijn ideeën zo treffend dat ik besefte: ja, dat heb ik altijd gevonden, alleen wist ik het niet.’

Vaak moet ik terugdenken aan deze woorden, vooral als ik weer eens wil gaan schrijven, maar dan geconfronteerd word met een intens gevoel van leegte. Hoe kan zo’n leegte ooit als volheid worden ervaren? Ik ben bang dat de geconcentreerde leegheid van de Zen-tekenaar weinig van doen heeft met het dwangmatige ‘niet kunnen schrijven’, dat mij vaak overvalt, en dat ook mijn vader in zijn geremdheid vaak ten toon spreidde. En toch, ook een Japanse boogschutter kan ogenschijnlijk eindeloos aarzelen voordat hij de pijl loslaat uit zijn gespannen boog. Hij wacht dan op een moment van een ultieme leegte, niet alleen in zijn eigen hoofd, maar ook in zijn omgeving. Als de pijl in stilte de boog verlaat, schuift er soms alleen nog wat sneeuw van de schouder van een Boeddhabeeld. Als het hoofd leeg is en zonder gedachten, loopt de zaal vanzelf weer vol.

Je kunt je daar niet op voorbereiden. Elke keer weer moet je het gewoon laten gebeuren. Jaar in jaar uit, zo is het leven. Maar er gebeuren ook elk jaar weer mooie dingen. Zo kreeg ik onlangs het werk onder ogen van een jonge kunstenares die nog niet lang bezig was, maar gaandeweg behoorlijke vorderingen had gemaakt. Ik vroeg haar wat het beslissend moment was geweest in deze snelle ontwikkeling. Zij liet mij het beeld zien van een hand. Ze had die hand eerst geboetseerd en vervolgen in brons laten gieten. Eerst wilde dat boetseren helemaal niet lukken. De klei wilde maar geen hand worden, maar bleef een stel aan elkaar geplakte vingerkootje zonder enige samenhang. 

Pas op het moment dat ze had begrepen dat ze niet langer moest proberen om een hand ‘na te maken’, maar ‘van binnenuit’ op te bouwen, ging het opeens goed. Ze keek naar haar eigen hand en begon die te boetseren alsof zij hem opnieuw moest creëren uit het niets. Je moet eindeloos oefenen tot opeens het kwartje valt. Bij sommigen verloopt dat proces snel, maar bij de meesten vaak heel langzaam. Het moment van inzicht kan zich dan aandienen als een Gestalt-sprong in de geest, waardoor alles wat je jarenlang geleerd hebt, maar daarvoor steeds niet lukte, plotseling tot leven komt. Ik heb over dat magisch moment van inzicht eens eerder geschreven naar aanleiding van een uitspraak van de Chinese filosoof Zhuang Zi in een verhaal over  over Bian de wagenmaker

‘Tussen het woord en de handeling ligt een enorme afstand. Ik kan het zelfs niet aan mijn zoon leren en mijn zoon kan het niet van mij leren. Daarom moet ik nu nog op zeventigjarige leeftijd zelf wielen staan maken.’

Wachten op het magisch moment van inzicht, dat wachten blijft je hele leven bestaan. Je kunt het niet afdwingen, het moet je overkomen. Zo is het ook met de rouw. Je kunt er alles aan doen, ‘rouwarbeid’, zoals dat zo mooi heet in het therapeutisch jargon van psychologen. Maar het moment van aanvaarding kun je niet afdwingen. Het moet je overkomen, als in een magisch moment van inzicht. Ineens is het er, maar het was er altijd al. Het was een leegte die geen leegte is, maar alleen als zodanig werd ervaren.

Soms denk ik dat alles wat voorbij is, er nog is. En alles er al is wat nog komen moet. De tijd is niet leeg. Alleen ik ervaar de tijd als de leegte van het heden, en niet als een leegte die vol is van heden, verleden en toekomst. U bent nu hier bij het lezen van deze tekst, maar alles wat u las, was er al. Wat geweest is, is niet geweest, en wat komen zal is er al. Lees maar:

Aan de rand van de Algemene Begraafplaats van Sneek bevindt zich sinds 2001 een stiltecentrum. Hanshan Roebers ontwierp het in samenspraak met Noordpeil landschapsarchitecten. Het geheel werd gerealiseerd  als afsluiting van de renovatie van de begraafplaats. Grote houten wanden doen dienst als urnenmuur. Ze schermen een cirkelvormige ruimte af, die je van twee kanten kunt betreden. In het centrum staat een ronde put met wegvliegende meeuwen in mozaïek uitgebeeld. Je wordt er ongemerkt naar toegetrokken, al was het maar om erin te kijken, naar het water dat rimpelloos stilstaat beneden. 

Wat je ziet is een kunstwerk, dat zich misschien niet direct als kunstwerk laat herkenen.  Dat is bij deze kunstenaar wel vaker het geval. Hij maakt ‘beelden’ in het grensgebied van kunst, vormgeving en architectuur. Vaak laat hij zich inspireren door de vier elementen, waaruit de stoffelijke wereld is opgebouwd: aarde (groei/ seizoenen), vuur (licht), water en lucht (wind). Roebers wil de veranderingen door en binnen die elementen zichtbaar maken. Ook hier is dit in feite gebeurd maar op een hele subtiele manier. De tijd is hier tot rust gekomen en de ruimte evenzeer. Het geheel is een gedenkplaats geworden voor weggevlogen leven. Voor de nissen, die stilaan door urnen worden gevuld, mogen nabestaanden een gedenkplaat plaatsen. Het zijn kale rasters voor de as, maar iedere urn heeft zijn eigen vorm, zoals ieder leven ook anders was ingevuld. 

Er staan er nog niet zo veel, maar genoeg om je hier tussen de doden te wanen. Namen en data, wat bloemen hier en daar. Op onnadrukkelijke wijze maant het geheel tot bezinning. Het hout van de wanden, dat zo’n vijftig jaar meekan, begint langzaam te verkleuren. Wat eens warm en levend was wordt ooit koud en grijs. De tijd neemt bezit van deze plek, waar het ritueel van begraven en gedenken een eigentijdse vorm heeft gekregen.   

Reageer

Wolken in Amsterdam

Amsterdam, gisterochtend, 11.00 uur

Reageer