Het lot van Icarus

1992.5112

‘Tot zover het opstijgen van de waanzinnige, en de transformatie van de psychoticus van een normaal persoon tot een uitzinnig mysticus. Er schuilt tot zover eigenlijk weinig kwaads in deze hele beweging, deze roes van inspiratie, extase en eenwording. De typisch psychotische problematiek komt eigenlijk pas hierna. Het is therapeutisch gezien ook maar de vraag of de aanvankelijke roes zelf al per se leidt naar wanen en paranoia, of dat er bij een goede begeleiding ook een zachte landing mogelijk is voor de icarussen onder ons.’

Aldus Wouter Kusters in een lezing op het symposium Transformaties dat in februari vorig jaar in Utrecht werd gehouden. Kort tevoren was ik aan het woord geweest om te spreken over mijn psychose van 1966 in het licht van een transformatieproces. Zowel de mystiek als de psychose hebben iets gemeen met de mythe van Icarus. De exaltatie en de val zijn de onlosmakelijke tegenpolen van een zelfde transformatieproces. Het is zoiets als hoog – of te hoog – opstijgen naar de zon. De hitte van een God is voor een mens onverdraaglijk, wat dat woord ‘God’ ook in godsnaam moge betekenen. Wie het zevende zegel verbreekt stort neer in diepe droefenis. Vliegen is iets voor engelen, niet iets voor de mens.

Elke gewaarwording is een stroomstootje die zich afspeelt in het verleden. Is ‘nu’ nu? Zoals stilte niet afwezigheid is van geluid maar aandacht voor de verschijning ervan, zo is leegte niet ‘niets’ maar het moment vlak voor de val. Het is 23 oktober 1960 als Yves Klein zich laat vallen van een muur In de Rue Gentil-Bernard in Fontenay-aux-Roses. ‘A few happy seconds that surround the sound of this event.’ Er valt een stilte en een gat in de dag. Het is een roerloze sprong in een roerig decennium. Drie maanden later gaat een tentoonstelling open van Frits Klein in het Princessehof in Leeuwarden. De vader wist nog van niets. Weer twee jaar later is zijn zoon voor eeuwig weggevlogen. Icarus in the sixties. Rozenkruiser van de dood. Mediterranée, zo blauw, zo blauw… Ik leg mijn oor te luister op het spoor en hoor in de verte een trein vertrekken. De fluit heeft al geklonken. Tsjoek, tsjoek, tsjoek, tsjoek, tsjoek….Het lijdend motief van het leven heeft een lange ij. Het is de locomotief van de dood.

Op 23 oktober 1960 zat ik in de eerste klas van het St. Ignatiuscollege in Amsterdam. Ook daar werd toen een foto gemaakt, die onlangs nog opnieuw is genomen. (zie hier) Vierenvijftig jaar na dato. Ik stond voor een ogenblik – alsof ik als Philemon en Baucis ook zelf voor eeuwig in een boom veranderde – als aan de grond genageld. Het was even of de wortels van van mijn oude lijf de laatste 
levenssappen uit de grond hadden opgezogen om zich nog één keer te meten met de 
Metamorfosen van Ovidius, die hier in die jaren voor het eerst mijn verbeelding in beweging brachten. Gisteren vond ik op zolder de Latijnse editie terug van de Metamorfosen van P. Ovidius Naso, de achtste druk uitgegeven in 1960 bij uitgeverij H.J. Dieben in Den Haag. Het is een bloemlezing van aantekeningen voorzien door L.van Miert en opnieuw uitgegeven door Aug. I. Hensen, leraar aan het St. Ignatiusollege.

Begin jaren zestig heb ik in dat boek het verhaal van Icarus voor het eerst gelezen in rollende hexameters bestaande uit zes voeten – dactyli geheten – telkens een lange en dan twee korte lettergrepen.
 Er hing een wonderlijke sfeer daar op die school, een geur van geaderd marmer en dor hout, natuur die 
bevroren leek als een fossiel van gevangen leven. Een afdruk van bleke eeuwigheid, een spoor die het aardse bestaan nalaat in dode materie. In het marmeren trappenhuis van dat gebouw aan de Hobbemakade kwamen mij wel eens vreemde beelden voor de geest: Icarus van zijn veren ontdaan, binnenruimtes van lichamen 
die hun holtes open stelden als een wijwatervat, terwijl alles er juist op gericht was om het lichaam toch vooral niet aan te raken, de gestroopte huid van een gezicht in lood gevlochten. Het was of Kafka en Ovidius een complot hadden gesmeed: de beklemming van Die Verwandlung 
had een vreemde legering gevormd met het edelmetaal van de klassieke mythologie. Zo bracht ik mijn eerste puberjaren door in mijmeringen en solodromen, boven het wolkendek of onder de dekens.

‘Post coitum omne animal triste est, sive gallus et mulier‘, schreef Ovidius. ‘Na de coïtus is elk dier triest behalve de haan en de vrouw.’ Ik was geen haan en geen vrouw, maar ik voelde me wel triest.  In 1965 – een half jaar voor mijn psychose – schreef ik voor het schoolblad De Harpoen een kort verhaal dat als titel had De mythe van een golfbal. Het jaar daarop werd dit verhaal opgenomen in de jubileumuitgave ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van De Harpoen, naast bijdragen van onder meer Bernard Delfgauw, Wim Zaal, Huub Oosterhuis (zijn debuut als dichter), Ton Regtien, Henk Terlingen en Pieter Nieuwint. Ik heb als auteur wel eens in een minder gezelschap verkeerd. De tekening, die dit verhaal illustreerde, laat de gemoedstoestand zien van de gevallen Icarus, zittend in zijn graf, omziend in verbijstering. Een halve ellips van golfballen verbindt een doodshoofd met een yin-yang symbool. Alleen een slaphangende roos verbreekt de symmetrie.

IMAGE00014

Het lichaam is duidelijk nagetekend, misschien zelfs overgetrokken van een foto. Wellicht heeft een reproductie van de zittende jongeling van Lehmbruck als model gediend, die ook staat afgebeeld op de cover van een even beroemd als vergeten boekje uit het begin van de jaren zestig: Eerlijk voor God van John A.T. Robinson. Een theologische verhandeling die ik toen nog niet had gelezen, maar destijds wel rondzwierf in mijn ouderlijk huis.

Het verhaal De mythe van een golfbal heb ik nadien talloze malen herschreven. Onlangs nog in mijn blog Genesis in slo-mo. Het verhaal ging uit van de gedachte, dat gedachten niet gestuurd worden door de vrije wil, maar door een kettingreactie van oorzaak en gevolg die ooit bij het begin van de wereld in gang zijn gezet. Zo bedacht ik twee goden die naar de aarde waren afgedaald om hun krachten te meten in het golfspel.

Het verhaal was een mix van Bijbelse en mythologische motieven. Later ontdekte ik dat de Bijbel is samengesteld uit allerlei typen en antitypen die met elkaar een netwerk van betekenisvolle analogieën vormen. Er zijn figuren die vooruitwijzen naar andere vormen. Jonas in de walvis al de verlosser bijvoorbeeld. Elk type heeft ook zijn anti-type: Adam tegenover Christus, Eva tegenover Maria. Religie is taal, zeker in het christendom, waarin het woord op bijna perverse wijze centraal is komen te staan. Het weefsel van woorden met al zijn betekenislagen, die nu weer letterlijk, dan weer figuurlijk – en soms zowel figuurlijk als letterlijk – gelezen dienen te worden.

Nadat God dood was aangetroffen ontstond het modernisme. Voor de literatuur lag het credo van het modernisme niet zozeer in de formele reductie tot taal en teken, maar in het geloof dat een literair kunstwerk een eigen presentie heeft, een eigen authentieke aanwezigheid in een talig domein. Dat kunstwerk werd al dan niet als uitdrukking gezien van een oorspronkelijk subject dat toegang heeft tot een – tot op zekere hoogte – kenbare of uit te drukken werkelijkheid. Het probleem van de modernisten lag in de vraag hoe je een innerlijke werkelijkheid op formele wijze zichtbaar of ervaarbaar kan maken voor anderen. Wat is in al die abstracties nog de verbinding tussen binnen en buiten?

De val van Yves Klein in 1960 is achteraf bezien niet alleen een vroege aankondiging van de val van het modernisme, maar verwees ook ook in gnostische zin naar een fiasco. Zijn val refereert aan de gevallen kruik, de kosmische schipbreuk, het terugverlangen naar de heelheid die aan de oer-catastrofe vooraf ging. Wij zijn gefascineerd door foto’s van vallende lichamen. Ze tonen ons de mythe van de val die tegelijk klassiek en diep romantisch is. Het is de mythe van de kunstenaar die springt in de vulkaan of weg zwemt in de zee en op deze wijze één wordt met natuur en universum. Het is de dood als artistieke voleinding van de kunst. Zelfdestructie als toppunt van spiritualiteit.

Die mythe is in feite de diepste onderlegger van de romantische orde, waarin we nog altijd gevangen zitten. In de conceptuele kunst van de jaren zestig en zeventig kwam die romantische spiritualiteit nog één keer tot bloei. Bas Jan Ader was misschien wel de meest sublieme en ook tragische laatbloeier van deze stroming. Daarna begon het heimwee. Het tijdperk van het erna. Het geweest zijn. De tragische ondergang van Bas Jan Ader in zijn project In search of the miraculous is het hoogtepunt en tegelijk ook het breekpunt geweest van het modernisme. Het was het ultieme bewijs van de onmogelijkheid om het sublieme in het hier en nu te ervaren. Dat kan wel, maar die ervaring leidt dan onherroepelijk tot de ondergang. De dood is de sluitpost van het sublieme.

Het sublieme toont zich bij uitstek in de val. De vallende lichamen waren voor alle getuigen het meest gruwelijke, maar misschien ook het meest begrijpelijke – want tastbare – beeld van de onbevattelijke aanslag op de Twin Towers. Waar zoveel ineenstortte en tot stof verging en waar zo weinig menselijke resten uiteindelijk gevonden werden, zijn de vallende lichamen een beklijvend beeld van menselijkheid en van vergankelijkheid. Het waren lichamen die langzaam maar allengs sneller naar beneden vielen en toen plotseling als rot fruit op het beton uiteenspatten. Dat is het lot van Icarus. Zijn mythe is een rad van fortuin dat als een losgeslagen wiel voort rolt in de geschiedenis. Niemand weet waar dat wiel ooit nog eens terecht zal komen.

 

3 Reacties

Paradijs de zondeval voorbij

Slide1

Het overkomt me niet zo vaak meer, maar vannacht had ik er weer een: een lucide droom. Ik zat op een paard en had het dier volledig in mijn macht. Ik kon naar links en naar rechts, draven en galopperen en als ik wilde hield ik stil of keerde ik om. In het echt heb ik nooit paard gereden, maar dat was geen probleem. Opeens was ik een volleerd ruiter. Het landschap waarin ik mij bevond was vreemd en vertrouwd tegelijk. Het leek op een eindeloze steppe, maar het gras was verdord. Soms was er helemaal geen gras meer te zien en reed ik op verdroogde aarde, met brede groeven doorkliefd, een soort puzzelpatroon van lijnen dat zich eindeloos voortzette tot aan de horizon. Ik gaf het paard de sporen en raakte in galop. De snelheid liep zo hoog op, dat de grond beneden mij een grote grijze waas werd. Het paard begon te vliegen zo leek het wel. Op dat moment kreeg ik de onweerstaanbare neiging om ook zelf te gaan vliegen. Als ik dan toch alles kon, waarom zou dit dan ook niet mogelijk zijn?

En verdomd het lukte. Ik sloeg mijn vleugels uit en verhief mij uit het zadel. Ik steeg op, eerst langzaam, maar steeds sneller en sneller. Het paard beneden galoppeerde gewoon door. Ik hoorde muziek die ik niet goed thuis kon brengen. De steppe beneden verwijderde zich langzaam en ik zag opeens bergen in de verte. Naarmate ik dichterbij kwam, zag ik de contouren scherper worden. Het was het Rifgebergte. De steppe ging over in een woestijn en uiteindelijk zag ik een weerbarstige hoogvlakte beneden me. Maar ik vloog hoger en hoger, boven de wolken en zelfs daarbovenuit. Ik verliet de dampkring en zag het zwarte firmament vol stralende sterren. De aarde beneden wentelde om zijn as in een adembenemend schouwspel. En nog hoger wilde ik, voorbij dit heelal, op weg een andere wereld. Het zwart om me heen werd langzaam licht en ik belandde in een lange tunnel van stralend licht. Aan het eind was het opeens stil. Ik hoorde alleen vogels fluiten. Het was voorjaar. In de verte joeg andermaal een golvend hete wind.

Wat zijn dat toch, lucide dromen? In mijn jonge jaren had ik ze geregeld. Ik kon alles wat ik wilde ’s nachts, de wereld lag volledig aan mijn voeten. In het najaar van 1966 zag ik de film Het Ggangstermeisje. Het was een Nederlandse nouvelle-vague film van Frans Weisz met Kitty Courbois in de hoofdrol. Het script was geïnspireerd op een boek van Remco Campert. Het verhaal was nogal ingewikkeld. Een jonge schrijver reisde naar de Franse zuidkust, waar hij de rust hoopte te vinden om aan een scenario te werken. Daar werd hij geconfronteerd met gebeurtenissen die ook in zijn onafgemaakte scenario beschreven stonden. Het was een soort Basic Instinct, maar dan in zwart-wit. Iemand schrijft een scenario, dat tegelijk gebeurt in de werkelijkheid. De wensdroom dat je kunt fantaseren wat je wit, en het gebeurt dan ook.

De schrijver wordt meegelokt naar Rome waar hij in zijn eigen film blijkt te zijn beland. Als de opnamen van de film eindelijk zijn begonnen, is het probleem, waar hij mee worstelde, kennelijk opgelost. Maar het gangstermeisje, waar hij smoorverliefd op werd, blijkt een dubbelrol te spelen. Zij moet kiezen tussen twee werkelijkheden: de maffia of haar geliefde. De droom of de werkelijkheid. In de slotscène op het strand schiet zij haar geliefde dood, nadat op de achtergrond een lange rij zwarte limousines op de boulevard is komen aanrijden en een brigade van ongure types langzaam naderbij komt. Vooral die stoet van zwarte limousines maakte destijds grote indruk op mij. Later heb ik er nog wel eens van gedroomd. Zwarte auto’s zonder chauffeur die in een stoet komen aanrijden als een symbolische aankondiging van je eigen dood. Vorige week moest ik er even aan denken toen ik op tv die indrukwekkende stoet van zwarte lijkwagens zag. Ik had moeite om te blijven kijken, maar ik bleef aan de buis gekluisterd. Zo wil je niet dood gevonden worden.

Thuisgekomen na het zien van de film Het Gangstermeisje, heb ik nog lang wakker gelegen. Het was niet eens omdat het zo’n goede film was, maar het verhaal bleef me bezig houden. Zo vroeg ik me af hoe ik het verloop van de gebeurtenissen moest duiden. Was het verhaal letterlijk bedoeld of juist symbolisch? Die vraag bekroop me ook wel eens, als ik een boek van Kafka las. Ik herinnerde mij, dat zo’n raadselachtig verhaal behalve letterlijk ook op een allegorische wijze kan worden verklaard. Datzelfde geldt voor een droom. Zo is de verhouding tussen de ogenschijnlijk onsamenhangende inhoud van een droom en zijn diep verborgen betekenis altijd weer een lastig probleem. Behalve de letterlijke en de allegorische betekenis, heb je ook nog de allerdiepste betekenis in het licht van twee uitersten, de grote dilemma’s van het bestaan. Die laatste betekenis heeft betrekking op de twee polen die altijd weer terugkeren in een droom: de strijd tussen goed en kwaad, de hemel en de hel, de duivel en God. Het is het oude dilemma tussen het paradijs of de zondeval.

Dat laatste leek me hier het geval. Het gangstermeisje moest kiezen tussen het paradijs of de zondeval. Of beter gezegd: tussen alles of of niets. Een onbetekenend, maar liefdevol leven, of een meeslepend leven in dienst van het kwaad. Het was het dilemma van Achilles. Een lang leven zonder glorie, of een snelle dood met eeuwige roem. ‘Leef snel en je zult een mooi lijk zijn,’ zei James Dean. En terwijl ik zo lag na te denken, over zonnen, zielen, hemelrijk, de laatste dingen van het leven en de onontkoombaarheid van de dood, raakte ik stilaan in een geëxalteerde stemming die steeds intenser werd en niet meer te stoppen leek. Ik zag mijn leven als een film aan mij voorbij flitsen en alle betekenislagen die daarin verborgen liggen. Ik zat in de machinekamer van mijn eigen dromen en liet gebeuren wat kennelijk gebeuren moest. Ik werd duizelig en alles draaide voor mijn ogen. Opeens viel ik van de top van een hoge toren. Dit was geen vliegen meer. Dit was crashen.

De maanden daarvoor had ik een nogal stormachtige periode beleefd. Een opname in een gekkengesticht dicht bij de duinen – ‘thalassa! thalassa!’ -  en de dood van mijn vader hadden mij niet onberoerd gelaten. G.K. Chesterton heeft eens beweerd, dat een waanzinnige niet iemand is die zijn verstand verloren heeft, maar iemand die alles verloren heeft behalve zijn verstand. Die paradoxale situatie doet zich ook voor bij een lucide droom – mutatis mutandis, ofwel, nadat veranderd is wat veranderd moet worden blijft alles zoals het geweest is. Dan heb je niet je bewustzijn verloren, maar alles verloren behalve je bewustzijn. Dan ben je niet de weg kwijt, maar alles behalve de weg. Sterker nog, je zweeft over de weg zoals Jezus ooit over de wateren liep. Hoe dan ook, in de nasleep van mijn kortstondige waanzin had ik nogal eens last van lucide dromen. Voor zover je daar last van kunt hebben, want die dromen waren soms ook heel plezierig. In een lucide droom heb jezelf het heft volledig in handen. Je kunt alles meemaken wat je wilt. Eigenlijk ben je wakker, maar toch droom je. Je stuurt de werkelijkheid met de kracht van je eigen verbeelding.

Maar toch was het niet echt een lucide droom die mij die avond voor de geest kwam. Ik was immers nog steeds wakker. Ik zag alles als een film aan mij voorbij glijden en tegelijk zag ik mezelf, nietig als een kleine bioscoopbezoeker, zittend voor het scherm van mijn eigen bestaan. Opeens had ik een moment van verlichting. Het was of ik opgetild werd, ver boven deze wereld waarin ik mij bevond. Ik gaf me over aan deze wonderbaarlijke levitatie die steeds grotere vormen aannam. Zo voelde ik mij opnieuw opstijgen maar nu  in een andere werkelijkheid en langzaam één worden met alles. Dat wil zeggen, één met het hele universum, één met alle sterren en planeten, de stroom die de atomen verbindt met het melkwegstelsel, lichtjaren verwijderd van dit armzalige tranendal. Ik werd zelfs één met het goed en het kwaad.

Heel even meende ik in een flits het laatste te zien wat voor een mens te zien valt, het paradijs de zondeval voorbij…. En terwijl mijn verbeelding zo opklom naar hogere sferen, voorbij het lichaam zelfs en de geneugten van het vlees, belandde ik in de ijle regionen van de noordpool en zag een witte ijsbeer die met zijn zwiepende staart zijn eigen sporen in de sneeuw uitwist om de jagers te misleiden. Die almachtige, ijskoude ijsbeer die met zijn adem zijn drie dode jongen weer tot leven wekt. Ik dacht, als ik dit onthoud, dan zal ik altijd weten dat er meer is tussen hemel en aarde. Vliegen en vallen horen bij elkaar. De poort van het paradijs staat wijd open voor ieder die ophoudt met dromen over een eeuwig leven. Het paradijs is hier en nu. De ware zondeval is de verzaking van het leven.

5 Reacties

Vliegen in de bol van het embryo

Slide1

In oktober 2001 werd ik getroffen door een tekst van Slavoi Žižek. Dat was kort na de aanslagen van 9/11.  Ik moest een lezing houden voor de Fryske Akademy in Leeuwarden en koos als onderwerp ‘Kunst na elf september’. Bij de voorbereiding van mijn verhaal vond ik op internet het artikel van Žižek: Welcome in the desert of the real, waarmee hij kort na de aanslagen van 9/11 zijn kritiek op de westerse cultuur samenvatte. Welkom in de woestijn van de werkelijkheid! Een vergelijkbare schok zoals die in de film ‘The Matrix’ tot stand kwam als de stekker van de megacomputer eruit wordt getrokken, heeft de westerse wereld beleefd na de aanslagen op van 11 september. Dat wel zeggen: de illusie van de werkelijkheid zelf stortte opeens in elkaar.

Die werkelijkheid was niet echt. Hij was hyperreëel, of zoals Žižek het formuleerde: ‘een gedespiritualiseerd utilitair schijnuniversum’. Met die woorden raakte hij de kern van wat er gaande was. Het beeld rees op van een wereld die niet meer is ingelogd op de kernwaarden van de eigen beschaving, een wereld waarin solidariteit en broederschap hebben plaatsgemaakt voor een mondiale onverschilligheid voor ellende en armoede. Een wereld, waarin het verlangen naar transcendentie alleen nog te beleven valt in de regressie naar het extreem lichamelijke. Waar mystiek en spiritualiteit verworden zijn tot het narcisme van een per definitie pre-oedipaal bewustzijn.

De term pre-oedipaal verwijst naar de periode in de psychoseksuele ontwikkeling die aan het oedipuscomplex voorafgaat. In deze periode overheerst voor beide geslachten de band met de moeder.  Die schijnwerkelijkheid noemde Žižek ‘The American holiday from history’. Het scherm van de illusie werd opeens voor onze ogen doormidden gescheurd en wat restte waren de ruïnes van rokende puinhopen: The desert of the real. Žižek gebruikte het woord ‘the real’ (het reële) in de specifieke betekenis die door de psychoanalyticus Lacan is geijkt, dat wil zeggen: het werkelijke dat nooit toegankelijk is voor onze blik. Maar hooguit – schuins beziend – heel af en toe in ons blikveld kan opduiken. Het is de echte werkelijkheid die wij voortdurend dimmen, doven en wegstoppen achter het scherm van onze waarnemingen. Wat we ‘waarneming van de werkelijkheid’ noemen is in feite een hardnekkige poging om een valse, illusoire werkelijkheid te creëren.

We zijn voortdurend bezig met het afschermen van het reële, dat ondraaglijk is geworden door de traumatische fundering van de werkelijkheid zelf, die bij de formatie van het zichzelf bewuste bewustzijn in de eerste ontwikkelingsfase van het kind zijn beslag heeft gekregen. Als er sprake zou zijn van een crisis in de westerse cultuur, dan is die vanuit de theorie van Lacan alleen te verklaren vanuit een ‘gemiste ontmoeting met de echte werkelijkheid’, een gemis dat in feite eigen is aan het bestaan, maar dat in onze laat-kapitalistische samenleving een chronisch en pathologisch karakter heeft gekregen. We belanden steeds meer in een schijnwereld van door media en marketing geregisseerde emoties en gedachten.

Enige tijd geleden zag ik een presentatie van korte films en video’s uit de hele wereld. Wat je noemt: een dwarsdoorsnede van de kunst van nu. Opvalland was, dat tussen al die beelden weinig vormexperiment te bespeuren viel. De inhoud is kennelijk alom terug van weggeweest. Geen of weinig ironische zelf-reflecties op het medium als zodanig, maar veel persoonlijke uitingen in een sobere verhaalsetting. Een verteller – meestal een voice-over – laat een persoonlijk, vaak autobiografisch verhaal horen dat wordt ‘geïllustreerd’ door een sequentie van indringende beelden. Dat is het meest voorkomende format. Het persoonlijke wordt ingezet tegen een onzekere wereld, dat is de onderstroom die zichtbaar wordt in de kunst van nu.

In deze onbestemde tijd van crisis en globalisering wordt de kunstenaar blijkbaar teruggeworpen op zijn eigen authentieke subject. Je zou het ‘post-postmodernisme’ kunnen noemen. Die term vereist enige uitleg. Het is niet zo dat het postmodernisme totaal heeft afgedaan. De erfenis van het postmodernisme is niet meer weg te denken. Het subject is definitief onder verdenking komen te staan, de tekst en het medium film of video evenzeer. Maar desondanks kruipt het bloed waar het niet gaan kan in een wereld die daar aanleiding toe geeft. Er zijn geen grote machtsblokken meer, geen volken, geen staten of grote verhalen, hoe intens wed daar ook naar als laatste vluchtplaats of thuishaven. De hedendaagse mens is ontheemd eb verweesd in alles opzichten, zowel gogradisch en etnisch als ideologisch en spiritueel. En dat in een wereld die vraagt om een heldere respons. Egoïsme, onrecht, bewapening en terreur tonen de gruwelijke realiteit van de onmacht van de ethiek, het afstotelijke en het walgelijke de betrekkelijkheid van de esthetiek.

Daarnaast heeft zich, wat de kunst betreft, een ontwikkeling voltrokken die in wezen onomkeerbaar is. Die ontwikkeling heeft alles te maken met de afbraak van de traditionele narratieve structuren. Dit proces heeft zich in alle kunstdisciplines voltrokken, niet alleen in de kunsten van het woord, maar in de kunsten van het beeld. Het verhaal, de ‘narratieve structuur’, was voor de moderne avant-garde verdacht. De futuristen, dadaïsten en de vertegenwoordigers van De Stijl wilden zelfs het proza en het boek voorgoed achter zich werpen. Het ging hen om het onmiddellijke, performatieve – één op één – in bezit nemen van de ruimte, niet zozeer de fysieke ruimte, maar vooral de ideële ruimte van de kunst. De revolte van de jaren zestig was in feite een naoorlogse verwerking en herbeleving van de radicale revolte van de eerste generatie van de moderne avant-garde.

Hoe het ook zij, het modernisme heeft bijna een eeuw lang de narratieve structuur in de ban gedaan. Het postmodernisme, dat zo’n veertig jaar geleden is ontstaan, heeft vervolgens het narratieve ogenschijnlijk voorgoed ontkracht en gedeconstrueerd. Het verhaal keerde terug maar werd in de semiotisch opzicht van zijn symbolische betekenis ontdaan. Het postmodernisme was achteraf bezien niet alleen een fase van rouw over een verloren samenhang, maar ook een schreeuw om de terugkeer van het symbool, waarvan het bestaan onmogelijk was geworden. De tekens waren gaan rondtollen in hun eigen lege betekenisruimte. Die leegte van het teken vormde de keerzijde van de woestijn van het reële.

Nu het persoonlijk verhaal terug lijkt te keren in de kunst is er tegelijk iets wezenlijks veranderd. Er is behoefte ontstaan aan een nieuwe verbintenis tussen ethiek en esthetiek. De hedendaagse wereld is bij uitstek een oord van existentiële onzekerheid. Die gedachte bekroop mij toen ik een video zag die geheel was gewijd aan het verschijnsel ‘vliegen’, een soort beeldende fenomenologie van het vliegen in een vliegtuig anno 2014. Vliegen in een vliegtuig is na 9/11 geen symbool meer voor vrijheid. De wereld van Peter Stuyvesant, die ons in de jaren zestig in bioscoopreclames werd voorgetoverd, bestaat niet meer. De woorden van een schlager uit 1974 gaan niet meer op. ‘Uber den Wolken soll die Freiheit schon grenzenlos sein,’ zong Reinhardt Mey.

Die symboliek is nu volledig uit de tijd. Vliegen is een streng bewaakt fenomeen geworden. Vliegen speelt zich tegenwoordig af in het domein van de angst en niet meer in het domein van de vrijheid. Of we het nu leuk vinden of niet, het vliegen is een metafoor geworden voor het leven in tijden van angst en onzekerheid. We zullen afscheid moeten nemen van de pre-oedipale fase waarin het laatkapitalisme ons had teruggeworpen. We weten niet eens meer waar we vandaan komen. Elke vorm van rouw is een herinnering aan het geboortetrauma. Vliegen hoort bij het paradijs. We zullen de aarde moeten aanvaarden en de lucht aan de hemel terug moeten geven.

8 Reacties

De mens is een zeepbel

13

Homo bulla est’. ‘De mens is een zeepbel’. Het leven van de mens spat zomaar uiteen. Deze woorden van Erasmus kwamen bij mij op toen ik van de week de beelden zag van al die kisten met stoffelijke overschotten die werden ingevlogen uit de Oekraïne. Er werd massaal gerouwd in Nederland op een wijze zoals nooit eerder werd vertoond. ‘Een spontane massadienst zonder God’ zo kopte Sander van Walsun in de Volkskrant van gisteren. Stille tochten hebben volgens hem de weg bereid voor de rouw waarvan we de afgelopen week getuige zijn geweest. Er werd massaal geklapt als de lange rouwstoet voorbijreed. Er werd met bloemen gegooid zoals je eerder zag bij de begrafenis van Pim Fortuyn. Maar waar was de stilte? Het leek of de collectieve rouw een nieuwe eredienst is geworden die zijn rituelen heeft ontleend aan de cultuur van het stadion.

Ik kan me de indrukwekkende reportage herinneren over de trein die met het stoffelijk overschot van Robert Kennedy in 1968 dwars door Amerika reed. Talloze Amerikanen stonden in rijen langs de spoorbaan. Zij zwegen alleen en juist dat zwijgen was indrukwekkend. Niemand applaudisseerde of gooide met bloemen. Een enkeling salueerde of sloeg een kruis, dat was alles. Wij vieren het rouwproces steeds luidruchtiger. Het rouwen wordt wen spektakel. Na het uitbundige afscheid van Pim Fortuyn in 2002 zei Boudewijn Büch: ‘De dood dient dood te blijven. Stil, verdrietig en doodstil.’ En: ‘Nu de dood van ons allemaal is geworden en live op de televisie wordt uitgezonden, is er geen plaats meer voor die verstilde woede van binnen.’

Een ding is voor mij duidelijk inmiddels, mij krijg je geen vliegtuig meer in. Niet dat ik me tot voor kort elke week liet inchecken op Schiphol. De laatste keer dat ik vloog is al weer ruim twintig jaar geleden. Ik ben nooit een liefhebber van vliegen geweest. Van autorijden ook niet trouwens. Ik loop het liefst. Een trein of een bus zijn voor mij noodzakelijke compromissen om ergens te kunnen komen. Maar voor de rest, geen voetjes van de vloer. Je weet nooit of je weer heelhuids op je grond belandt. De media hebben er alles aan gedaan deze week om mij definitief een vliegfobie te bezorgen. We weten inmiddels hoe het er daar uitzag op de plek van de ramp, wat er zoal lag, Suskes en Wiskes, stroopwafels en knuffelberen, dat willen we horen. En ook hoe het er rook. Lichamen waar de kleren vanaf waren gerukt door het plotselinge verschil in luchtdruk vielen als bakstenen naar beneden, soms zelfs door het dak van een huis. Geen adem kunnen krijgen en de smaak van bloed in je mond. Sterven in een vliegtuig, de media konden er een genoeg van krijgen om die eigentijdse vorm van horror te beschrijven.

Ik heb elk ongeluk in het gemotoriseerde verkeer – te land ter zee en in de lucht – altijd mensonwaardig gevonden. Zo hoort een mens niet dood te gaan. Met een verminkt lichaam, overgeleverd aan totale paniek. Sterven hoort in alle rust te gebeuren, liefst tussen twee schone lakens, met je naasten aan je bed. Bij doodgaan hoort berusting en een troostend woord, geen doffe wanhoop en oorverdovend gegil. De techniek en de massamedia hebben de dood weer teruggebracht naar het domein van de verbijstering. En het lijkt erop dat mensen daar wel pap van lusten. De dood is het laatste wat ons nog raakt tot op het bot. Kijken naar de dood is een sublieme ervaring in de klassieke betekenis van het woord. Alles is begrijpelijk en bevattelijk tegenwoordig, behalve de dood. Daar kun je dus uren over doorpraten en dat doen we dan ook. We willen alles weten. Wie waren de slachtoffers? Wat zijn hun levensverhalen? Hoe tragischer, hoe mooier. Dat is het hypercorrect ramptoerisme van de schunnige wereld waarin wij leven. We doen er er allemaal aan mee, en dus is het goed. We leven in een wereld van verhalen, niet van feiten. Wat zijn feiten zonder verhalen waar ze in thuishoren? We worden weer als kinderen. We willen verhalen horen voor we gaan slapen.

Wat is trouwens een ramp nog tegenwoordig? Twintig doden? Honderd doden? Duizend doden? Er bestaat nog altijd een duidelijke relatie tussen de omvang van een ramp en de nabijheid van het gebeuren. Hoe dichterbij, hoe groter de ramp. Hoe verder weg, hoe kleiner. Maar die relatie neemt af, nu de media alles – waar ook ter wereld – onmiddellijk live in de huiskamer brengen. Sinds 9/11 gebeurt elke ramp altijd in je eigen nabijheid, ongeacht het aantal slachtoffers. Dat neemt niet weg dat er ook sprake is van en zekere ramp-inflatie. Bij de vuurwerkramp  in Enschede en brand in café Het Hemeltje in Volendam werd de impact niet bepaald door het aantal slachtoffers, maar door het mediagenieke karakter van het gebeuren in combinatie met het tijdstip waarop de calamiteit plaatsvond. Dat was respectievelijk tijdens het Eurovisiesongfestival en in de Nieuwjaarsnacht. Mooier kon het niet. De juiste timing van de ramp bevordert de dramatische werking ervan. En een goede timing is van vitaal belang in de morbide wereld van de tv. Een ramp richt zich op een bewustzijn zonder scherm of afweer, dat is de ijzeren wet van breaking news.

Ik moet diep in mijn geheugen graven om de laatste nationale ramp boven water te krijgen. Natuurlijk, de watersnoodramp van 1953, dat was een echte ramp. En het treinongeluk bij Harmelen in 1962, waarbij meer dan 100 doden vielen, kwam ook behoorlijk dicht in de buurt. Op de radio was toen de hele dag klassieke muziek te horen. Kom daar nu nog eens om. Maar daarna hoorde je er ook niemand meer over, zeker niet nadat alle doden begraven waren. In die tijd bestonden er nog geen ‘mediaramp’ in de huidige zin van het woord. Je moet er niet aan denken, wat er in Nederland zou gebeuren, als morgen de dijken in Zeeland opnieuw zouden doorbreken. Of misschien wel in Friesland. En trouwens, de hele dag klassieke muziek op de radio bij een nationale ramp? Zelfs de sterreclame werd nu niet stilgelegd. Dat was begin jaren zestig wel anders. De hele dag Vivaldi. Vivat Vivaldi, zong Jasperina de Jong:

‘Maar als er ooit een ramp gebeurt
Waarom de hele natie treurt
Bijvoorbeeld met een mijn
Of een gebotste trein
Bij Alphen aan de Rijn
O o, wat een paniek
O o, wat een tragiek
Nee, nee, nu geen muziek
Dan kan Corry Brokken
Doodsbleek en geschrokken
In een hoek gaan mokken
En dat is dat
Tralalalalalalalalalalalalala
En dan denkt Hilversum opeens:
‘Vivaldi! Vivaldi!’’

Die relativering is er niet meer. We leven in een rampencultuur die ons verslaafd maakt aan een collectieve beleving van de ontzetting. Wat zouden de media nog zijn zonder rampen? Als ze er niet meer zijn, dan worden ze uitgevonden. Het liefst live, één op één op één, zodat iedereen het simultaan mee kan beleven. De vliegtuigcrashes van Discovery zijn wat dat betreft slechts instant-ervaringen. Ze bereiden ons voor op het ongehoorde, het sterven in een vliegtuig, waar het grootste ongeluk te herleiden is tot een minimale oorzaak. De zwarte doos is de laatste mythe die ons doet geloven dat elke ramp een causaal gebeuren is. De black box van het mysterie is nog altijd met het verstand te ontrafelen. Dat geeft rust en vertrouwen, maar toch slaat het noodlot altijd weer toe. Er is iets grondig mis, iets dat per definitie onbeheersbaar lijkt, zelfs voor de meest geavanceerde techniek. Wie rekent er nou op een raket?

Dat is angstaanjagende van de status quo waarin wij leven. Ons leven is out of control. Misschien willen we dat diep van binnen ook wel. Op tv kunnen we er in ieder geval geen genoeg van krijgen. Misschien is elke ramp opnieuw een troostende ervaring. Wij hebben geen kader meer om de dood, die onvoorstelbaar is, een plaats te geven. Daarom zijn we gefascineerd door de dood die een ander zomaar overkomt. Out of the blue. Sterven in een vliegtuig, dat overkomt immers altijd een ander. Zo’n ramp doet je weer even beseffen dat de mens slechts een zeepbel is die zomaar uit elkaar kan spatten. We hebben daar geen woorden meer voor. We zijn sprakeloos. En dus doen we de gekste dingen. Klappen voor een rouwstoet bijvoorbeeld. We zijn vergeten wat stilte is. Leve de rouw, want dat is zo mooi. We vieren de dood omdat we vergeten zijn wat het leven betekent.

10 Reacties

In twee bollen tegelijk

Tour_Orly

Waarde lezer en tijdgenoot. U bent gewaarschuwd. Reageer niet op dit weblog. En zeker niet in de eerste uren van de nacht. U die dit leest – en wellicht wilt reageren -  ik ken u niet, en toch ook weer wel. Op internet zijn wij allen strangers in the late night. Wij begeven ons in duistere sferen en menen te weten wat we doen. Maar wij weten het niet. We doen net alsof we het weten, en alleen dàt weten we donders goed. Op internet zijn wij ‘beterweters tegen beter weten in’. Dat is het kenmerk van dit nog vormloze medium. Het brengt ons samen in de meest wonderlijke sferen niet alleen van de wereld, maar ook van onszelf. Internet is een nog onbekende ruimte naast ons, met ons, en zonder ons. Internet is een eindeloze schuimzee van bubbels. Wij zitten allen tezamen gevangen in dezelfde bol. Internet is een ruimte die ons uitdaagt en op de proef stelt. Een ruimte die geen ruimte is.

‘Sferen zijn ruimtescheppingen die als immuunsysteem werken’, zo heeft Peter Sloterdijk beweerd. De mens leeft al een soort tweeling-bel. Naast de ruimte, waarin we denken te leven, is er een embryonale ruimte die als een gebarsten eierschaal na onze geboorte aan onze psyche is blijven hangen. We hebben de moederschoot eigenlijk nooit verlaten. Alles wat we ons voorstellen in termen van ruimte en tijd ontleent zijn structuur aan ons verblijf in de moederschoot. Zelfs het idee dat we een zoiets als een ‘ziel’ hebben is in deze embryonale levensfase ontstaan. Of zoals Sloterdijk het formuleert: ‘Wat we in de taal van de onheuglijke tradities ziel hebben genoemd is in zijn gevoeligste centrum een resonantiesysteem dat in de audio-vocale gemeenschap van de prenatale moeder-kind sfeer tot ontwikkeling komt.’ We horen het kabaal van de de moederbol en zullen ons dat een leven lang herinneren. Het leven is de echo van het embryo.

Maar hoe zit het dan met de dood? Wat gebeurt er als we de sfeer van het leven verlaten? Komen we dan in een ander universum terecht? Een sfeer buiten de bol van tijd en ruimte, waarin we nu noodgedwongen rondzwemmen als in een glazen stolp die van buitenaf alleen zichtbaar is voor iets wat we voorheen ‘God’ hebben genoemd? Dood is de hereniging met het Al-organisme of een terugval in het anorganische: de kolkende heksenketel van voortrazende moleculen en elementaire deeltjes. Hoe je ook denkt over de dood, het hangt altijd af van welke bol-opvatting voor jou geldig is. Terugvallen in het Al, of voorgoed vergaan in vergetelheid. Anders gezegd: uit de bol in het niets verdwijnen of in een andere bol binnendringen. Zijn geboorte en dood elkaars ultieme tegenpolen of raken ze elkaar in een cirkel die deel uitmaakt van een andersoortige bol waar wij geen weet van hebben?

Maar bestaat er wel een verschil tussen die twee opties, zolang wij niets met zekerheid kunnen zeggen over wat er zich buiten onze eigen bol van tijd en ruimte bevindt? Als er al sprake zou zijn van een parallel-universum met andere wetten voor ruimte en tijd – of geen wetten zelfs – dan kunnen wij daar niets zinnigs over zeggen. Zonder ruimte en tijd is de bol als basale structuur van het heelal onvoorstelbaar. Wij kunnen dan alleen maar redeneren in analogieën, binnen de geijkte patronen van ruimte en tijd (of ‘ruimte-tijd’), maar we kunnen er niet buiten treden. We zitten gevangen in onze eigen bol, onze eigen epistemologische cocon, de bol waarin we geboren zijn en die als oerstructuur in ons hoofd zit ingebakken.

Maar er is nog een andere ruimte die Freud heeft ontdekt. Dat is de ruimte van de intimiteit, de ruimte van onze diepste verlangens. ‘Intimiteit is het rijk van de surreële, autogene reservoir’, zo beweert Sloterdijk. ‘De erotische angst verwijst naar een plek elders waar het subject oorspronkelijk vandaan komt en die hem na de hernieuwde ontmoeting met het schone van een smartelijke heimwee vervuilt.’ Er schuilt een raadselachtige belofte in onze diepste verlangens, en bij uitstek in onze erotische verlangens. Er kan sprake zijn, zo stelt Sloterdijk, ‘van een erotische bedwelming die gelijkstaat aan helderziendheid.‘

En op dat moment krijgt de bol-metafysica van Sloterdijk een raakvlak met de mystiek. Ook mystiek is – evenals het erotische verlangen – te analyseren in termen van de bol, die ontleend zijn aan de moederschoot. Er is altijd iets ‘met mij’, iets wat het ‘ik’ in diepste wezen omgeeft, een soort restant-ruimte van de baarmoeder, een virtueel embryo dat als een gebroken eierschaal achter blijft bij de – tot een ‘ik’ geboren – psyche.  Dit oude ‘ik’ blijft ook na de geboorte met een vreemde navelstreng met het nieuwe  ‘ík’ verbonden. Zo leef je tegelijk binnen en buiten het oude embryo, dat wil zeggen: in de echte wereld en tegelijk ook niet. Een ruimte die tot nog toe alleen in het taoïsme beschreven is. Het is de ruimte van een droom die echt is. Echt en onecht tegelijk. De ruimte ook van de liefde. Ik heb vaak van dat soort dromen, waarin ik in twee bollen tegelijk leef, alsof ik ben blijven steken in een onvoltooide geboorte. Nicht zum Ende geboren, zo noemen de Duitsers dat. Het is de ruimte ook van een afscheid dat nooit echt een afsluiting heeft gehad. De bol is de bol, maar tegelijk ook niet.

hendrick_goltzius_the_four_disgracers_d5543670h

Vannacht nog had ik weer zo’n repeterende droom die ik al talloze malen gedroomd heb. Ik was aan het wandelen in Bilgaard, de noordelijke stadswijk van Leeuwarden met galerijflats uit de jaren zestig, de tijd van de wederopbouw toen hoogbouw de oplossing leek te zijn voor de snelle groei van het aantal inwoners van de stad. Er werd daar flink gerenoveerd. De meeste flats werden afgebroken om plaats te maken voor futuristisch ogende woningbouw. Ik verbaasde me over de experimentele parkaanleg, waarbij tropische speelstrandjes met cipressen en palmbomen werden afgewisseld door afwerkplekken voor straatprostituees en heroïneverslaafden. De politie keek toe hoe vrouwen werden opgepikt. Ook pooiers en drugsdealers hielden zich op in de buurt. Het was nog vroeg. In de takken van de bomen zaten vogels, roerloos en met opgezette veertjes in de kille ochtendbries. De lauwe geur van natte kranten vermengde zich met de tinteling van het hoogseizoen. Ik realiseerde me opeens dat ik in de toekomst liep.

Dit was niet Bilgaard maar een gereconstrueerde kopie daarvan die als trekpleister diende voor toeristen uit de hele wereld. Japanners liepen in ganzenpas over de paden in het groen. Als ze stilstonden werd er druk gefotografeerd. Het geklik van de camera’s deed me aan het geluid van krekels denken. Het was volop zomer en zondagochtend bovendien. In het gazon tussen twee grote flats was een stel Pakistanen in smetteloos witte kleding cricket aan het spelen. Een oud mannetje dat daar elke dag naar stond te kijken sprak me aan. Hij wist alles van cricket. Pakistan is een groot cricketland met veel uitzonderlijk getalenteerde spelers, zo liet hij me weten. Een probleem is echter de discipline en de daarmee gepaard gaande erectieproblemen. Hierdoor is het Pakistaanse team in staat geweldige prestaties neer te zetten, maar de andere dag ver onder hun niveau te spelen. Cricket is oorlog, hoorde ik hem nog zeggen. Een straaljager vloog over en stortte neer in de verte.

Maar het bleef stil. Ik hield mijn adem in en door een kier in mijn hart sloop de weemoed naar binnen. Ik wilde naar huis, maar ik kon niet. De tijd stond stil. Het verleden – dat wil zeggen: het heden – lag voorgoed achter me. De toekomst was een eeuwig afscheid. Eenzaam maar niet alleen voelde ik mij beroofd van een natuurlijk verloop der dingen. Overspoeld door een intens gevoel van heimwee liep ik al dolend verder door dit betonnen decor. Op het eind van de wijk was een groot vliegveld. Het deed een beetje denken aan Schiphol maar het was ergens in het buitenland. Staal glas, beton en roltrappen, meer was er niet op de wereld. Alles was vluchtig geworden als een heden dat nooit had plaatsgevonden en een toekomst waar je geen weet van hebt. Op een vertrekhaven stonden twee geliefden op het punt om afscheid te nemen.

Er scheurde iets doormidden maar ik wist niet wat. Ik hoorde een licht fladderend geluid alsof een verdwaalde engel de vleugels uitspreidde die op zijn sandalen bevestigd waren. Een vliegtuig steeg op met brullende motoren. Achter mij zag ik nog net dat op de verkeerstoren een witte bol was geplaatst. Het leek wel een grote golfbal die wachtte op een reus die hem met een gigantische club weg zou slaan in de richting van een gapend gat ver weg in de grond. De armen gingen omhoog en de club zwiepte als de tong van een gifslang. Alleen in de toren zag men nog een glimp van mij voordat ik verdween in de stille ochtend. De horizon trilde en in de verte joeg nog altijd een golvend hete wind. Ergens diep in mezelf sprak een stem de waarheid van het eerste begin. Dit moet ik goed onthouden, dacht ik nog. Toen ik ontwaakte was de waarheid verdwenen.

3 Reacties