Vestdijk en de doodsproblematiek

Visioenen_uit_het_hiernamaals_detail

Hieronymus Bosch, detail uit De Tuin der Lusten.

‘Ik verwacht weinig goeds meer van dit leven, en ben zelfs bezig een philosofie te ontwikkelen, met alweer diezelfde dood als middelpunt. 
Het komt hierop neer, dat de mensch zich moet voorstellen dood te 
zijn, en vandáaruit het leven te leven, te genieten, etc. Het is eigenlijk 
een erg voorlijke philosofie, – al wil ik niet beweren, dat hij mij méer 
goed doet dan de 6 broompastilles, – want van de angst voor de dood is 
men af, en de rest is meegenomen, en valt in het ergste geval erg mee. Alleen de pijn is nog een probleem voor mij.’

Aldus Simon Vestdijk in een brief aan Henriëtte van Eyk van 22 november 1949. Wim Hazeu citeert deze brief in zijn Vestdijk-biografie. Het lijkt me een typerend citaat voor Vestdijk. In die tijd had hij zijn dissertatie Het wezen van de angst voltooid. Hij zou echter nooit promoveren op dit boek dat pas veel later – in 1968- alsnog zou verschijnen. Hazeu laat weten dat Vestdijk op het idee gekomen was om op dit onderwerp te promoveren, nadat hij in 1946 een artikel had geschreven over de dissertatie van R.F. Beerling: Moderne doodsproblematiek, een vergelijkende studie over Simmel, Heidegger en Jaspers (1945). Beerlings promoveerde 27 november 1945. Van de week heb ik die dissertatie opgevraagd bij Tresoar en ben ik hem gaan lezen. Het is fascinerende lectuur.

Beerling was een filosoof die al voor de oorlog had geschreven over het existentialisme. In de eerste jaren na de oorlog moet zijn proefschrift over de doodsangst goed gelezen zijn. Het waren de hoogtijdagen van het existentialisme. De intense ervaring van de contingentie van het bestaan stond opeens haaks op het zich geborgen voelen in de wereld. Men sprak over een crisis in het moderne bewustzijn. Ging het om een verloren contact met de werkelijkheid of om een verloren contact met God? Dat was de kernvraag in het debat dat hierover in de eerste jaren na de oorlog werd gevoerd.

beerling

R.F. Beerling (1905-1979)

Fenomenologie en existentialisme kwamen samen in dit debat, waarbij niet alleen psychologen, filosofen en antropologen, maar ook theologen en godsdienstwetenschappers zich lieten gelden. Het ‘alledaagse’ en de ‘gesitueerdheid van de mens’ kwamen na de oorlog vanuit allerlei richtingen in het centrum van de belangstelling te staan. Niet alleen in het contingentiebegrip van Sartre, maar ook in de hernieuwde aandacht voor het alledaagse in de sociologie en de antropologie. Men kreeg oog voor het  ‘zomaar er zijn in het hier en nu’ en voor het karakter van de dagelijkse leefomgeving. Maar die gesitueerdheid van het bestaan is ook meer dan alleen de materiële omgeving.

Vooral ook door de invloed van het denken van Heidegger kwam de angst voor de dood in een nieuw licht te staan. Kenmerkend voor de hierboven geciteerde woorden van Vestdijk is de dood voor hem letterlijk in het middelpunt stond. Het leven lijkt ondergeschikt te worden aan de dood, alsof de dood de normale toestand is en het leven een uitzonderingssituatie is die eigenlijk niet kan bestaan. Ook bij Schopenhauer trad deze gedachte naar voren; ‘

Wir sind im Grunde etwas, das nicht sein sollte: darum hören wir auf zu sein.’

Zo bezien zou het leven een straf zijn voor een bestaan dat geen bestaan had moeten zijn. Maar wie straft wie hier? Na de dood van God komt deze constatering in het luchtledige te hangen. Angst voor de dood wordt dan ook angst voor het grote niets.

Zou het misschien zo kunnen zijn dat het menselijke leven een vreemde uitzondering is, een ontsporing van de natuur die maar beter achterwege had kunnen blijven?. Het participium individuationis is eigen aan de natuur. Er bestaat in de natuur een alom aanwezige drang naar verbijzondering, naar individualisering. De mens is daar tot nog toe het meest complete product van. Maar is hier niet sprake van een afsplitsing of afdwaling van het absolute?

Is het omgekeerd niet zo dat het absolute – dat wil zeggen: de dood – het meest wezenlijke kenmerk van de mens is, en het leven daarvan slechts een toevallige afgeleide? Moet de mens het wezen van zichzelf niet eerder zoeken in het absolute in plaats van het vluchtige, in het eeuwige en altijd blijvende in plaats van de onrust, de disbalans en het verlangen naar het altijd weer nieuwe. Kortom, gaat de dood niet aan het leven vooraf als het meest eigene van de mens?

Als je het zo bekijkt is er iets raars aan de hand. Waarom moest in de evolutie uiteindelijk de mens zo nodig tot bewustzijn komen om in die pijnlijke toestand zijn eigen dood onder ogen te zien. Kan het zijn dat de natuur zich juist in het menselijke bewustzijn rekenschap aflegt van haar eigen noodzakelijke kwaadaardigheid?  Is de mens soms een moreel experiment van de kosmos, een proeftuin voor ethische bewustwording? Als je de geloofsleer van het christendom bekijkt, dan lijkt hier inderdaad sprake van te zijn. God komt tot zichzelf door mens te worden.

Maar als dat zo is dan is het wel een laffe streek om je eigen zoon aan het kruis te laten nagelen en zelf veilig achter te blijven op de hemelse troon. Voor Vestdijk was dat ook het belangrijkste punt van kritiek dat hij tegen het christendom had in te brengen. Voor die kritiek is ook veel te zegen. De mens neem de schuld op zich door zichzelf een erfzonde aan te praten en creëert zich vervolgens een vorm van religieus bewustzijn dat zichzelf niet zelden verstikt in schuld- en zondebesef.

De wortels van elke religie liggen in de angst voor de dood. Het concept van ‘de ziel’ wordt gecreëerd om de dood te overbruggen en zo te bezweren. Met laat de ziel opgaan in de wereldgrond zoals het in het brahmanisme, of in het niets zoals in het boeddhisme. Eeuwigheid wordt ervaren als een actualiteit zoals in de mystiek, of als een immanente onsterfelijkheid zoals in de Romantiek. Maar hoe je het ook wendt of keert de doodsangst keert altijd op zijn schreden terug. Sterker nog de doodsangst wordt juist in de moderne tijd een pregnant moment in de wereldgeschiedenis dat nog nooit systematisch is onderzocht.

Die constatering vormde voor Beerling aanleiding om het probleem van de doodsangst als onderwerp voor zijn proefschrift te nemen. De moderne tijd lijkt de dood steeds meer te willen ontkennen. De mens leeft in toenemende mate in een afgeschermd wereldbeeld, waarin hij zich afsluit voor wat Jaspers ‘grenssituaties’ heeft genoemd.

In dat perspectief duikt de filosofie van Heidegger met zijn verabsolutering van het eindigheidsconcept opeens op als een reactie op het burgerlijke bewustzijn van de moderne tijd. Het vitalisme en het existentialisme worden door Beerling in elkaars verlengde geplaatst. Er loopt een rechte lijn van Schopenhauer via Nietzsche naar Heidegger en vervolgens naar het nationaalsocialisme. Stelling IX van zijn proefschrift luidt: ‘Een onderzoek is gewenscht naar de invloed van Nietzsche op de nationaalsocialistische ideologie.’

87447564

Over de vraag of Nietzsche‘s ideeën over de Übermensch al of niet van invloed zijn geweest op de verderfelijke ideologie van de nazi’s is in de naoorlogse jaren heel wat gefilosofeerd. Zo boud als Beerling in 1945 zijn mening hierover poneerde wordt nu niet meer over deze kwestie gedacht. Feit is wel dat Beerling zo kort na de oorlog een verrassend heldere analyse gaf van de filosofische problematiek van de moderne tijd.

Ook Vestdijk moet dat begrepen hebben. Angst had hij gekend sinds zijn kinderjaren in Harlingen, toen hij de spoken had zien rondwaren op een schilderij in het trapportaal van zijn ouderlijk huis. Maar na de oorlog kwam de angst bij hem pas echt centraal te staan, toen het Avondland had laten zien dat ook het nihilisme demonisch kon worden. Toen greep de angst om zich heen, als pure angst voor de dood.

Er leek iets grondig mis te zijn met de westerse beschaving die niets meer van de dood leek te willen weten, terwijl overal dood en verderf was gezaaid.  Al voor de oorlog hadden cultuurfilosofen de tijdgeest gepeild zoals een psychiater zijn diagnose stelt bij een geesteszieke patiënt. Al in 1930 publiceerde Sigmund Freud zijn beroemde essay Het onbehagen in de cultuur. Hiermee was in feite de toon van het nieuwe decennium gezet. Jaspers schreef over Die geistige Situation der Zeit (1932), Jung over de Seelenprobleme der Gegenwart (1932). Huizinga schreef In de schaduwen van morgen (1935) en later zijn boek Geschonden wereld (1945).

De waarheid had haar aanspraak op volledige geldigheid verloren doordat ze in de bedding van een tijdstroom was geplaatst. Het was die omwenteling in het denken over zijn en tijd die bij Heidegger zijn hoogtepunt vond, waarvan Huizinga zich afvroeg of zij – al te exclusief opgevat – tot de ondergang van de cultuur zou kunnen inleiden. Het leven richtte zich voortaan geheel op zichzelf. Maar het is de vraag, zo schreef Huizinga in zijn boek In de schaduwen van morgen (1935), ‘of eenige hooge cultuur stand kan houden zonder een zekere mate van oriënteering op den dood.’           

Reageer

Terug in de Saffierstraat

Schermafbeelding 2016-02-09 om 09.47.28

Saffierstraat in de jaren twintig ( foto Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Gisteren was ik weer eens boek kwijt. Dat is een vervelende ervaring, want ik weet dat ik het in huis heb. Ik weet alleen niet waar het staat. Jarenlang heb ik geprobeerd om mijn eigen boekenkast op orde te brengen, maar nooit heb ik een sluitend systeem kunnen vinden. Er zijn altijd weer boeken die niet op een bepaalde plank passen. En als je dan met een nieuwe plank begint, dan blijkt dat er ook weer boeken zijn die eigenlijk op twee of op drie planken tegelijk thuishoren. Een sluitend systeem van ordenen bestaat niet. Titels van boeken hebben altijd een complexe relatie met tal van andere boeken en elke poging om daar een zodanig systeem in aan te brengen, dat een eenduidige ordening in de ruimte mogelijk wordt, is een hopeloze onderneming.

Wat is trouwens een ordening? En wat moet je ordenen? Er is van alles om je heen, waarvan je bij voorbaat denkt dat het van geen belang is. Waarom ligt de kat op de stoel ‘s ochtends en niet op de bank? Waarom is die halve fles wijn op het aanrecht blijven staan? Waarom is de krant half in de brievenbus blijven steken en niet op de grond gevallen? De werkelijkheid zit veel complexer in elkaar dan je geneigd te bent te veronderstellen. Als je alle details om je heen nu eerst eens heel precies in kaart zou brengen, zonder meteen naar een verband te zoeken, dan zou de wereld misschien een stuk duidelijker worden. Beschrijven, beschrijven en nog eens beschrijven. Niet interpreteren, vooral niet interpreteren. Niets is waar, en zelfs dat niet.

Ik moet eens ophouden met al dat problematiseren. Ik moet de dingen gewoon nemen zoals ze zijn. De wereld bestaat uit een zee van tegenstrijdigheden. Als ik niet eens mijn eigen boekenkast op orde kan brengen, hoe zou het dan ooit lukken om een sluitend systeem voor de wereld te bedenken? Waarom zou ik niet gewoon gaan zitten luieren? Denken is het bijeengaren van een onafzienbare hoop minutieuze en nauwkeurige constateringen waar geen mens op zit te wachten. Kortom, de wereld heeft geen zin en het is onzin om nog langer naar een zin te zoeken. Ik denk wel eens, waar ben ik in godsnaam mee bezig. De kattenbak moet verschoond en de krant ligt nog ongelezen op tafel.

Laat ik maar weer eens teruggaan naar een straat in Amsterdam, want dat schept enige orde in mijn gedachten die telkens weer afdwalen in onzinnige redeneringen. Saffierstraat nummer 109 éénhoog, dat was mijn laatste woonadres in Amsterdam. Ik woonde in deze straat van augustus 1976 tot augustus 1977. Op de bovenstaande ansichtkaart is rechts op de eerste verdieping het raam te zien waar ik naar buiten keek. Je had uitzicht op de Jozef Israëlskade, want het is bijna een hoekhuis. In een vergelijkbaar hoekhuis woonde Gerard Reve, toen hij De avonden schreef. Dat huis van Reve staat zo’n 50 meter verderop, op de hoek van de Jozef Israëlskade en de Diamanstraat. Daar is ook de regenpijp te zien, waar Frits van Egters op het einde van De avonden pissend het nieuwe jaar 1947 inluidde, het jaar waarin ik geboren ben:

“Eerst pissen,” mompelde hij, liep naar de muur en waterde tegen een gootpijp. Steeds meer sirenes en fluiten mengden zich in het geraas. Terwijl hij zijn gulp sloot, keek hij omhoog. Midden aan de hemel was in de bewolking een open plek, waar de sterren helder schitterden.”

Hier heeft Reve dus naar de sterren gekeken en ‘het is niet onopgemerkt gebleven’. Misschien keek hij ook wel naar de architectuur, hoewel dat vaak het laatste is wat je ontdekt, als het je eigen buurt is. Het laatste wat een vis ontdekt is het water waarin hij zwemt.

Hoe dan ook, architectonisch gezien is het een hele mooie buurt, de Diamantbuurt. Misschien wel de mooiste buurt van Nederland. Alleen om te wonen was het zo’n jaar of wat geleden een stuk minder geworden. In 2004 moest een jong echtpaar, dat op het Smaragdplein woonde, halsoverkop hun huis verlaten, nadat ze waren weggepest door Marokkaanse jongeren die ’s avonds voor het badhuis op het plein rondhingen.

Als klap op de vuurpijl kwam daar een paar jaar later de affaire met het kinderdagverblijf Het Hofnarretje daar nog over heen. Het Hofnarretje, dat tegenwoordig De Vlinderhof heet, bevindt zich op de rand van de Diamantbuurt, aan de Van Woustraat, maar er is ook een dependance op het Smaragdplein. Op dat plein rust dus geen zegen.

Als je van vanuit het Smaragdplein doorloopt in de Saffierstraat, kom je uiteindelijk bij de Lutmastraat. Daar bevond zich de Grafische School waar Reve in de oorlogsjaren een opleiding volgde, nadat hij was blijven zitten in de vierde klas van het Vossiusgymnasium. In het gebouw van Grafische School zijn tegenwoordig ateliers voor kunstenaars gevestigd. In 2004 ben ik daar nog eens geweest, op atelierbezoek bij Angèle Etoundi Essamba.

Overigens had Reve het op die Grafische School in de Lutmastraat niet zo naar zijn zin. In een driftbui gooide hij een medeleerling een metalen tekenhaak naar het hoofd. Daarna liep hij van school weg en deed zelfs een wat knullige zelfmoordpoging door van de brug af te springen in het Noorder-Amstelkanaal. Hoe kun je zo zelfmoord plegen, als je zelf kunt zwemmen? Het moet eerder een noodsignaal zijn geweest.

Hoe dan ook, die brug staat niet op de foto’s boven. Je komt er, als je naar rechts loopt en dan vijftig meter naar links gaat. Dan ben je ook bij de Amstel, ‘de rivier’, zoals hij in De avonden heet. Ik ben er talloze malen langsgelopen zonder te weten wat zich hier allemaal heeft afgespeeld. In de jaren zeventig had ik niets met Reve. Zelfs De avonden had ik nog niet gelezen, toen ik in de Saffierstaat woonde. Dat boek las ik pas in 2004.

De indeling van ons huis in de Saffierstraat was grotendeels gelijk aan het huis van de familie Van het Reve. Alleen hadden wij geen tweede verdieping destijds voor de slaapkamers. Bij Reve thuis hadden ze dat wel. Hun huis was dus twee keer zo groot. Op de bovenste verdieping was bij ons een zolder die vroeger – net als in De avonden – voor de opslag van kolen had gediend. Maar daar mochten we niet komen, omdat de buurvrouw daaronder een solarium aan het plafond had bevestigd.

Ze was bang dat dit naar beneden kwam, als wij op zolder liepen. We hebben maar een jaar in de Saffierstraat gewoond. De buurt zou weldra gerenoveerd worden, dus we hadden er toch uit gemoeten. Het was een kleine maar gezellige woning, zonder douche helaas. Daarvoor moest je naar het badhuis op het Smaragdplein, dat destijds nog in de oorspronkelijke staat in functie was.

unnamed1

Vensterbank aan de achterkant van Saffiersrtraat 109, 1976

De kamers van het huis waren wat donker. Dat kwam vooral door de hoge vensterbanken. Er wordt wel eens beweerd dat deze destijds bewust zo hoog gemaakt waren, om de arbeiders te beletten om de hele dag bij het raam naar buiten te hangen. De architect van deze woningen was Jop van Epen. Zijn huizen hadden markante bakstenen gevels en de kozijnen waren in typerende kleuren donkergroen en donkergeel geschilderd. Deze zogeheten ‘Amsterdamse School- woningen’ uit de jaren twintig waren destijds gebouwd als ‘paleizen voor de arbeiders’, maar in 1977 waren ze nodig aan een opknapbeurt toe.

We gingen destijds naar de Openbare Bibliotheek (voorheen Openbare Leeszaal) aan het Coöperatiehof, waar ook Reve zijn boeken moeten hebben geleend. Niet ver daarvandaan is het Therèse Schwartzeplein. Dat is een van de mooiste pleinen van Amsterdam.

In 1991 heb ik al die Amsterdamse-School-buurten nog eens bezocht, toen ik bezig was met een boekje over jonge bouwkunst in Friesland voor de Stichting Monument van de Maand. Ook de prachtige gebouwen van Michel de Klerk in de Spaarndammerbuurt, die zo mogelijk nog spectaculairder zijn dan wat in de Diamantbuurt en P. L. Takbuurt aan Amsterdamse-School-architectuur is te zien.

Onze bovenbuurman in de Saffiertraat, mijnheer Evenhuis, woonde er al sinds het eind van de jaren twintig. Evenals de familie Van het Reve had hij eerder in Betondorp gewoond, waar onze de Algemene Woningbouwvereniging ook veel woningen had, evenals De Dageraad en Eigen Haard. Mijnheer Evenhuis was weduwnaar. Zijn vrouw was al jaren daarvoor met de fiets verongelukt in de Van Woustraat. Zelf had hij het Nederlands elftal nog zien voetballen bij de Olympische Spelen in 1928, waar hij ook de legendarische speler van Uruguay, José Andrade, nog met eigen ogen had gezien. De familie Van het Reve, die in 1939 om de hoek kwam wonen, moet mijnheer Evenhuis ook zeker gekend hebben, maar ik heb hem er nooit naar gevraagd.

Toen we weggingen uit de Saffierstraat, in augustus 1977,  heerste er een hittegolf in Amsterdam. De rieten mat op de vloer hebben we laten liggen met als gevolg dat er een vlooienplaag uitbrak in het door ons verlaten huis. Meneer Evenhuis heeft toen de hele woning laten ontsmetten door de woningbouwvereniging, waardoor wij de borgsom voor onze huur op onze buik konden schrijven. Dat was het laatste wat ik me nog herinner van de Saffierstraat. Adieu Amsterdam… non je ne regrette rien.

Geen reactie mogelijk

Terug naar het Scheldeplein

Schermafbeelding 2016-02-08 om 12.02.14

Scheldeplein, eind jaren vijftig (foto Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Scheldeplein, Amsterdam. De nieuwe RAI staat er nog niet. Ik sta voor garage waar de halte is van de bus. DODGE staat er te lezen op de gevel. Als ik me omdraai kijk ik uit over het eindeloze opgespoten land met in de verte de opgehoogde spoordijk die daar in de jaren dertig is aangelegd. Ik loop door en merk dat ik op weg ben naar een begrafenis. Theo Eerdmans, de beroemde quizmaster, blijkt te zijn overleden. Gaandeweg kom ik er achter dat hij niet zomaar dood is gegaan. Hij is vermoord. De familie is in tranen. Ik ga naar binnen en bevind me plotseling vlakbij de kist. Er klinkt muziek. Het is de negende symfonie van Beethoven. ‘Alle Menschen werden Brüder’ schalt het door de ruimte van een grote koepelzaal. Een stoet mannen in zwarte pakken komt langzaam in beweging. Ze dragen een pop bij zich die aan een galg hangt. Ik voel een enorme aandrang om te gaan huilen en geef me daar vervolgens schaamteloos aan over. Geheel opgelucht word ik wakker.

Vreemd. Alweer de dood in mijn droom vannacht. Ik ken niemand in mijn naaste omgeving die ooit vermoord is. Gisteren aan tafel heb ik wel een gesprek gevoerd over de vraag waarom mensen tegenwoordig zoveel belang hechten aan hun eigen begrafenis. De regie neemt men meestal zelf vooraf in handen. De gang van zaken wordt nauwgezet uitgestippeld. Het drukwerk is keurig verzorgd met afgewogen teksten. De muziek is prachtig en getuigt van goede smaak. Als er geen leven meer is na de dood, worden de rituelen rondom de dood blijkbaar heel belangrijk.

Je wilt niet weten wat ze tegenwoordig allemaal met de as van een geliefde dode doen. De eigen begrafenis wordt zo het meest ultieme, individuele expressiemiddel. De dood wordt een uiting van lifestyle. Voor mij hoeft dat niet zo nodig. Ik kan mij ook moeilijk een voorstelling maken van mijn eigen begrafenis. Geen muziek en geen bloemen, dat lijkt me nog het beste. En zeker geen sprekers. Ik moet er niet aan denken. Voor mij is niet zozeer de dood onbelangrijk, als wel het leven zelf. Zo heb ik het altijd geleerd.

De cultus van de begraafplaats werd bij ons thuis vroeger als een soort heidens ritueel beschouwd. Wie dood ging vertrok naar elders. De vogel was voor eeuwig gevlogen. Het lichaam was slechts een schamele behuizing, zoals het leven niet meer was dan een overnachting in een slechte herberg. Ook nu alle religieuze rimram eromheen is weggevallen, is bij mij het besef blijven bestaan dat het leven er eigenlijk niet zo veel toe doet.

Het laatste hemd heeft geen zakken. Je wordt naakt geboren en je gaat naakt de kist in. Het leven is een zeepbel die zomaar uit elkaar kan spatten. Een droom die wegvliegt in de nacht, meer is het niet. Het oneindige wordt in de dood hersteld, doordat het eindige, dat door de geboorte in werking trad, wederom buiten werking wordt gesteld.

Waarom wordt er tegenwoordig zo weinig nagedacht over de dood? De dood wordt doorgaans  afgedaan al iets ongrijpbaars waar niets over te zeggen valt. Het leven is ervaarbaar maar de dood is dat niet. Zekerheid omtrent de dood of wat daarna komt is voor een mens onmogelijk. Geen enkele innerlijke evidentie daaromtrent kan op een andere voorstelling de overhand nemen. Toch zijn er heel wat mensen die hierover met stelligheid een mening hebben. Zij menen iets te weten over het grote ‘niets’ dat ons te wachten staat. Of over het mogelijke iets, wat dat ook moge zijn.

Niets weten we over de dood en toch kent de angst voor de dood geen grenzen. Ook een dier kent doodsangst, maar daar blijft het bij. Alleen de mens kan de dood voor zich uit werpen en tot een voorstelling maken. Maar alle menselijke voorstellingen over de dood ontspruiten aan het leven zelf. Het leven is impliciet aanwezig in elk metafysisch idee over de dood.

De dood is de schaduw van het leven, een fenomeen dat daar nooit los van komt. Toch is het discours over de dood in onze tijd aan het verdwijnen. Onderwijl dient een vreemde paradox zich aan, nu we niet meer nadenken over de dood. Hoe doder de dood wordt, des te ondenkbaarder wordt de gedachte dat de dood niets anders kan zijn dan dat.

Ik weet het, ik dwaal af. Laten we terugkeren naar het Scheldeplein, want daar was ik in mijn droom vannacht. Het was 1959. In Eindhoven liep het eerste Dafje van de lopende band. Op het Spui in Amsterdam werd Het Lieverdje onthuld. Teddy Scholten won het Eurovisiesongfestival met Een beetje. Elvis Presley zat in militaire dienst. Kennedy was nog geen president en we hadden nog geen man op de maan. Maar er stonden wel olifanten op het Scheldeplein. Tenminste, dat geloof ik. ’s middags voetbalde ik wel eens op die grote, onbebouwde vlakte tot aan de horizon.

Heel in de verte zie ik me daar nog lopen als jongen onder een leeg hemelgewelf. Ooit scoorde ik hier op een vrije woensdagmiddag het winnende doelpunt in een wedstrijd tegen het elftal van klas 5B van de Peetersschool. Maar Gertie Pappot was beter dan ik. Hij woonde in de Deurloostraat vlak achter de garage, evenwijdig aan de Geulstraat, waar in die tijd ook Willem Jan Otten woonde. In zijn boek Onze Lieve Vrouwe van de Schemering (2009) schreef hij het volgende .

‘We schrijven de ondoorgrondelijke voortijd van onze 
beschaving, toen er in elke straat maar één televisietoestel stond 
waarop maar één programma te zien was. Ik was zeven en had 
mij, tegen het uitdrukkelijk verbod van mijn moeder in, aan 
een tocht de Scheldestraat over gewaagd, over de brede vluchtheuvel waarop de patat-fritestent stond, over het uitgestrekte, 
braakliggende terrein dat het Landje werd genoemd – en waar 
een jaar later de bouw zou beginnen van een uitdijend, glazen 
heelal dat thans de RAI heet -, en ten slotte was ik daar beland
 waar ik al helemaal niet geacht werd te zijn: in een moerassig 
areaal aan de voet van de Ringdijk. Deze dijk was, gezien vanuit 
ons huis in de Geulstraat, het einde van mijn wereld, daar waar 
de wolkenpartijen begonnen. Toen ik de dijk had beklommen 
zag ik in de diepte, tussen de lage bosjes, olifanten. Vier of vijf olifanten.’

Willem Jan Otten publiceerde in 1999 Het wonder van de losse olifanten, een rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie. Op die rede is het verhaal gebaseerd dat hij tien jaar later publiceerde in Onze Lieve Vrouwe van de Schemering. De olifanten, zo blijkt later uit zijn verhaal, waren van het Circus Sarrasani, die daar zijn tenten had opgeslagen. Niemand wilde hem geloven, behalve juffrouw Ruiter die op school vertelde dat ze met de hele klas naar het circus zouden gaan.

Het is de opmaat voor een verhandeling over het verschil tussen geloven en weten. Juffrouw Ruiter geloofde hem, omdat ze wist dat het waar was wat hij zei. Geloven is niet hetzelfde als iets voor waar aannemen. Zoals een gedicht een openbaar geheim is, een manier om iets niet te begrijpen en het toch te zeggen, zo is het ook met geloven. Religie en poëzie hebben volgens Otten veel met elkaar gemeen. Ze zijn het convex en concaaf van dezelfde lens.

Kijk, zo mag ik het horen. Willem Jan Otten gelooft er nog in. Sterker nog: hij gelooft! Geloof, geloof… wat is dat toch? Zelf ben ik er niet zo sterk in. Sterker nog, ik heb mijn geloof al lang geleden verloren. Maar hoe gek het ook klinkt, ik geloof in mensen die nog ergens in geloven, zolang het maar zoiets blijft als poëzie. Religie en poëzie: convex en concaaf van dezelfde lens.

SFA008010987

Optocht van olifanten van Circus Sarrasani door de straten van Amsterdam (foto: Beeldbank Nationaal Archief))

In 2014 kreeg Willem Jan Otten de P.C. Hooftprijs toegekend voor zijn beschouwend proza. Terecht vond ik, want door de jaren heen heb ik alleen maar beschouwend proza van hem gelezen. Zijn gedichten, romans en toneelstukken zijn aan mij voorbijgegaan, en dat kan geen toeval zijn denk ik dan. Evenals Gerard Reve bekeerde Willem Jan Otten zich tot het katholieke geloof. Willem Jan Otten bekeerde zich al in 1999. Dat deed hij enige tijd nadat zijn echtgenote hetzelfde had gedaan.

Zo hoort dat in een goed huwelijk, want ‘twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen,’ zei mijn moeder zaliger altijd. En mijn moeder kon het weten want ze ging rechtstreeks naar de hemel. Dat zei ze zelf altijd. Ze was er heilig van overtuigd. Ik vermoed ook dat ze daar gelijk in had, want mijn moeder kon nog echt geloven.

Die fraaie passage over de olifanten op het het braakliggend terrein bij het Scheldeplein heb ik gisteren nog eens opgezocht. Die woorden hebben zich inmiddels vermengd met mijn droom. Ik denk dat ook Willem Jan Otten nog wel eens droomt van het Scheldeplein.

Geen reactie mogelijk

Terug naar het Frederiksplein

Schermafbeelding 2016-02-07 om 12.45.37

André van der Linden aan het werk op het Frederiksplein, 28 maart 1971 (foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Terug naar Amsterdam. Ik heb wel eens met gedachte gespeeld om dat te doen. Maar er was toch altijd iets dat mij ervan weerhield. In al die jaren die achter me liggen ben ik te zeer met Friesland vergroeid geraakt. Ik heb mijn wortels inmiddels hier in de grond. Hier heb ik mijn netwerk van mensen die ik ken. In Amsterdam ken ik eigenlijk niemand meer. Amsterdam is een stad voor de achterblijvers, niet voor mensen die terugkeren. Hoewel ik geen heimwee heb naar Amsterdam, droom ook ik er nog wel eens van om zondagochtend in de tram te zitten. Leeuwarden op zondagochtend is immers het toppunt van treurigheid. Hoe vaak heb ik niet gedacht aan de woorden van Leo Vroman uit zijn gedicht Indian Summer:

Neen, zelfs tastend om heide en strand,
– en al sluit ik krampachtig de oren
om nog Hollandse stormen te horen –
heb ik toch liever heimwee dan Holland.

Dat hybride gevoel herken ik. Al sterf ik van heimwee naar het geluid van een Amsterdamse tram, toch heb ik liever heimwee dan Amsterdam.

Het afgelopen jaar twee jaar ben ik druk bezig geweest een boek te schrijven over Friesland in de jaren zestig. Het wilde eerst maar niet lukken. Ik had honderden bladzijden op papier staan, maar dan heb je nog geen boek. Het gaat om het grote idee, het basisconcept waardoor alles opeens op zijn plaats valt. Ik ben altijd geneigd om die basale gedachte te dicht bij mezelf te zoeken. Iets wat in mijn eigen herinnering aanwezig is en wat mij mee kan voeren, terug in het verleden. Schrijven is altijd een manier om je eigen verleden, dat je bent kwijtgeraakt, weer terug te vinden en in ere te herstellen.

Nostalgie is voor mij een belangrijke drijfveer bij het schrijven. Ik zou willen schrijven als Walter Benjamin over een verleden dat er niet meer is in de passages van Parijs, maar waarvan de restanten nog in het heden zichtbaar zijn. Maar het Friesland van de jaren zestig vind ik niet terug op de kaart van mijn eigen geheugen. In Friesland rijden geen trams. In een tram kun je half dagdromend naar buiten kijken en je gedachten laten weg dwalen. Vanachter het glas lijken de mensen op straat te zwemmen in een groot aquarium, alsof je bewustzijn is ondergedompeld in het brein van de stad.

Ik zou willen schrijven over gebouwen die er niet meer zijn, maar in mijn geheugen nog overeind staan. Maar ook over gebouwen die er nog staan, maar die je in je geheugen kunt laten verdwijnen, omdat ze er ooit niet hebben gestaan. De Nederlandse Bank op het Frederiksplein bijvoorbeeld. Als jongen heb die kantoorkolos nog gebouwd zien worden. Dat was begin jaren zestig, toen de nieuwe Hortusbrug werd aangelegd en tramlijn 9 omreed door de Roeterstraat en zo via de het Frederiksplein de Utrechtse straat door reed. Daarvoor stond hier een ruïne: de restanten van het Paleis van Volksvlijt, dat in 1929 is afgebrand.

Ik zou willen schrijven over mijn herinneringen aan deze wonderlijke plek. Ik zie de duistere gaanderijen nog, een passage waar je doorheen kon lopen, met een enkele winkel die nog open was, maar de meesten waren al jaren gesloten. Gerard Reve heeft hier nog boven gewoond. Er bestaan fraaie foto’s van hem, waarop hij samen met Willem Frederik Hermans balanceert in de dakgoot en ligt te zonnebaden op het leien dak van de gaanderij. Er wordt wel eens beweerd dat het dichters verboden moet worden om gelukkig te zijn.

Ze functioneren het best in een stad, waarin ze zich een displaced person voelen. Het is niet alleen de architectuur, die dan emoties oproept, maar ook de emotie die de architectuur aangrijpt om zichzelf te verbeelden. De wisselwerking van werkelijkheid en onwerkelijkheid op het snijvlak van woorden krijgt een eigenaardig effect bij het noemen van een straatnaam. Maar de straatnamen van Leeuwarden blijven leeg voor mij. Ze resoneren niet in mijn geheugen. In deze stad kan ik niet dwalen, niet door de straten, laat staan in mijn gedachten.

We schrijven maart 1971, als op het Frederiksplein in 
Amsterdam een kunstenaar een dode acacia
boom omtovert tot een kleurrijk kunstwerk. 
Het beeld krijgt de veelzeggende titel: 
’Monument voor een gesneuvelde boom’. De· 
gemeente heeft de kunstenaar officieel toestemming gegeven voor deze openbare ‘happening’, nadat de politie hem eerder een proces 
verbaal had bezorgd, toen hij zonder vergunning een dode iep in de De Laraissestraat op vergelijkbare wijze kunstzinnig wilde bewerken.

In die roerige jaren van kabouter wordende 
provo’s en Tolkien lezende natuurfreaken leek deze monumentale vorm van ‘boom-kunst’ 
heel eventjes een tijdsbeeld te gaan worden; 
een symbool bijna van ontluikend milieubewustzijn en maatschappelijk bevlogen kunstenaarsacties. De kunstenaar in kwestie haalde er 
in ieder geval de landelijke pers mee.

Eerder al, in 1965, had Karel Appel een dode boom met felle Cobra-kleuren beschilderd in het Vondelpark. Dat was ter gelegenheid van het 100-jaarig bestaan van het Vondelpark, toen daar een grootscheepse vlootschouw  van de moderne beeldhouwkunst was te zien. Ik kan me dat nog goed herinneren omdat ik daar als 17-jarige scholier heel wat foto’s heb gemaakt met mijn pas aangeschafte Werra-camera.

Vooral de reuzenstoel van Wim T. Schipper is in mijn geheugen blijven hangen. Ik dwaalde in die dagen vaak zomaar wat rond in het Vondelpark. Soms viel ik op een bankje in slaap tijdens een uur dat de les op school was uitgevallen. Ik herinner me nog een keer dat ik me bij de rector, Pater Mercx SJ, moest verantwoorden omdat ik op deze wijze de volgende les had gemist. Ik hoor het hem nog zeggen: ‘Een gezonde jongen valt niet in slaap.’

Het toeval wil dat ik in 1971 dagelijks met mijn 
fiets datzelfde Frederiksplein passeerde. De 
bomen-hakkende beeldhouwer zag ik dus lang
zaam zijn vorderingen maken. Het was een 
ongemeen strenge  winter geweest dat jaar en het voorjaar wilde maar niet komen. Ik had dan 
ook een beetje met deze hakkende man te 
doen, als ik hem zo bezig zag met een dikke ijs
muts op het hoofd en een pluim van kou 
uit de mond. Als eerstejaars student kunstgeschiedenis raak
te ik tegelijk onder de indruk van de ontberin
gen, die deze kunstenaar zich zelf aandeed. De 
hakkende man leek me het toonbeeld te zijn 
van een échte kunstenaar, verdwaald uit de 
oertijd. Wat je noemt een natuurtalent, zomaar 
in het wild aangetroffen in de jungle van de 
grote stad.

Sterker nog, was hier de natuur niet bij uitstek 
de leermeester van de kunst? ‘Natura artis 
magistra‘, stond immers op de gevel van Artis 
gebeiteld, met even verderop – verscholen ach
ter het hek- die cementen beelden van een 
brontosaurus en stegosaurus. Het was duidelijk, deze oerkunstenaar had voor mij een hoog Flinstone-gehalte. Zijn naam kende ik toen nog niet.

Een paar jaar later, in 1977, zou ik hem in Friesland leren kennen als André van der Linden. En weer jaren daarna, in 1989, opende ik een tentoonstelling van hem in Museum Aemstelle aan de Amsterdamseweg in Amstelveen. Plaatsnamen, straatnamen… dagen, weken, maanden jaren vlogen als een schaduw heen.

Even verderop werd op 9 oktober 1970 ter herinnering aan Anthony Winkler Prins (1817-1908) ter gelegenheid van honderd jaar Winkler Prins encyclopedie een beeld opgericht dat in de volksmond ‘de knakenpaal’ zou gaan heten, omdat het kunstwerk verdacht veel leek op een stapeling munten, zeker in de directe nabijheid van de Nederlandse Bank.

Voordat de Euro werd ingevoerd was ‘knaak’ de bijnaam van de rijksdaalder, het twee-en-een-half- guldenstuk. Het Frederiksplein was een wonderlijk kruispunt in de stad, een plek waarvan de genius loci werd bepaald door een cocktail van monetaire associaties en heimwee naar de tijd van het Paleis van Volksvlijt. De knakenpaal van André Volten was de absolute tegenpool van de beschilderde boomstam van André van der Linden. De naar de hemel gerichte ratio tegenover de natuur die dood was aangetroffen. Het was de spagaat van het modernisme die hier onbedoeld in beeld leek gebracht. De vlucht vooruit naar een toekomst die tot ongekende hoogten zou reiken tegenover de nostalgie naar de  vergeten natuur met zijn trollen, kobolden en tuinkabouters.

In de jaren negentig heeft Wim T. Schippers actie gevoerd om het bankgebouw op het Frederiksplein af te breken en daarvoor in de plaats het oude Paleis van Volksvlijt exact na te bouwen in de oorspronkelijke staat. Hij kreeg weinig bijval voor dit idee. Het is ook erg on-Nederlands. Wij houden niet van valse historische sentimenten, om over replica’s van gebouwen maar te zwijgen. In heel Nederland is ook geen enkele ruïne te vinden, die van Valkenburg niet meegerekend.

Architectuur en nostalgie gaan in dit kikkerlandje niet samen. En toch word ik soms overvallen door een diep gevoel van heimwee naar een gebouw dat er niet meer is. Ik heb heimwee naar nooit gebouwde steden, naar een toekomst die er had moeten komen, maar die nooit gerealiseerd is. Eerlijk gezegd is het gebouw van de Nederlandse Bank op het Frederiksplein de ideale verbeelding van dat onmogelijke verlangen. Het is een gebouw dat er nooit had moeten komen, maar nu het er eenmaal is, mag het wat mij betreft ook nooit meer verdwijnen.

Vorig jaar fietste ik nog over het Frederiksplein. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en wilde zien hoe de boom van André van der Linden erbij zou staan na al die jaren dat ik hier niet meer geweest was. Hij staat er nog in volle glorie, alsof hij er altijd heeft gestaan en nooit meer geveld zal worden. Het is een dode boom die door de kunst een tweede leven heeft gekregen. Dat is het. Heimwee is een dode boom die voortleeft in de herinnering. Poëzie is heimwee.

Ergens in het verleden is de ruimte van Amsterdam voor mij opgehouden om met mij mee te groeien in de tijd. Vanaf dat moment is die ruimte naar binnen geslagen als een voortwoekerend proces dat niets meer met de werkelijkheid van doen heeft. Heimwee is een luchtspiegeling, een fata morgana die niet bestaat. En toch, liever heimwee dan Amsterdam.

Zie ook: Monument voor en te jong gevallen boom.

12 Reacties

Terug naar de Ceintuurbaan

Schermafbeelding 2016-02-06 om 22.44.02

Decoratie aan de gevel van het Ceintuur Theater aan de Ceintuurbaan ( foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Jaap de Hoop Scheffer was een vroege leerling. Ik was een late leerling, want ik ben 4 maanden en twee dagen ouder dan hij. We waren klasgenoten van 1961 tot 1964. Op 3 april 1962 werd Jaap 14 en waren Nard Loonen, Hugo van den Hombergh en ik uitgenodigd voor het verjaardagspartijtje van Jaap.  We zouden die dag naar het Ceintuur Theater gaan, waar de film De Kanonnen van Navarone werd vertoond. Maar die film was ‘boven de veertien’, zoals zo veel films in die dagen. Ondanks het feit dat wij vergezeld werden door de vader van Jaap, mocht hij er niet in. De kassière wilde niet geloven, dat Jaap – die nogal klein van stuk was – al veertien was. Al praatte de vader als Brugman, de kassière bleef onvermurwbaar. Pas een week later – toen Jaap inmiddels een paspoort had – mochten wij naar binnen.

Achteraf denk ik wel eens, dat dit een traumatisch gebeuren moet zijn geweest voor de kleine Jaap. Mede gezien het feit dat het om een oorlogsfilm ging, waarin geavanceerd wapentuig een hoofdrol speelde, kan dit trauma mogelijk een beslissende invloed hebben gehad op zijn latere ambitie om secretaris-generaal van de NAVO te worden, waar de kleine Jaap wonderwel in slaagde. Niemand van zijn klasgenoten heeft zijn glansrijke carrière destijds zien aankomen. Jaap was beslist geen bolleboos. Bij de overgang naar de vierde klas bleef Jaap zitten, maar dat overkwam zowat de halve klas dat jaar. Het was één grote keet-sfeer en bovendien gierden de hormonen bij ons allemaal door het lijf.

In het Ceintuur Theater zag ik als ik in die tijd ook de trailer van Et dieu créa la femme, een film die ‘boven de achttien’ was. Het was of er een wereld voor me open ging. Vooral de scène met Brigitte Bardot aan het strand stond in mijn brein gegrift. De films met  B.B hadden dat toch trouwens. Ze bleven hangen in de duistere spelonken van het onbewuste. God schiep de vrouw op het scherm van de bioscoop. Daar daalden de film af in het broeinest van de verbeelding. Of beter gezegd, de trailers van die films, want toen ik eenmaal oud genoeg was, waren die films zelf al uit de bioscoop verdwenen. Die trailers waren tergend voor het oog, vooral om wat je niet te zien kreeg. In die zin waren ze veel spannender dan de meest expliciete seksfilm uit de jaren zeventig.

Naast de officiële filmkeuring , die werd uitgevoerd door de Centrale Commissie filmkeuring (CCF) had je ook nog de Katholieke Film Centrale (KFC). De KFC verzorgde tot 1968 een eigen katholieke filmkeuring. Daarbij werden strengere criteria gehanteerd met name voor de erotische scènes.  Dat was zwaar balen natuurlijk. Als weetgierige katholieke jongen voelde ik mij in dit opzicht altijd een beetje gediscrimineerd. Bovendien werd door de KFC ook nog een aparte categorie bestempeld als uitsluitend voor ‘geestelijk volwassenen’. Dat waren natuurlijk de meest spannende films, vooral voor geestelijk onvolwassenen.

Die erotische herinneringen aan de films in het Ceintuur Theater zijn diep in mijn reptielenbrein ingebrand en daar verweven geraakt met mijn herinneringen aan mijn vorderingen in het latijn zoals die oude, dode taal mij op het Ignatiuscollege werd bijgebracht. Het waren de jaren van formules en vervoegingen, van Rosa, Rosa, Rosae, Rosarum, Rosis, Rosis, maar ook van het Leerboek Tirocinium Latinum, de vierde en geheel herziene druk, uitgeven in 1960 bij Paul Brand in Hilversum. In dat boek heb ik destijds heel wat zitten zwoegen, maar Pater Bremer wees me de weg tussen al die moeilijke vervoegingen in de singularis en de pluralis, de accusativus, genetivus, dativus en ablativus, om maar te zwijgen over de conjectivus plusquamperfectum.

De eerste vervoegingen gebeurden niet met het woord ‘rosa’, zoals in het chanson van Jacques Brel, maar met het woord ‘femina’, want alles begon bij de vrouw, ook bij de paters Jezuïeten: femina, feminae, feminae, feminam, feminae, feminarum, feminis, feminas. Het was het jaar waarin ik veertien werd en dus voor het eerst naar andere films mocht, een film bijvoorbeeld met Brigitte Bardot, waarin ze naakt als Eva rondliep in het paradijs. Nu ik nog eens blader door het boek stijgt een merkwaardige geur naar boven. Ik zie teksten over de Tweede Punische oorlog, over Hannibal en Publius Cornelius Scipio Africanus. Hoe heb ik dat allemaal ooit in mijn kop kunnen stampen?

Al in Exercitium V werd een tekst behandeld die pater Bremer destijds met verve voordroeg voor de klas. Het ging over de Latijnse school, die geleid werd door een leraar die een Griek was en bovendien slaaf. De kinderen moesten stil zijn en naar hem luisteren. Ook deze tekst heb ik zelf destijds uit het hoofd moeten leren, maar ik moet nu het boek erbij hebben, om de slotregels nog uit dat verre verleden op te kunnen diepen. ’Saepe magistrum rogant: “Quare cotidie in scholam venire debimus domine?” Tunc magister pueris respondet: “Non scolae, sed vitae discimus pueri.”’

Vaak vroegen zij de leraar: Waarom moeten wij elke dag naar school komen, meester.’ Toen antwoordde de meester aan de jongens: ‘Wij leren niet voor de school, maar voor het leven.

Ja ja kom er maar eens om, dat echte leven moest nog komen. Pater Bremer was ook de regisseur van het toneelstuk de Menaechmi, dat wij in 1962 met klas 2B op een klassenavond hebben opgevoerd. Pater Bremer was toen nog een jonge pater Jezuïet en leraar klassieke talen. Een lange, rijzige gestalte met een heel hoog voorhoofd en een kaarsrechte rug. Trots en onverstoorbaar keek hij de wereld in. De wereld die nog voor ons lag. We moesten van hem altijd hele stukken Latijn uit ons hoofd leren. Het mooie was, dat hij dat zelf ook vaak deed en de tekst dan foutloos voor ons allen voordroeg. Goed voorbeeld doet volgen. Ook onze rol in het toneelstuk de Menaechmi moesten wij in het Latijn uit het hoofd kennen.

Als je goed leren kon, was dat voor de Jezuïeten niet iets om trots op te zijn. Het hoorde erbij en het schiep zelfs een extra verantwoordelijkheid, waar je ook voortdurend op gewezen werd. Pater Bremer vond dat ik De Bello Gallico van Julius Caesar maar eens uit het hoofd moest gaan leren, want als je goed was in Latijn dan moest je dat ook laten blijken. Altijd de lat hoger leggen. Er heerste een behoorlijke prestatiecultuur op die school. Excelleren was de norm, maar je hoorde dat heel gewoon te vinden. Talent was een gave van God.

Eigenlijk was het een heel autoritair systeem, bijna militair zelfs. Toch hadden ze alles best goed geregeld, die paters. Ik denk er in ieder geval niet met vervelende gevoelens aan terug. De Jezuïeten hadden ook een slim systeem bedacht om de onderlinge concurrentie in de klas te bevorderen. Na elk trimester werd er voor elk vak een eerste en een tweede prijs (een ‘kaart’) uitgereikt. Dat was een voorbedrukt stukje papier waarop in Latijn stond aangegeven, dat je in dat specifieke vak de beste was geweest.

De eerste kaart was rood gedrukt. De tweede kaart zwart. Aan het eind van het schooljaar werd de beste van elke klas naar voren geroepen tijdens een plechtige bijeenkomst van alle Ignatianen in de aula. Bij die gelegenheid werden door de rector stichtelijke woorden gesproken. Ook werd er gezongen door het schoolkoor en tot besluit werd steevast uit volle borst het Ignatiuslied gezongen.

Het katholicisme, dat mij hier met de paplepel werd ingegoten, had geen lang leven meer voor de boeg. Achteraf denk ik wel eens dat de meeste Jezuïeten het destijds ook niet meer zo zagen zitten, maar – zeker in de eerste jaren – lieten ze daar niets van blijken. Integendeel, ze doceerden en zongen tot meerdere ere van God dat het een lieve lust had. Elke schooldag begon met de vroegmis voor de aanvang van de lessen. In 1960 was de verplichting daarvan net opgeheven, maar er werd nog wel stilzwijgend vanuit gegaan dat je minstens twee keer per week naar de Mis ging voordat de school begon.

Daarna kon je nog even handballen op de cour, je eerste pakje brood opeten en dan de trap op. Vrij kwartier om tien over half elf. Middagpauze van half een tot half twee. Ook dan kon er gebald worden op de cour, met een tennisbal die je voor een dubbeltje kon huren bij de dienstdoende broeder die surveilleerde. Pater prefect (‘de pens’) stond vaak op het bordes en zag dat het allemaal goed was.

Waar zijn ze gebleven die Jezuïeten, Pater Verhofstadt, Pater Mercx, Pater Minderop de half doof was en Pater Lorié die een beetje gestoord was, Pater Hirsch die de functie van ‘minister’ had, zelf dikke sigaren rookte en belast was met de foeragering. En dan had je nog Pater Janssen die Nederlands gaf en aan wie ik  veel te danken heb. Hij ging opeens grijze pakken dragen met een witte boord en was verdwenen voor je het wist. Pater Vrijburg die ging trouwen, net als Huub Oosterhuis. En niet te vergeten Pater Van Kilsdonk, die ik ooit in juni 1969, in een ingezonden brief in de Volkskrant beticht heb van ‘intellectuele prostitutie’.

Ik vertrouwde hem niet met zijn mooie praatjes ’s avond in de kroeg. Dus schreef ik een ingezonden brief die tot mijn verbazing integraal werd geplaatst door de redactie van de Volkskrant. Je behoort tot een kerkgemeenschap en dan onderschrijf je ook alle idioterieën die daarbij horen, of je stapt eruit. Pater Van Kilsdonk deed geen van beide. Hij bleef rooms-katholiek, ondanks zijn felle kritiek op paus, curie en celibaat. Het is kiezen of delen, zo schreef ik. Zo niet, dan maak je jezelf schuldig aan intellectuele prostitutie. Het was voor hem overigens geen reden om het contact met mij te verbreken.

De aardigste leraar op het IG was overigens een vrouw. Ze heette juffrouw Klap. Ik zie nog haar schoolbord voor me, volgeschreven met al die wonderlijke formules van DNA, RNA, aminozuren en ribosomen, een wereld van doormidden gescheurde wenteltrappetjes, die weer pasten op andere wenteltrappetjes en door boodschappers met geheime codes precies op de plek werden gebracht waar zij thuishoorden in die moleculaire bouwdoos die wij angstvallig ’mens’ blijven noemen.

Ik zie die juffrouw Klap weer voor me. Ze gaf biologie in klas 6B, in de herfst van 1965 – 12 jaar na de eerste ontdekking van de DNA dubbelhelix door Watson en Crick. Als een lieftallige gids leidde ze ons rond door het mausoleum van de moleculaire formules. Als zij de naam oplas van degene die voor het bord moest komen – noemde zijn altijd de naam van iemand die precies op die dag afwezig bleek te zijn. Elke keer weer, alsof zij het wist en toch niet kon weten, want ze had niet eens in het rond gekeken in de klas. Ze prikte zomaar een naam. Juffrouw Klap dus, had kennelijk nog weet van een oud vermogen dat schuil gaat in de mens: de sensus naturae. Ze zei eens zomaar op een dag:

’Jullie zullen het beleven, ze zullen mensen gaan maken uit moleculen. Maar wat er ook gebeurt, onthoudt wat ik nu zeg. Een mens is geen machine. We hebben een ziel. Wat ze ook doen, we hebben een ziel!’

Ik dacht vandaag aan een gebeurtenis jaren geleden. Ik reed naar huis, de schooltas achterop met snelbinders gebonden op de bagagedrager van mijn fiets. Haast had ik, Hobbemakade op Ceintuurbaan over, en daar, op het kruispunt met de Van Woustraat, was weer een ongeluk gebeurd. De ziekenwagen was al weg. De mensen praatten na. Een jongen was gevallen, zijn handrem haakte achter een staande stang en zo was hij onder dat wiel geraakt van deze zware, rode truck die hier nog aan de kant stond met al die mensen eromheen.

Wie was het? vroeg ik. Toch niet iemand die ik ken? Het was een jongen uit de derde klas, dus niet de mijne. Eén klas hoger zat ik toen, een wereld van verschil. Zijn naam kende ik zelfs niet en ook niet zijn gezicht. Zijn haar was onbestemd van kleur, peper en zout zoals dat heette in die tijd. Ik vloekte, Godverdomme. Ja voor het zelfde geld was ik geplet hier onder dat wiel, mijn ribbenkast gekraakt, het hart voorgoed gebroken. Geen slag die je meer horen kon. De dood komt altijd onverwacht en soms ook wreed, zomaar op woensdag, vrije middag voor de boeg, een leven dat nog voor je ligt. Het licht is grijs geworden nu, al bijna zwart, de avond valt. Straks wordt het nacht.

Reageer