Een stralend middelpunt

Onlangs zag ik op de inmiddels alweer ter ziele gegane zender Het Gesprek in een interview met Harry Mulisch. Hij werd aan de tand gevoeld door Frits Barend. ‘Bent u bang voor de dood?’ werd er gevraagd. Mulisch haalde de pijp uit zijn mond en riep: ‘Bang voor de dood? Hoezo bang voor de dood. De dood is niets en voor niets kun je niet bang zijn. Je kunt hooguit bang zijn om dood te gaan.’ Er verscheen iets van een twinkeling in de ogen van de oude schrijver. Kennelijk was hij zeer tevreden met deze spitsvondigheid.  Misschien had hij ook wel gelijk met die bewering dat de dood niets is. Ik verbaas me er alleen over, hoe iemand die zo helder kan denken, zo’n stellige uitspraak kan doen over een onderwerp, waar geen zinnig woord over te zeggen valt. Of de dood niets is, of niet niets is, daarover wordt nog altijd verschillend gedacht. Toch is het zo, dat niemand, maar dan ook niemand, op deze vraag een antwoord kan geven dat op zekerheid is gebaseerd.

Ik vond de triomfantelijkheid in het antwoord van Mulisch dan ook ongepast. Kort daarop las ik in de NRC een interview met Joke J. Hermsen. Zij schreef onlangs het boek Stil de tijd, een pleidooi voor een langzame toekomst. Ze sprak onder meer over Proust, over de eeuwigheidsglans die hij ervaart bij het genot van een mémoire involuntaire, als hij bij het eten van een madeleine wordt weggevoerd door zijn herinneringen. ‘Dan is hij bevrijd, van die ene tijd, van de kloktijd.’ zo stelde zij. ‘De tijd voelt voor hem eindeloos. Alsof de dood verdwenen is. Henri Bergson was zijn zwager. Het staat ook dicht bij het werk van Ernst Bloch. Voor Bloch was de dood niet het doel van het leven, maar een steeds weer opnieuw beginnen. Ik merk zelf dat mijn gedachten over tijd en het onzichtbare steeds dichter bij de klassieke noties van de ziel komen te staan.’

Hoe komt het dat dit soort tastende woorden op mij veel sympathieker overkomen dat de stelligheid waarmee Mulisch de dood tot niets verklaart? De dood als abstractie is misschien ook wel niets. Maar het is zo veel anders als iemand uit je directe omgeving plotseling overlijdt. Dan denk je meestal niet aan Mulisch, Proust, Bergson of Bloch. Dan denk de aan die specifieke persoon, aan zijn of haar leven, maar vooral aan al het mooie dat is geweest en met zo’n leven opeens verdwijnt. De dood vat het leven van een mens samen tot een beeld dat ontroert. Over de dood als abstractie kun je nadenken en filosoferen. Over de dood van een mens niet. Daarover kun je alleen maar zwijgen. De dood maant dan tot stilte en soms ook tot een wonderlijk gevoel van dankbaarheid dat jij deze bijzondere persoon heb mogen ontmoeten en leren kennen.

Vorige week werd ik opgeschrikt door het bericht dat Rika de Valk plotseling is overleden. Ze werd in haar slaap getroffen door een hersenbloeding op haar geliefde stek in de Dordogne. Gisteren viel de rouwkaart in de bus met een prachtig getekend portret van haar uit 1955. Ik heb Rika leren kennen als  een bijzondere en zachtmoedige vrouw. Ik herinner mij de avonden na een opening in de galerie in Harlingen, die zij samen met Jan de Valk met veel bezieling leidde. Bij zo’n maaltijd, omringd door een kring van gasten, was zij dan een stralend middelpunt. Ik herinner me ook dat prachtige weekend in Kortrijk, deze maand al weer drie jaar geleden. In een oude elektriciteitscentrale was de manifestatie Mijn vlakke land te zien, met kunstenaars en dichters uit Friesland en West Vlaanderen. Ook daar was Rika een stralend middelpunt. Ze was een vrouw met het nadrukkelijke charisma van een onnadrukkelijke aanwezigheid. Morgen zal ik naar Harlingen om afscheid te nemen. Deze week wordt Rika in stilte begraven. Ze is maar 67 jaar geworden.

UPDATE 11.53 uur. Ingezonden foto van Sjoerd S. Osinga: Rika de Valk in Kortrijk, september 2007.

Reageer

Terug in Delft

Gisteren was ik in Delft. Toen ik het station probeerde te verlaten, werd ik overvallen door dezelfde gewaarwording van totale verlatenheid die me onlangs in Arnhem overkwam. Wat een puinbak! Komt dit ooit wel weer goed? zo vroeg ik me ook hier af. Als voetganger kun je nauwelijks de stad inkomen. Je moet je een weg banen over zandpaden en hier en daar fietsers opzij duwen. Het schijnt hier ooit erg mooi te worden, maar aan de omvang van de ravage te zien, vraag me af of ik dat ooit nog mag meemaken. In 1967 heb ik zat een halfjaar in Delft gewoond. Ik studeerde toen bouwkunde aan de TU (toen nog TH)  en had een studentenkamer in een oud huis vlak achter het station. De kamer was zo klein, dat de stoel eerst de deur uit moest voordat het opklapbed naar beneden kon. De hospita wist dan ook precies wanneer ik ging slapen en wanneer ik weer wakker was.

Ik ben toen zelfs nog ontgroend op de ouderwetse manier met kaalgeschoren kop en veel getreiter van ouderejaars, die me aanspraken met het woord ‘feut’. Op de Oude Delft liep ik nog even langs het monumentale pand van de katholieke studentensociëteit Alcuin, van Sanctus Virgilius. Ik kan niet zeggen dat ik werd overstroomd door een vloed van warme herinneringen.  Op weg naar het terrein van de TU, waar ik een afspraak had met Michel van Eeten, kwam ik tot de ontdekking dat het gemeentebestuur van Delft onlangs besloten heeft om tegelijk maar de hele stad overhoop te halen. Ook hier is de Dienst Stadsontwikkeling recentelijk omgedoopt in de dienst Stadsverwarring. Als voetganger was het soms nauwelijks mogelijk om je weg te vervolgen zonder eerst over een hek met gaas te klimmen of een betonblok opzij te schuiven. Delft, ik hoop niet dat ik er ooit nog terug hoef te komen.

zie en luister

1 Reactie

Le Roy lezing door Michel van Eeten

Zie voor nadere informatie bij Stichting Tijd

zie en luister

Reageer

Free at last

Gisteren ben ik niet naar de opening gegaan van Noorderlicht in het Fries Museum. Vrijdagavond ook al niet baan het ‘Fryske Boekefeest’ in Tresoar. Ik had even behoefte om geen kunstsmoelen te zien, en literatuursmoelen al helemaal  niet. De grote winst sinds ik zelfstandig ondernemer ben is dat ik nu zelf kan bepalen of wel ik niet naar dit soort gelegenheden ga. Er is geen sociale verplichting meer en ook geen onbestemd schuldgevoel als ik – om wat voor reden dan ook – besluit dat ik een vermeende verplichting niet na zal komen. Heerlijk die vrijheid, vooral als al die koppen gewoon even zat bent. Vroeger dacht ik wel eens bij mezelf, zal dit allemaal altijd zo blijven? Blijf ik tot mijn laatste snik spreken met mensen die ik eigenlijk helemaal niet wil spreken? Nee dus, de wereld gaat vooruit. Ik bepaald nu helemaal zelf, wat ik leuk vind en wat niet, en dat is een verademing. Ik heb het trouwens altijd al heel leuk gevonden om iets niet te doen, waarvan ik verwacht of geacht werd om het wel te doen. Iets niet doen is eigenlijk heel makkelijk. Soms is het alleen maar een voornemen dat ik besluit om niet uit te voeren. Dat alleen al kan een hele opluchting zijn.

Van de week bijvoorbeeld had ik in de bibliotheek een film gehuurd om thuis op tv te gaan bekijken. Ik heb die film nog steeds niet gezien en misschien zie ik hem wel helemaal niet. Elke avond, dat ik hem niet zie, ervaar ik als een vrije avond. Misschien moet ik dit meer gaan doen. Me dingen voornemen en die vervolgens niet uitvoeren. Het leven wordt dan veel aangenamer. Ik heb opeens weer een goede bui, loop fluitend door het huis en weet, dat ik iets niet hoef. Sterker nog, dat ik helemaal niets hoef. Ik hoef niets, omdat ik niets moet. Van niemand niet. In feite is dat altijd al zo geweest. Maar ik heb nooit geweten dat het zo makkelijk is, om je die vrijheid eigen te maken. Vrijheid is dingen niet doen, waarvan je denkt dat je ze moet doen, en waarvan je je nooit gerealiseerd, wat er gebeuren zou, als je ze niet deed. Wie zei dat ook al weer? Hoe dan ook, hij had gelijk, want er gebeurt dan helemaal niets. De wereld draait gewoon door, als je iets niet doet, waarvan je dacht dat je het moest doen. Soms denk ik wel eens, dat ik mezelf mijn leven lang voor de gek heb gehouden. Gelukkig er is nog hoop. Ik ben op tijd tot bezinning gekomen. Free at last, free at last, free at last…..

zie en luister

3 Reacties

Fan Poalsk bloed

De Mousen komen uit Polen, dat is mij als kind altijd verteld. Ik schreef er eerder over in mijn log Een katholiek uit Friesland. Gisteren ontving ik van mijn oudste zuster de kopie van een artikel, dat in augustus 1958 verscheen in het blad De katholike Fries (jaargang 10, nummer 4). Het is geschreven door mijn grootvader – mijn pake dus – Manus Durk Mous (zie foto). Het verhaal gaat over drie broers die in 1794 meevochten met de Poolse generaal Kosciuszko in een oorlog om het behoud van oude Roomse, Poolse Rijk. Ze werden gevangenen genomen en belandden in een gevangenis in Hongarije. Daar wisten ze te ontvluchten, waarbij een van hen sneuvelde.

De twee overigen ondernamen een barre tocht dwars door Europa, een haast Bijbelse Exodus op weg naar de vrijheid, totdat ze uiteindelijk in Friesland belandden. De oudste broer, ‘Jozep’ geheten, heeft zich daar toen gevestigd, eerst in Wijckel, later in Sloten en uiteindelijk in Bakhuizen. Hij overleed op 10 januari 1849 en ligt begraven op het kerkhof van Mirns. Dat laatste klopt met een stamboom die ik ooit terugvond in een familie-missaal van de Mousen. Daarin  heet hij Jozef Michiel Gersjes. Hij is geboren in 1767 in Jasso in Hongarije.

Ook mijn grootvader noemt die plaats, waarmee waarschijnlijk het huidige Jaslo wordt bedoeld, dat tegenwoordig in het Zuiden van Polen ligt en dus niet (meer) in Hongarije of Tsjchosowakijke, zoals Manus Durk Mous veronderstelde. Als we mijn grootvader mogen geloven, waren de drie broers ook in Polen al Rooms-Katholiek, en niet Joods, zoals ik ook wel heb horen beweren. Jozef Michiel Gersjes kreeg een dochter Evertje Gersjes, die in mei 1833 trouwde met Manus Mous, de zoon van een andere Durk Manus Mous – de grootvader van mijn grootvader. Dat was de zoon van Hermanus Johannes Mous, die in 1781 was geboren en uit het Duitse Oldenburg afkomstig was. Volgens de stamboom uit het familie-missaal vormt de Poolse tak van de Mousen dus niet de rechte lijn.

Mijn vader heette Durk Manus en was de oudste zoon van mijn grootvader Manus Durk. Als oudste zoon had ik zelf ook weer Manus Durk moeten heten, maar dat wilde mijn moeder niet. Hoe dan ook, ik ben de stamhouder van de Mousen, ook kun je dat aan mijn voornaam niet zien. Mijn zoon heet Jurriaan, dus aan die naam kun je het ook niet meer zien. De Poolse tak heette van oorsprong Gersjes. Die naam zou in 1797 in Friesland zijn ontstaan als verbastering van de naam Görcsös, die uit Hongarije afkomstig is. Maar hoe zit het dan precies met dat Joodse bloed van de Mousen? Zeker is dat het Poolse Jaslo een sterke Joodse gemeenschap heeft gekend. Om te weten hoe de vork werkelijk in de steel zit, zal ik toch eens naar Jaslo moeten gaan. Wie weet is in de archieven van die stad nog iets te vinden over mijn Poolse voorvaderen. Het artikel van mijn grootvader heeft als titel Fan Poals bloed.

***.

Hwa’t de skiednis fan it âlde Poalen neigiet, tinkt oan lijen, 
lijen sûnder ein. Tûzen jier regearre fan eigen keninigen, doe 
makken omlizzende lannen gebrûk fan ynlanske rebúljes, óm it lân to forparten en it folk by Rus, Prús, of Hongaer to skikken. Generael Kosciuszko, Poal yn ieren en sinen, die yn 1794 in lêste oprop aan syn folk, mei him to striden foar it bihâld fan 
in eigen frij lân.

Yn dy tiden wenne earne op in doarpke yn Sûd-Poalen in widdou 
op in boerespultsje, yn har bidriuw stipe fan trije jonges, 
keardfels as beammen. Hja hiene alle trije yn tsjinst west. 
Foar Mem wie gjin birie fanneden. As Poalen striders frege, 
joech se net ien, mar trije en mear faeks as hja se hawn hie, 
Mei alles hwat it memmehert útfine koe, mei goerie en om
hinge mei in medalje fande hillige Marije, gong elk op syn guds, om to fjuchtsjen foar memmehurd, foar it fuortbistean  fan it âlde Roomske Poalse ryk. Koe  Mem ek witte dat de Heechste Rie al foar ieuwen bisletten hie: jimme Poalen sil undergean?

Kocsiuszko koe it net hâlde; nei krêftige tsjinstân forslein en finzen nommen, waerden tûzenen eale PoaIen mei him fuort fierd nei frjemde lânnen, as straffe foar harren Heitelânsleafde. Joazep, sa hjitte de âldste en syn beide bruorren waerden opsletten earne yn Hongarije. Thûs skriemde Mem, om’t  hja net wist hwêr’ t se bidarre wienen, har jonges, har alles op ‘e wrâld.

Litte wy de Mem forjitte, hja sil grize hierren krige hawwe 
foar har tiid, wylst dochs ien treast har’ bybleaun wêze moat: dat hja bidde koe en hope hie op in wersjen, sa net hjirre, dan boppe dêr’t Heit al jierren wachte.

Yn in hok, earne yn Galysje lizze byinoar smiten op hwat roggestrie de lêste Poalske striders. Joazep en syn bruorren binne der ek by. Nei in deitwa rêst wurdt in faei plan ûtbret; hja sille sjen to 
flechtsjen. In reap wurdt fan strie draeid, fêstmakke oan ien fan de stilen en it paed is ré. Ien foar ien litte de bruorren har glide, de tsjustere romte yn. Hja bilanje yn ‘e grêft. Gjin Iûd yn ‘e nacht. Yn stille birekkening dat elk himsels 
rêdt, klâdzje twa by de wâl op. De tredde bliuwt stykjen yn ‘e 
blaumodder. Sil er om help roppe? Né, twa bruorren frij, sil 
er tocht hawwe, is genoch , harren troch roppen forriede is 
dochs ek forrie en sûnder snok jowt de jongste syn libben…..

Dêr toarken twa bruorren yn ‘e frjemdte, moanne en stjerren foar kompas, hoeden reizgjend by nacht, oerdei harren biskfûljend yn’e bosken. Hja wolle frij wurde; in lân fine dêr’t gjin Dútsk sprutsen wurdt. Wiet en droech sykje hja ûnderweis, meast rapen en krûden fan it fjild. Wiken forrounen, sûnder dat der utkomst to sjen wie. Nachts op ‘t iepen fjild 
sliepe ûnder hwat blêdden hiene hja lêst fan roppige wolven en oare ûngemakken, sadat de moed stadichoan sakke. Dochs 
moast der, as hja Westlik oanhâlden ienkear in lân komme 
dat net mear Eastenryk hjit.

Earmoed naem ta; beamblêdden wie soms yn dagen it iennichste miel. Diene hja nachts ris de dryste skuon oan en 
kloppen op in forljochte finsterke, dan klonk stéfêst in andert 
yn dy sprake dy’t ek har fyannen hienen, sadat hja hastich 
fierder teagen.

Yn it greate Dútske ryk, dat hja noch altyd foar Easternryk oanseagen, doarmen se trije dagen om yn in great heidefjild. 
De krêften bijoegen har en elk foar him forflokte de dei fan ûntkommen oan de finzenis. Allinne bidden koe noch útkomst jaen. Noch ien roazekrâns, noch in pear ûrkes rinne en dan sliepend wachtsje op ‘e dea ……
Mar Marije liet harren net omdôch bidde. Dêr stroffelet ien oer in grouwe stien, né…. in brea, in tsienpouns roggebrea……Nea is in tankhea út it djipste fan ‘e siele mei mear krêft troch de wolkens kleaun as de bea, útsprutsen op ‘e knibbels 
mei de hannen omheech, foar dizze rynske jefte fan de Heit yn’e himel. De witnis, dat de Hear, dy’t it manna reine liet foar de Joaden, ek nei ieuwen wûnders die foar dyjingen dy’t 
op him bitrouden, stipelearre mear dan it brea yn te skroeyerige magen.

En nou wer foarút, foarút ûnder it weitssend each fan de 
Alderheechste. Nei in kâlde nachtlike reis troch Drint, kamen de bruorren yn’e hjerstmis op ‘e Lemmer oan. Hjir skiedden teffens har wegen. De jongste seach skippen en woe bisykje oer sé syn lân wer to birikken; de âldste sette yn de skimerjoun de stap nei Sleat, dêr’t men him sliepende op in stoepe foun.

Doedetiids waerd it lân ôfreizge fan sigeunerdokters, “on
gelskmanne” neamd, dy’t krûden forkoften. Yn Sleat haldde 
tafallich sa’n man ta. Hy waerd troch de Grytman út syn 
sliepsté helle en frege oft hy faeks de frjemdling ek forstean 
koe. De dokter forstie ús Poal sa goed, dat er him by in boer 
yn Wikel forhierde.

As drege wrot ter kaem Joazep ridlik gau op himsels to stean en boaske mei in Frysk frommis. Hindrikje Jehannes Koning. Yn ‘t jier 1800 kaem de earste sprút, Evertsje ( myn beppe ) 
to wrâld. Jierrenlang wenne Joazep op ‘e moune yn’ e Wikelder Ywet. 
Hjerstmis socht er, jit nei Eastersk gebrûk, blûdsûgers yn ‘e 
Mudsert en sammele krûden foar sykte en ûngemak. Yn Sleat 
krige hy dêrtroch de namme fan Poalske dokter.

Pake’s libbenswei wie fjierder ek al bisiedde mei stikels, en 
toarnen. Syn wiif forlear er al ringen. Letter troude er wer mei Akke Joukes Spykerman. Nou, seinge mei folIe bern, for
lear hy syn oare helte wer en neidat de bern great wienen en tsjinnen kaem hy to Bakhuzen by syn âldste dochter yn to wenjen.

As it net tofolIe romte frege, soe ik de teltsjes forhelje, dy’t 
pake die as myn heit op syn knibbel siet; teltsjes, dy’t altyd 
sprieken fan langstme nei it lân dêr’t krinten, druven en me
loenen woechsen. In fredige âlde dei wie foar d’âld Poal weilein. Lange jierren 
libbe “Joazep formy” ( in bynamme, ûntstien troch eigen sizwize, om’t er yn pleats fan “ik”  for-my wend t0 sizzen ) tofreden by syn âldste bern yn, as from Kristen, dy’t mei syn 
faek meioangean, de Friezen fan dy tiid hûndert jier foarút wie.

De wrâld rôllet en de tiid sloopt krêften. Pake dy’t oan it 
kôgjen fan knyflok (knoflook) syn sounens taskreau en yn’t 
lêst, om op asem to bliuwen faek frege om in healfearntsje 
jenever mei piper oanret (en dat krige sa faek it barre 
mocht ) forstoar de 10e Jannewaris 1849, yn syn seis-en-tach
tichst jier, it fjouwer-en-fyftichste fan syn ballingskip. 
Gjin eskadron kozakken mei flodderjende mantels en beare
mûtsen wie der, om de sabels to presentearjen doe’t de âld
strider, yn in fjurren kiste, út it middelkeamerke fan it 
Roomske earmhûs op ‘e bier set en to haf brocht waerd.

Gjin pryster, dy’t de lykbear folge lâns de iepenbiere wei, lyk 
as yn it bertelân. Gjin stien, mei de Poalske earn yn’t wapen wiist it plak oan, 
dêr’t de âIdstrider rêst; gjin krûske fan panlatten hat it ien
fâldige grêf dutsen. Langer as in ieu rêst op it doarpstsjerhof yn Jasso (yn it 
distrikt Kassau fan it tjinwurdige Tsjecho-Slowakije) de 
Poalske mem. Har grêf sil ek wol inkeld mei seaden dutsen wêze.

O, as de ingel -út it Easten kommend troch trompetstjitten de 
slavyske stammen opstean litten hat, noch foar’t hy oer de 
Fryske geaën fleanend ek út ‘e kloksgatten fan ‘e Bakhúster 
toer us Roomske gemeente opropt ta oardiel, hwa soe har net 
tomiette gean wolle en sizze, Beppe, net mear skrieme, ik wit 
him.

Yn ‘e Gaestlânske sântimpe, tusken de iperen beammen fan it Murnser tsjerkhôf, efter it âlde klokhús oan ‘e Westside, 
dêr’t alear in pealtsje stie: Roomske earmen 10 grêven, dêr sliept sûnt 1849 Joazep Michiel Gersjes, us Pake, jimme Joazep. Syn bernsbern hawwe it plake ûnthalden oant dizze tiid.

Bakhuzen

MDM

(Manus Durk Mous)

zie en luister

3 Reacties