Elk einde is een nieuw begin

Op 20 april 2006 begon ik met dit weblog. Ik schreef toen: Ik log dus ik besta. Na bijna 12 jaar is het mooi geweest. Met ingang van 12 april 2018 ben ik gestopt met dit blog. Deze beslissing is definitief en onomkeerbaar. Alleen mijn bestaan gaat gewoon door. Sterker nog, er dient zich een nieuwe uitdaging aan. Een nieuwe horizon. Al mijn blogs uit het verleden blijven gewoon online. Iedereen die mij dagelijks volgde, of zo nu en dan…. iedereen die reageerde met welke woorden dan ook… ik dank jullie allen van harte.  Adieu, à Dieu. … Het is aan God wanneer wij elkaar weerzien…. Vaya con Dios!

Reageer

Larrios

Al ver op het perron zag ik haar rode haar,
veel jonger dan ik dacht,
en in een grijze stoet van mensen
liep zij mij tegemoet: een zoen.

Gearmd de stad in.

Ze zag de mistfontein van Plensa
en voelde met haar hand de witte huid van kinderhoofden.
De handen van een beeldhouwer, zo dacht ik bij mezelf.
Heel anders dan mijn vrouwenhanden.

Ik ben te laat geboren, te vroeg misschien voor deze vrouw.

Als Larrios van Slauerhoff spookt zij nu door mijn hoofd.
Ik zie de hele avond terug, de oude stad, de Grote Kerk,
de winterkou in maart.

En als een hond, ja als een hond
loop ik haar in gedachten achterna.

Reageer

Een mooie recensie

Gisteren kreeg ik van Perry Pierik, directeur van Uitgeverij Aspekt, een recensie toegestuurd van mijn boek Jihad of verstandsverbijstering, die zojuist is verschenen in het tijdschrift Reflectie. Auteur is Aat-Lambert de Kwant. In 2012 heeft hij mij geïnterviewd naar aanleiding van mijn bijdrage aan het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011). Dat interview, waarnaar in de recensie wordt verwezen, is HIER te lezen. Het is een mooie recensie geworden. It koe minder, zogezegd…

***

Jihad of verstandsverbijstering

Dit fascinerende en confronterende boek 
richt zich op het grijze gebied dat recente
lijk is ontstaan tussen verschillende 
vormen van psychotisch en terroristisch 
geweld. Maar vooral ook op het opmer
kelijke zwijgen van de psychiatrie over 
dit soort nieuwe manifestaties van het 
kwaad. Schrijver is agnosticus Huub 
Mous. Hij publiceerde eerder teksten 
over de rol van religie en secularisering bij onder meer zijn eigen psychose, die
 hij beschreef in zijn in 2011 bij Candine 
verschenen boek ‘Tegen de tijdgeest: Terugzien op een psychose’.

De reden om dit nieuwe boek te schrijven 
heeft wellicht te maken met zijn persoon
lijke fascinatie voor de opkomst van het 
fenomeen terrorisme in relatie tot het 
verdwijnen van transcendentie in onze 
westerse wereld. Een eeuw na Nietzsche’s 
constatering ‘dat God dood was’ leken 
uiteindelijk ook alle grote verhalen, en 
zelfs de geschied~nis op hun eind te 
lopen.

In een interview, ·dat ik met Mous had, 
zei hij: ‘De relatie religie en psychose was 
er bij mij dus wel degelijk, maar het had 
mij destijds wel geholpen als ik daarover 
met de behandelaars had kunnen praten. 
Het was een tijd van grote veranderingen 
en grote leegloop, maar dat was in mijn 
omgeving nog niet zo duidelijk merk
baar. Er was wel veel gaande: het Tweede 
Vaticaans Concilie was net afgelopen en 
er was hoop op veranderingen, je vçelde 
dat er iets ging gebeuren. Er hing iets in 
de lucht en daarna is alles in elkaar ge
donderd. Ik was in een denkwereld beland 
die absoluut niet te rijmen viel met het 
traditionele katholicisme waarmee ik 
was opgegroeid. Ik denk dat daar inderdaad voor mij de eerste trigger lag. Door 
die sterke secularisatie had men geen 
antwoorden meer. Mensen die mij opleidden worstelden zelf ook met enorme vragen en problemen. Zelf kreeg ik ook 
geen antwoorden op mijn vragen, en ik 
worstelde ook met problematiek in mijn 
hoofd waartegen ik totaal niet was opgewassen. Vestdijk schreef terecht over 
de naweeën en de schok van de oorlog 
en de gevolgen van het wegvallen van de 
religie. Dat was een heel dramatisch 
gebeuren en zeker in de omgeving 
waarin ik zat.’

Mondiale ommekeer

Na de dood van God en de teloorgang 
van de grote verhalen zag de wereld op
eens de terugkeer van God in zijn meest 
radicale gedaante, als het islamitisch 
terrorisme, die leidde tot de mondiale 
ommekeer die eigen is aan deze tijd. 
‘Het is misschien ook wel het drama van 
mijn generatie, die na de oorlog opgroeide in het perspectief van alsmaar groeiende welvaart en gestaag groeiende 
secularisering. Wat heeft dit alles bete
kend voor de psyche van de mens?’

Dat vraagt Mous zich af, die in het ver
leden teksten schreef over de rol van 
religie en secularisering … Onder meer 
naar aanleiding van zijn eigen plotselin
ge psychose, waardoor hij in 1966 werd 
getroffen, vlak voor zijn adolescentie. En die had alles te maken met het snelle 
afscheid van het katholieke wereldbeeld 
van zijn jeugd. Zijn boek richt zich dan ook 
op een wellicht vergelijkbare crisis waarmee jonge adolescenten geconfronteerd 
worden als ze zich op het breukvlak van 
twee culturen bevinden.

Hoe divers de processen van radicalisering ook kunnen verlopen, telkens weer 
lijkt er sprake te zijn van intense vervreemding, waarmee jonge adolescenten te 
kampen hebben. Die vervreemding hoeft 
niet alleen betrekking te hebben op een 
psychische problematiek, zoals onzeker
heid over de eigen identiteit of de plaats 
in de samenleving, maar kan ook dieper 
grijpen naar problemen die eigen zijn 
aan het bestaan zelf.

Tot slot geeft Mous een aantal praktische 
aanbevelingen voor mensen die werken 
in de geestelijke gezondheidszorg of die 
op andere wijze beroepsmatig met deze 
problematiek worden geconfronteerd.
Jihad of verstandsverbijstering is een 
boeiend, confronterend maar ook veront
rustend boek, waarin Huub Mous wezen
lijke thema’s aansnijdt. ‘We beleven een 
tijd van het grote heimwee naar 
geborgenheid, maar alle wegen die 
daarnaar terug leiden lijken voorgoed 
versperd. Ook voor mijzelf. Religie is uit 
mijn leven verdwenen, maar het 
verlangen ernaar is blijven bestaan. Van 
dat gemis werd ik mij eens te meer 
bewust bij het schrijven van dit boek.’

Reageer

Dit tot het laatst beminnen

Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.

Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.

Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.

Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: ’t had zoveel erger kunnen zijn.

Aldus J.C. Bloem in zijn gedicht De gelatene. Ik heb dit altijd een mooi gedicht gevonden, al was het maar om die laatste zin: ‘En dan: ’t had zoveel erger kunnen zijn.‘ De tijd heelt alle wonden en met het klimmen der jaren tel je je zegeningen. De tijd zelf lijkt te verdwijnen als je ouder wordt. Heden, verleden en toekomst worden in stand gehouden door een ingesleten beeld in het brein. We beleven de tijd als een boekrol die bovenin wordt opgerold en beneden zich letterlijk ‘ont-wikkelt’. Onderin verschijnt de toekomst. Dáár komt de nog onbeschreven historische ruimte in beeld. Maar hoe komt die ruimte eruit te zien, als de geschiedenis nu eens geen boekrol blijkt te zijn? De loop van de geschiedenis ligt dan opeens niet meer zo vast, maar wordt afhankelijk van de richting, waarin je als waarnemer een denkbeeldige lijn over het vlak heen schuift. Dat kan van boven naar beneden, maar even goed in omgekeerde richting, en zelfs van links naar rechts, of diagonaal. Het schema laat dan een tijd-ruimte zien, waarin nog van alles mogelijk is. Er komen dan andere coördinaten in beeld voor de richting van de tijd. Het beeld van een boekrol wordt vervangen door een Feynman-diagram.

Slide1

Ik heb dit altijd een fascinerende gedachtegang gevonden. Stel dat je de ontdekking in de moderne natuurkunde over tijd en ruimte letterlijk neemt en toe gaat passen op de ervaring van je eigen leven, hoe ziet dit leven er dan uit? De tijd is eeuwig en alomtegenwoordig, maar wij zijn gedoemd om de tijd te beleven als iets dat voorbijgaat. Dat is niet zo. De tijd, zoals wij die kennen, is een illusie. Tijd, zo wordt wel beweerd, creëert de benodigde ruimte, zodat niet alles tegelijk gebeurt. We beleven de dingen achter elkaar en dat is maar goed ook, anders zouden we knettergek worden. Tijd is iets wat ons bewustzijn aan de werkelijkheid  Dit vreemde fenomeen ontstaat door het structurele onvermogen van het brein om de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn.

Toen Einstein in 1954, ziek en verzwakt – nog geen jaar voordat hij zelf zou sterven – een condoleancebrief moest schrijven aan de weduwe van zijn oude vriend Michel Besso, kwamen er woorden in hem op die hij als natuurkundige nauwelijks verantwoorden kon. ‘De dood betekent niets’, zo schreef Einstein:

This signifies nothing, for us believing physicist the distinction between past, present, and future is only an illusion, even if a stubborn one.’

Met andere woorden: wees niet bedroefd, de tijd is slechts een illusie. Maar als de tijd een illusie is, dan is deze wereld dat ook. Het hele universum met zijn oerknal, lichtjaren en oneindige uitdijing in de tijdruimte zou dan een slechts illusie zijn van onze geest. Zo heelt de tijd niet alleen alle wonden, maar wist ook alles weg, als je maar lang genoeg wacht. Als die gedachte eenmaal hebt aanvaard, dat kantelt je hele wereldbeeld. Alles wordt anders. Niets is meer hetzelfde.

‘Wij zullen ons eigen leven, het leven ieder onzer, alleen dan begrijpen en verstaan, als wij op elk ogenblik niet alleen zien naar wat er nu juist is, maar het leven als een eenheid opvatten, als een eenheid van ruimte (de aarde) waarop het zich afspeelt, en de tijd (de levensduur) die het kan hebben. Zulk een beschouwingswijze leidt tot de overtuiging dat al het toekomstige op de een of andere wijze reeds aanwezig is en dat ons slechts rest het op de juiste wijze tegemoet te treden. En in dit laatste bestaat misschien onze vrijheid.’

Dat beweert Jean Gebser in zijn boek Kentering van het 
westelijk wereldbeeld, toegelicht aan de moderne fysica, biologie en psychologie. Het is een merkwaardig boek dat in 1943 in het Duits is verschenen (onder de titel Abendländische Wandlung)  en rond 1950 in het Nederlands werd vertaald. Hoe is het heden ten dage gesteld met het 
wereldbeeld van Europa? Dat is de vraag die Gebser zich stelde. Heeft dit wereld
deel nog een toekomst? En wat zijn de 
grondslagen van die toekomst? Gebser probeerde antwoorden te geven op deze basale vragen die zich aandienden toen het westerse wereldbeeld begon te kantelen na de ontdekkingen van de nieuwe natuurkunde in het eerste kwart van de vorige eeuw. Om de antwoorden te vinden bracht hij de meest uiteenlopende wetenschappelijker inzichten met elkaar in verband . Einstein, 
Planck, De Broglie, Heisenberg, Eddingon, De Sitter, 
Rutherford, Hess, Millikan, Kolisko, Leprince, Carrel, De Vries, Bose, Friedmann, Kayser, Freud, Adler, Jung en Uexküll passeren de revue in een adembenemende tour d’horizon.

Centraal staat de constatering dat het perspectivische tijdsbegrip door de nieuwe natuurkunde is overwonnen. Dat heeft ingrijpende gevolgen voor het bewustzijn en de menselijk existentie. De tijd is niet meer op weg naar een denkbeeldig eindpunt in de verre toekomt, maar is nu een ‘eindige oneindigheid’ geworden die intrinsiek verweven, niet alleen met het bewustzijn, maar ook met de uitgestrektheid van ruimte. Vanuit dit nieuwe gezichtspunt bezien is de dood niet langer een catastrofe die ons van buitenaf overkomt. De dood is geen absoluut eindpunt meer van het leven, maar kan voortaan begrepen worden als een vitale wetmatigheid van het leven zelf, dat zich op elk moment uitstrekt in de ‘eindige oneindigheid’ van de gekromde tijd-ruimte’. De gevaren van dit soort ontdekkingen lagen volgens Gebser in de uitwassen van het vitalisme, waarin het driftmatige van de mens teveel centraal werd gesteld. De mens sloeg bij Nietzsche als het ware op hol in zijn eigen ronddraaiend tijdrad.

Maar nieuwe ontdekkingen in de psychologie en de biologie hebben volgens Gebser diepere inzichten gecreëerd in de organische heelheid van het leven, waarin geest en materie complementair zijn, en de tijd een constitutieve factor voor het bewustzijn vormt. De nieuwe natuurkunde heeft de fysica gedematerialiseerd. Tegelijk werd de biologie steeds meer de materialisatie van het niet-stoffelijke, het élan vital, zoals Bergson het noemde. Psychologie en biologie gaan volgens Gebser aan de fysica vooraf. Hij gaat niet alleen uitvoerig in op de invloed van de relativiteitstheorie, de 
kwantummechanica, de mutatieleer, de psychoanalyse, de moderne geneeskunde en psychologie, maar ook op de occulte wetenschappen. Dat laatste is wellicht de belangrijkste reden waarom de ideeën van Gebser – zeker in Nederland – in de vergetelheid zijn geraakt. Dit soort boeken zie je ook nog maar zelden tegenwoordig.

In de jaren tachtig raakte ik zelf geïnteresseerd in de relativiteitstheorie en de kwantummechanica. Je begrijpt er eigenlijk niets van zolang je de wiskundige formules niet kunt doorgronden die eraan ten grondslag liggen. Bovendien zijn er maar weinig mensen die helder kunnen uitleggen wat dit soort theorieën eigenlijk betekenen. De natuurkundige Arthur Eddington, naar wie Gebser vaak verwijst, kon dat heel goed. Zo las ik destijds zijn boek Space, Time and Gravitation uit 1920. Daarin laat Eddington op begrijpelijke wijze het specifiek nieuwe van Einsteins theorieën zien, 
en slaagt erin op deze wijze een helder inzicht te verschaffen in het nieuwe denken 
op natuurwetenschappelijk gebied.

41WdjnXh+ML._AC_UL320_SR224,320_

Eddington was er zich er goed van bewust dat de relativiteitstheorie de hele natuurkunde op zijn kop had gezet. En toch, als je kijkt naar de aard der dingen, dan moet je erkennen dat zelfs de relativiteitstheorie eigenlijk niet meer is dan een lege huls van wiskundige symbolen. Het is een kennis van structurele vormen en niet een kennis van de inhoud. En juist die inhoud, daar gaat het om. Om datgene waar ook ons bewustzijn van gemaakt is. ‘Onze dromen bestaan uit stof waar de sterren van gemaakt zijn,’ schreef Shakespeare, maar als je naar Einstein luistert, dan word je niet veel wijzer over hoe die ‘geestesstof’ nu werkelijk in elkaar zit. Diep in wat wij de wereld noemen ligt een nog onbekende werkelijkheid verscholen, waar de mensheid zelfs met zijn meest briljante geesten niet bij kan. En bovendien, zo stelt Eddington, hebben we ontdekt, dat waar de wetenschap het meest gevorderd is, de geest eigenlijk niet meer ontdekt heeft dan wat de geest er zelf in heeft gestopt.

Als je een dunne ijzeren staaf op twee spijkers aan de muur legt en vervolgens ziet krom hangen door zijn eigen gewicht, dan voltrekt zich die kromming  in een perspectivische 
ruimte,  die als een beeldscherm is platgeslagen op 
het netvlies. Het is de werkelijkheid van de Euclidische meetkunde, waarin een rechte lijn de kortste 
verbinding is tussen twee punten. In deze Euclidische ruimte veroorzaakt de zwaartekracht altijd 
een verstoring, een inbreuk van buitenaf. Kort gezegd: de kromming die wij zien wordt causaal veroorzaakt door de zwaartekracht. Maar volgens de Algemene Relativiteitstheorie is het niet de zwaartekracht die van buitenaf inbreekt in het waargenomene, maar altijd 
de waarneming zelf, die een kunstmatig ‘Euclidisch 
raster’ over de werkelijkheid legt, en daarmee de illusie van een verstoring teweeg brengt. Het beeld 
op het netvlies is een tweedimensionale vertaling 
van een driedimensionale ruimte. Maar het continuüm van tijd en ruimte heeft vier dimensies en bovendien een eigen – ‘natuurlijke’ – geometrie.

De zwaartekracht is niets anders dan een kromming in deze vierdimensionale tijd-ruimte, die wij niet als zodanig 
kunnen waarnemen, maar voortdurend ervaren 
als een tijdelijke verstoring in onze eigen geometrie. Arthur Eddington formuleert dit 
op de meest beknopte wijze als volgt: ‘Een krachtveld vertegenwoordigt de discrepantie tussen de 
natuurlijke geometrie van een coördinatenstelsel 
en de abstracte geometrie die er arbitrair aan 
wordt toegeschreven.’ Met andere woorden: misschien bestaat de 
zwaartekracht helemaal niet als een onzichtbaar 
”iets”, maar spruit ze voort uit de manier waarop 
wij noodgedwongen de werkelijkheid waarnemen.

Maar er is nog iets, dat niet zozeer betrekking heeft op de ruimte als wel op de tijd, hoewel die twee eigenlijk niet van elkaar te scheiden zijn. Sterker nog, de intrinsieke verwevenheid van ruimte en tijd is misschien wel de grootste ontdekking van de nieuwe natuurkunde. Er bestaat in het geheel geen onderscheid tussen tijd en ruimte, tenzij dit, dat ons bewustzijn zich door de tijd heen beweegt. Eddington schrijft: ‘De gebeurtenissen komen niet; ze zijn er, en wij ontmoeten ze op onze weg. De “formaliteit” van het plaatsvinden is heel eenvoudig het beste bewijs dat de waarnemer de gebeurtenis in kwestie gepasseerd is, en deze formaliteit is niet van belang.’ Daardoor komt het dat wij telkens weer iets ‘als nieuw’ beleven, terwijl wij in onze eigen voetafdrukken lopen. We lopen dus in cirkels rond. We menen dat wij het zelf zijn die progressie boeken, maar de dingen gebeuren gewoon, en de formuleringen die wij erbij verzinnen doen er eigenlijk niet toe. Daarmee raakt de nieuwe natuurkunde aan de bevindingen van het zenboeddhisme. Alles is muziek, maar er is geen partituur.

‘En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.’

Dit tot het laatst beminnen, ook al is het sluitingstijd. Juist dan, want de liefde kent geen tijd. God is niet dood, maar de mens heeft hem ingelijfd, opgegeten, geïncorporeerd in zijn wetenschappelijke wereldbeeld. In die godverlatenheid die de wetenschap heeft achtergelaten, voert de nieuwe natuurkunde ons terug naar een wereld van ongrijpbare paradoxen, waar voorheen de religie patent op had. Wat de mens nog rest is de gelatenheid, de ἀπάθεια, de stoïcijnse levenshouding die niet alleen in het zenboeddhisme, maar ook in het christendom was terug te vinden.

We zullen moeten leven ‘alsof er geen God is’, zoals al eerder is gesuggereerd, door Ignatius van Loyola bijvoorbeeld, maar ook door Dietrich Bonhoeffer. De cirkel die zich sluit, opent zich telkens weer opnieuw. We denken dat we de ‘beklimbaarheid’ van de Mount Everest bewezen hebben, maar we hebben niets anders gedaan dan een berg beklimmen. Telkens weer, als een gelukkige Sisyphus, die zijn rotsblok keer op keer de berg oprolt. Tot het laatst toe, vanuit een liefde zonder hoop, want we lopen in onze eigen sporen rond.

Eddington formuleert het als volgt:.

 ‘We have found a strange footprint on the shores of the 
unknown. We have devised profound theories, one after 
another, to account for its origin. At last, we have succeeded 
in reconstructing the creature that made the footprint. And 
Lo ! it is our own. ‘

Geen reactie mogelijk

De keelklanken van de zee

In mijn vroege jaren voelde ik mij mij allerminst gehinderd door de Weltschmerz van de zogeheten post-roomse ontwikkelingsfase, waarin elke adolescent die geestelijk gevormd is door de paters jezuïeten maar al te gauw de Internationale gaat zingen. Moet dit een wereldbeeld verbeelden? Die vraag rijst bij elke ex-katholiek, die de genadeleer van Augustinus graag in wil ruilen voor de zekere overwinning op de lange termijn van het eeuwige proletariaat. Was ook niet Christus communist? Zeiden ze dat niet in het ‘Havanna aan de Waal’ ?

Hoe dan ook, het was weer knudde in mijn hoofd vannacht. De dromen die ik droomde liepen in een cirkel rond. Ik moest eindexamen doen, maar ik had al lang examen gedaan. Tegelijk wist ik dat ik deze droom al duizend malen eerder had gedroomd. Wlllem Duys was op tv. Hij sprak met een jonge man die een gaatje in zijn hoofd had. Onderwijl stond er een koe te schijten op het podium…

Er kwam geen eind aan de stroom van dunne stront die de zaal langzaam maar gestaag in bezit nam. Mies zei nog: ‘Daar weet Mansholt wel raad mee, met dat mestoverschot!’ Zo was het toevallig ook nog eens een keer. Maar de zaal liep leeg. De mensen, al die lieve mensen, hadden het wel gezien.

Mies zag er trouwens goed uit. Ze had krulspelden in en zoals gewoonlijk haar gezicht goed ingesmeerd met Bio-Oil, de wonderolie die alle rimpels van je huid  als sneeuw voor de zon doet verdwijnen.  Zelfs de pigmentvlekken trekken wel. Dit wondermiddel is niet goedkoop, maar het werkt als een tiet. Mijn moeder gebruikte het ook altijd en ze is er 83 mee geworden. In het verpleeghuis, waar zij haar laatste jaren sleet, werden alle mannen verliefd op haar. Mies wist dat, zo hoorde ik. Ze had het kunstje van mijn moeder afgekeken.

We liepen langs de haven en in de verte zwom een walvis die er nog niet was. Waar is de tijd gebleven van stoere walvisvaarders die nog stierven aan scheurbuik en met ijsberen vochten? De visch wordt duur betaald en Kniertje knort als knorrepot. Duimelot wil ook niet meer naar bed en sinds ik in Hamburg mijn fiets terugvond die de moffen in de oorlog gestolen hadden, veegt Koeman zijn reet af met het shirt van Bertie Vogts. Andere tijden, mijnheer. Maar waar gaat deze droom naartoe?

Komt er ooit een einde aan de laatste einder? Komt er ooit een ochtend met een nieuw begin? Ik wil alles voor je doen. Ik wil alles voor je zijn, zelfs tegen beter weten in. En zie… aan het eind van de pier lag een zeemeermin te zonnebaden in de prille lentezon. Elvis zwom in het water en steeg omhoog langs de regenboog, Op weg naar Graceland, dacht ik nog.

En toen gebeurde er iets raars. De zeemeermin legde haar hand ‘als een doofstomme op de keel van ‘t strand’. Die keel, dat zal de zee wel zijn. maar hoe kun je je hand nu op de zee leggen? Misschien optisch vertekend, als je één oog dicht doet. Moet kunnen. Het was alsof ze leerde spreken. Dus ze moest iets leren van de zee. Ze wilde van de zee opnieuw het spreken leren. De taal van de zee wilde ze niet alleen kunnen verstaan, maar zelf ook als klanken uit haar mond laten klinken.

Het deed denken aan het slot van een verhaal van Jack Kerouac, als hij een gedicht laat horen dat letterlijk de ‘keelklanken van de zee’ nabootst . . Maar bij deze zeemeermin op de pier kwam geen geluid uit haar strot. Het ‘noemen’ bleef ongehoord.  Ja, wat wil je ook, de zee kent geen namen of woorden. De zee kent alleen het ruisen van de golven: ‘Szzzoooaaahhhh. Szzzoooaaahh…. etcetera, etcetera….’. Zo wordt de zee een onomatopee.

Mag ik je man zijn? vroeg ik aan de zeemeermin.

Ik ben verloren, zei ik,  terwijl ik wist dat ze sliep.

Maar er kwam geen eind aan deze droom, want weer moest ik het examen doen, waar ik allang voor geslaagd was in een droom die ik al duizend malen eerder had gedroomd. De pastoor kwam langs en gaf zijn zegen. Hij had er wel eens beter uitgezien. Dat vond Mies ook en smeerde hem in met Bio-Oil, niet alleen zijn gezicht, maar al zijn ledematen, zelfs zijn edele delen. Prompt kreeg de pastoor een erectie, waardoor het kruis kraakte in zijn voegen. ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten!’

Zijn verzuchting was vergeefs want het wonder, dat zich aan zijn kruis voltrok, was niet meer te stuiten. Het zaad spoot de zaal in en mengde zich met de dunne koeienstront…’Was het maar weer advent!’ zo dacht ik bij mezelf. Ik hoorde de vuilniswagen de straat in komen. Ik schrok wakker en bedacht me dat ik de bak niet buiten had gezet. Zalig zijn de armen van geest, want zij zullen God zien. Ik vrees dat mijn geest niet arm genoeg is om Gods duistere en ondoorgrondelijke wegen ooit nog te kunnen begrijpen. PSV wordt kampioen. Ook dat nog!

Reageer