Friesland op zijn smalst

Deze foto van Han Reeder werd in mei j.l. verwijderd uit een tentoonstelling in de Broerekerk in Bolsward. Burgemeester Vroegindeweij vond de foto aanstootgevend. Met evenveel scrupules bekommerde zij zich om de correcte  spelling in het Fries van de naam van haar stad. Is het nu Boalsert of Bolswert? Het is geen van beide. Dit is Friesland op zijn smalst.

zie en luister

2 Reacties

Eén mond, twee talen

Allegorie taalmacht (op de Afsluitdijk vanuit het westelijke richting),  voorafgegaan door trommelaar: recreant (inclusief medium radio), statenbijbel (in de Nederlandse vertaling), wetenschap en wetgeving (Nederlands Recht).

Uit de film: “Eén mond, twee talen”  van Boud Smit en Sjoerd Osinga (plm 1974)

3 Reacties

Generale repetitie

Ik was vannacht in Amsterdam, maar ik kon de weg niet vinden.  Om te beginnen waren alle bordjes op de tramhaltes verdwenen. Niemand scheen daar last van te hebben, behalve ik. Ik besloot maar te gaan lopen, want ik had geen zin om in een verkeerde tram te stappen. Al gauw kwam de stad mij niet meer bekend voor. Alles was veel groter dan voorheen, maar bovendien ook ouder. De stad was een soort mix geworden van alle oude steden in Europa.. Praag, Rome, Venetië, Parijs… maar dan veel mooier. Ik keek mijn ogen uit. Overal staken torens boven de huizen uit, maar geen enkele kon ik herkennen. Soms leek ik even een oude gracht te zien, maar dat was niet zo. Het stratenplan lag compleet overhoop. Opeens zag ik lijn drie. Het was een hele oude tram. Niet de tram die ik hebben moest, want ik moest naar de RAI. Toch besloot ik hier maar in te stappen, want dan wist ik tenminste waar ik naar toe ging. Op de tramhalte zocht ik mijn strippenkaart. Die zat niet in mijn zak. Ja, een oude kaart die helemaal vol was. Ik leegde al mijn zakken en spreidde de inhoud uit op de grond. Iedereen begon zich er mee te bemoeien. Er was zelfs iemand die in mijn binnenzak begon ter graaien. Geïrriteerd liep ik weg. En juist toen ik besloot om maar weer te gaan lopen, voelde ik in mijn achterzak, waar een nieuwe strippenkaart zat. Op dat moment reed lijn drie voor mijn neus weg. Ik werd wakker en was doodmoe.

Dit soort dromen heb ik wel meer. Er lijkt iets mis te zijn tussen mij en mijn omgeving, maar wat? Er is een theorie die zegt dat een droom een signaal geeft vanuit het onbewuste. Als dat zo is, wat is hier dan het signaal? Vluchten kan niet meer? Alles is vergeefs misschien. Ik zal de weg nooit meer terugvinden. De stad is voorgoed veranderd. Zelfs de trams rijden niet meer normaal. Als dat zo is, dan is het een weinig hoopgevende droom. Het onbewuste heeft het antwoord niet. Er is geen antwoord. Niemand wijst je de weg. ‘Ik kwam Boeddha tegen in de Bollemanssteeg. Wat is de weg vroeg ik. Hij zweeg. ‘ Soms krijg ik het gevoel dat de hele wereld de weg kwijt is, behalve ik. Zo’n gevoel met je niet gaan koesteren, want dan word je knettergek. Als er iets mis is tussen mij en mijn omgeving, dan kan het natuurlijk ook aan mijzelf liggen. Misschien hoor ik niet thuis in deze omgeving. Maar dat is geen uitweg. Vluchten kan immers niet meer. Er is geen weg terug  De stad ligt voor me als een eindeloos labyrint. De draad van Ariadne ben ik kwijt en ik heb ook geen sporen achtergelaten die me op weg kunnen helpen om de uitgang terug te vinden.

Opeens herinner ik mij, dat ik ooit een gedichtenbundel heb geschreven: De draad van Ariadne, dithyramben in hifi stereo. Het was in de winter van 1969. Ik studeerde Nederlands in die tijd, maar dat interesseerde mij niet meer. Elke dag ging ik dwalen door de stad en schreef ik mijn verzen in kantines, bibliotheken en kroegen. Het waren geen treurige gedichten, integendeel. Eerder een soort lofzangen op de stad die ik zag als een heidens labyrint waarin ik gevangen zat. Het is nooit wat geworden met die bundel. Ik kreeg hem steeds weer teruggestuurd met een vriendelijk briefje van de uitgeverij. Vooral doorgaan, dat soort taal. We zullen doorgaan, dacht ik, tot het eind van het labyrint. Maar er kwam geen licht in de tunnel. De winter was lang en de stad geduldig. Zo’n gevoel is misschien wel tijdloos. Je doet dingen tegen beter weten in. Je leeft voort tegen beter weten in. Je koestert hoop tegen beter weten in. Het moet maar eens voorjaar worden, dacht ik toen. Dit kan niet langer zo.

Vanochtend heb ik nog eens alle commentaren nagelezen op de uitzending van zaterdag. Ook daar werd ik niet echt vrolijk van. In de psychologie is het een bekend gegeven dat een objectieve waarneming niet bestaat. Iedereen ervaart zijn eigen werkelijkheid vanuit zijn eigen vooronderstellingen, denkraam, geloof of wereldopvatting. Vanuit dat gegeven is het een ijdele gedachte om te menen dat je een ander ooit van je eigen gelijk kunt overtuigen. Dat is water naar de zee dragen. Iedereen wil toch alleen maar horen wat hij al wist. Iedereen ziet wat hij al gezien heeft. Iedereen denkt wat hij al eerder gedacht heeft. Iedereen zegt wat hij ooit al eens gezegd heeft. Het leven is een voortdurende herhaling van een voorstelling die nooit heeft plaatsgevonden. Of omgekeerd: het leven is een generale repetitie voor een première die er nooit van zal komen. Wie zei dat ook al weer? Ik dacht Gerard Reve bij het graf van Gerard den Brabander. Maar Reve had die woorden weer van een ander. Wie was dat ook al weer? Ik moet het nazoeken. Niets ligt voor de hand. De woorden willen niet vandaag. Ik was vannacht in Amsterdam, maar ik kon de weg niet vinden.

zie en luister

11 Reacties

Kijk goed, kleine

Kijk goed, kleine
Kijk goed
Ver aan de horizon
Daar tussen het riet
Tussen molens en hemel
Daar komt een man
Die ik niet ken
Kijk goed, kleine
Kijk goed

Is het een verre buur
Een verdwaalde reiziger
Iemand die terugkeert van de oorlog
Een vertegenwoordiger in kant
Is het een priester
Met oud nieuws
Dat ons helpt bij het ouder worden
Is het mijn broer
Die ons komt zeggen
Dat het tijd wordt
Om wat minder te haten
Of is het slechts de wind
Die het zand wiegt
En luchtspiegelingen vormt
Om de tijd te verdrijven

Kijk goed, kleine
Kijk goed
Ver aan de horizon
Daar tussen het riet
Tussen molens en hemel
Het is niet een buurman
Zijn paard is te trots
Om zoiets te zijn
Of van de oorlog terug te keren

Het is niet een priester
Zijn paard is te schamel
Om van een parochiaan te zijn
Het is geen koopman
Zijn paard is te licht
Zijn mantel te wit
En geen enkele reiziger
Is meer de brug gepasseerd
Sinds de dood van vader
Laat staan dat hij onze voornamen kent

Kijk goed, kleine
Kijk goed
Ver aan de horizon
Daar tussen het riet
Tussen molens en hemel
Daar komt een man
Die ik niet ken
Kijk goed, kleine
Kijk goed

Het is niet mijn broer
Zijn paard zou hinniken
Nee, ‘t is niet mijn broer
Hij zou niet meer durven
Er is hier niemand meer
Die hem nog van dienst kan zijn
Nee, ’t is niet mijn broer
Mijn broer heeft kunnen sterven
Deze schaduw van de middag
Zou meer smart hebben
Als het om hem zou gaan

Misschien is het toch de wind
Die een wiegt met het zand
Om de tijd te verdrijven

Kijk goed, kleine
Kijk goed
Op de vlakte in de verte
Daar tussen het riet
Tussen molens en hemel
Vertrekt een man
Die wij niet zullen kennen
Kijk goed, kleine
Kijk goed

Je moet je tranen drogen
Een man vertrekt
Die wij niet zullen kennen
Je kunt je wapens verbergen

(tekst Jacques Brel, vertaling Huub Mous)

zie en luister

Reageer

De nieuwe kleren van de professor

Der is letter faak ferwiisd nei dat program dat Fedde ûnder de 
titel ‘De bining forbrutsen’ skreau yn it earste nûmmer. Wy wiene 
frege oft wy it mei dat manifest iens wêze koene. De measten 
koene der wol yn meistimme en wiene it der benammen mei iens 
dat jo de skriuwers gelegenheid jaan moasten om te skriuwen en 
dat se net yn alderhanne kommisjes warber hoegden te wêzen. Ik 
ha letter lykwols gauris tocht dat it wol in moaie proklamaasje 
wie, mar tagelyk fûn ik it allegearre nochal teoretysk. Gjinien fan 
de lju dy’t doe yn De Tsjerne skreau, hat him der winliken oan hâl
den. Fedde Schurer sels noch it alderminst. De measte skriuwers 
bleaune op de iene of de oare wize Frysk beweger, wiene aktyf yn 
de taalstriid of stelden harren yn kranten aktyf pro-Frysk op. Net 
ien kearde him dêrfan ôf (…).  Elkenien fan ús kaam út in Frysk
talich plattelânnsfermidden en net ut yntellekuele rûnten. Wy 
wiene gjin minsken út de kommersjele middenstân of boargerij,

Aldus Douwe A. Tamminga in het boek van Geart de Vries Trochpaden, oantinken fan D.A. Tamminga oan syn libben en wurk (1999). Het is een mooi citaat, waarin het belangrijkste statement over de naoorlogse Friese literatuur onderuit wordt gehaald, namelijk het verbreken van de verbinding tussen Friese literatuur en Friese beweging, het adagium dat Fedde Schuren in 1946 werd afgekondigd in het eerste nummer van het tijdschrift De Tsjerne. Die verbinding werd destijds helemaal niet verbroken, zo stelde Tamminga nuchter vast, en ik vraag me af of deze verbinding in al die jaren nadien ooit werkelijk verbroken is. Wie in het Fries een roman of en gedichtenbundel schrijft, verklaart zich daarmee solidair met de Friese zaak, anders doe je zo iets niet. In de eerste decennia na de oorlog was er nog sprake van een Fries lezerspubliek, maar dat is de laatste jaren snel aan het veranderen. Een roman in het Fries wordt nauwelijks meer verkocht, om over een Friese gedichtenbundel maar te zwijgen. Wie het toch probeert, dient de Friese zaak tegen beter weten in.

Sterker nog, als je er mee ophoudt om in het Fries te schrijven, dan leg je een openbare verklaring af, dat je taak erop zit. Je hebt genoeg voor het Friese volk gedaan. De plicht is dien…, de schrijver zwaait af. Hij gaat zich voortaan met zinvoller zaken bezig houden, dan het schrijven voor een halve man een een Friese paardenkop. Hessel Miedema was de eerste die al in 1964 met een theatraal gebaar afscheid nam van de Friese literatuur. Er zouden nog velen na hem volgen en telkens weer klonk hun adieu even pathetisch als het slotakkoord van Miedema. R. R. van der Leest volgde Miedema al snel op en daarna kwam een stille stoet van afzwaaiers, met Koos Tieremrsma als meest recente deserteur. Ze worden meestal niet al te hartelijke uitgeluid door de achterblijvers. De uitgever van Tiemersma vond diens afscheidswoord maar een ‘floddering einde‘. De goede zaak laat je zo niet lopen. De verbinding verbreek je niet. Dat is  verraad, om niet te zeggen ‘taalverraad‘. Dat woord gebruikte Cornelis van der Wal vorige week, om Eeltsje Hettinga en Elske Schotanus te verketteren, die in het laatste nummer van de Moanne een artikel in het Nederlands hadden gepubliceerd.

Zoiets is taboe. Dat die je niet in Fryslân. De woorden van Fedde Schurer over de verbroken verbinding tussen literatuur en de Friese zaak zijn nog altijd heilig, terwijl iedereen weet, dat die zaak allang verloren is. Er wordt een schijnwereld opgetrokken en iedereen wordt verondersteld om aan deze maskerade mee te doen. Straks worden er alleen nog maar Friese boeken geschreven die niemand meer leest, maar dat zal nog heel lang doorgaan, omdat er veel belangen mee gemoeid zijn, om over het geld maar te zwijgen. Deze dubbele moraal zit heel diep. De direct betrokkenen zijn zich niet eens ervan bewust dat zij in in een schizofrene wereld zijn beland. Die gespletenheid kan pathologische trekken aannemen, niet alleen bij simpele zielen in it heitelân, maar ook bij Friese intellectuelen en zelfs bij Friese professoren. Hoed je voor een professor in het Fries. Hij zal in een correct wetenschappelijk jargon en onderbouwd door objectieve statistieken beweren dat het Fries steeds verder terugloopt, naarmate je er als overheid meer geld aan besteedt. En toch zal hij nog jaren door diezelfde overheid worden betaald, om dit soort slecht nieuws wetenschappelijk verantwoord aan het volk mee te delen.

Klaas Hendrikse

Goffe Jensma is zo’n professor. Hij doceert een taal, waarvan hij weet dat hij stervende is. Maar hij doet dat met verve, want juist met dat stervensproces kan hij zelf nog jaren vooruit. Als professor van de Friese ontzuiling is hij de begeleider bij uitstek van het afscheid van het laatste geloof. In die zin lijkt hij op dominee Klaas Hendrikse, die niet meer gelooft dat God bestaat. Dat is een nieuw fenomeen: de ontdekking van het eigen ongeloof dat de ontdekker van hogerhand als een nieuw soort geloof mag blijven verkondigen. Het zijn de nieuwe kleren van de keizer, een soort post-postmodernisme. Gisteravond in de uitzending Sneons van Omrop Fryslân gaf de professor opzichtig blijk van de ene inconsistentie na de andere, maar toen ik hem daarop wees, werd hij een beetje kriegel. Na afloop maakte hij het nog bonter. Hij verweet mij een te intellectualistisch standpunt. Ik zou geen oog hebben voor de gewone man, die elke dag zijn kaartje moet kopen in de bus van Arriva en daarbij vooral Fries wil blijven spreken. Nou heeft deze professor volgens mij nog nooit in een bus van Arriva gezeten. Ik wel, want ik heb geen auto. Ik heb ook nog nooit een Fries zien instappen, die niet gewoon in het Fries een kaartje kon laten stempelen, als hij daar tenminste behoefte aan had. Er zit een rare omkering in dit soort redeneringen. Een professor maakt zich druk om de gewone man, terwijl hij hoog en droog professor mag blijven om zich in die functie druk te maken om de gewone man.

‘Er zit van oudsher een anti-intellectualistische onderstroom in de beweging die zich bezig houdt met het bevorderen van de Friese taal.’ Ook dat beweerde Goffe Jensma na afloop van de discussie. Daarmee was de gotspe compleet. Mij betichten van intellectualisme, terwijl je tegelijk van mening bent, dat bij het bevorderen van de Friese taal teveel anti-intellectualisme komt kijken. Kan het misschien zo zijn, dat het een de verklaring vormt voor het ander? De Friezen willen het Fries behouden, maar zullen tegelijkertijd nooit vergeten dat het in wezen gaat om een boerentaal. Daar schamen ze zich voor. Daarom moet de verbinding worden verbroken, terwijl ze die verbinding tegelijk in stand houden. Daarom moeten er een ‘Fries taalcentrum’ komen-  zoals mevrouw Toering wil – om de ’schaamplekken’ in de Friese ziel te verhullen. Daarom zijn mensen, die de onzinnigheid van dit streven inzien en aan de kaak stellen, intellectualistisch, elitair en blind voor het leven van de gewone man in Friesland. Welnu professor, als er iemand blind is, dan bent u het. Maar de tijden veranderen. Het Fries houd je niet langer in stand tegen beter weten in. De nieuwe kleren van de de keizer worden steeds meer zichtbaar voor het gewone volk, dat u zelf zo hoog in het vaandel heeft.  Anders gezegd, professor: U staat in uw blote kont!

zie en luister

30 Reacties