Een metafoor voor samenhang
Onderstaande tekst verscheen voor het eerst in april 1986 in het tijdschrift ‘BOUD, architectuur en vormgeving in Friesland’, een tijdschrift dat vijf jaar heeft bestaan van 1984 tot 1989. De titel van het verhaal was toen: De twee breinen van de architect. Ik las in de tijd boeken van Piet Vroon en Arthur Koestler. Zij brachten mij op het idee om verbanden te leggen tussen architectuur en poëzie, woord en beeld, en de twee hemisferen van het brein. La Carte du Tendre (zie boven) vond ik in een boek over de geschiedenis van de Franse literatuur. Het is een allegorische landkaart uit de 17de eeuw, waarop de plaatsnamen verwijzen naar de ontwikkelingsgang van de liefde volgens de literaire doctrines van die tijd. Verder ben ik nog altijd een liefhebber van de regenboog als een ultieme metafoor van samenhang.
*
“Ik heb altijd benadrukt dat de kunstenaar en de beoefenaar van wetenschap niet ieder een apart universum bewonen, maar slechts vaag onderscheiden regionen van een continu spectrum – een regenboog die zich uitstrekt van het infrarood van de poëzie tot het ultraviolet van de fysica, met de vele gradaties daartussen: hybride disciplines als bijvoorbeeld architectuur … “
Arthur KoestIer, Janus, a summing up
U komt aan op het station in Leeuwarden en iemand vraagt U de weg naar het Provinciehuis. Hoewel U redelijk bekend bent in deze stad en U zich een goede voorstelling kunt maken van de plattegrond zal het U enige moeite kosten de kortste route in woorden duidelijk te maken: er zit een vertragingsmoment tussen beeld en taal. Een bode van het Provinciehuis vertelde mij laatst dat veel mensen die al jaren lang frequente bezoekers zijn nu als ze binnenkomen moeite hebben om de weg te vinden naar de 1 ste, 2de of 3de sectiekamer. Nieuwkomers echter volgen blindelings zijn verbale instructies op en hebben geen last van de gewijzigde plattegrond na de verbouwing. Er zit een tweede vertragingsmoment tussen het topografisch geheugen en de plattegrond in het hoofd die mede gevormd wordt door directe waarnemingen. Ons oriëntatievermogen werkt met terugkoppelingen, vergelijkbaar met de ingebouwde radar van een kruisraket.
Een derde voorbeeld: in landen zoals Nederland waar een zeer uitvoerige bewegwijzering bestaat, blijken veel automobilisten zelfs van korte afstanden geen mentale plattegrond te hebben, omdat ze vaker dan bijvoorbeeld Italianen hun toevlucht kunnen nemen tot ‘geschreven’ plattegronden, de opeenvolging van plaatsnamen op richtingaanwijzers. Dit zijn drie verschijnselen waarbij zich splitsingen voordoen tussen beeld en taal, vertragingsmomenten die iets te maken schijnen te hebben met organisatiepatronen in ons brein, een geheel van twee gescheiden hemisferen. De mens heeft met veel dieren gemeen dat zijn lichaam een symmetrie-as heeft, wat gepaard gaat met een verdubbeling van het zenuwstelsel. Voor veel motorische functies geldt dat zij spiegelbeeldige verbindingen hebben in de twee hemisferen van ons brein: links bestuurt rechts en omgekeerd. Maar het zenuwstelsel is behalve een regelcircuit voor motorische functies ook een orgaan voor het opnemen en verwerken van informatie zowel in taal als in beeld.
Onderzoekers van het menselijk brein hebben geprobeerd visuele en verbale functies in verband te brengen met een zekere specialisatie van de twee hemisferen, een vermoeden dat voor de hand ligt bijvoorbeeld door verschijnselen die zich voordoen bij sommige hersenbeschadigingen. Het linkerbrein zou geheel in het teken staan van het taalcentrum. Het is de verbale helft waar informatie vooral in blokken achter elkaar wordt verwerkt, zoals tot uitdrukking komt in begrippen als temporeel, digitaal, analytisch, differentiërend en hiërarchisch. Het rechterbrein daarentegen bevat het preverbale of beeldend centrum. Hier wordt de informatie vooral in cirkels t egelijk verwerkt, ruimtelijk in gehelen, zoals tot uitdrukking komt in begrippen ols, parallel, analoog, synthetisch, integrerend en holistisch. Elke hersenhelft functioneert min of meer op zichzelf als ware het een compleet brein.
Maar de situatie is ingewikkelder dan het lijkt. Er zijn talloze dwarsverbindingen en bij de meeste activiteiten worden zowel de linker als de rechterhelft intensief gebruikt, wat niet wegneemt dat een zekere specialisatie aantoonbaar blijft. Bij de ene functie is die specialisatie meer dominant dan bij de andere. De differentiaties die worden gevonden gelden niet altijd voor iedereen, en bij sommige mensen wordt zelfs een compleet spiegelbeeldig organisatiepatroon aangetroffen. Toch richt het hersenonderzoek van de laatste decennia zich in toenemende mate op het aantonen en begrijpen van ‘gescheiden verbanden’ in functies die onder andere gekoppeld zijn met taal en beeld, de domeinen van de linker en de rechter hemisfeer. Statistisch onderzoek heeft uitgewezen dat bij kunstenaars relatief meer linkshandigheid voorkomt dan gemiddeld en dat linkshandige studenten aan een kunstacademie relatief meer kans hebben om hun einddiploma te behalen dan rechtshandigen. (1)
De verklaring ligt voor de hand, dat wil zeggen de linkerhand is beter geëquipeerd om de ruimtelijke instructies van de rechter hemisfeer te vertolken dan de rechterhand, die een hotline heeft met de linker hemisfeer. Recente onderzoekingen richten zich tevens op de vraag hoe organisatiepatronen in de hersenen cultureel zijn bepaald. Dit onderzoek kan synchronisch van aard ïn bijvoorbeeld door vergelijking van verschijnselen die zich gelijktijdig voordoen in heel verschillende culturen. Het brein van een Japanner bijvoorbeeld zou anders in elkaar kunnen zitten, alleen al omdat hii – precies omgekeerd als wij – van onder naar boven schrijft en van rechts naar links. Een Eskimo heeft ongeveer veertig woorden voor wit en weet op een andere manier zijn weg naar huis te vinden dan een automobilist op een vierbaans snelweg.
Het oriëntatievermogen van het brein blijkt enerzijds in haar relatie tussen visuele en verbale functies culturele variabelen te vertonen en laat anderzijds binnen die variabelen wetmatigheden zien. Daarnaast kan er ook diachronisch naar verbanden worden gezocht door na te gaan hoe door de tijd heen binnen één cultuur bepaalde mentale structuren zijn ontstaan, of omgekeerd hoe die structuren de ontwikkeling van patronen in een cultuur hebben bevorderd of juist hebben afgeremd. Wat ging er om in het brein van de eerste Renaissance- architecten toen binnen enkele decennia de perspectivische ruimte werd ontdekt en tegelijk plattegronden van gebouwen een rationale ordening kregen? En wat ging er om in het brein van de eerste Renaissance- dichters toen vrijwel tegelijkertijd de taal als ‘leeg teken’ ontstond, woorden met betekenissen die losweekten van de werkelijkheid waarmee ze voorheen in grillige en irrationele ordeningen verbonden waren? En tenslotte, hoe hebben deze ontwikkelingen in wisselwerking met elkaar misschien organisatiepatronen in het brein veranderd zoals die verankerd liggen in de gespecialiseerde functies van de twee hemisferen?
Hemisferische specialisaties
Met dergelijke vragen komt een
gebied in beeld dat op het grensvlak
ligt van het biologische en het
culturele. De breinen uit de tijd van de
Renaissance bestaan niet meer en er
wordt vanuit gegaan dat er termen
bestaan waarmee zulke uiteenlopende
zaken als de ‘traagheid van mentale
structuren’ en ‘culturele patronen’ met
elkaar zijn te verbinden. Toch spelen
juist deze begrippen een centrale rol
in de benaderingswijze van hedendaagse geschiedkundigen met
name in Frankrijk die geschiedenis
opvatten als’ mentaliteitsgeschiedenis’ en beweren dat het brein van de
middeleeuwse mens wezenlijk anders in elkaar zat dan tegenwoordig. Zij
beschouwen de geschiedenis als een
gelaagdheid van collectieve
voorstellingssystemen en
gedragsmodellen die ieder hun eigen
erfenis hebben en die de verspreiding
van nieuwe baanbrekende ideeën
kunnen vertragen. Vanuit deze nieuwe
benadering wordt een minimale
samenleving onderzocht in een
bepaalde periode, bijvoorbeeld een
dorp in de Pyreneeën, of een
verschijnsel of een begrip dat als een
rode draad door de geschiedenis loopt, bijvoorbeeld het kind, de geur of de dood.
De meest uiteenlopende cultuuruitingen komen hiermee op één lijn te liggen, waarbij zowel literaire als niet literaire bronnen relevant worden. Voor de recente geschiedenis kunnen zelfs alle media van beeld en taal als object van onderzoek dienen, zoals het chanson, de radio, de televisie, de film, de videoclip, de reclame en het stripverhaal. Architectuur en poëzie zouden in deze rij niet misstaan. Bovendien opent zich een wijds perspectief: in de onderlaag van de geschiedenis zou een zich langzaam wijzigend spectrum kunnen liggen dat de kleuren bepaalt van alle uitingen in een cultuur. En misschien ook ligt dit spectrum in het brein verankerd als een hologram waarvan een scherf een heel beeld kan weerspiegelen. (3)
Een mens bouwt huizen en gebouwen om in te wonen en te leven, maar architectuur is niet alleen functioneel bepaald. Zij kan ook worden opgevat als het vormgeven van ruimten die niet alleen belevingen van ruimten weerspiegelen, maar ook andere belevingen die cultureel zijn bepaald en ook elders tot uiting komen, bijvoorbeeld in taal. Of de mate waarin deze belevingen samengaan of uiteenlopen verband houdt met patronen in een cultuur en in laatste instantie met variabelen in hemisferische specialisaties in het brein, is een vraag die makkelijker is gesteld dan beantwoord. Zeker is dat binnen het terrein van onderzoek dat hierboven met een paar woorden is aangegeven, architectuur als hybride discipline en knooppunt van menselijke belevenissen, haast bij uitstek een terrein van onderzoek vormt. En om de tweesporigheid van het brein door te trekken, wat ligt er dan meer voor de hand om dit onderzoek tevens te richten op ontwikkelingen die zich tegelijkertijd voordoen in de ruimte van de taal: poëzie en literatuur.
Met een stelling die zichzelf in de staart bijt zou je kunnen beweren dat er twee categorieën van mensen bestaan: mensen die altijd alles in twee categorieën verdelen en mensen die dat niet doen. De gedachte is verleidelijk om voor de relaties tussen architectuur, poëzie en de hemisferen van het brein direct een pasklaar onderzoeksmodel te creëren dat als een mes aan twee kanten snijdt en waarin alle elementen geordend zijn in twee categorieën: links en rechts, taal en beeld, blokken en cirkels. Maar hiermee zou men ook meteen het spoor bijster raken. Poëzie, om te beginnen, bedient zich weliswaar van taal, maar is daarmee nog niet aan te duiden als een uiting van de linker hemisfeer. Integendeel, de verbanden, infrastructuren, symbolen en metaforen die juist poëzie kan oproepen behoren eerder tot de holistische termen van de rechter hemisfeer.
Ook poëzie heeft dus een hybride karakter: in haar uiterlijke verschijning is zij temporeel en differentiërend door het aaneenschakelen van woorden, terwijl zij in haar verwijzing eerder synthetisch en integrerend is door het leggen van beeldende verbanden. Aan de andere kant behoort architectuur niet zuiver en alleen tot de rechter hemisfeer. De ruimtelijke beleving van architectuur kan dubbelzinnigheden bevatten, bijvoorbeeld zoals een gotisch gewelf in een raadszaal tevens verwijst naar een kerk zo verwijzen zuilen in een schouwburg naar een Griekse tempel en een balcon aan een villa naar Romeo en Julia. Juist deze verwijzingen lopen via tekens en betekenissen die ook verankerd liggen in de taal die met haar aaneenschakeling van woorden thuishoort in de linker hemisfeer. De beleving van architectuur loopt dus via een boog van correspondenties waarin taal en beeld verweven zijn.
Als de relatie tussen architectuur en poëzie bij uitstek een onderzoeks terrein vormt om de wisselwerking tussen cerebrale organisatiepatronen en culturele ontwikkelingen aan het licht te brengen, zal men de loper waarop deze patronen in de tijd zichtbaar worden naar het verleden toe moeten terug rollen. Bij een onderzoek met een dergelijke groothoeklens zullen spectaculaire resultaten niet voor het oprapen liggen en vertekeningen in het perspectief voorspelbaar zijn. Benaderingen vanuit meerdere disciplines zijn noodzakelijk, waarbij zowel een miniscuul gegeven als een gewaagde hypothese van belang kunnen zijn. Op het eerste gezicht lijkt deze choreografie van gedachtesprongen een aantal grove simplificaties te bevatten. De theorie van de twee hemisferen lijkt een holistisch model dat voor alles en nog wat toepasbaar kan zijn. Het gevaar van een cirkelredenering ligt levensgroot om de hoek als men er vanuit gaat dat het brein een microcosmos is dat grote verbanden kan weerspiegelen. Het resultaat lijkt vooraf verzekerd omdat het in de methode van denken besloten ligt: het benaderen van een object – een bouwwerk of een literaire tekst – niet in zijn eigen termen maar in termen van het geheel.
Bovendien maakt de verleiding om grote verbanden te kunnen leggen ieder holistisch model al gauw tot een broeinest van koortsige gedachten, aantrekkelijk voor wereldverbeteraars die vaak te lui zijn voor detailonderzoek, een loopje nemen met de feiten en gaan zien wat ze willen zien. Wanneer het echter als partituur wordt gebruikt voor de relatie tussen architectuur en poëzie, dient zich een motief aan dat eenmaal gehoord in het hoofd blijft hangen en zich in allerlei toonsoorten gaat herhalen. De tapijt waarop de patronen van architectuur en poëzie in beeld en taal zich ordenen laat teruggerold in de tijd onregelmatigheden zien tussen schering en inslag.
Blokken en blokkendozen
Aan het begin van de vorige eeuw heeft de lelijkheid van de
neostijlen aanleiding gegeven tot een
tegenbeweging bij architecten die
gingen varen op het kompas van het
modernisme. Architectuur wordt
sindsdien vooral opgevat als een
visuele kunst met functionele en
formele zelfkritiek als methode en
gebruikmakend van vormen die zich
in hun ordening en proportionering
met steeds minder middelen steeds
méér van de benoembare
werkelijkheid verwijderen. Wanneer in
de jaren dertig in de literatuur het
spookbeeld van een Brave New
World ontstaat komen in de
beschrijvingen van deze wereld
karikaturen naar voren van de
eigentijdse, moderne architectuur. In
een passage uit ‘Blokken’ van
Bordewijk wordt een oude architect
opgevoerd die is opgesloten in een
reservaat en nog eenmaal als
amusement voor het publiek zijn
aanklacht mag verwoorden:
“Wat hebt gij, zo zeide hij, uw steden opgebouwd tot blokkendozen, uw perken gelegd als vierkanten, uw straten als lijnen. Gij zijt verliefd, met de harde liefde van uw zielen, op de horde lijnen, figuren en vormen. Gij drijft de idee van het blok door in al haar excessen, ge ziit de kubisten van de praktijk. Ge zult u ten dode verwonden aan de scherpe kanten van uw levensstaat. Ik behoef maar mijn ronde schedel te betasten om te voelen dat wat daarbinnen ligt het volmaakte zoekt in cirkel, schijf en bol. 0, de heerlijkheid van de lijn zonder einde, het vlak zonder hoeken, het lichaam zonder vlakken! Het blok is uw god en toch kunt gij de natuur niet keren. Uw kinderen nemen in hun vierkante leerlokalen de kantige lessen van uw beginsel op met ronde ogen. Gijzelf, mannen, streelt in zingenot de rondingen uwer vrouwen. Hou zou het u te moede zijn wanneer de liefkozing uwer handen neerkwam op kubussen. Gij vergeet dat de aarde rond is, dat zij cirkelt om de zon wier kleuren breken in de regenboog als de ronde droppels vallen” (3)
Dit is een proeve van architectuur- kritiek die meer is dan een boutade. Blokken, cirkels, schedel en regenboog worden opgevoerd in een krachtig akkoord dat een melodie van associaties in gang kan zetten binnen het toonstelsel van de twee hemisferen. De regenboog is van oudsher in poëzie en literatuur een geliefd beeld geweest als ultieme metafoor van samenhang, een bundel van vervlechtingen die objecten in de materiële wereld langs een boog van correspondenties met de wereld van de geest kan verbinden. Sinds de Romantiek echter is de regenboog ontaard in een cliché voor hemelbestormers, schlagerzangers en derderangs dichters. De eerste romantische dichters rond 1800 ervoeren een verwijdering tussen de poëzie en de exacte wetenschappen.
Woorden en beelden die door dichters en onderzoekers werden gehanteerd verloren hun verwante ordening die zij voorheen hadden gekend als op een vergelijkbare plattegrond. ‘La Carte du Tendre’ is een merkwaardige allegorische landkaart uit de zeventiende eeuw waarop de plaatsnamen bij de architectuur verwijzen naar de ontwikkelingsgang van de liefde volgens de literaire doctrines van die tijd. De indeling van het landschap vormt tegelijk een tegenhanger van de rationele ordening in de Franse landschapsarchitectuur met Versailles als prototype. Poëzie en architectuur hadden toen nog verwante registers, een harmonie van schering en inslag, woorden en beelden, blokken en cirkels. Later zou er een scheiding komen tussen analytische en synthetische denkvormen. Gevoel en verstand gingen uit de pas lopen en raakten elkaars echo kwijt. Het oog werd bestemd om te zien, het oor alleen om te horen. En de woorden van dichters gingen wandelen in een eigen taal ruimte waarin de regenboog alleen nog gekunstelde emoties kon oproepen, zoals het verlangen naar de verte, nostalgie en utopia. Keats had al beweerd dat Newton door het kleurenspectrum terug te brengen tot golflengten van het licht de regenboog aan de poëzie ontnomen heeft:
Do not all charms fly
At the mere touch of cold philosophy
There was on awfull rainbow once in heaven
We know her woof, her texture; she is given
In the dull cotologue of common things (4)
Nog vandaag de dag wordt op het terrein van de exacte wetenschappen poëzie nog maar al te vaak opgevat als een irrationeel, infantiel en narcistisch geknutsel. (5) Aan de andere kant, in ervaringen van architectuur zoals die in poëzie en literatuur tot uiting komen is juist het ontbreken van een gevoel van samenhang ook nu nog aanleiding om terug te grijpen naar het cliché van de regenboog. Paul Simon zingt over de onherkenbaarheid van zijn geboortestad in een tekst waarin alle elementen nog als metafoor aanwezig zijn:
And after it rains there’s a rainbow
And all of the colors are black
It’s not that the colors aren’t there
It’s just imagination they lack
Everything is the same
Back in my linie town (6)
Recente ontwikkelingen in de architectuur worden veelal gevat onder de grofmazige term postmodernisme. Opmerkelijk is dat het verschijnsel postmodernisme voor het eerst werd herkend in ontwikkelingen in de literatuur, met name de. opkomst van de ‘Nouveau Roman’. Gravity’s Rainbow, een in 1973 verschenen roman van de Amerikaan Thomas Pynchon wordt vanwege de bizarre complexiteit in de verhaalstructuur vaak als exemplarisch beschouwd voor het postmodernisme in de literatuur. Het belangrijkste kenmerk van deze romans is het ‘talige’ karakter van de tekst, waarbij bewuste verwijzingen naar het fictieve karakter van de intrige worden afgewisseld met parodieën op eerdere stijlvormen en technieken. De tekst wordt een gesloten systeem, een weefsel van woorden en beelden die gevangen zitten in hun eigen complexe werkelijkheid die even metaforisch is als het karakter van de taal zelf.
In Nederland wordt Gerrit Krol wel als postmodern auteur aangeduid. Zelf heeft hij het verschil alsvolgt ironisch samengevat: “In een moderne roman staan geen plaatjes, geen figuren, dat mag niet en bij postmoderne romans het mag dat wel.” (7) Aan de horizon van het postmodernisme wordt schuchter gezocht naar nieuwe verbanden, een regenboog waarin nieuwe verbindingen tussen beeld en taal mogelijk worden. De lelijkheid van voorsteden deden het besef groeien dat de pioniers van het moderne design te zeer gefascineerd waren door de esthetiek van de tekentafel met ruimtelijke concepties die van bovenaf opgelegd te weinig feedback kregen van de complexiteit van alledaagse ervaringen. In hedendaagse uitingen van poëzie en literatuur is het centrum van waarneming vaak verdwenen met als gevolg een fragmentatie van gezichtspunten en een gelaagdheid van betekenissen.
Architectuur en poëzie
Aan de andere kant
worden in de architectuur steeds meer
literaire procedé’s binnengehaald.
Citaten, montage, démontage,
dubbelzinnigheid, ironie, pastiche,
metafoor en allegorie worden
aangewend als ingrediënten voor
nieuwe ruimtelijke concepties. De
verloren samenhang in beeld en taal
wordt vandaag de dag zowel in
poëzie als architectuur expliciet
gemaakt. In een betoog dat zwaar
leunt op gedachten van Heidegger
over Unheimlichkeit en waarin
architectuurbeschouwing wordt
opgevat als een problematisering van
woongevoelens stelt Norberg-Schultz: ‘Architecture belongs to poetry and
its purpose is help man to dwell. (8)
Het recht om te dwalen werd een
mens ontnomen in uniforme
buitenwijken waarvan de plattegrond
geen tegenhanger meer heeft in een
poëtisch register uit een andere
hemisfeer. ‘La Carte du Tendre’,
waarop poëzie en architectuur nog
verwante registers hadden, zou in
onze tijd plaats kunnen maken voor
een allegorische landkaart waarop de
plaatsnamen bij de architectuur
verwijzen naar de ontwikkelingsgang
van het cynisme volgens de literaire
doctrines van tegenwoordig. Er zijn dichters
die het cynisme niet hebben
geschuwd om de waarheid aan het
licht te brengen. Voor wie oren heeft
om te horen hebben zij talloze malen
kritiek op de moderne architectuur verwoord, zoals bijvoorbeeld blijkt uit
verwante teksten van Gerard den
Brabander en Jacques Brel:
Blokken van steen en kou
Kookhoek en nachtkwartier
Klaar voor gekruidenier
Kanker en huwelijkstrouw (9)Quand on n’a que l’amour
Pour meubler de merveilles
Et couvrir de soleil
La laideur des faubourgs (10)
Knutselen schijnt hét ware kenmerk te zijn van het wilde denken. Niet gehinderd door deskundigheid en op het gevaar af architectuur beschouwing te reduceren tot een literaire blokkendoos, kom ik tot de volgende wilde hypothese. De architectuurgeschiedenis van deze eeuw zou herschreven kunnen worden als een optocht van zich herhalende tegenstellingen vanuit de gedachte dat er ergens een draad is geknapt in het weefgetouw van woorden en beelden. Het brein van een architect is een denkende weeffout geworden sinds het geen oor meer heeft voor het spoor van kritiek dat in teksten van poëzie en literatuur tot uiting komt. In een maatschappij die elke gerichtheid in haar ontwikkelingsgang verloren lijkt te hebben en waarin kunst te kampen heeft met een leegloop van collectieve voorstellings systemen, kun je architecten uiteraard niet verantwoordelijk stellen voor alle kwalen.
Bovendien is nog niet alle hoop achter de horizon verdwenen. Architecten en dichters hebben wellicht bij uitstek een antenne voor het postmoderne levensgevoel wat dat dan ook moge zijn. Façades worden opgetrokken zonder enige verwijzing naar het interieur van een gebouw, zoals woorden uit hun samenhang losweken en gaan drijven aan het oppervlak van een roman of een gedicht. De taal is niet een labyrint van beelden dat in het brein verzonken ligt, moor een drijvend oppervlak van woorden even onwerkelijk als de werkelijkheid zelf. Soms loopt de fictionele werkelijkheid van de literatuur op de feiten vooruit.
Een tafereel dot Bordewiik niet had kunnen verzinnen werd in 1977 op de televisie vertoond: bij de begrafenis von Ernst Bloch, vaak de filosoof van de hoop genoemd, droeg een stoet van studenten spandoeken met regenbogen. In een optocht zonder woorden en platgeslagen tot een beeld leken zij voorop te lopen on the road to nowhere. De extase van de massacommunicatie reduceert alles wat nog rest aan metaforen tot een luchtspiegeling zonder illusie, een beeldscherm zonder diepte, waarbij woorden en beelden op één vlak komen te liggen, zichzelf herhalen en uiteindelijk gaan rondzingen. Verschijnselen die op het eerste gezicht geen enkele samenhang vertonen kunnen op afstand, vanuit een andere hoek bezien – als in een anamorfose – nieuwe figuren gaan vormen.
Achter de postmoderne ontwikkelingen in de architectuur vormt zich verder weg aan dezelfde horizon vagelijk een tweede regenboog van holistische denkvormen als ecologie, cybernetica, biochemie, genetische technologie, quantumfysica en psycholinguïstiek. Dit is een spectrum van nieuwe hybride disciplines die ons wereldbeeld nog nauwelijks hebben aangetast omdat zij worden geremd door de traagheid van onze mentale structuren die vastzitten aan elementaire opvattingen over causaliteit, hiërarchie en het primaat van de ratio. Als de opvattingen over de werkelijkheid die in deze nieuwe disciplines naar voren komen uiteindelijk gaan doordringen in de taal van alledag en onze wijze van zien, kunnen er verschuivingen komen in onze mentale structuren.
Misschien zelfs gaan er dan hologrammen in het brein verschijnen waarin nieuwe verbindingen tussen beeld en taal mogelijk worden. Media en technologie zijn onderhuids een radicale verandering in de cultuur teweeg aan het brengen die van invloed kan zijn op de scheiding tussen gevoel en intellect en de desintegratie van de zintuigen. Kortom, de synthetische en analytische hersenfuncties zullen zich misschien in nieuwe patronen gaan ordenen. Maar dat zijn de hoogdravende verwachtingen van het holistisch denken wanneer de kwadratuur van de cirkel op hol is geslagen. Als er nieuwe hologrammen in het brein ontstaan voor woorden en beelden dan zouden ze nu al afleesbaar moeten zijn in recente uitingen van poëzie en architectuur.
In dat geval zouden ze alleen onthuld kunnen worden door het slot van de brandkast afwisselend naar links en naar rechts te draaien. Deze ontcijfering van correspondenties zal het uiterste vergen van geduld en sensitiviteit, temeer als men vermoedt dat de ontsluiting onder handbereik ligt als een sleutelbos die schittert onder het wateroppervlak. Hoe dan ook architecten en dichters beginnen langzaam te beseffen dat zij het passe-partout in handen hebben dat toegang biedt tot twee maar al te vaak gescheiden hemisferen. Als goudvissen die nog kunnen zwemmen in de vijvers van Versailles hebben zij misschien als laatsten zicht op een vergeten kleurenspectrum, een regenboog die ooit als ontzagwekkende metafoor voor samenhang aan de hemel stond.
****
(1) Luciano Meccaci vermeldt dit gegeven dat
naar voren kwam op grond van statistisch
onderzoek. Ook bij beeldende kunstenaars
wordt relatief meer linkshandigheid
aangetroffen. Opmerkelijk is ook dat veel
grote kunstenaars linkshandig waren, o.a.
Leonardo da Vinci en Michelangelo.
Meccaci, Signalement van het brein,
Amsterdam 1985, p. 23
(2) De Franse historicus Michel Vovelle baseert
zijn benadering van de geschiedenis onder
meer op een veel geciteerde uitspraak van
Marx waarin de in de maatschappij alom
aanwezige samenhang tussen
produktiekrachten en produktieverhoudingen
wordt beschreven in een metafoor waarin
kleur en licht een centrale rol spelen: “Zij is als
een algemene belichting waarin alle kleuren
warden gedompeld en waardoor hun eigen
tonaliteit gewijzigd wordt. Zij is als een
bijzondere atmosfeer die het soortelijk gewicht
van alle bestaansvormen bepaalt die erin naar
boven komen. Vovelle,
Mentaliteitsgeschiedenis, Nijmegen, 1985,
p.21
(3) Bordewijk, Blokken, ‘s Gravenhage, 1 931,
p.17
(4) John Keats, Lamia, 1817, geciteerd in
Abrams, ‘he mirror and the Lamp, Romantic
theory and the criticaI tradition, Oxford 1953,
p. 307. Een hoofdstuk in dit boek is gewijd aan
de regenboogmetafoor onder de titel
‘Newton’s Rainbouw and the Poet’s’. Een
uitvoerig iconografische studie over het gebruik
van de regenboog in tekst en beeld vanaf de
Middeleeuwen, tot nu is te vinden in
’Regenbogen für eine bessere Welt’,
Württembergischer Kunstverein, Stuttgart,
1977. Hierin wordt een bijna volledige
opsomming gegeven van hedendaagse
regenboogmetaforen in reclame, politieke
propaganda en evergreens: “Will there be
rainbouws day after day? Que sera, sera, what ever will be, will be” (Doris Day).
Onvermeld blijven de regenbogen van C&A,
Polaroid, De Evangelische Omroep,
Greenpeace en het wereldkampioenschap
wielrennen. Binnen dit hele spectrum komt de
regenboog naar voren als een archetype, een
collectief icoon van samenhang, melancholie,
nostalgie, utopia, hoop en het sublieme.
(5) Een schaamteloze uiting van een dergelijk
vooroordeel permitteert Whitehead zich in
’Science and the modem world’, New York
1925: “The poets are entirely mistaken. They
should address their lyrics to themselves, and
should turn them into odes of self
congratulations on the excellency of the
humon mind. Nature is a dull affair, soundless,
scentless, colorless, merely the hurrying of
material, endlessly, meaninglesly.”
Tegenwoordig is juist sprake van een osmose
tussen poëzie en natuurkunde. Poëzie wordt
voornamelijk gekenmerkt door metaforisch
taalgebruik. In een recente studie onderzoekt
Vroon het gebruik van metaforen in de
psychologie, waarbij tevens wordt gewezen het belang van metaforen binnen de exacte
wetenschappen: “Niettemin wordt de
natuurkunde geïdealiseerd als we zouden
volhouden dat metaforen geen rol in theorieën
spelen. Van quarks wordt beweerd dat zij een
’kleur’ hebben, ‘vreemd’ zijn en aan elkaar
vastzitten met een ‘koord’.” Vroon en
Draaisma, De mens als metafoor, Utrecht
1985. p.79 .
(6) Paul Simon, My little town, Still crazy af ter
all these years, CBS 86001, 1975 7) Gemt Krol, “De Abstracte Roman”, in
Modernen Versus Postmodemen, Utrecht
1985, p. 172
(8) Norberg-Schulz, Genius loci, Towards a
phenomenology of architecture, London,
1980, p.23
(9) Gerard den Brabander, Verzamelde
werken, Amsterdam 1966
(10) Jacques Brel, Poètes d’ aujourd’hui, Parijs
1964, p.66






