Amsterdam en Harlingen

Goethe reisde naar Italië, Rilke deed Rusland aan,
en als een ander mens kwamen zij weer terug.
Op mijn oude dag ben ik naar Harlingen gegaan.
Een jonge man kon ik niet worden, maar ik heb
met haar aan het einde van de pier gestaan.
Haar hond liep op de balustrade. We spraken honderduit
en liepen terug de haven langs,
voorbij ’t Havenmantsje, waar later op de avond
een copieuze maaltijd voor ons klaar zou staan.

Ik rook de teerlucht en ook iets van de zee en zag
het expeditieschip de Willem Barentsz
uit oud hout opgetrokken aan de Nieuwe Willemshaven.
De Noorderhaven zag ik, het Noordijs.
Hoe ruim was het, hoe oud!
We spraken over Dokter Pulver zaait papavers,
herinnerden ons Ton Lutz, of was het toch Ton Lensink?
Maar wie was dan die Vlaamse vrouw?

Het was haar stad die ik hier terug mocht zien,
de stad die ik slechts ken als Lahringen van Vestdijk.

De rode leeuwen staan nog altijd op de brug,
Caspar de Robles schizofreen als Stenen Man aan havenkant.
Tsjerk Hiddes, Tromp, de Ruyter!

En waarom hebben ze die cijfers 16 honderd op die mooie
pakhuizen geplaatst? De haven sluimert in de avondlucht,
maar op het havenplein hangen de oude mannen rond.

Als wij al laat teruglopen naar het station,
roep ik: ‘Cultuurbarbaren!’

De trein vertrekt.

Ik denk aan hoe verliefd wij waren.

*

(vrij naar Obe Postma, To Harns)

Dit gedicht verscheen in iets andere vorm eerder op mijn blog op 12 maart j.l. Sindsdien is er heel wat gebeurd. Teveel om op te noemen in een blog. Zo ben ik begonnen aan een roman. Het verhaal gaat over Simon Vestdijk en Albert Camus en speelt zich af in deze Friese havenstad. De hoofdpersonen zijn Karuna en Mathilde. De naam Mathilde heb ik ontleend aan het gelijknamige chanson van Brel. Misschien wel het mooiste chanson, op Amsterdam na dan.

Gisteren werd ik opnieuw gebeld door Anna-gaelle Brault. Zij is een Franse journaliste en werkt bij ARTE, het voornaamste culturele televisiekanaal in Frankrijk en Duitsland. Ze is momenteel bezig met een documentaire over Albert Camus in Amsterdam. Een maand geleden had zij mij ook al eens benaderd ( zie mijn blog Camus in Amsterdam op Arte!)  Anna-gaelle was een tijdje ziek geweest, vandaar dat ik niets meer hoorde.

We spraken over de telefoon een kwartier lang over Camus, Brel, over de Stille Omgang die ik als kind maakte aan de hand van mijn vader door de nachtelijke rosse buurt van Amsterdam. Maar ook over mijn boek over Vestdijk en Camus, waar ik nu mee bezig ben. Volgende week zal het dan toch gebeuren. Ik word vier uur lang geïnterviewd op verschillende locaties in Amsterdam over alles wat ik te vertellen heb over Brel en Camus en wat zij beiden hadden met Amsterdam.

Eerder schreef ik hierover in mijn blog Vestdijk in Casablanca. Om die reden dat ook dat blog vandaag nog maar eens in de herhaling gaat. 

Vestdijk in Casablanca

Slide1

Casablanca, Zeedijk 26, in 1960 ( foto Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

‘Aan de roman De dokter en het lichte meisje, die begin maart 1951 
gereedkwam, zijn verschillende anekdotes verbonden. Om stof te 
verzamelen en indrukken op te doen, bezocht Vestdijk o.a. samen 
met Henriëtte’van Eyk de Walletjes en de Zeedijk. Zij schrijft in 
haar herinneringen over een ‘avondwandeling’ met Vestdijk en 
Theun de Vries langs rijen ‘verdachte percelen’: ‘Ik herinner me 
ook een speciale avond in een zeemanskroegje waar een gevecht 
ontstond eh er met flessen en glazen werd gegooid. Voor de veiligheid duwde Simon me onder de tafel. De bedoeling was natuurlijk dat hij – op zijn minst – met de meisjes zou práten, maar
met mij pal naast zich werd dat nooit veel. Ik trachtte me afzijdig 
te houden. Met dat doel heb ik een keer een biertje gedronken met 
een Engelse matroos, maar toen de Engelse matroos verder wilde 
gaan dan het biertje, greep Simon in. Het meisje waarmee hij had 
zitten praten (we noemden haar het Truitje) keek naar mij met 
diepe verachting. Wél een consumptie van iemand accepteren,
maar verder ho maar.’

Aldus schrijft Hans Visser in zijn Vestdijk biografie. Jammergenoeg vermeldt hij er niet bij welk etablissement aan de Zeedijk Vestdijk en Henriette van Eijk destijds bezocht hebben. Bij Wim Hazue komen we wat dat betreft iets meer te weten. Hij schrijft:

‘Met Mick en Germaine de 
Vries werd de nachtclub ‘Casablanca’ (in de romàn Ebanova genoemd) 
aan de Zeedijk 26 bezocht, waar jazz gespeeld werd door zwarte muzikanten, ten gerieve van Amerikaanse soldaten. Daar kreeg Vestdijk de 
kans om in een hoekje een aantal vragen aan meisjes te stellen. Daarbij bleef het, schreef hij aan Rebecca Polk: ‘Ja, die jongedame uit De dokter en het lichte meisje is erg geïdealiseerd. Het is natuurlijk tuig. Mijn ervaring was en is uiterst gering, en
bepaalde zich tot een paar bezoekjes aan Casablanca. Ik heb “Cor” daar 
zien zitten, en god weet zit ze er nog. Anders loopt ze wel.’

In  De dokter en het lichte meisje heeft Vestdijk Ebanova (Casanova) als volgt beschreven:

‘Meinesz kende de weg hier opperbest, 
en toen ik vroeg waar hij me heen wou hebben, gleed er een olijke trek 
over zijn papgezicht: ‘Ebenova, dat ken je toch?’ De naam was mij niet onbekend. De lange dikke had mij dit etablisse
ment eens beschreven als een schiettent voor dansers. De poppen waren 
het orkest, en het orkest was bekneld tussen twee zeegroene plee’s, waar
van de raampjes, vooral die van heren, een kostelijk uitzicht boden op 
een duistere gracht met Venetiaanse pakhuizen, en heel in de verte zag 
je twee rode schemerlampen, – een moorduitzicht volgens de lange dik
ke, die, toen hij mij dit vertelde, nog in zijn goede, enthousiaste jaren 
was. Maar ik was er nooit geweest.’

En even verder:

‘Schoon geheel geabsorbeerd door de muziek kon ik er mij nu toch, bij 
de aanvang van een nieuw dansnummer, van overtuigen dat de bezetenheid op de paren overgeslagen was of zou overslaan. De bezoekers langs 
de wanden hielden zich aan hun drankjes. Alle meiden traden aan; ook 
die met de groene sjaal, die waarschijnlijk met 38,5 onder de wol had 
gemoeten. Zij dansten met een somnambule zekerheid, die botsingen on
mogelijk maakte. Door toegrijpende negerhanden lieten zij zich van een 
evenwicht beroven, dat zij nimmer verloren. Deze swingfiguren schoten 
als blinkende lancetvissen door het woelend duister van de algemene dans. 
Het licht had men gedempt. Doffe en halsstarrige triolen ontsnapten 
aan de saxofoon, tienmaal, honderdmaal, om door mechanische wrijving te ontploffen in een vuurkolom van geluid, knetterend als bij een 
weduweverbranding. De aarde gromde. Geologische omwentelingen 
deden zich voor. Gebeenten traden aan het licht; onder sissende bekkenslagen weden stukken vles tegen ongedurig geworden dijbeenderen aangekletst.’

En zo gaat het nog even door….

Schermafbeelding 2016-04-03 om 11.16.11

Interieur van dancing Casablanca, Zeedijk 26, met op de achtergrond het orkest van Kid Dynamite. 1955 (foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

De roman De dokter en het lichte meisje raakte in opspraak en leidde zelfs tot vragen in de Tweede Kamer. Idil, de rooms-katholieke informatiedienst inzake lectuur, had de roman ontraden voor zijn lezers. Lichte meisjes bestonden nog niet voor de rooms-katholieken in het keurige Nederland van het begin van de jaren vijftig. Een en ander leidde ertoe dat deze roman de eerste echte bestseller van Vestdijk werd. Het verhaal sprak tot de verbeelding. Wat gebeurde daar allemaal op de Walletjes? De dokter en het lichte meisje… in die titel leek alles samengevat. Het onberispelijke imago van de medische stand versus het grauw van de hoerenmadam. Sartre schreef het toneelstuk La p… respectueuse (1946). Vestdijk deed het subtieler. Hij was zelf een arts en schreef over een prostituee.

Voor de gegoede burgerij in de jaren vijftig waren de Walletjes in Amsterdam zoiets als de achterkant van de maan. De  Zeedijk kreeg  bijna mythische proporties in deze tijd met zijn verstikkende, door de religie bepaalde seksuele moraal. De etablissementen hadden ook exotische namen uit verre werelddelen. Hier vond je de nachtclubs en de kroegen met de sfeer die zo fraai verbeeld is in het Amsterdam van Jacques Brel, dat mooie chanson uit 1964 met een hoog Slauerhoff-gehalte.

De rosse buurt van Amsterdam riep een beeld op van een ander leven. Een leven van opiumkitten, dronken zeelui en het schuim der aarde. Ondergronds, maar het was er, zoals ook Parijs bestond en Saint Germain de Prés. Er waren vrouwen die hun lichaam gaven aan alle mannen van de wereld. Is dat niet een wonder, bovenwonder? Leg dat maar eens uit aan mijnheer pastoor. Hoc est enim corpus meum..

Eind jaren vijftig kwam ik zelf eens per jaar op de  Walletjes terecht. Dat was aan de hand van mijn vader toen wij samen de Stille Omgang  liepen. De jaarlijks bedevaart van katholieken die elk jaar in maart in de nachtelijke binnenstad van Amsterdam plaatsvindt ter herdenking van het Mirakel van Amsterdam. Onlangs zag ik een reportage op AT5, waarbij geklaagd werd over het rumoer op straat tijdens de Stille Omgang. Wat dat betreft is er in al die jaren niets veranderd. Toen ik in 1958, als tienjarige samen met mijn vader de Stille Omgang liep, werd er ook al geklaagd over rumoer.

Die stille tocht begon destijds al om twaalf uur middernacht vanaf onze parochiekerk, de Martelaren van Gorkum op het Linnaeushof. Van daaruit liepen we naar het Begijnhof in de binnenstad, zo’n vijf kilometer verderop. Daarna begon de stille tocht door de donkere binnenstad, dwars door de rosse buurt en weer terug naar het Begijnhof. Na afloop liepen we dan weer helemaal terug naar de Watergraafsmeer en in de Plantagebuurt kwam dan de zon op. De vogels begonnen te fluiten, maar voor de rest was het helemaal stil in Amsterdam. Ik herinner mij dat wij op een keer in de buurt van de Zeedijk ontvangen werden met hoongelach. ‘Zo’n klein kind hoort op dit uur in zijn bed te liggen!’ riep een vrouw van kennelijk lichte zeden ons toe. Mijn vader gaf geen krimp en liep zwijgend verder, want zo hoort dat bij een Stille Omgang.

Schermafbeelding 2016-04-03 om 12.50.26

Nachtelijke Stille Omgang door de binnenstad van Amsterdam 1962 (foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Begin jaren zestig was het wat mij betreft afgelopen met De Stille Omgang. Ik werd wat ouder, ging naar de middelbare school en kreeg zo mijn eigen hobby’s. Ik raakte verslingerd aan het Franse chanson dat indertijd nog echt een levenslied was met hele mooie teksten. Sterker nog, veel teksten van Franse chansons waren geïnspireerd door de romans van de Franse existentialisten. Van Jacques Brel is bekend dat hij boeken van Camus in zijn boekenkast had staan. Het werk van Camus was geliefd bij katholieken en voormalig katholieken. Brel was ooit begonnen bij een radicale katholieke jeugdbeweging La Franche Cordée die zich richtte op sociaal werk en hulp aan zieken en gehandicapten. Maar dat is een ander verhaal.

Ik heb ook altijd de indruk gehad dat de tekst van het chanson Amsterdam geïnspireerd is door het boek La chute van Camus dat zich ook afspeelt op de Walletjes in Amsterdam. Brel is ook meerdere malen zelf in Amsterdam geweest. In 1954 had hij al zijn eerste concert in het Nieuwe la Mar-theater. En als hij in Amsterdam was overnachtte hij in Hotel Americain, waar Ramses Shaffy hem in die tijd ooit heeft ontmoet. In meerdere chansons van Brel komt de plaatsnaam Amsterdam voor, bijvoorbeeld in La bière, Je ne sais pas, Vieillir en Knokkel Le Zoute. Brel had dus iets met Amsterdam, maar het chanson Amsterdam is natuurlijk een meesterwerk op zich. Brel zelf had overigens nogal een dubbel gevoel over dit chanson. In 1966 liet hij in een interview weten:

‘Een lied als Amsterdam had nooit een succeslied mogen worden. Nooit, jamais. Maar het heeft anders uitgepakt, en dat moet aan de muzikale balans ervan liggen, wie zal het zeggen. En “Amsterdam” is een mooi woord. Goed gereedschap.’

Amsterdam is een zeemanslied, zo stelt Johan Anthierens in zijn Brel-biografie. Zeemansliederen zijn volgens hem te herkennen aan ‘de accordeonbegeleiding, aan rum in de refreinen en aan een hoog traangehalte.’ Maar toen Brel met dit zeemanslied uitpakte, was dit genre zo goed als uitgestorven. Ook Anthierens stelt dat Brel nooit verwacht had, dat het een succes zou worden. Toen hij het voor het eerst zong in Olympia, sloeg in de zaal de vlam in de pan en kreeg hij een storm van applaus over zich heen. Brel was volkomen verrast ‘en dacht dat zijn gulp open stond’, zoals Anthierens laat weten. Dat is ook niet zo raar, lijkt mij, als je zingt over des marins qui dansent / En se frottant la panse / Sur la panse des femmes.’  Het chanson Amsterdam is niet in de laatste plaats een loflied op de hoeren en dat was in 1964 ongehoord:

Ils boivent à la santé
Des putains d’Amsterdam
De Hambourg ou d’ailleurs
Enfin ils boivent aux dames
Qui leur donnent leur joli corps
Qui leur donnent leur vertu
Pour une pièce en or

Op de site van Mokum TV is veel informatie te vinden over het Amsterdam van Jacques Brel. Zo is daar ook een interview te zien met zanger Bolle Jan Froger en die begin jaren zestig schuine liedjes zong in Café De Kuil in de Oude Brugsteeg 27, waar ook Johnny Jordaan in die tijd wel optrad. Tegenwoordig zit hier coffeeshop. Deze locatie bevindt zich niet zo ver van Warmoesstraat, maar wel aan de andere kant van het Damrak, dus niet in de hoerenbuurt. Hoewel Bolle Jan Froger bij hoog en laag beweert, dat Brel door dit café geïnspireerd werd bij het schrijven van zijn chanson Amsterdam betwijfel ik dat ten zeerste. In dit café kwamen immers geen zeelui en hoeren.

Slide1

Zonder La chute van Camus zou het chanson Amsterdam niet geschreven zijn – daar ben ik van overtuigd – en ik acht het ook zeer waarschijnlijk dat Jacques Brel in 1963 in Café Mexico City in de Warmoesstraat is geweest. Omdat Brel Camus bewonderde is het aannemelijk dat hij juist dit café heeft willen bezoeken, maar daarover straks meer.

Er wordt wel beweerd dat Ernst van Altena (1933-1999), die Brel goed kende en ook veel van zijn teksten heeft vertaald (o.a. Amsterdam, zij het wat zoetsappig), Brel naar de Walletjes heeft meegenomen. Ik heb Van Altena dat zelf ook horen vertellen in 1968, toen wij hem als bestuur van de katholieke jeugdsociëteit Omega, die destijds gevestigd was op de zolder van de Clara Feij school op het Amsterdamse Linneaushof, uitgenodigd hebben om een lezing te houden over Franse chansons.

Van Altena heeft toen veel over Brel verteld, en ook over hun gezamenlijk bezoek aan een café in de rosse buurt. Helaas kan ik me niet meer herinneren of  hij toen de naam Mexico City heeft genoemd. Wel herinner ik me nog dat Van Altena vertelde hoe het chanson Jacky was ontstaan, als wraak op een ex-geliefde die Brel niet wilde nemen zoals hij was. Maar ook dat is een ander verhaal. Brel was allesbehalve monogaam, maar dat wist ik toen ook al. Al kon hij ook zingen over zeelui ‘die pissen op vrouwen die ontrouw zijn’, zoals hij zong in Amsterdam:

Et quand ils ont bien bu
Se plantent le nez au ciel
Se mouchent dans les étoiles
Et ils pissent comme je pleure
Sur les femmes infidèles
Dans le port d’Amsterdam
Dans le port d’Amsterdam.

In zijn boek De stad van Het Oosten. Het verhaal van een woningbouwvereniging (2008) las ik onlangs  tot mijn verbazing een verhaal dat ik nooit eerder gehoord. Het gaat over het ontstaan van de roman La chute van Camus en speelt zich af op een avond op de Walletjes, drie jaar na het verschijnen van De dokter en het lichte meisje van Vestdijk. Het verhaal gaat als volgt:

‘Hier zat op een avond in 1954 
Albert Camus in een van de talrijke cafés in gesprek met een Nederlandse geleerde leeftijdgenoot. Dat gesprek zou de bron worden voor een van Camus’ beroemdste 
romans, La chute van 1956 die gesitueerd is in dit oude stuk van Amsterdam. Ik had 
altijd de neiging gehad de gesprekspartner van de hoofdfiguur van De val als een 
fictioneel personage te beschouwen: tot ik in 2000 werkte aan een Camus-nummer 
van het tijdschrift Raster waarvan ik redacteur ben. Voor dat nummer werd ook 
een bijdrage geschreven door de door mij zeer bewonderde Leidse oud-hoogleraar 
Frans en Camus-kenner S. Dresden. Hij schreef een indringend stuk over La chute 
en omdat hij een heer van de oude stempel was, wilde hij dat graag met mij bespre
ken, bij een kopje koffie in Krasnapolsky. Door de rook van zijn eeuwige sigaret 
heen zei hij daar ineens: ‘Je hebt toch wel begrepen dat de man die daar met hem 
in die bar zat, bij de Zeedijk, dat ik dat was.’

Ook Willem van Toorn moet professor Dresden verbijsterd hebben aangekeken, toen die haast tussen neus en lippen vertelde dat hij Camus in die kroeg had ontmoet en dus de gesprekspartner was van de hoofdfiguur in La chute. Camus was in 1954 nog geen 
Nobelprijswinnaar. Pas drie jaar later werd die aan hem toegekend, waarbij La chute waarschijnlijk een doorslaggevende rol heeft gespeeld. In Nederland waren de verwachtingen dat jaar hoog gespannen, want iedereen dacht dat Vestdijk de Nobelprijs zou krijgen. Dat jaar was Vestdijk voor het eerst door Nederlandse professoren en literaire verenigingen kandidaat gesteld.

Vestdijk heeft, voor zover ik weet, nooit veel over Camus geschreven, behalve dan in zijn boek De zieke mens in de romanliteratuur (1964), waarin hij  inging op ‘ziekteroman’ La peste van Camus met de daarin voorkomende immuniteitsproblemen. Overigens was prof. dr. S. Dresden een goede bekende van Vestdijk. Dresden had Vestdijk in 1957 uitgenodigd om een bijzonder hoogleraarschap in Leiden te aanvaarden, waar Vestdijk niet op inging. Samen met Dresden schreef Vestdijk Marionettespel met de dood , een speelse dialoog over het wezen van het detective story (1957)

4IayipkcFqVjS6Ptn9U4

Drie jaar daarna, in 1960, zou Camus omkomen bij een verkeersongeval. In 1954, zo laat Willem van Toorn weten, had Camus in Den Haag een lezing gehouden voor de jubilerende Haagsche Boekhandels Vereeniging. De tekst van die lezing werd  onlangs teruggevonden in een archief in Den Haag. Na afloop had Camus ‘geen zin gehad de aanwezige officiële Franse vertegenwoordigers te ontmoeten – vanwege de situatie in Algerije, waar hij was geboren en, 
waar Frankrijk een koloniale oorlog voerde – en hij had aan Dresden gevraagd of 
ze niet naar Amsterdam konden ontsnappen. Daar hadden ze lang in een bar bij 
de Zeedijk zitten praten.’

Het is een mooi verhaal, maar helemaal volledig is het niet. Café Mexico City bevond zich niet op de Zeedijk, zoals ik zelf jaren geleden al wist te melden te melden in mijn blog Camus op de Zeedijk. Anthonie van den Buuse heeft naspeuringen gedaan in het Gemeentearchief in Amsterdam, in het dagblad Trouw van 22 januari 2005 werd hiervan melding genaakt. Het betreffende café, zo ontdekte hij, bevond zich destijds in de Warmoesstraat op nummer 91, net om de hoek van de Zeedijk, maar wel midden in de hoerenbuurt, vlak achter het Ouderkersksplein. Dit café heette destijds Mexico City. Eigenaresse was de weduwe Gallego-Van Dam. ook Huub Beurskens schreef in het tijdschrift Terras een artikel over de kroeg Mexico City die zich destijds bevond in de Warmoestraat. Daarin laat hij ook foto’s zien van de situatie toen en nu.

Schermafbeelding 2016-04-03 om 12.29.17
Warmoesstraat 91 (ged.) – 141 (ged.) met op nummer 91 hotel-café Mexico City, op nummer 93 café Neutraal en op nummer 95 café De Grot. Tussen de nummers 101 en (de gesloopte) 103 de Wijde Kerksteeg (foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Ik was niet zeventien toen ik het boek De val van Camus las en ik heb er in 1965 over geschreven in het schoolblad De Harpoen van het Sint Ignatius College (zie: hier). De tekst van dit verhaal, dat een persiflage was op La chute, was ik nadien kwijtgeraakt, maar het kwam weer boven water doordat een oud-ignatiaan het mij toestuurde, toen hij erover gelezen had op mijn weblog (zie: hier).

In mijn pubertijd raakte ik verslingerd aan Camus. Ik heb daar al eens  eerder over geschreven in mijn verhaal Het was in Nevers. Daarna heb ik eigenlijk nauwelijks meer een boek van Camus ingezien. Van Vestdijk eigenlijk ook niet. Sinds kort ben ik weer met Vestdijk begonnen. Ik interesseer me voor de locaties, ‘de plaats delict’ waar de verhalen uit zijn boeken zich afspelen. En zo kwam ik op de Walletjes terecht. Ook Vestdijk kwam er nog wel eens terug, al was het maar in zijn eigen boek De dokter en het lichte meisje. De laatste zin daarvan luidt:

‘Een van mijn grillen volgend, liet ik de taxi nog langs Ebanova rijden. Veel ervan gezien hebben wij niet.’

Reageer

Terug in het Academiegebouw

‘André Seebregts wordt beschouwd als een autoriteit op het gebied van de verdediging in strafzaken. Hij is landelijk bekend als advocaat in grote zaken, zoals in de zaak Sabir K., wiens uitlevering aan de VS werd geweigerd wegens mogelijke betrokkenheid van de CIA bij martelingen die hij in Pakistan had ondergaan, maar ook in de zaak Azzedine C., hoofdverdachte in de zogenaamde Haagsche jihad-zaak. Hij is, met zijn grote dosis aan ervaring op het gebied van strafzaken rondom terrorisme, bij uitstek dé persoon die het onderwerp vanuit de advocatuur kan belichten.’

‘Ferry van Veghel studeerde Nederlands Recht aan de Radboud Universiteit en werkte vervolgens ruim zes jaar als strafrechtadvocaat. Hierna was het tijd om de overstap te maken naar het Openbaar Ministerie. Na een aantal jaren zaken te hebben gedaan bij het parket in Utrecht, is Ferry nu officier van justitie bij het Landelijke Parket. Hier heeft hij als landelijk terrorismeofficier van justitie de ‘Jihad-portefeuille’. Ferry: “dit thema is erg hectisch, snel en actueel. Continu word ik gebeld en moet ik belangrijke beslissingen nemen. Het is een portefeuille die volop in ontwikkeling is.’ Ferry zal vanuit zijn grote ervaringen als advocaat en officier van justitie ons meer kunnen vertellen over de strafrechtelijke vervolging van jihadverdachten.’

‘Huub Mous is kunsthistoricus en publicist. Recentelijk is van zijn hand het boek ‘Jihad of verstandsverbijstering’ verschenen. In dit boek wordt vanuit vier invalshoeken, de esthetica, de religie, de filosofie en de psychiatrie, de problematiek omtrent radicalisering benaderd.

Huub Mous zal samen met ons op zoek gaan naar de grondbetekenis van de hedendaagse terreur- en geweldexplosies, zowel wat betreft de daad als de beleving daarvan.’

Bovenstaande beelden en teksten zijn afkomstig van de Facebook-pagina van Ad Informandum, de studievereniging voor Strafrecht en Criminologie in Utrecht.

***

Zie ook mijn blog: Onder professoren

Reageer

Neem me mee

Gisteren  14.00, met de fiets op weg van Leeuwarden naar Museum Belvédère in Oranjewoud voor de uitreiking van de Vredeman de Vries-prijs voor architectuur. Op de achtergrond De Blauwe Tent in Reduzum.

Reageer

Droom of werkelijkheid

In het najaar van 1966 zag ik de film ‘Het gangstermeisje’. Het was een Nederlandse nouvelle vague film van Frans Weisz met Kitty Courbois in de hoofdrol. Het script was geïnspireerd op een boek van Remco Campert. Het verhaal was nogal ingewikkeld. Een jonge schrijver reisde naar de Frannse zuidkust, waar hij de rust hoopte vinden om aan een scenario te werken. Daar werd hij geconfronteerd met gebeurtenissen die ook in zijn onafgemaakte scenario beschreven stonden. Het was een soort ‘Basic Instinct’ maar dan in zwart-wit.  Iemand schrijft een scenario, dat tegelijk gebeurt in de werkelijkheid. De wensdroom, dat je kunt fantaseren wat je wit, en het gebeurt nog ook.

De schrijver wordt meegelokt naar Rome waar hij in zijn eigen film lijkt te zijn beland. Als de opnamen van de film eindelijk zijn begonnen, is het probleem waar hij mee worstelde, kennelijk opgelost. Maar het gangstermeisje, waar hij smoorverliefd op werd, blijkt een dubbelrol te spelen. Zij moet kiezen tussen twee werkelijkheden: de maffia of haar geliefde. De droom of de werkelijkheid. In de slotscène op het strand schiet zij haar geliefde dood, nadat op de achtergrond een lange rij zwarte limousines op de boulevard is komen aanrijden en een brigade van ongure types langzaam naderbij treedt. Vooral die stoet van zwarte limousines maakte grote indruk op mij. Later heb ik er nog wel eens van gedroomd. Zwarte auto’s zonder chauffeur die in een stoet komen aanrijden als een symbolische aankondiging van je eigen dood

Thuisgekomen na het zien van de film heb ook nog lang wakker gelegen. Het was niet eens omdat het zo’n goede film was, maar het verhaal bleef me bezig houden. Zo vroeg ik me af hoe ik het verloop van de gebeurtenissen moest duiden. Was het letterlijk bedoeld of juist symbolisch? Die vraag bekroop me ook wel eens, als ik een boek van Kafka las. Ik herinnerde mij dat een tekst of een verhaal behalve letterlijk ook op een specifieke wijze figuurlijk kan worden verklaard. Zo is het kernprobleem bij de duiding van bijbelteksten de verhouding tussen de tekst en zijn verborgen betekenis. Behalve de letterlijke betekenis – er staat wat er staat – is er ook nog de figuurlijke of overdrachtelijke betekenis: er staat niet wat er staat.

Een bijbeltekst is zelfs op vier manieren te duiden: behalve met de letterlijke en de allegorische betekenis (sensus litteralis en sensus allegoricus) heb je ook nog de morele betekenis (sensus moralis) en de betekenis in het licht van uitersten (sensus anagogicus). Die laatste betekenis heeft betrekking de twee polen die altijd weer terugkeren in een verhaal: de strijd tussen goed en kwaad, de hemel en de hel, de duivel en God. En terwijl ik zo lag na te denken raakte ik stilaan in een geëxalteerde stemming die steeds intenser werd en niet meer te stoppen leek. Ik zag mijn leven als een film aan mij voorbij trekken en alle betekenislagen die daarin verborgen liggen. Ik zat in de machinekamer van mijn eigen dromen en liet gebeuren wat kennelijk gebeuren moest.

De maanden daarvoor had ik een nogal stormachtige periode achter de rug. Een opname in een psychiatrisch h ziekenhuis dicht bij de duinen – ‘thalassa! thalassa!’ –  en de dood van mijn vader hadden mij niet onberoerd gelaten. In de nasleep van die ingrijpende gebeurtenissen had ik nogal eens last van lucide dromen. Voor zover je daar last van kunt hebben, want die dromen waren soms ook heel plezierig. In een lucide droom heb jezelf het heft in handen. Je kunt alles meemaken wat je wilt. Eigenlijk ben je wakker, maar toch droom je. Je stuurt de werkelijkheid met de kracht van je eigen verbeelding.

Maar toch was het niet een lucide droom die mij die avond voor de geest kwam. Ik was immers nog steeds wakker. Ik zag alles als een film aan mij voorbij glijden en tegelijk zag ik mezelf, nietig als een kleine bioscoopbezoeker, zittend voor het scherm van mijn eigen bestaan. Opeens had ik een moment van verlichting. Het was of ik opgetild werd, ver boven deze wereld waarin ik mij bevond. Ik gaf me over aan deze wonderbaarlijke levitatie die steeds grotere vormen aannam.

Zo voelde ik mij opstijgen in een andere werkelijkheid en langzaam één worden met alles. Dat wil zeggen, één met het hele universum, één met alle sterren en planeten, de stroom die de atomen verbindt met het melkwegstelsel, lichtjaren en zo, je weet wel. En terwijl mijn verbeelding zo opklom naar hogere sferen, voorbij het lichaam zelfs en de geneugten van het vlees, belandde ik in de ijle regionen van de noordpool en zag een witte ijsbeer, die met zijn zwiepende staart zijn eigen sporen in de sneeuw uitwist om de jagers te misleiden. Die almachtige, ijskoude ijsbeer die met zijn adem zijn drie dode jongen weer tot leven wekt. Ik dacht, als ik dit onthoud, dan zal ik altijd weten, dat er meer is tussen hemel en aarde.  Meer dan alleen het gangstermeisje.

1 Reactie

Journaal van een Solitary Man

Een politieke meerderheid trok woensdag geld uit voor vernieuwing van het Museum Hindeloopen (500.000 euro) en de replica van het schip Willem Barentsz in Harlingen (120.000 euro). Een amendement van D66 om dan ook subsidie te geven aan Museum Belvédère in Oranjewoud haalde het niet. De staten willen wel dat de provincie planologisch meewerkt aan de realisatie van een zeezwembad in Harlingen.

Aldus was woensdag j.l. te lezen in de Leeuwarder Courant. De provincie vindt een replica van het schip Willem Barentsz belangrijker dan het voortbestaan van het museum Belvédère. Dat is Friesland in de nadagen van het festijn Cultrurele Hoofdstad van Europa. Er wordt alom gesproken over de ‘Legacy’ van CH 2018. Wat is de nalatenschap? De provincie heeft zelfs 2 miljoen per jaar uitgetrokken om deze nalatenschap veilig te stellen. Er komt een nieuwe flexibele organisatie van 8 mensen met dikke salarissen, maar het noodlijdende Museum Belvédère krijgt geen steun van de provinciale overheid.

Gisteren zat ik met een select gezelschap aan tafel bij de Fryske Akademy bij wat een ‘seminar’ heette, waarbij gesproken werd over de ‘Legacy van CH 2018’. Het eigenlijke onderwerp was  Regionale identiteit na Leeuwarden-Fryslân 2018. Eric Storm, van de Universiteit Leiden, hield een inleiding over de politieke en artistieke constructies van regio’s. Ook Oeds Westerhof, directeur Legacy van CH 2018, was hierbij aanwezig,.

Het werd een wat tamme discussie. Uiteindelijk ging ik nog even uit mijn dak om schande te spreken over het beleid van de provinciale overheid, die haar mond vol heeft heeft over de Legacy van CH 2018, maar weigert om Museum Belvédère financieel bij te springen. Morgen reikt gedeputeerde Poepjes de Vredeman de Vriesprijs voor architectuur uit in Museum Belvédère. In het hol van de leeuw nota bene. Ik ben benieuwd of ze dan de lef heeft om iets hierover te zeggen. Shame on you, Frou Poepjes!

Oeds Westerhof gisteravond bij  Fuck Up Night

Gisteravond was ik nog even aanwezig in de Stadskas van Explore The North op het Olderhoofsterkerkhof. De bijeenkomst heette Fuck Up Night. Tijdens dit gebeuren vertelden allerlei mensen wat hun grootste fout was geweest in hun leven. De spits werd afgebeten door Oeds Westerhof. Hij liet zich ontvallen dat hij bij de presentatie van het bidbook voor CH 2018 een grote fout heeft gemaakt. Bij de begroting was de specificatie van de projecten vergeten. Men heeft toen in allerijl deze alsnog toegevoegd in aparte pdf’s voor de juryleden. Niemand heeft wat gemerkt destijds.

Opeens werd ik op mijn schouder getikt door Tjeerd van Bekkum, de opperbaas van CH 2018, die ik enige maanden geleden met een waterpistool heb belaagd, waarbij ik gezegd had dat ik hem een grote lul vond. Van Bekkum zei dat hij nadien nog eens diep nagedacht had over dit incident. De manier waarop ik mijn ongenoegen had geuit was niet helemaal oké, zei hij. Maar achteraf bezien vond hij zichzelf ook een grote lul. Hij had immers de zaak Malta zwaar onderschat.

Zo hoor je nog eens wat. Ik heb Van Bekkum nog even gerustgesteld. Ik had destijds een vriendin die het dreigde uit te maken tussen ons. Door mij als een cowboy te misdragen die avond heb ik deze breuk in onze relatie weten te voorkomen. Zonder dit persoonlijk motief had ik me nooit zo misdragen. Het was vergeefs uiteindelijk want die vriendin is inmiddels met de noorderzon vertrokken.

Wederom ben ik…  a solitary man.

Reageer