Achterwaarts begrijpen

Links: gistermiddag in Café De Freonskip in Blauwhuis

‘Ach, het is goed zoals het is,’ zei hij. ‘Het ene boek is wat dikker 
dan het andere, dat van mij is dan wat dunner, nou en. Ik heb een 
mooi leven gehad. Zo’n groot talent heb ik niet, maar ik heb er toch 
heel wat uitgehaald. Ik ben klaar met mijn werk, en privé, wat zal ik 
zeggen, mijn vrouw redt zich goed, de kinderen zijn het huis uit, 
vrienden, vriendinnen, iedereen is goed terechtgekomen. Ik kan wel weg eigenlijk.’

Aldus schrijft Jacques Klöters in zijn boek Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen (2016) dat ik momenteel aan het lezen ben. Hij citeert hier de cabaretier Fons Jansen die hij goed heeft gekend. Fons Jansen overleed in 1991 op 65-jarige leeftijd met zijn vrienden om zich heen. ‘Ze hadden 
een chemokuur voor hem in gedachten om zijn leven nog wat te rek
ken, maar die sloeg hij af,’ zo laat Jacques Klöters weten. Bij deze woorden moest ik aan Marijke denken. Ook zij stierf op 65-jarige leeftijd en straalde in haar laatste dagen eenzelfde gevoel van berusting uit. Het boek van haar leven was uiteindelijk niet zo dik geworden. ‘Goh, dan ben ik toch niet oud geworden,’ zei ze, toen ze de uitslag van het laatste onderzoek te horen kreeg.

Het boek Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen heb ik nog lang niet uit, maar het lezen is voor mij vaak een feest van herkenning. Jacques Klöters groeide op in Amsterdam-Zuid en bracht zijn middelbare schooltijd evenals Fons Jansen – en ik – op het Ignatiuscollege door. ‘Wij wisten beiden hoe de gang rook van het patershuis op de Hobbemakade,’ schrijft hij. Fons Jansen en hij schreven – net als ik – voor het schoolblad De Harpoen. We hoorden de verhalen aan van onze geschiedenisleraar Piet Fontaine, die onze geschiedenisboeken zelf geschreven had en volgens Willem Otterspeer later ‘de geleerdste man van Nederland’ zou worden. Net als ik heeft Jacques Klöters begin jaren zestig Jacques Brel dwars door het televisiescherm heen zien breken. En net als ik kent hij de tekst van Ne me quitte pas nog altijd uit zijn hoofd.

Daarvoor zat Jacques Klöters op de Heinzeschool, waarvan de speelplaats grensde aan die van mijn lagere school, de Peetersschool om de hoek in de Richard Holstraat. De zoon van ons schoolhoofd, mijnheer Bal, zat ook op de Heinzeschool. Evenals Jaapje de Hoop Scheffer, die op de Reijnier Vinkeleskade woonde en die later mijn klasgenoot zou worden op het Ignatiuscollege. Japie, zo noemden wij hem. Vanaf het balkon van zijn woning keek je uit op de speelplaats van de Peetersschool. Op dat balkon heb ik later voor het eerst een kievitsei gegeten. Japies moeder kwam uit Friesland.

Het Ignatiuscollege was een leerschool voor het leven, zeker in die tijd. Jacques Klöters en ik hebben in de eerste helft van de jaren zestig de grote veranderingen van de katholieke kerk van binnenuit meegemaakt. Beiden hebben we in die tijd ‘Kater van Pilsdonk’ leren kennen, zoals Pater van Kilsdonk door ignatianen werd genoemd. Alles zou anders worden in de nabije toekomst. Wij waren de proefkonijnen van de nieuwe liturgie van Bernard Huijbers en Huub Oosterhuis. Maar er is één groot verschil tussen ons. Jacques Klöters stapte uit zijn geloof zoals een kind uit de zandbak, zoals hij zelf schrijft. Bij mij is dat proces iets anders verlopen. Ik stortte in een ravijn.

Een mens is pas echt vrij, als hij wordt teruggeworpen op de bodem van zijn eigen bestaan en het fiasco dat hem bedreigt of overkomt onder ogen durft te zien. Leven is leren omgaan met de vertwijfeling, want je weet dat het hoe dan ook slecht afloopt. Hoe de mens zich ook indekt met schijnzekerheden of vastklampt aan illusoir geluk, hij wordt voortdurend meegesleept in een stroom, waarin hij elk houvast moet loslaten. Zelfs het begrijpen van je eigen leven biedt geen uitkomst. Of zoals Kierkegaard zei: ‘Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts worden geleefd.’

Zaterdag a.s. zal ik al die klasgenoten van het Ignatiuscollege weer zien bij onze jaarlijkse reünie in Amsterdam. Wie weet is onze Japie daar nu ook weer bij. Al twee jaar heeft hij verstek laten gaan. Japie heeft het zeker te druk met college geven over de NAVO, Trump en Poetin en al die grote veranderingen in de wereld van vandaag. En ja, het is waar, er gebeurt heel wat vandaag de dag. We leven met zijn allen voorwaarts, in volle vaart de toekomst in. Vaak begrijpen we er niets meer van. Begrijpen we het nog wel achterwaarts?

Gisteravond zat ik aan tafel voor een eenvoudige doch voedzame maaltijd in Café de Freonskip in Blauwhuis. Eja Siepman van den Berg had mij meegenomen om daar de kleine tentoonstelling te zien die Teigetje en Woelrat hadden ingericht over hun jaren met Gerad Reve in Greonterp. Teigetje en Woelrat zaten tegenover mij aan tafel en we raakten in gesprek over van alles en nog wat. Over Huize Het Gras dat na hun vertrek gekocht was door een Belg die in Antwerpen een kind had doodgereden. Teigetje en Woelrat wisten dat niet, maar ik kon het ze vertellen. We hadden het over het gedicht Larrios van Slauerhoff, waarin volgens mij het motief van ‘De meedogenloze jongen’ al te herkennen is. Teigetje vertelde dat hij zelf in zijn jonge jaren alle gedichten van Slauerhoff met de pen had overgeschreven en Gerard dat geweten moet hebben.

We hadden het over hun bezoek aan Maria-heiligdommen, over Banneux bijvoorbeeld, waar ze nog samen zijn geweest, maar ook over de Vrouwe van Alle Volkeren die verscheen in de Thomaskerk in de Rijnstraat, waar Gerard dichtbij in de buurt heeft gewoond. We hadden het over Tjitte Kamminga die zij in de jaren zestig al hebben gekend. Tjitte, die ik veel later in Friesland leerde kennen, heb ik in 1962 al ontmoet omdat hij bevriend was met Gwan – mijn oude schoolvriend van de Peetersschool – die 1961 van Amsterdam naar Leeuwarden was verhuisd. We hadden over ‘een teken’ dat Gerard zo af en toe aan Woelrat geeft – soms in zijn dromen maar soms ook zomaar overdag – en waar hij heilig in gelooft.

We hadden het ook over de kroontjespen van Gerard, waarmee hij Nader  tot U had geschreven, en die in 1968 was gestolen door een iemand die op bezoek was in Huize Het Gras en die vorig jaar weer is teruggebracht. Tot mijn stomme verbazing bleek ‘de dief’ van die pen naast mij aan tafel te zitten. Ik zal zijn naam niet onthullen, want dat heb ik aan hem beloofd. Maar één ding kan ik wel zeggen. Ik zat er heel dicht bij, toen ik op 14 januari vorig jaar in mijn blog De Goede Dief en de volgzame kudde  – als een ware Peter R. de Vries – meende dat ik de identiteit van de dader had opgespoord.

Het was niet zoals ik dacht Gerrit de Haan van het studentengezelschap Corona, dat in januari 1968 een ontmoeting had met Gerard Reve in Vinia Domini in Witmarsum en daarna Huize Het Gras bezocht, maar wel iemand uit datzelfde gezelschap. Ik heb nooit gedacht dat nog eens met hem aan tafel zou zitten. Nee, nooit gedacht, hoe verzin je zoiets. Als dát geen teken is van de Heilige Maagd, dan weet ik het ook niet meer.

Teigetje, Marijke en Woelrat, Tresoar, 2010

Bij het weggaan vroeg Teigetje hoe het was met mijn vrouw. Hij herinnerde zich Marijke nog, omdat wij samen zeven jaar geleden een das van Teigetje en Woelrat met het opschrift ‘Huize Het Gras’ hadden gekocht bij de opening van hun tentoonstelling in Tresoar. Die das had ik gisteren om. Ik vertelde Teigetje, dat Marijke niet meer in leven is. Hij condoleerde mij alsnog.

Mijn blog vorig jaar sloot ik af met de volgende woorden:

Maar er is hoop. De Heilige Maagd heeft zich over de kroontjespen van Gerard Reve ontfermd. De Goede Dief is teruggekeerd op het rechte pad en De Goede Herder zal zijn zonde inmiddels op voorspraak van de Heilige Maagd allicht vergeven hebben. De wonderen zijn de wereld nog niet uit, en zeker niet in Friesland waar alles altijd vijftig jaar later gebeurt. Reve zou er een mooi vers over geschreven hebben. Een vers over De Goede dief en de volgzame kudde. Met zijn wonderpen, zoals hij ze schreef in Nader tot U.

ALTIJD WAT

Omdat ik niet meer slapen kan, klim ik uit bed.
 Het is half vier. De dag verheft zich, en ik zie Uw gruwelijke Majesteit.
 Wanneer ik dood ben, hoed dan Teigetje.

Reageer

Oost is Oost en West is West

‘Als een groot ongeluk op jouw weg komt, dan doe je er goed aan daar niet te lang bij stil te staan. Het ongeluk verandert dan weldra in een zegen.’

Dit is een oude oosterse wijsheid. De afgelopen maanden heb ik er vaak aan moeten denken. Makkelijk gezegd, denk ik dan. Ga er maar eens aan staan. En trouwens, hoe doe je dat, niet te lang stilstaan bij een ongeluk dat op je weg komt? Is dat niet een eufemisme voor wat wij in het Westen ‘verdringen’ noemen? Doe je er niet beter aan om je emoties de vrije loop te laten. Een stevig potje janken op zijn tijd is heilzamer dan al die oosterse gelatenheid.

Als ik aan dat soort levenswijsheden denk, zie ik altijd een scene uit een James Bond-film voor ogen. Een Japanse vechter staat klaar om het op te nemen tegen Roger Moore die de rol van James Bond speelt. Beiden dragen het traditionele gevechtstenue. De Japanner buigt en buigt nog eens, zoals de traditie dat aangeeft. Roger Moore maakt aanstalten ook zo’n buiging te maken, maar geeft de Japanner dan opeens een rotschop in zijn gezicht. Einde gevecht. Rudyard Kipling zei het al: ‘Oh, East is East and West is West, and never the twain shall meet.’

Ik mag graag een boek lezen over net zenboeddhisme, maar vroeg of laat krijg ik dan telkens weer de kriebels. Henk Oosterling schreef onlangs een doortimmerde filosofische studie over Japan, Waar geen wil is, is geen weg. (2016). Ik heb tot de laatste pagina geboeid zitten lezen over al die egoloosheid, doelloosheid en het ‘her-formatteren van het lichaam’. Maar dan sluit ik het boek en ga ik uit de ramen staren. Wat moet ik hiermee? Wat me vooral stoort is dat Oosterling tal van vergelijkingen trekt tussen Japanse wijsheden en gedachtegangen van westerse filosofen, maar tweeduizend jaar christendom volledig onbesproken laat. Alsof daar geen punten van vergelijking liggen. Om een voorbeeld te noemen, dit citaat uit het Evangelie van Mattheüs (hoofdstuk 6: 25-33) :

Daarom zeg ik jullie: maak je geen zorgen over jezelf en over wat je zult eten of drinken, noch over je lichaam en over wat je zult aantrekken. Is het leven niet meer dan voedsel en het lichaam niet meer dan kleding?  Kijk naar de vogels in de lucht: ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen voorraadschuren, het is jullie hemelse Vader die ze voedt. Zijn jullie niet meer waard dan zij? Wie van jullie kan door zich zorgen te maken ook maar één el aan zijn levensduur toevoegen? En wat maken jullie je zorgen over kleding? Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld. Ze werken niet en weven niet. Ik zeg jullie: zelfs Salomo ging in al zijn luister niet gekleed als een van hen. Als God het groen dat vandaag nog op het veld staat en morgen in de oven gegooid wordt al met zo veel zorg kleedt, met hoeveel meer zorg zal hij jullie dan niet kleden, kleingelovigen? Vraag je dus niet bezorgd af: “Wat zullen we eten?” of: “Wat zullen we drinken?” of: “Waarmee zullen we ons kleden?” Dat zijn allemaal dingen die de heidenen najagen. Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben. Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.

Deze woorden geven wellicht de kern van het christendom weer. Dat is de onthechting. Bekommer je niet om wat mogelijk te gebeuren staat, maar leef ten volle in het hier en nu in de wetenschap dat de mens verlost is. In feite raakt het christendom hier aan de onthechting die ook in boeddhisme en zenboeddhisme voorop wordt gesteld. Maak geen plan. Stel jezelf geen doelen. Ga dwalen in het veld. Kijk naar de vogels, ze doe niet anders. De doelgerichte intentie is de grootste blokkade voor het vinden van het geluk. Maar hoe kun je leven, zonder jezelf een doel te stellen?

En toch, als je niet weet hoe te leven, hou dan op om naar een doel te vragen. Daar waren de boeddhisten in het Oosten al lang achter gekomen. Vraag niet waarom, laat staan waarheen, maar volg de weg die je te gaan hebt, zoals in deze fraaie dialoog tussen een leerling en zijn zen-meester tot uiting komt.

Leerling: Toon me de weg
Meester: Heb je ontbeten?
Leerling: Ja
Meester: Ga dan heen en doe de vaat

Christendom en zenboeddhisme kruisen elkaar op tal van wegen. Je hoeft alleen maar dat prachtige boek van Raimon Panikkar te lezen, Het zwijgen van de Boeddha, inleiding tot het religieus atheïsme. (2001) In dit boek onderzoekt de filosoof en theoloog Panikkar het boeddhisme van binnenuit en maakt daarbij tal van vergelijkingen met de kernleer van het christendom. Ik las het vijftien jaar geleden, toen ik in het ziekenhuis lag na een acute astma-aanval. Dit is wat je noemt een boek om op adem te komen.

Panikkar herformuleert het boeddhisme als een hedendaagse filosofische en religieuze stroming, waarbij hij de term ‘religieus atheïsme’ introduceert. Hij gaat op zoek naar naar een zuivering en hervorming van het versleten westerse godsbegrip en benoemt – mede geïnspireerd door Heidegger – de westerse ‘crisis in het Zijn’. God was in het westen de Grond van Zijn en die grond is in rook opgegaan. Het westerse debat over het atheïsme volgt volgens Panikkar ten onrechte het spoor van het monotheïsme. De problematiek van de afwezige God gaat in wezen over de structuur van mens en werkelijkheid, waarin ook de kunst een plaats heeft.

Laatst sprak ik iemand die zich stevig verdiept heeft in het zenboeddhisme. Hij vertelde me dat veel Japanners tegenwoordig gefascineerd zijn door het christendom. Ze zien het als iets exotisch, als een diepe wijsheid die het westen heeft voortgebracht en die in veel opzichten superieur is aan oosterse religies en denkwijzen. Omgekeerd schieten heel wat Europeanen door in een ademloze bewondering als ze een paar zen-teksten lezen. Ik heb me ooit eens een tijdje verdiept in het zenboeddhisme en las alles wat ik te pakken kon krijgen van Allan Watts tot dat boek over de kunst van het boogschieten. Op een gegeven moment deed ik helemaal niets meer. Alles was wel goed zo. Zen heeft iets narcotisch.

Uiteindelijk stuitte ik op het boek van Jan Willem van de Wetering De lege spiegel (1972) waarin hij zijn jarenlange ervaringen beschrijft die hij heeft opgedaan als monnik in een Japans zen-klooster. Toen ben ik in één keer genezen van zen. De ontploffing naar een staat van verlichting die de irrationaliteit van een koan in je brein teweeg kan brengen heb ik dus nooit beleefd. Ik denk dat je nog beter benedictijn kunt worden dan je bekeren tot zen.

Overigens ben ik van mening dat stilte en afzondering de creativiteit niet bevorderen. Ik ben altijd het meest creatief op ‘gestolen momenten’, als ik eigenlijk helemaal geen tijd heb. ‘Gestolen tijd’ is de meest vruchtbare conditie om tot een creatief product te komen. Al die mensen die hun kop altijd maar weer willen ‘leeg maken’, die doen het helemaal verkeerd. Je kop moet barstens vol zijn, dan pas kun je wat nieuws creëren.

Reageer

Een leeg hoofd voor een volle zaal

Ik had vannacht een bijzondere droom. Ik stond op een podium tegenover een zaal vol mensen die ik probeerde ergens van te overtuigen. Wat dat was, weet ik niet meer. Hoe ik ook aandrong, het lukte me niet. De groep ging gewoon zijn eigen gang. Deze mensen hadden mijn raadgevingen helemaal niet nodig. De zaal liep leeg en ik stond ik alleen op het podium in mezelf te praten. Het werd zwart voor mijn ogen. Ik draaide me om in het donker en zag door een barst in de muur een spleet licht naar binnen vallen.

Toen ik wakker werd, heb ik lang nagedacht over wat deze droom zou kunnen betekenen. Ik kwam tot de conclusie dat zowel de ik-figuur op het podium als de groep mensen in de zaal tezamen een symbool vormen voor mijzelf. Hoe ik ook over mijn gedrag nadenk en dit probeer te veranderen, mijn lichaam gaat toch zijn eigen gang. Er is een leegte om me heen die zich iedere keer vanzelf vult, ongeacht mijn gedachten daarover. Anders gezegd, ik zou wat minder met mijn hoofd moeten denken en wat meer moeten luisteren naar mijn gevoel, mijn intuïtie. Ik herinnerde mij opeens een regel uit een lied van Leonard Cohen:

‘There’s a crack, a crack in everything, that’s how the light gets in.’

De moraal van deze droom klinkt een beetje Zen-achtig: je moet je eigen intentie loslaten en dan pas lukt het wat je intentie is. Hoe komt mijn onbewuste aan zo’n gedachte? Van de week las ik in de Volkskrant dat de Amerikaanse schrijver Robert M. Pirsig is overleden. Zijn boek Zen en de kunst van het motorenonderhoud was een cultboek in de jaren zeventig. Ik heb het destijds gespeld. Toen ik het artikel las, besloot ik om dit boek binnenkort te gaan herlezen.

Ik heb me eens laten vertellen dat dit boek op een bijzondere manier is ontstaan. De schrijver had alleen een kaartenbak met duizenden fiches met tekst over allerlei onderwerpen. Ze waren door de jaren heen geschreven, zonder enige structuur. Een redacteur heeft deze kaartenbak voor de auteur geordend. Daarna is pas – als een soort doorlopende raamvertelling – het verhaal over de motorreis van Pirsig en zijn zoon ontstaan.

Leitmotiv voor Pirsig was een zoektocht naar zijn oude ’ik’ van voor zijn psychose. Naast deze autobiografische laag bevat het boek een uiterst heldere filosofische verhandeling over het begrip kwaliteit in de meest brede zin van het woord. Pirsig maakt onderscheid tussen ‘Romantische 
kwaliteit’ en ‘Klassieke kwaliteit’. Het eerste is dynamisch, het tweede statisch. 
Het eerste ontstaat uit een impuls tot oordelen waarbij altijd twee elementen 
in het spel zijn: gevoel en verstand. Het tweede is een vastgeroest begrip geworden in de ‘tempel van de wetenschap’, waar de illusie heeft postgevat dat er objectieve maatstaven bestaan, waardoor het zogenaamd subjectieve domein van de esthetica verdacht is 
geworden.

De hoofdpersoon in de roman raakt in de ban van het begrip 
kwaliteit, een obsessie die hem op de rand van de waanzin brengt. Zijn leidende
 gedachte is dat kwaliteit zowel in de techniek als in de esthetica functioneert en eigenlijk in elk menselijk handelen een drijvend beginsel is. Als het om kwaliteit gaat is het gevoel even belangrijk als het verstand. De impuls van het oordeel vult zich in een leegte die geen leegte is. De uiteindelijke definitie, die Pirsig van kwaliteit formuleert, vertoont – zoals hij later ontdekt – een opvallende gelijkenis met een passage van een 2400 honderd jaar 
oud geschrift van Lao Tse. De definitie van Pirsig luidt als volgt:

‘Kwaliteit ie de aanhoudende prikkel die onze omgeving ons opdringt om de 
wereld te scheppen waarin wij leven. De hele wereld Van A tot Z. Tot het 
kleinste onderdeel toe.’

Het artikel in de Volkskrant werd afgesloten door drie korte verklaringen van een natuurkundige, een filosoof en een beeldend kunstenaar. Zij vertelden wat het boek van Pirsig voor hen persoonlijk heeft betekend. De beeldend kunstenaar was Hanshan Roebers. Hij verklaarde het volgende:

‘De inzichten die ik dank aan het boek van Pirsig zijn nog altijd geldig. Ik heb jarenlang gedacht dat stilte de afwezigheid was van geluid. Maar stilte is een áánwezigheid. Een aanwezigheid van energie die zich manifesteert als dat andere er niet is. Als je iets probeert te scheppen vanuit wat je weet, schiet je niet veel op. Maar als je aan het werk gaat zonder dat je precies weet wat er gaat gebeuren – vanuit het ‘niets’ – kun je op nieuwe, onverwachte zaken komen. Het lezen van Zen and the Art of Motorcycle Maintenance  betekende voor mij dat er in één klap een leegte werd opgevuld, waarvan ik niet wist dat hij bestond. Pirsig formuleerde zijn ideeën zo treffend dat ik besefte: ja, dat heb ik altijd gevonden, alleen wist ik het niet.’

Jaren geleden sprak ik Hanshan Roebers. Hij was toen net in Japan geweest en vertelde me van een Zenmeester. Voordat die met zijn tekenpen één lijn tekende, staarde hij eerst vijftien minuten lang stil voor zich uit, om daarna in één beweging zijn inkt te ontladen op het papier. Het verhaal deed mij aan mijn vader denken die een hekel had aan brieven schrijven. Voordat hij begon te schrijven staarde hij met de pen boven het papier soms wel een kwartier lang voor zich uit.

Ik ben alleen bang dat de geconcentreerde leegheid van deze Zen-tekenaar weinig van doen heeft met het dwangmatige ‘niet kunnen schrijven’ dat mijn vader in zijn geremdheid ten toon spreidde. Ook een Japanse boogschutter kan ogenschijnlijk eindeloos aarzelen voordat hij de pijl loslaat uit zijn gespannen boog. Hij wacht dan op een moment van een ultieme leegte, niet alleen in zijn eigen hoofd, maar ook in zijn omgeving. Als de pijl in stilte de boog verlaat, schuift er soms alleen nog wat sneeuw van de schouder van een Boeddhabeeld.

Als het hoofd leeg is en zonder gedachten, loopt de zaal vanzelf weer vol.

Reageer

Going home

Vandaag heb ik met de rode rolkoffer de zwartgranieten urn uit Goutum opgehaald. Eerst met de strooikoker met as er naar toe, en dan met de as in de urn weer naar huis. Twee uur lopen in totaal. De urn is rechthoekig en eenvoudig. Hij staat inmiddels in de achtertuin, op een marmeren plaat onder de appelboom. Het lijkt wel een klein graf. Zij was de zon in huis. De zwarte steen glanst en ik stel me zo voor dat bij volle maan het licht erop weerspiegelt in de nacht. Tussen de sterren en in de tuin, Marijke is weer thuis.

onze duisternis is een obelisk van regen
onze zachte stem is een warme ruiker
fluisteren en zwijgen maken een etmaal
en zon en maan ons zingend lichaam

Lucebert

Reageer

Waar geen wil is, is een weg

Zondagmiddag in Amsterdam (foto: Renate Mous)

Vandaag heb ik een brief geschreven aan Anne Wadman. Dat is wat vreemd, een brief schrijven aan een dode. Maar het was ook niet mijn idee. Ik deed het in opdracht van Omrop Fryslân die in samenwerking met Tresoar een documentaire laat maken over Friese literatuur.

In juli moet ik het Arkje van Rink van der Velde gaan zitten en daar net doen of ik die brief aan het schrijven ben. Twee andere schrijvers krijgen ook deze opdracht. Zij doen het in het Fries, ik in het Nederlands. Deze documentaire moet in december klaar zijn en zal in januari volgend jaar – bij het begin van CH 2018 – in het programma Fryslân Dok worden uitgezonden op Nederland 1. Ook zal hij in 2018 een jaar lang – ondertiteld in het Engels – voor alle bezoekers van de ‘kulturele haedstêd’ te zien zijn in Tresoar.

Ik heb niet zo gauw last van een writersblock, maar ik moet eerlijk bekennen dat deze klus mij niet gemakkelijk afging. Je schrijft een brief aan een dode, in de wetenschap dat hij nooit gelezen zal worden door degene aan wie de brief is gericht, maar wel door ontelbaar veel andere mensen.

Bovendien had ik moeite met het besef dat het schrijven van deze brief niet mijn eigen idee is geweest. Hoe kun je eerlijk en oprecht zijn, als je iets moet doen wat anderen hebben bedacht? De spontaniteit is dan zoek. Het schrijven wordt een plicht, een taak die je op je hebt genomen.

En tegelijk bedacht ik hoe betrekkelijk deze gedachte eigenlijk is. Hij zegt iets over onze westerse opvatting van eerlijkheid en spontaniteit, maar die is cultuurgebonden. In zijn boek Waar geen wil is, is een weg (2016)  schrijft Henk Oosterling over de verschillen en overeenkomsten in de Japanse en de westerse filosofie.

‘Westerlingen,’ zo stelt  hij, ‘zien oprechtheid en authenticiteit als kwaliteiten van een uniek individu. Japanners noemen een daad oprecht en waarachtig als deze louter wordt gevoed door plichtsbesef – giri – en elk natuurlijk menselijk gevoel – ninjo – achter zich laat.’ Kortom, misschien moest ik helemaal niet eerlijk en oprecht willen zijn. Waar geen wil is, is een weg.

Hoe dan ook, om inspiratie te vinden, ben ik eerst maar weer eens gaan wandelen. Dat doe ik de laatste tijd veel, zomaar een eind in de wilde weg. Afgelopen zondag heb ik zeker 20 kilometer door Amsterdam gelopen. Al lopend kom je vaak op de raarste gedachten die dan spontaan in je opkomen. Zo kwam ook de tekst van deze brief aan Anne Wadman onder het lopen als vanzelf tot stand.

Thuisgekomen had ik zomaar ineens duizend woorden op papier. Dat gaf weer een nieuw probleem, want daarvan moesten er zeshonderd worden geschrapt. Vaak is schrappen nog moeilijker dan schrijven. Kill your darlings, dat is niet iets waar ik sterk in ben. Het uiteindelijke resultaat is dan ook een heel andere brief geworden dan ik eigenlijk had willen schrijven. Veel minder persoonlijk ook.

Ik had willen schrijven over de liefde en de dood, want dat zou een dode schrijver wel interesseren, zo dacht ik. Maar ja, al die bezoekers volgend jaar, die hebben daar geen boodschap aan. Die komen niet voor de de liefde en de dood. Waar komen ze dan wel voor?

Tja, daar vraag je wat.

Toen ik bijna klaar was met mijn brief, werd er gebeld. Alfred H. Stucki was aan de deur. Er stonden tranen in zijn ogen en hij had treurig nieuws. Ik wenste hem veel sterkte.

‘Je moet vandaag maar eens niet over Marijke schrijven op je blog,’ zei hij bij het weggaan.

‘Dat zeg ik elke dag tegen mezelf,’ zei ik. ‘En toch kom ik er telkens weer op uit.’

Reageer