Omzien in verwondering

 piusxii_world

Het verhaal gaat dat de Heerenveense pastoor Wibe de Jong, een broer 
van kardinaal Johannes de Jong (1885-1955), halverwege de jaren 1950 
tijdens een catechismusles de vraag moest beantwoorden of Christus 
was verschenen aan paus Pius XII. Een krant had daarover bericht. 
Het was in de nadagen van zijn pausschap, dat liep van 1939-1958. ‘Dat 
weten wij niet’, antwoordde de pastoor: ‘Wij moeten eerst afwachten, 
wat Fedde Schurer er over schrijft.’

Aldus schrijft Johanneke Liemburg in haar boek Fedde Schurer, biografie van een Friese koerier (2010). Wibe (ook wel Wieberen of Wybren) de Jong werd geboren in 1898, priester gewijd in 1921 en stierf in 1961 als pastoor van Sloten. Toen kardinaal de Jong in oktober 1946 naar Rome toog om daar als nieuwbenoemde kardinaal zijn titelkerk te kiezen, werd hij samen met zijn broer Wibe ontvangen door paus Pius XII. Bij die gelegenheid bood de paus de kardinaal tot drie keer toe aan om diens broer tot ‘geheim kamerheer van de paus‘ te benoemen. Maar de kardinaal, die een fel tegenstander was van elke vorm van rooms nepotisme, weigerde pertinent. Henk van Osch vermeldt dit voorval in zijn onlangs verschenen biografie van kardinaal de Jong, een boek dat ik momenteel aan het lezen ben.

scan1120001

Wibe en Jan de Jong, Ameland 1922

Het moet voor paus Pius XII een wonderlijke ervaring zijn geweest. Dat Christus verschenen zou zijn aan deze dweepzieke paus, die de regisseur werd van een wijd verbreide papolatrie, is overigens geen  broodje-aapverhaal. De verschijning van Christus aan Paus Pius XII heeft op 2 december 1954 inderdaad plaatsgevonden en werd op 25 november 1955 openbaar gemaakt in het geïllustreerde blad Oggi, en twee dagen later door het Vaticaanse persbureau en Radio Vaticaan bevestigd. Hans Küng schrijft hierover in het eerste deel van zijn autobiografie Bevochten Vrijheid.

Later werd bekend dat het verhaal van de verschijning door het Vaticaan aan het blad Oggi was verkocht, inclusief twee kleurenfoto‘s van de paus met twee vogeltjes in zijn hand en met schaapjes en kinderen. Paus Pius XII was gevoelig voor occulte fenomenen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had hij meermalen een duiveluitdrijving verricht bij Adolf Hitler, die hij voor bezeten hield. Deze vorm van exorcisme op 1500 kilometer afstand had weinig succes, maar zou volgens Küng –  evenals de Christusverschijning – een aanwijzing zijn voor een dreigende grootheidswaan.

Hoe dan ook, het verhaal dat Christus verschenen was aan de paus ging er destijds in als koek. De paus zou zelfs het zonnewonder hebben aanschouwd in de tuinen van het Vaticaan. De zon was om zijn eigen as gaan tollen zoals hij dat destijds ook in Fatima had gedaan. Ik kan me nog herinneren dat ik het als kind te horen kreeg op school. De jaren vijftig waren een tijd van eschatologische verwachtingen. De dreiging van de atoombom en de steeds kouder wordende Koude Oorlog creëerden een klimaat van ondergang en heilsverwachting. Ik herinner me ook dat er een sekte was die meende dat de wereld zou vergaan en zich terugtrok op de Mont Blanc. Dat moet eind jaren vijftig zijn geweest. Naarmate het magische jaar 1960 naderde steeg de opwinding over het einde der tijden.

Pius+XII+and+the+Miracle+of+the+Sun

Paus Pius XII ziet het zonnewonder van Fatima

In 1960 zou het derde geheim van Fatima worden onthuld. Die voorspellingen had de Heilige Maagd in 1917 aan drie kinderen uit Fatima gedaan. Door ingrijpen van het Vaticaan werd de onthulling destijds verhinderd. In de late jaren vijftig heeft deze Vaticaanse censuur een stroom van geruchten op gang gebracht. Ook Maria, zo werd beweerd, had voorspeld dat de wereld binnenkort zou vergaan. Eerder al deed het gerucht de ronde dat in 1960 het vijfde en laatste Mariadogma door de Paus zou worden afgekondigd. Maria zou niet alleen Moeder van God zijn, maar ook Medeverlosseres en de Vierde Persoon Gods, een gedachte die later ook onze volksschrijver Gerard Reve in zijn greep zou krijgen.

Ik kan me nog goed herinneren dat John F. Kennedy had besloten om president van de Verenigde Staten te worden. Het was voorjaar 1960 dat dit bericht tot me doordrong. Ik zat toen in de hoogste klas van de lagere school. Juffrouw Van der Laar, die zo af en toe een maatschappelijk onderwerp behandelde, besteedde er een les aan. Jullie moeten goed opletten, zei ze, want het wordt heel spannend in Amerika. Een katholiek wil president worden en dat is nog nooit gebeurd. Even later las ik in Taptoe – naast Okki het belangrijkste kinderblad in die tijd – een stukje over de verkiezingen. President Eisenhower, zo werd beweerd, was een hele goede president geweest. Maar nu komt er een nog betere: John F. Kennedy. Tenminste, als hij wint.

In het najaar van 1960, toen de verkiezingsstrijd op zijn hoogtepunt was beland, zat ik inmiddels in de eerste klas van het gymnasium. De Jezuïeten waren behoorlijk opgewonden over de mogelijkheid dat voor het eerst in de geschiedenis een katholiek president van Amerika zou worden. Het was so wie so een spannende tijd. In Rome zat sinds kort een nieuwe paus op de troon die duidelijk andere ideeën had. Er waaide een nieuwe wind door het Vaticaan en de katholieke kerk in de hele wereld leek er door geïnspireerd. ‘Aggiornamento’ en ‘oecumene’ waren woorden die in die jaren een nieuwe betekenis kregen. Het katholicisme werd heel even de religie van de hoop.

THDL-P

De naoorlogse filosofie, waarin existentialisme en personalisme de boventoon voerden, paste goed bij de nieuwe wijze waarin het geloof beleefd werd. Er kwam ruimte voor een meer persoonsgerichte benadering van religieuze zaken met een accent op het leven van alledag. Sociale bewogenheid werd door menig katholiek centraal gesteld. Er werden nieuwe verbanden gelegd tussen katholicisme en socialisme. Rooms-rood werd een begrip in de Nederlandse politiek. Daarnaast waren er ingrijpende vernieuwingen gaande op het terrein van de theologie, waarin een proces van secularisering en ontmythologisering al eerder op gang was gebracht.

De Franse jezuïet Henri de Lubac S.J. was de pionier geweest van een nieuwe stroming in de katholieke theologie, die na de oorlog in Frankrijk bekendheid kreeg als de zogeheten ‘School van Lyon’. In zijn encycliek Humani generis van 1950 had paus Pius XII nog fel uitgehaald naar dit soort theologische nieuwlichterij en aangedrongen op algehele gehoorzaamheid aan het kerkelijk leergezag. De ‘goede paus’ Johannes XXIII daarentegen had deze Franse jezuïet met zijn meer eigentijdse opvattingen als zijn voornaamste adviseur benoemd bij de voorbereidingen van het Tweede Vaticaanse Concilie. Het katholicisme ging een tijd tegemoet van verwereldlijking en modernisering. Het middeleeuwse wereldbeeld met zijn drie lagen van natuur, bovennatuur en een middenlaag van engelen en demonen was onhoudbaar in de moderne tijd. De dogma’s, zo werd beweerd, waren onderdeel van de geschiedenis. De religie moest worden vertaald in de taal van deze tijd.

Het bisschoppelijk Mandement

verzuilingcartoon

Spotprent op het bisschoppelijk Mandement van 1954 (bron: Lucipedia)

Maar dat alles bracht ook onrust teweeg. Nog altijd heerste bij velen het idee dat ene katholiek niet zelfstandig denken kon. De onfeilbaarheid en het leergezag van de paus zouden de eigen meningsvorming immers in de weg staan. Een katholiek is een pion in een dictatoriaal geleid kerksysteem, waarin de stem van eigen geweten niet op de eerste plaats wordt gesteld. Voor menigeen was niet geheel duidelijk of de scheiding tussen kerk en staat door het katholicisme wel volledig werd erkend. Met name in de politiek zou dat tot grote problemen kunnen leiden. Het Bisschoppelijk Mandement van 1954 had de Nederlandse katholieken het lidmaatschap van socialistische organisaties ontraden dan wel verboden. De doorbraak-socialist Fedde Schurer reageerde furieus in een 24 pagina’s tellend schotschrift Protestant protest, zoals Liemburg in haar Schurer-biografie laat weten. Schurer schetst daarin een beeld hoe het politieke denken van de rooms-katholiek van hogerhand gestuurd werd:

‘Hij hoeft niet na te denken, hij hoeft de voorstellen van anderen niet te overwegen, hij mag zelfs niet lezen of beluisteren wat anderen schrijven of zeggen; de keuze is voor hem gemaakt. Een goed christen, dat staat nu vast, is lid van de KVP, en als hij het niet is, behoort hij het te worden. (…) Het is merkwaardig dat er in dit mandement met geen woord gerept wordt over het militaire apparaat, dat jongens op de mest gevoelige leeftijd in een moreel zeer precaire situatie met alle mogelijke andersdenkenden op zeer intieme wijze samenbrengt in een wereldvol gevaren, die geen aalmoezenier kan bezweren. Het moet toch praktisch mogelijk zijn, te komen tot de vorming van aparte rooms-katholieke legeronderdelen. ‘

Maar ook in eigen katholieke gelederen was de vrijheid van meningsuiting in de tijd van de Koude Oorlog soms ver te zoeken. De jezuïet Van Kilsdonk werd in 1962 een tijdlang van hogerhand verboden om het ambt uit te oefenen nadat hij zich kritisch had uitgelaten over het dictatoriaal gedrag van de Vaticaanse Curie. Van Kilsdonk heeft toen – uitnodiging van pastoor Nolet – de preek verzorgd in mijn eigen toenmalige parochiekerk De Martelaren van Gorkum in Amsterdam Watergraafsmeer.

Kortom, het gistte in de katholieke kerk zo rond 1960. John F. Kennedy had dan ook heel wat uit te leggen, toen hij aankondigde president te willen worden. Het was of een moslim was opgestaan die ambities had voor het Witte Huis. Een katholiek als president riep bij veel Amerikanen de angst op dat het Vaticaan ook in Amerika de touwtjes in handen zou krijgen. Misschien zou het kerkelijk recht wel worden ingevoerd als een soort roomse sharia. Ik kan me nog goed herinneren dat mr. dr. G.B.J. Hilterman op zondagochtend een zwaarwichtige beschouwing wijdde over de principiële vraag of een rooms katholiek wel een onafhankelijk wereldleider kon zijn.

‘The religious issue’

In een beroemde rede op 12 september 1960 in Houston sprak Kennedy over een onderwerp dat destijds ‘the religious issue‘ werd genoemd. Kan een katholiek president worden van Amerika? In een helder betoog legde Kennedy toen uit dat hij geen katholieke president wilde worden, maar dat hij een presidentskandidaat was die toevallig katholiek was. Hij had ook mormoon of jood, een baptist of een quaker kunnen zijn. Kennedy noemde niet de mogelijkheid dat hij ook een moslim had kunnen zijn, maar dat was eerder een historische toevalligheid, dan een principiële omissie.

Kennedy benadrukte bij die gelegenheid zijn opvatting over de noodzakelijkheid van de scheiding tussen kerk en staat. Dat was ook wel nodig om zijn criticasters de wind uit de zeilen te nemen. Tegenstanders van het katholicisme gingen er nog altijd vanuit dat een katholiek in de eerste plats zou gehoorzamen aan de paus en het leergezag van Rome. Daar had het Vaticaan in het recente verleden ook alle aanleiding toe gegeven. De zogeheten ‘integralisten’ binnen de katholieke kerk hadden zich decennia eerder al fel gekant tegen alles wat modern was, inclusief de scheiding van kerk en staat.

Het integralisme streefde naar een isolement van de katholieken en een vasthouden aan eenheid, orthodoxie en traditie. Het was in de tijd van de verzuiling een ideologische onderstroom die zich baseerde op een reactionair politiek wereldbeeld. Er ging veel angst in schuil vooral voor het goddeloze communisme. Die angst was in de aanloop van de Tweede Wereldoorlog vaak nog groter geweest dan de angst voor het nationaalsocialisme. In de tijd van de Koude Oorlog bleef veel van die angst voor het communisme bestaan, vooral bij Paus Pius XII.

Nog voor zijn pontificaat had hij, Eugenio Pacelli, als pauselijk nuntius in Duitsland de Spartacus-opstand in München in 1919 van nabij meegemaakt. In die woelige periode werden er aanslagen uitgevoerd op de pauselijke nuntiatuur en werd Pacelli  blootgesteld aan fysieke bedreiging. Hij wist wat hij met de communisten in huis had. Met de nazi’s ook trouwens. In zijn optiek was het een nog altijd erger dan het ander, wat ook zijn vreemde zwijgen over de Holocaust wellicht mede verklaard. Hoe dan ook, paus Pius XII was als de dood voor het rode gevaar. Zijn godsdienstwaan in de laatste jaren van zijn leven kan wellicht niet los worden gezien van zijn toenemende angst voor het oprukkende communisme. Hij ging niet rode spoken zien, zoals McCarthy in Amerika, maar Christus zelf die hoogst persoonlijk aan zijn bed verscheen. Als de nood het hoogst is, is de redding nabij.

Schermafbeelding 2016-05-02 om 10.09.35

Christus verschijnt aan paus Pius XII op 2 december 1954

Ook de fascinatie die Paus Pius XII had voor de wonderen van Fatima had alles te maken met zijn diepe angst voor het communisme. Het Tweede Geheim van Fatima hield in dat de Maagd Maria een oproep had gedaan aan Rusland, dat kort na de verschijningen getroffen zou worden door Oktoberrevolutie van 1917. En het Derde Geheim van Fatima, dat overigens niet in 1960 maar pas in 2000 geopenbaard zou worden, voorspelde de mislukte moordaanslag in 1984 op paus Johannes Paulus II, die als Poolse paus een belangrijke rol zou spelen bij de ondergang van het communisme in Oost-Europa aan het eind van de jaren tachtig.

Dat alles lag in de jaren vijftig nog ver achter de horizon. Het Vaticaan was een conservatief machtsbolwerk waar de curie de scepter zwaaide. Niet alleen de scheiding van kerk en staat, maar ook de democratie was lange tijd voor het katholicisme een probleem geweest. Democratie werd gedoogd bij gebrek aan beter, maar het verlangen bleef uitgaan uit naar de eenheid van kerk en staat zoals die ooit in een ver verleden had bestaan. Pas toen de Tweede Wereldoorlog op zijn eind liep, had paus Pius XII expliciet laten weten dat de democratie een zegen voor de mensheid was. Het centrale gezag met zijn hiërarchisch systeem en de onfeilbaarheid van de paus lieten zich ook moeilijk rijmen met zoiets onheiligs als algemeen stemrecht en volkssoevereiniteit.

Op 15 juli 1960, twee maanden voor zijn rede over ‘the religious isue’, zette Kennedy zijn nieuwe sociale beleid uiteen in een rede, die wellicht nog beroemder zou worden en als titel had: ‘New Frontier’.

 Slide1

 Als Hans Küng in 1963 Amerika bezoekt, houdt hij lezingen in sporthallen voor grote aantallen toehoorders, oplopend van 5000 tot 8000 per keer. Küng verbaast zich dan over de grote belangstelling in Amerika voor de vernieuwingen binnen de katholieke kerk. Iedere keer als hij over ‘The New Frontier van de katholieke kerk’ begon te spreken, barstte er een groot applaus los. Als hij president Kennedy in het Witte Huis persoonlijk bezoekt, herkennen zij in elkaar een soort zielsverwantschap. Kennedy stelt hem voor aan zijn staf met de woorden: ’And this is what I would call a new frontier man in the catholic church.’ De twee mannen lijken zelfs fysiek op elkaar. Küng en Kennedy: de glamour-theoloog en de de glamour-president. Küng wijdt in zijn autobiografie een heel hoofdstuk aan Kennedy, waarin hij zijn bewondering voor deze charismatische persoonlijkheid niet onder stoelen of banken steekt.

Het zich snel evoluerende katholicisme van de jaren vijftig heeft veel bijgedragen aan het utopisch perspectief dat begin jaren zestig in de westerse wereld ontstond. Hoop, zo had de de filosoof Ernst Bloch beweerd, is een fundamentele eigenschap van mens-zijn, die niet alleen in de religie tot uitdrukking komt, maar ook in elke uiting van cultuur die een verwachting van een betere wereld oproept. Als dat waar is dan was het katholicisme rond 1960 een religie van de hoop. Kennedy was in menig opzicht de charismatische belichaming daarvan, evenals paus Johannes XXIII. Achteraf is het opmerkelijk dat na het presidentschap van Kennedy er van alles over hem is beweerd – zowel in positieve als in negatieve zin – maar nooit dat dit enige relatie zou hebben gehad met zijn katholicisme. Daar had hij natuurlijk ook zelf voor gezorgd door kerk en staat absoluut van elkaar gescheiden te houden.

Ik herinner mij, dat in mijn directe omgeving de verslagenheid zeer groot was, toen president Kennedy werd vermoord op 22 november 1963. Op school werd de dag daarop één minuut stilte gehouden. Iedereen sprak erover. De wereld was in rouw. Daarna werden overal in Europa straten, bruggen en tunnels naar Kennedy vernoemd. Kort na elkaar waren twee katholieke wereldleiders van het toneel verdwenen: Kennedy en paus Johannes. In Washington werden de bakens verzet. De Vietnamoorlog werd voortgezet, maar nu in volle hevigheid met napalm en bombardementen. In Rome was het Tweede Vaticaans Concilie inmiddels in volle gang.

Kort daarop zou de restauratie een aanvang nemen. De jaren van hoop en verwachting waren midden jaren zestig al weer voorbij. Het progressieve katholicisme werd een vage schim uit het verleden, een kortstondige koortsdroom die nooit meer terug zou komen. Sterker nog, die droom verdween uit het collectieve geheugen. Het katholicisme uit de tijd van de Koude Oorlog is een vergeten hoofdstuk in de naoorlogse geschiedenis. Telkens weer word ik bevangen door een gevoel van verwondering als ik mij probeer te verdiepen in deze periode. Het is de wereld waar ik uit voortkom, de wereldbeschouwing die mij heeft gevormd. Maar het is ook een wereld die plotseling volledig leek te verdwijnen als een totale eclips van de zon, juist op het moment dat ik zelf begon na te denken.

1 Reactie

Geestelijke bevrijders & seksuele revolutie

Slide1

In het Rijke Roomse Leven van de jaren vijftig ontstond er een zekere cultus rond de figuur van Maria Goretti. Er deden bidprentjes de ronde die haar waren gewijd en in het zuiden van het land werden er zelfs kerken en scholen naar haar genoemd. Ik herinner mij dat mijn jongste zusje ter gelegenheid van haar Vormsel een boekje kreeg van een van mijn tantes. Het heette zoiets als ‘De kuisheid van Maria Gortetti.’ Ik vond dat een heel spannend boekje. Op een avond heb ik het dan ook één keer stiekem in bed uitgelezen. Het verhaal was in mijn koortsige puberbeleving allesbehalve kuis. Het ging over een verkrachtingszaak die met veel gevoel voor dramatische details uit de doeken werd gedaan.

Maria Goretti was twaalf jaar oud toen zij op 5 juli 1902 door een oudere jongen, Allessandro genaamd, op gewelddadige wijze werd verkracht. Zij verzette zich hevig en riep wanhopig zij beiden zo naar de hel zouden gaan. Maar dat mocht niet baten. Allessandro bracht haar veertien messteken toe. De volgende dag overleed Maria Goretti, maar niet nadat zij verklaard had, dat zij haar moordenaar had vergeven en de hoop had uitgesproken dat ook hij in de hemel zou komen. Na haar dood brak in Italië een grote devotie uit rond haar persoon. Zij werd letterlijk het toonbeeld van de Roomse kuisheid en als zodanig aan de jeugd als voorbeeld gesteld.

Maar het verhaal is nog niet uit. In 1937 volgt de zaligverklaring van Maria Goretti. De moordenaar, die was veroordeeld tot 30 jaar gevangenisstraf, heeft dan nog altijd geen berouw. Dat zou kort daarop veranderen als hij in een droom wordt bezocht door zijn slachtoffer. In haar verschijning vergeeft Maria Goretti haar moordenaar nogmaals, waarna deze tot inkeer komt en zich bekeert. De moordenaar bezoekt vervolgens de moeder van het slachtoffer om haar om vergeving te vragen, die hij dan ook van haar ontvangt. In 1950 tenslotte wordt Maria Goretti heilig verklaard door Paus Pius XII. De plechtigheid voltrekt zich in aanwezigheid van de moordenaar. ‘Toch goed dat er een God is’, zou Gerard Reve zeggen.

mariagoretti

Dit is wat je noemt een ‘Roomse tranentrekker’. Ik was diep onder de indruk toen ik dit verhaal als kind las. Dat moet ongeveer zo rond 1960 zijn geweest. Ik was een jaar of twaalf en stond op de drempel van de puberteit. Achteraf verbaas ik me erover hoe een zo gruwelijk en expliciet beschreven verkrachting als voorbeeld kon dienen voor het betrachten van kuisheid en het eerbiedigen van de maagdelijkheid. Dat is wellicht tekenend voor de dubbelzinnigheid van de Roomse seksuele moraal.

Sinds de Barok hebben veel geschilderde folteringscènes van martelaren een duidelijk seksuele connotatie. Bij mijn laatste bezoek aan het Prado in Spanje viel mij op dat de toenmalige iconografie van de marteling vandaag de dag tot de sadomasochistische pornografie gerekend zou worden. Zelfs het meest stichtende beeld dat de katholieke kerk in petto heeft – de kruisigingscène – heeft overduidelijk een pornografische lading. Bataille heeft er terecht op gewezen dat na de Contrareformatie de seksualiteit heeft vlamgevat in de wellustige verbeeldingen van de Roomse lijdensmystiek.

Maar er is nog een ander mechanisme werkzaam in de devotie van Maria Goretti. Het gebeuren vond plaats in de hoogtijdagen van de burgerlijke onderdrukking van de seksualiteit. Twee jaar tevoren had Freud zijn ‘Traumdeuting’ geschreven, waarin de seksuele griezelkelder van het burgerlijk onbewuste werd blootgelegd. De seksualiteit valt volgens Freud in de droom niet zelden ten prooi aan het principe van de omkering. Het onbewuste spreekt in raadselen om verboden seksuele verlangens te versleutelen in vewrongen beelden die een heel andere – en soms zelfs omgekeerde gedaante – kunnen aannemen. Daarmee werden de meest scabreuze verlangens uit de duistere spelonken van onze geest door Freud opnieuw in het daglicht getrokken.

Voor het katholicisme waren dit soort ideeën een vloek in de kerk. Het Vaticaan startte dan ook op alle fronten een tegenoffensief en de devotie rond Maria Goretti werd haar bij wijze van spreken in de schoot geworpen. Maar juist ook dit tegenoffensief diende het principe van de omkering zich aan. De lust kruipt waar ze niet gaan kan. Onderdekdrukking van seksualiteit gaat vaak gepaard met een overmatige belangstelling voor de verbeelding van wellustige uitspattingen. Volgens Foucault heeft er nooit een grotere belangstelling voor seksuele ontsporingen bestaan dan juist in het Victoriaanse tijdperk.

De repressie uitte zich niet in een stelselmatig stilzwijgen, maar ging daarentegen gepaard met een geheel nieuw pornografisch discours. In dat licht bezien is Maria Goretti een wonderlijk geval. Nauwelijks heilig verklaard werd ze door de seksuele revolutie van de jaren zestig volledig in de vergetelheid geduwd. Onschuld, kuisheid en maagdelijkheid zijn sindsdien woorden die tot een ander tijdperk behoren. Het was het tijdperk van het Rijke Roomse Leven waarin het ideaal van maagdelijkheid en kuisheid niet zelden gepaard ging met neurosen en ander vormen van geestesziekte, getuige ook het volgende citaat:

‘Zeer veelvuldig zijn de gevallen waarin aan de lijders aan een neurose 
op de een of andere wijze worden aangeraden: opzettelijke zelfbevrediging, bezoek 
aan publieke huizen, oneerbare blikken en aanrakingen, wellustige verlangens, over
spelige verhouding; ja zelfs waarin aan priesters of religieuzen de raad wordt ge
geven om personen van het andere geslacht geheel naakt te zien en met hen tot 
seksuele vriendschap te geraken ten einde hen zo ofwel van seksuele spanningen 
ofwel van ziekelijke nieuwsgierigheid te bevrijden. Anderzijds wordt met betrek
king tot het ascetische leven zo’n vrijheid toegestaan, dat vele neurotici zich vol 
strekt ontslagen achten van de geboden van de Kerk, van de regels, van de geeste
lijke oefeningen, van het gemeenschapsleven, hetgeen ernstige schade aan de gehele 
religieuze gemeenschap aanbrengt.

Dit schreef de Nederlandse jezuïet Sebastiaan Tromp S.J. Hij was in de jaren na de oorlog een van de meest invloedrijke theologen binnen het Vaticaan. In 1954 werd hij door Paus Pius XII naar Nederland gezonden om een onderzoek in te stellen naar vermeende misstanden binnen de seminaries en de praktijk van de psychotherapie aan priesters en religieuzen zoals die in Nijmegen gebruikelijk was. Prof. Duynstee en Dr. Anna Terruwe hadden een nieuwe therapie uitgevonden die met name geschikt bleek voor de seksuele problemen van priesters, religieuzen en seminaristen. Vaak bleek dat onder deze groep opvallend veel neurotisch gedrag voorkwam, dat zich uitte in seksuele dwanghandelingen en overspannen fantasieën.

Slide1

Tromp, Duynstee en Terruwe

Een en ander werd niet alleen veroorzaakt door affectieve verwaarlozing bij de opvoeding, maar ook door het ongezonde klimaat binnen seminaries en kloosters, waar de seksualiteit geheel werd verdrongen en elke van affectieve omgang werd verwaarloosd. Veel priesters hadden last van overmatig en dwangmatig masturberen, diepe schuldgevoelens en soms bezondigde men zich van de weeromstuit aan seksuele uitspattingen. Het gevoelsleven van deze priesters was overmatig gericht op functie, ratio en zonde, zodat het bloed kroop waar het niet gaan kon.

Een therapie bij dokter Anna Terruwe bood uitkomst in dat soort gevallen. Zo kwam aan het licht dat met name onder priesters en religieuzen een grote seksuele nood leefde. Daarin stonden zij als groep niet op zich zelf. Al in 1952 had professor Buijtendijk gewezen op het benauwende en ongezonde karakter van menig katholiek huwelijk. Het katholiek geloof, zoals het destijds werd beleden, bleek niet alleen ziekteverwekkend, maar zelfs aan te zetten tot crimineel gedrag. De misdaadcijfers onder katholieken waren begin jaren vijftig beduidend hoger dan onder niet-katholieken. Die constatering was een van de belangrijkste redenen geweest voor het opzetten van eens stelsel voor katholieke geestelijke gezondheidszorg en psychohygiëne, waarbij niet alleen psychiaters, psychologen, sociologen en pedagogen werden betrokken, maar ook moraaltheologen en wijsgerige seksuologen.

Zo groeide er stilaan een spanningsveld tussen theologie en psychologie. Alles wat bij katholieken tussen de oren rondspookte en in hun slaapkamers zich afspeelde werd voortaan voer voor katholieke deskundigen in de menswetenschappen, wat een doorn in het oog was voor Rome. Seks en schuld waren immers van oudsher de twee sleutelwoorden geweest in de macht van de clerus over de leken.

Wat het Vaticaan nog het meest verontrustte was de theoretische basis waarop de nieuwe inzichten in Nederland waren gebaseerd. Het was immers niet de gehate freudiaanse psychoanalyse waarop men zich beriep. Wetenschappers als Rümke, Duynstee en Terruwe waren al jaren lang bezig geweest om een alternatief voor Freuds antichristelijke visie op de seksualiteit en het onbewuste te ontwikkelen. Duynstee greep daarbij terug op de passieleer van Thomas van Aquino. En ook Anna Terruwe had een theorie over de ‘verdringing’ bedacht, waarbij zij ideeën van Freud wist in te passen in de leer van het neothomisme die sinds Paus Pius X de officiële theologie was van het Vaticaan.

catalog151-800x800

De neo-thomistische theologie had ook ten grondslag lag aan een  zeer stringente opvatting over seksualiteit en moraal. De encycliek Casti Connubii uit 1930 gold nog altijd als het enige fundament voor het katholieke denken over seksualiteit en huwelijksmoraal. Die moraal was finalistisch, dat wil zeggen gericht op nut en einddoel. Het huwelijk was primair op de voortplanting gericht en secundair op wederzijdse hulp en beteugeling van de (mannelijke) seksuele drift. Elke vorm van anticonceptie was een doodzonde, evenals de onanie en homofilie. Sindsdien dienden priesters in de biechtstoel streng door de vragen als dit soort onderwerpen aan bod kwamen.

Vanuit een klimaat dat gericht was op de strikte beteugeling van de seksuele drift vanuit een sterk ontwikkeld zondebesef konden alleen maar ongelukken gebeuren in de geestelijke ontwikkeling van kind, puber en adolescent. En die ongelukken gebeurden dan ook, bij uitstek bij jonge priesters en seminaristen. De therapie van Terruwe was gericht op het voorzichtig losmaken van verkrampte seksuele gevoelens, waarbij het oordeel over de zondigheid – volgens fenomenologisch inzicht – werd opgeschort. Dat leidde ertoe dat de patiënt een fase doormaakte van desintegratie, waarbij hij tijdelijk overspoeld werd – of zelfs geheel losgeslagen werd – door seksuele fantasieën.

Over wat er dan gebeurde deden de wildste geruchten de ronde. Zo zou Terruwe bij de priesters die ze behandelde doelbewust aansturen op bordeelbezoek en zelfs een heel scala van ‘troostmeisjes’ achter de hand hebben die zich in voorkomende gevallen beschikbaar stelden. Het roddelcircuit ontstond doordat priesters die tussentijds zich vertwijfeld gingen afvragen of hun losgebroken fantasieën in Gods ogen wel door de beugel konden, en vervolgens naar een uiterst strenge biechtvader stapten. Deze nodigde de patiënt dan niet zelden uit om bij hem thuis te komen, om zo aan het biechtgeheim te ontsnappen. Wat hem dan ter ore kwam werd via de pauselijke nuntius of via andere kanalen doorgeklikt aan het Vaticaan.

Zo kon het gebeuren dat Pater Tromp een heel dossier in zijn aktetas had met ‘Sodom en Gomorra-verhalen’ voordat hij in Nederland op onderzoek uitging. Maar los van deze vermeende excessen lag er ook een theologisch geschilpunt op tafel. De vraag was immers of in de tijdelijke ontremmingsfase – de katharsis in de therapie van Terruwe – al dan niet sprake was van vrijheid van de wil en dus van zonde. Zonde kan immers alleen in vrijheid worden begaan. Een patiënt die aangestuurd wordt door het verdrongene, dat hem overspoelt, is onvrij en dus niet zondig. Tromp – en daarmee het Vaticaan – was het daar niet mee eens. Als iemand een tak in het water steekt om hem nat te maken en zijn handen tegelijk droog wil houden, zal hij de tak voor een klein deel altijd vast moeten houden.

Dat was een staaltje scholastieke casuïstiek, waarmee Tromp in dit geval het gelijk aan zijn kant dacht te hebben. De ontremde patiënt had nog altijd voor een klein deel de beschikking over zijn autonome wilscontrole en was dus zondig, om over de therapeut maar te zwijgen. Zij gaf immers (tijdelijk) aanleiding tot zonde, ook al was het uiteindelijke doel de genezing. Maar ook Terruwe beriep zich op een thomistische logica. Het doel  heiligde in dit geval immers de middelen. Zonde kan niet begaan worden als de ‘doeloorzaak’ van het handelen op het goede is gericht.

Ziedaar het conflict in een notendop. Maar Tromp liet het er niet bij zitten. Zijn onderzoek was gebaseerd op een Stasi-achtige methodiek. Iedereen die hij ondervroeg kreeg zwijgplicht opgelegd  (het secretum) en had geen inzage in de procedure van het onderzoek. Het rapport, dat hij uitbracht aan de paus, was vernietigend, met name voor Duynstee en Terruwe. Door het ‘monitum‘ van de paus, dat hierop volgde, werd Duynstee verbannen naar Rome en Terruwe uit haar functie ontheven. De paus verordonneerde dat priesters en seminaristen voortaan niet meer bij vrouwelijke psychiaters in therapie mochten gaan.

Een bespottelijk verbod, mede gezien het feit dat er in Nederland destijds maar één vrouwelijke psychiater was die zich hier mee bezig hield, en dat was Terruwe. Het Nederlandse episcopaat werd door de maatregelen van Rome in grote verlegenheid gebracht. Kardinaal Alfrink reageerde aanvankelijk terughoudend. De moraaltheoloog H. J. Ruijgers protesteerde bij Alfrink en schreef op diens verzoek een rapport ter verdediging van Terruwe, dat vervolgens bij Alfrink in de la verdween. Door diplomatiek optreden in het Vaticaan wist Alfrink later wel te bewerkstelligen dat de verbanning van Duynstee werd teruggedraaid en Terruwe gerehabiliteerd werd. Maar toen was er al heel wat leed geleden.

RUIJGERS

H.J. Ruijgers (1913-1989)

Het geheime rapport van H.J. Ruijgers werd in 1965 alsnog gepubliceerd in het Tijdschrift voor Theologie. Van de week heb ik dit artikel gelezen: Zielzorg en psychotherapie, kritische beschouwingen over een document. De jaargang van het betreffende tijdschrift bleek gewoon bij Tresoar opvraagbaar. Het is een intrigerend traktaat dat een ontluisterend inzicht geeft in de katholieke moraaltheologie en de gedachten die hierover door Sebastiaan Tromp in zijn advies aan de paus op schrift waren gesteld. Ruijgers besloot zijn rapport destijds als volgt:

“Voor mij en voor velen in ons land is de Kerk in deze gehele geschiedenis geen ‘Godsgeschenk’ maar ware ergernis en diepe beproeving. We kunnen slechts bidden en hopen dat er geen zullen zijn die door dit alles het geloof en de liefde verliezen. ‘Und dennoch sind wir katholisch’ … en zijn daar gelukkig mee.”

In haar boek Geestelijke bevrijders, Nederlandse katholieken en hun beweging van de geestelijke volksgezondheid in de twintigste eeuw (1996), besteedt Hanneke Westhoff ruime aandacht aan de gebeurtenissen destijds en met name ook aan wat er allemaal achter de schermen gebeurde. Een van haar meest schokkende beweringen is dat Ruijgers, als een van de pioniers van katholieke geestelijke gezondsheidszorg, jarenlang zelf in  therapie is geweest bij Terruwe. Hij had niet alleen problemen met de seksualiteit, maar was ook affectief verwaarloosd geweest in zijn jeugd. De problematiek waarover hij schreef en waarvoor hij in het geweer kwam, had hij zelf aan den lijve ondervonden.

Een dergelijke constatering roept bij mij een cascade van vragen op. Als het met hem al zo gesteld was, hoe zat het dan met Sebastiaan Tromp SJ? En hoe zat het met de paus zelf?  Als we Hans Küng mogen geloven probeerde Paus Pius XII Hitler te bestrijden met serieuze duiveluitdrijvingen op 1500 kilometer afstand en heeft hij op 2 december 1954 een verschijning van Christus gehad. Dat soort zieke geesten behoeven een intensieve behandeling, zou een doorsnee psychiater tegenwoordig zeggen, maar deze paus was ‘gezond van geest’ en is  hard op weg om heilig verklaard te worden. Hoe zit dat met die ‘geestelijke gezondheid’ en het katholieke geloof? Zelfs voorvechters van de geestelijke gezondheidszorg waren zelf in geestelijk opzicht soms allesbehalve gezond. ‘Und dennoch sind wir katholisch’ … en zijn daar gelukkig mee.”

Het wonderlijke is dat de achterstand, die het ongezonde geloofsleven bij katholieken in veel opzichten teweegbracht, ook een voordeel op leverde. In de jaren vijftig was er een progressief klimaat ontstaan onder katholieke psychiaters die altijd open stonden voor nieuwe ideeën, zelfs voor de psychoanalyse, die door zijn nadruk op het libido binnen het katholieke kamp altijd op veel weerstand was gestuit. Dokter Vaessen bijvoorbeeld, die vanaf eind jaren veertig als psychiater in de Willbrordus-stichting in Heiloo werkzaam was, had zich ontwikkeld tot een landelijke autoriteit die zelf ook nieuwe vormen van therapie ontwikkelde.

Al in 1949 had Vaessen als eerste katholieke psychiater in Nederland erop gewezen dat masturbatie bij pubers een normaal verschijnsel in hun ontwikkeling was. Juist het telkens aanwakkeren van de strijd tegen het seksuele zou bij gevoelige naturen allerlei ongezonde verschijnselen ontwikkelen, zoals dwangmatige verslavingsonanie, depressietoestanden en dwangneurosen. Samen met de Utrechtse hoogleraar Buytendijk was Vaessen al vroeg in verzet gekomen tegen het benauwende en ziekmakende geloofsleven dat in veel katholieke gezinnen tot ver na de oorlog gebruikelijk was. Zo was de geestelijke ongezondheid, die het Rijke Roomse Leven met zich meebracht, in zekere zin ook a blessing in disguise. De geestelijke bevrijders binnen de katholieke zuil hebben mede het pad geëffend voor de seksuele revolutie van de jaren zestig.

1 Reactie

Purple Rain

indeqqxindex

indeaaaaax

Foto’s: Renate Mous

Reageer

Plaza de España

12-26-2008_091

12-26-2008_021-oudetif

Reageer

Nogmaals terug naar Oud-Diemen

scan2e0001 kopie

„Het weer bewoonbaar maken van de huizen is nu natuurlijk de hoofdzaak. Daarna kunnen we gaan doen wat ook belangrijk en eigenlijk hoofddoel Is. We willen namelijk dat Oud-Diemen betekenis krijgt voor geheel Diemen. De kinderen die daar wonen — een van de krakers wijst naar de hoge flats ten noorden van de spoorlijn moeten een mogelijkheid hebben om ergens te spelen. Gelegenheid om zélf bezig te zijn, op een stukje grond, dieren verzorgen. Daarom willen we een kinderboerderij stichten, de grond gaan bewerken, aan veeteelt en landbouw doen.”

Uit: De Tijd,  22 april 1974

Van 1974 tot 1976 woonden wij in Diemen, waar we op 1 maart 1974 in het gemeentehuis zijn getrouwd. Onlangs ben ik nog even bij  dat gemeentehuis van Diemen naar binnen  geweest om te zien of het kunstwerk daar nog te zien is, dat ik op 27 juni 2002 persoonlijk heb mogen onthullen. Onze trouwfoto uit 1974 hebben Marée Blok en Bas Lugthart verwerkt in het tegeltableau ‘Open boek’, dat enige gelijkenis vertoont met beroemde tegeltjesbrug van elfstedenrijders, het Elfstedenmonument. Toen we daar die dag door Diemen liepen, op weg naar het gemeentehuis, werd ik op mijn mobiele telefoon gebeld door de redactie van het NOS-journaal. Ze wilden me spreken over ‘de verschrikkelijke bustocht‘, die drie dagen later zou plaatsvinden in het kader van de Dag van de Architectuur en waar alle landelijke media op afkwamen. Maar ik moest mijn praatje houden in het gemeentehuis en had even niets anders aan mijn hoofd.

scan120001

Diemen, 1 maart 1974

scan1120001

68117107

Tegeltableau ‘Het open boek’ van Marée Blok en Bas Lugthart in het Gemeentehuis van Diemen

28 jaar daarvoor, in het voorjaar van 1974, wandelden we wel eens op de Oud-Diemerlaan en bezochten daar het oude kerkhofje. Tegenwoordig is hier niets meer van terug te vinden. Er loopt een snelweg dwars doorheen op weg naar het knooppunt Watergraafsmeer en er is een nieuwe woonwijk gekomen. Wonderlijk genoeg hebben wij destijds niets van de kraakacties en de ontruiming gemerkt, hoewel we op een steenworp afstand woonden in de studentenflats aan de overkant van het spoor. Wel liet de voltooiing van de snelweg erg lang op zich liet wachten. Er lagen al tunnels klaar onder de spoorlijn bij het Volkstuincomplex Nieuwe Levenskracht, maar de snelweg zelf was in die tijd nog in geen velden of wegen te bekennen. Het was de rafelrand van de stad waar de tijd leek stil te staan, al kon je op je klompen aanvoelen dat dit geen eeuwigheid meer zou duren.

Schermafbeelding 2016-04-29 om 15.01.28
De plattegrond van huidige situatie en hieronder nog enkele foto’s uit 1974

scan2w0001

scan20001 kopie

scan2--0001

scanpp20001

Zie ook: Terug in de Oud-Diemerlaan

4 Reacties