De nieuwe barbaren
(foto: J.J. Slauerhoff)
In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
‘k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om ‘t krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.In Nederland wil ik niet sterven,
En in de natte grond bederven
Waarop men nimmer heeft geleefd.
Dan blijf ik liever hunkrend zwerven
En kom terecht bij de nomaden.
Mijn landgenooten smaden mij: ,,Hij is mislukt.”
Ja, dat ik hen niet meer kon schaden,
Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt.In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er altijd naar iets streven,
Om ‘t welzijn van zijn medemenschen denken.
In het geniep slechts mag men krenken,
Maar niet een facie ranslen dat het knalt,
Alleen omdat die trek mij niet bevalt.
Iemand mishandlen zonder reden
Getuigt van tuchtelooze zeden.Ik wil niet in die smalle huizen wonen.
Die leelijkheid in steden en in dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen…
Daar loopen allen met een stijve boord
- Uit stijlgevoel niet, om te toonen
Dat men wel weet hoe het behoort -
Des Zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerloozen gekweld,
Nooit wordt zoo’n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.
J.J. SLAUERHOFF
Vanmiddag weer eens even gefietst richting Earnewoude. Twee pontjes over. Prachtig weer. Op de terugweg werd ik ingehaald door een provinciaal ambtenaar op een iets snellere fiets dan de mijne. Hij bleef een paar kilometer met mij op rijden, in mijn tempo wel te verstaan. Daarna klom hij weer in de pedalen en zag ik hem als een stip langzaam verdwijnen naar de horizon. Onderwijl was ik heel wat te weten gekomen over de bezuinigingen van de Provincie die op stapel staan. Er komt straks maar liefst 20 miljoen Euro minder uit Den Haag. Ook het culturele veld zal dus flink moeten inleveren.
Dat betekent zwaar weer voor de zogeheten ‘budget-instellingen’. Dat zijn de culturele instellingen die een vierjarige budgetsubsidie van de Provincie ontvangen. Van de 15 miljoen die de Provincie jaarlijks aan cultuur te besteden heeft gaat maar liefst 13 miljoen naar deze budget-stellingen. In de huidige beleidsperiode (2009-2012) is daar al een half miljoen structureel op bezuinigd. Nu er in totaal 20 miljoen bezuinigd moet worden is het logisch dat vooral deze budget-instellingen getroffen gaan worden. In september gaan de voorstellen naar Provinciale Staten. Uiteindelijk beslissen zij, maar de keuzevrijheid is gering. Het moet immers uit de lengte of uit de breedte.
Mijn zegsman vertelde mij dat de Provincie er naar streeft de gesubsidieerde activiteiten zo veel mogelijk in stand te houden. Om het gestelde bezuinigingsdoel te halen, zal er dus primair gekort worden op de huisvesting van de budget-instelingen. Daar is ook het meeste te halen. Wat dat betreft kiest de Provincie voor een vergelijkbare strategie als de Gemeente Leeuwarden. Daar moest Parnas het loodje leggen. Dat wil zeggen, een beperkt aantal activiteiten werden gespaard, maar de centrale huisvesting van Parnas moest verdwijnen. In de plannen van de Provincie – zo begreep ik – neemt Keunstwurk een vergelijkbare positie in als Parnas bij de Gemeente. Dat betekent dat de centrale huisvesting van Keunstwurk in de Infirmerie gaat verdwijnen. Activiteiten en de daarbij behorende functies zullen zo veel mogelijk bij andere culturele instellingen worden ondergebracht.
Wat er met het nog onlangs geopende Huis voor de Amateurkunst (de zogeheten Blauwe Doos) gaat gebeuren, is nog niet geheel duidelijk. Waarschijnlijk gaat de zalenruimte op kostenbasis worden verhuurd. Ook de Fryske Akademie zal een deel van de huisvesting moeten afstoten. Zo zal It Aljemint op termijn in de Kanselarij worden ondergebracht, die een centrale functie krijgt voor hogere onderwijsinstellingen. Voor Tresoar, Tryater, Afûk en andere budget-instellingen valt er wat huisvesting betreft weinig te halen. Wat de plannen voor Fryslân Culturele Hoofdstad van Europa betreft, daar wordt niets op bezuinigd. Het wordt een hete herfst. Dat is wel duidelijk.
Dit is mijn lot: gebeeldhouwd voor den boeg,
Den scheepsromp achter mij te moeten volgen;
Mijn zegetocht over knielende golven
Aan ‘t schip te moeten danken dat mij droeg.Wel leef ik ‘t zwerven liever dan het vaster
Landlijk geluk, dat wortelt als een boom
In één trouw, voor één einder; mijn driemaster
Draagt me in de drift van iedren wereldstroom.Liefkoozingen van alle golven schuimen
Over mijn borst en bevlekken mij niet.
Volgende reinigen van voorge, zij ontruimen
Mij snel, mijn vreugd blijft vrij van hun verdriet.Ik zal nooit van een houden, zij zijn alle
Even witwoedend, even snel weer grijs.
Ik lok, zij streelen, laat ze los, zij vallen
In met het koor, dat sterft achter mijn reis.Geen vrouw leed liefde zoo gelijk bewogen
In drift, als ik de zee: zijn ademtocht
Houdt mij beurtlings bukkend en opgetogen,
Geen man heeft machtiger zijn bruid bezocht.Uit zoo groot omhelzen zoo zuiver zelf
Behield geen vrouw; over zijn diepte zwevend
Bleef mijn beeld in zijn borst begrensd en bevend.
Ik overleefde hem – tot des einders gewelf.Geen bruid huwt met haar vorst gebied als ik
Met ‘t schip, dat mij meetroont, vorstelijk vrijgevig…
Máár ‘k leef ook zeer bekrompen, onderhevig
Aan koers en vrachtvaart van de onvrije brik.‘k Lig met mijn romp in ‘t vuile dok verankerd
En duld de lading van smaadlijke vracht;
‘t Gelaat vertrokken, ‘t verre lijf verkracht
Voelt gevangen vrouw zich weerloos bezwangerd.En houd ik mij hardnekkig in extase
Bóven gesternten, diep in zee gezonken,
Dan hoor ‘k ‘t aanklevend schuim der aarde razen:
Vlak achter mij liggen matrozen dronken.Zoo dronk ik schoon en schande in één teug.
Stijgt mij de roes der reine hemeldriften,
Dan werkt besef van laag bestaan als gift en
Proef ik zoo wrang dat ‘k niet voor engel deug.Dit zal het eind zijn: op een slordige helling
Van ‘t schurftig schip te worden afgesloopt.
Ik zal stom smeken om een nieuwe stelling,
Laf, als een hoer die zich voor ‘t laatst verkoopt.Men nagelt mij misschien als laatste gunst
Nog op de stompheid van een oude kof.
Wij passen bij elkaar: zijn molmge vunst’
En mijn geschonden schoon, verfloos en dof!Dan weer berouw ‘k, naakt in mijn schaamle schaamte
Dat ik niet eer, als waardloos wrakhout stierf:
Liever nog lang met een roestig geraamte
Over ‘t geluksgebied van vroeger zwierfBespottingen van alle golven botsen
Tegen mij op. Mijn leed wordt staag verbrijzeld.
Zij schenden mij, als scherpkantige schotsen
Van vroegre liefde het onmeetlijk ijsveld.Wie leed zoo fel, zoo laf, voordat hij stierf;
Met zooveel smaad gekroond, zoo laag gekruisigd
Over ‘t weleer bekoord gebied? Wie zwierf
Zoo lang rampzalig, voor hoogst Heil ‘ vooruitzichtVan mijn wanhoop: dat na dit overwintren
Voorbij mijn dood eenmaal een storm, een hoos
Mij zal vernietigen, zoo vormeloos,
Dat ‘k mij niet meer herinner in mijn splintren?
J.J. SLAUERHOFF, uit: Archipel, 1923