De droom van de gevangene

droom - von Schwind 1836 der Traum des Gefangenen

Moritz von Schwind, De droom van de gevangene, 1837

‘En de kerk zelf – is zij niet het katholieke gekkenhuis als uiteindelijk ideaal? De aarde in het algemeen als gekkenhuis? –de religieuze mens, zoals de kerk hem wil, is een typische décadent; het tijdstip waarop een religieuze crisis een volk in haar greep krijgt wordt altijd gekenmerkt door een zenuwepidemie; de ‘innerlijke wereld’ van de religieuze mens lijkt tot op de grens der verwisselbaarheid op de ‘innerlijke wereld’ van mensen, die overspannen zijn en aan het eind van hun krachten; de ‘meest verheven’ toestanden welke het christendom de mensheid als waarde aller waarden boven het hoofd gehangen heeft, zijn eleptoïde – de kerk heeft uitsluitend krankzinnigen ofwel grote oplichters heilig verklaard ad maiorem Dei honorem.’

Aldus Nietzsche in zijn boek De Antichrist. Het christendom is in wezen een vorm van waanzin, dat is wat Nietzsche hier zegt. Het christendom is een absurde geloofsleer die tegen de natuur van de mens ingaat. Dat is ook zo. Het is een ‘scandalon’, zoals Paulus het noemde. Het christendom laat zich niet temmen door een de rationaliteit of een ‘ideaal van psychisch welzijn’ zoals dat tegenwoordig opgeld doet als we spreken over de geest. Het wezenlijke kenmerk van het christendom is mateloosheid, zoals de filosoof Paul Moyaert fraai heeft aangetoond in zijn boek De mateloosheid van het christendom.(1998)

De mateloze liefde en het mateloze verlangen staan centraal in het christendom. Je zou het ook de christelijk hang naar het oneindige, het onbegrensde en het irrationele kunnen noemen. Het is een geneigdheid van de geest die zich bij uitstek in de liefde manifesteert. In laatste instantie is het christendom een religie van de mateloze liefde. Dat wil zeggen: l’amour fou. De liefde die van het verstand niet weten wil. Liefde is alles behalve het verstand, dat is ook alles wat Christus te zeggen had. In die mateloosheid van de  liefde is het christendom identiek aan de waanzin.

Slide1

Wat heeft dit met Hitler van doen? Dat is een lang verhaal, maar laat ik bij het begin beginnen. Ik heb me altijd afgevraagd waarom het Derde Rijk van Hitler eigenlijk ‘het Derde Rijk’ heette. Zeven jaar geleden, toen ik een weekje in Berlijn was, kreeg ik het antwoord op die vraag te horen. Het Eerste Rijk was het oude Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie dat van 843 tot 1806 heeft geduurd, bijna duizend jaar dus. Het Tweede Rijk was van veel korter duur, 47 jaar om precies te zijn. Van 1871 tot 1918 was sprake van het Tweede Duitse Keizerrijk.

Hitler zou dus voor de derde keer met een Duitse Rijk zijn begonnen, maar dat heeft uiteindelijk maar 12 jaar mogen duren. Eigenlijk wilde Hitler ook niets van de term ‘het Derde Rijk’ weten. Hij verbood de Duitse media zelfs om deze aanduiding te gebruiken. Misschien wel, omdat hij de vijand geen alibi in handen wilde geven om hem te demoniseren. De apocalyptische symboliek van zijn onderneming zou zich vanzelf wel bewijzen. Toch is de term ‘Het Derde Rijk’ de geschiedenis in gegaan, alle bezwaren van Hitler ten spijt.

Een ander gedachte, die vaak met Het Derde Rijk wordt verbonden, is het duizendjarig bestaan van dit Rijk. Dit idee komt voort uit het Bijbelboek de Apocalyps, waar gesproken wordt over een Duizendjarig Rijk, dat zal beginnen als Christus terugkeert op aarde. Satan zal dan uit de wereld worden verstoten, om tenslotte – bij de komst van de Antichrist – door Christus definitief verslagen te worden. De nazi’s waren niet afkerig van apocalyptische gedachten omtrent de bestemming van de wereld.

De gedachte aan een Duizendjarig Rijk, dat na tweeduizend jaar christendom ophanden zou zijn, heeft binnen de geschiedenis van het christendom een lange traditie gehad. De centrale vraag was of je het boek van de Apocalyps letterlijk moest lezen (en dus historisch) of geestelijk (en dus allegorisch). Volgens Augustinus was het laatste het geval. De Bijbel sprak in louter geestelijke termen die ook als zodanig geïnterpreteerd moesten worden.

Deze allegorische wijze van interpreteren kon overigens ook in de Middeleeuwen tot de meest wonderlijke gedachteconstructies leiden. Zo was het de mysticus Joachim van Fiore die in de twaalfde eeuw een heel eigen theorie bedacht over het einde der tijden. Hij schreef een commentaar op de Apocalyps, waarbij hij de geschiedenis verdeelde in drie grote tijdperken. Het tijdperk van het Oude Testament stond in het teken van de Vader, het tijdperk van het Nieuwe Testament in het teken van de Zoon, en het derde en komende tijdperk in het teken van de Heilige Geest. Zo werd het idee van de Drie-eenheid verbonden met de gedachte aan een Derde Rijk, dat tegelijk ook een Duizendjarig Rijk zou zijn. Joachim van Fiore meende dat de wereld op de drempel stond van een nieuw Utopia, een spiritueel tijdperk van bezinning en ascese, waarin het kloosterleven een hoge vlucht zou nemen.

Al met al kun je concluderen dat Hitler – ook al wilde hij er zelf zogenaamd niets van weten – geprobeerd heeft een kerngedachte uit de Apocalyps te misbruiken voor eigen politieke doeleinden. Het idee dat de wereldgeschiedenis in een beslissende fase was beland, hoefde hijzelf niet te propageren. Dat hadden anderen al voor hem gedaan, Oswald Spengler bijvoorbeeld in Der Untergang des Abendlandes (1919). Het christendom moest overwonnen worden met eigen middelen.

Daarvoor moesten eerst de Joden worden opgeruimd, want zij waren – als het uitverkoren volk – de representanten van het Eerste Rijk dat in het teken stond van de Vader, Jahweh. Daarna zouden de christenen uit de weg geruimd moeten worden, want zij stonden voor het Tweede Rijk van de Zoon, Christus. Het Derde Rijk, dat inmiddels was aangebroken. zou de vervolmaking worden van het christendom en het Jodendom tegelijk. Het was de ultieme synthese: het Rijk van de Heilige Geest die in de Führer was neergedaald en sprak met een vurige tong.

‘In dat ziekenhuis in Pasewalk was er een vonk overgesprongen. Het was daar, 
tijdens de jaarwisseling 1918-1919, dat Hitler zijn identiteitsprobleem tot een 
oplossing bracht en, wat hijzelf noemde, ‘de meest verstrekkende, beslissing 
van mijn leven’ nam. Want nu wist hij eindelijk wie hij was en wat hem te 
doen stond. Hij was de leider die door het lot was uitgezonden. Hij moest gehoor geven aan de ‘stemmen’ die hij volgens hem gehoord had – net als Jeanne d’Arc – en die duidelijk tot hem hadden gesproken toen hij in zijn ziekenhuisbed lag. De stemmen zeiden hem zijn moederland te redden van de joden
 die zich hieraan vergrepen hadden. Hij besluit zijn hoofdstuk met: “Met de joden valt er niets te onderhandelen. Er is slechts plaats voor het harde of/of. Ik had besloten politicus te worden.” Men ziet dat het antisemitisme in zijn besluit de centrale rol vervulde. Hitlers 
strijd tegen de Joden die het moederland bedreigden, was de centrale, drijvende kracht geworden van zijn politieke missie. Jaren later zou hij zijn volgelingen eraan herinneren dat hij dertig jaar was 
toen hij zijn missie voor het Duitse volk begon, precies dezelfde leeftijd waar – 
op een andere Messias begon aan de uitvoering van Zijn opdracht. ‘

Aldus Robert G.L. Waite in zijn boek Hitler als psychopaat (1978). Het boek van Waite gaat vooral in op de psychiatrische kant van Hitler. Daarover is behoorlijk wat literatuur. Al lezende werd ik telkens weer teruggeworpen in het boek van Wouter Kusters, Filosofie van de waanzin,  Veel van de theorieën van Kusters over de waanzin kun je terugvinden bij ‘het geval Hitler’. Met dit verschil dat Waite uitvoerig gebruik maakt van alles wat de psychoanalyse van Freud heeft opgeleverd, en dat Kusters eigenlijk niets van Freud en consorten wil weten. Voor hem is de waanzin een autonome ervaring van de mens die op zijn eigen merites beoordeeld moet worden.

Maar wat betekent dat, als je zijn theorieën over de waanzin doortrekt naar ‘het geval Hitler’? Er zijn veel aanwijzingen dat Hitler een zwaar gestoorde persoonlijkheid was en bovendien psychotische fasen heeft gekend, vol Messias-wanen, Uno-wanen, Ω-wanen en wat al niet. Kusters heeft het allemaal heel mooi in kaart gebracht, maar wat betekent deze taxonomie van de waanzin, als je haar toepast op de psychopaat Adolf Hitler?

Maar er is nog iets. Hitler en ik. Na mijn psychose in 1966 heb ik vaak gedacht dat Christus, Jeanne d’ Arc, Hitler en ik iets met elkaar gemeen hebben. Door mijn psychose was ik dat gaan denken. De komst van een Duizendjarig Rijk maakte ook deel uit van mijn eigen waanwereld (Plan). Het katholicisme is hofleverancier van dergelijke wanen. Ook in het gebed Onze Vader wordt gewag gemaakt van een Rijk dat komen gaat:

Onze Vader,
die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd,
Uw Rijk kome,
Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel…

Dat laatste kan op God de Vader slaan, maar ook op elke psychoticus die zich zelf tot God – of gezonden door God – verklaard. In Filosofie van de waanzin stelt Kusters:

‘Mous geloofde allicht – op zeker moment, in zekere zin – dat hij God was of diens profeet, maar het is onzinnig om een dergelijk moment uit de context te halen en er een bewijs in te zien dat Mous foutieve gedachten of ‘wanen’, had.’

Deze zin licht ik nu uit zijn context en ik voeg er aan toe, dat ik destijds wel degelijk in een waanwereld verkeerde. Maar hoe zat het dan met Hitler, Jeanne d’Arc en Christus? In Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011) schreef ik:

‘Ik had het syndroom van Jeanne d’Arc. Of je nu daadwerkelijk stemmen hoort of niet, als je direct gehoor geeft aan de stem van God of andere demonen, beland je in het gekkenhuis of op het slagveld. In het laatste geval kunnen sommige mensen in extreem afwijkende mentale condities het kennelijk heel ver schoppen, zo bedacht ik bij mezelf. Opeens zag ik mijzelf als de redder van mijn vaderland: het Heilige Roomse Rijk dat in Rome zelf bevochten moest worden.’

Kortom, ik had evenals Hitler, die in 1918 zijn ‘Jeanne d’Arc-achtige stemmen’ hoorde, de opdracht gekregen mijn moederland te redden. Niet Duitsland, maar het Rijke Roomse Rijk, in casu: De Rooms-katholieke kerk, die in de hoogtijdagen van het modernisme ten onder dreigde te gaan. Ik moest mij niet richten tot de Führer, maar tot de Paus. In zijn boek Filosofie van de waanzin behandelt Kusters in hetzelfde hoofdstuk, waarin hij mijn waan (‘Plan’) behandelt, de waan van een patiënt (geval 43) die Conrad behandelt in zijn boek Die beginnende Schizophrenie. Versuch einer Gestaltanalyse des Wahns (1958).

Slide1

Deze patiënt, die eind jaren dertig psychotisch was geraakt, werd opgeroepen als soldaat in het Duitse leger en kwam uiteindelijk (waarschijnlijk) aan zijn eind in het euthanasieprogramma dat Hitler had uitgevaardigd voor psychiatrische patiënten. Kusters schrijft hierover:

‘Net als bij Mous is er in het Plan van geval 53 een grote medespeler of adressant van de boodschappen. Terwijl Mous met zijn neo-katholieke geschriften naar de paus wilde, draait het bij geval 53 om adviezen en wijsheden voor Hitler’

Maar hoe zat het nu met de stemmen die Hitler hoorde? Op Internet is informatie te vinden over de psychiatrische behandeling die Hitler in 1918 in Pasewalk onderging. Wat mij vooral interesseert is niet de vraag hoe een vergaande psychische ontsporing gepaard kan gaan met het plotseling verkrijgen van messianistische inzichten, maar hoe in sommige gevallen deze inzichten tot grote gevolgen kunnen leiden. De meeste van deze wanen verdwijnen of worden medisch onderdrukt, maar er zijn enkelingen die de waan (Plan) weten om te zetten in een groter – soms zelfs mondiaal – transformatieproces.

Zij stichten een nieuwe religie of geven zich over aan geweld, terreur, oorlog en vernietiging. Het demonische en religieuze raken elkaar in de psychose. Williams James heeft daar het een en ander over geschreven in zijn Varianten van religieuze ervaring (1902), met name over de figuur Paulus op weg naar Damascus. Maar daarmee is nog lang niet alles gezegd, lijkt mij. Wat zijn de voorwaarden voor een transformatieproces op grote schaal. Het stellen van een vraag is makkelijker dan het vinden van een antwoord.

De verwondingen, waarvoor Hitler in 1918 werd behandeld in het militair hospitaal Pasewalk, waren zowel psychisch als psychosomatisch van aard. Zo had hij last van trillende ledematen, maar ook van blindheid door het gifgas. Dat laatste wordt ook bestreden. Zo zou gifgas niet tot pseudo-blindheid kunnen leiden. Het verhaal doet sterk denken aan de blindheid van Saulus en zijn transformatie in Paulus. Van Paulus wordt aangenomen dat hij leed aan epilepsie. Over Hitler heb ik zoiets nergens gelezen. Verder zou hij in Pasewalk die wonderlijke stemmen hebben gehoord over de opdracht die hij moest vervullen.

Volgens sommigen was deze ervaring beslissend voor de transformatie van zijn persoonlijkheid (o.a. voor hersenwetenschapper Oliver Sacks). Anderen daarentegen zien de transformatie van zijn persoonlijkheid als een gefaseerd proces. Zo zou de zelfmoord van Geli Raubal in 1931 ook een beslissend moment zijn geweest, waarbij voor Hitler de laatste brug naar het menselijk gevoel en empathie werd afgebroken. Ook de ervaringen tijdens de ‘Nacht van de lange messen’ in 1934 zouden van belang zijn geweest. Hier ontdekte Hitler de ‘killer’ in zichzelf en (h)erkende hij definitief de sadistische aard van zijn persoonlijkheid.

Al deze interpretaties gaan ervan uit dat voor het ontstaan van de uitzonderlijke psyche van Hitler een verklaring te vinden is. Anderen ontkennen dat en gaan ervan uit dat de psyche van Hitler absoluut uniek en onverklaarbaar is. Hierbij spelen ook metafysische en zelfs theologische vooronderstellingen een rol. Het epistemologisch model van waaruit je het fenomeen Hitler benadert is bepalend voor de conclusie. Grosse modo kun je stellen dat er een seculiere en niet-seculiere stroming is bij het Hitler-onderzoek. De meest extreme interpretatie binnen de niet-seculiere stroming gaat ervan uit dat door Hitler en de Holocaust de verhouding tussen God en zijn schepping (de mens) definitief veranderd is.

De rol, die Hitler wordt toebedeeld, krijgt dan een eschatologische dimensie, omdat hij een teken zou zijn voor een fundamentele wijziging in ‘de bestemming’ van de mens. Er zijn aanwijzingen dat Hitler iets dergelijks ook over zichzelf heeft gedacht. De vraag of het psychisch gezond is om zo te denken – of dit van jezelf te denken – laat ik hier even in het midden. De vragen die mij interesseren zijn de volgende. Wat zijn de condities, niet alleen in de persoonlijkheid, maar ook in de cultuur om tot zo’n ontsporing tin je denken e kunnen komen. Wanneer valt het dubbeltje naar het goede, en wanneer naar het kwade? Hoe kom je op de gedachte om een Duizendjarig Rijk te stichten?

‘Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, die de dood niet smaken zullen, totdat zij de Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk. ‘

Zo staat te lezen in Mattheüs 16:28. In Marcus 9:1 en Lucas 9:27 staan vergelijkbare teksten. Toen ik nog koorknaap was op het St.-Ignatiuscollege, zong ik het in de woorden van Huub Oosterhuis: ‘De mensenzoon komt op de wolken ten overstaan van alle volken.’ Welnu, er zijn inmiddels 1981 jaar verstreken sinds de mensenzoon stierf aan het kruis, maar hij is nooit meer op de wolken verschenen, niet binnen in één generatie en ook niet voor al die generaties daarna, inclusief de mijne.

Het was een vergissing van Jezus van Nazareth die in zijn messianistische koortsdroom een iets te optimistische inschatting had gemaakt van zijn eigen eschatologische mogelijkheden. Jezus en Hitler, het zijn twee fenomenen in de geschiedenis die op afstand bezien enige gelijkenis vertonen, al was het maar omdat de twee uitersten elkaar hier lijken te raken op de grens van de waanzin. Het extreem kwade tegenover het extreem goede.

Maar bestaat die tegenstelling wel? Gaat niet in elk kwaad – hoe afzichtelijk ook – iets goeds schuil? En verbergen zich niet in alles wat goed is – misschien juist wel in het extreem goede – de kiemen van het kwaad? Wie als mens het absolute opzoekt loopt het gevaar om in de waanzin te eindigen. Wij kunnen het absolute alleen maar vluchtig raken, schampen slechts. In bezit nemen kunnen we het absolute nooit. Dat mag een mens ook niet. Tenminste, als hij menselijk wil blijven.

Hoe je het ook wendt of keert, Hitler was een gnosticus, zoals de Romantiek de laatste fase van het westerse gnosticisme is geweest. Gnosticisme is een leer, die uitgaat van de autonome mens en een immanent godsbegrip. Die twee staan haaks op het relationele mensbeeld van het christendom waarin niet kennis maar genade centraal staat. Het was de droom van de Romantiek waardoor de westerse mens is gaan denken dat elk beeld niet zonder een tegenbeeld kan, een achtergrond, een reliëf. Waarheid zou iets zijn wat oplicht tegen een achtergrond, waarna de achtergrond doorgaans verduisterd en verketterd wordt. Zo bezien is het duistere tegenbeeld intrinsiek verbonden met het oplichtende beeld, zoals de Duivel hoort bij God.

Zo ontstaat ook een relativistische opvatting van goed en kwaad, een opvatting die in wezen gnostisch is. Goed en kwaad zouden een eeuwige oppositie vormen die in wezen omkeerbaar is, omdat die oppositie in de mens zelf, en niet in een transcendente bovenwereld, zijn oorsprong zou hebben. Dat is het waanzinnige idee dat Markies de Sade verbindt met Hitler. Het is de nachtzijde van de Romantiek, het huwelijk van hemel & hel, dat William Blake in zijn visioenen zag verschijnen in de schemering van het Avondland. Het is de droom van de gevangene. De illusie dat de mens het zelf af kan. Zolang dat waanidee niet is weerlegd zal het voor de mensheid de ergste bedreigingen impliceren.

3 Reacties

De blinde vlek voor de Antichrist

Slide1

De mythe van de Antichrist is al tweeduizend jaar oud. De Antichrist zou de schuld zijn geweest zijn van de val van Rome. Hij stak de kop op in de ondergangsstemmingen bij het naderen van de eerste millenniumwisseling. Op het einde van de middeleeuwen was hij er weer in de tijd van de Reformatie. Luther zag in de paus de verschijning van de Antichrist. Rond 1900 spookt hij weer rond in Europa, bijvoorbeeld in het hoofd van de Zweedse schrijfster Selma Lagerlöf, die in 1909 als eerste vrouw de Nobelprijs voor literatuur ontving, onder meer voor haar boek De wonderen van de Antichrist uit 1897. Daarin wees zij op het opkomend socialisme als de verschijning van de Antichrist.

Schermafbeelding 2015-08-31 om 22.53.12

Tenslotte, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog die miljoenen jonge mannen de dood in joeg, zag menig dominee de satanische contouren van Antichrist opdoemen in de naderende schemering van het Avondland. De Eerste Wereldoorlog werd ervaren als een diepe crisis in de westerse beschaving. Al in 1888 had Friedrich Nietzsche zijn beroemde boek De Antichrist geschreven, waarin hij als een razende tekeer ging tegen de decadentie van de moderne tijd met zijn lauwe compromissen en benauwde levensangst.

In de bundel Moderniteit, modernisme en massacultuur in Nederland, 1914-1940 (2004) wijdt Enne Koops een interessant hoofdstuk aan de gereformeerde prediking in Nederland voor en tijdens de jaren van de Eerste Wereldoorlog. Daaruit blijkt dat het cultuurpessimisme van de jaren dertig in feite werd voorbereid door gereformeerde doempredikers. De opkomst van de moderniteit ging niet alleen gepaard met een toenemende secularisering, maar ook met een groeiend verzet vanuit het traditionele christendom tegen de vermeende verschijning van de Antichrist in een steeds goddelozer wereld. De grote verwarring van de Eerste Wereldoorlog leidde niet alleen tot een opleving van een heidens vitalisme, maar ook tot een reveil van christelijke jongerenbewegingen die streefden naar een morele synthese of een herstel van oude waarden.

Schermafbeelding 2015-08-30 om 14.21.41

Beide impulsen hebben bijgedragen aan de doorbraak van de moderniteit, het anti-christelijke evenzeer als het anti-moderne denken. Inmiddels leven we zowat honderd jaar later in een wereld, waarin seculier en religieus denken opnieuw elkaars tegenpool vormen, zij het in een andere rolbezetting. Modernisering heet nu globalisering en de radicale imam speelt niet zelden de rol van de steile dominee van weleer die in tijden van ondergang en verval hel en verdoemenis predikt. Maar laten wij eens horen wat zo’n  doemprediker zo’n honderd jaar geleden te vertellen had:

‘Het ideaal van het internationalisme, waarvoor velen in 
onze dagen zich zoo warm maken, zal eenmaal worden 
gegrepen. Maar niet in een vereniging van vrije volkeren, 
niet in een reusachtige wereldstatenbond, maar in één 
allesomvattend wereldrijk. Het imperialisme is pan-imperialisme geworden. Het is niet tevreden met veel. Het eischt 
alles op. En het verkrijgt dit ook. De nationale grenzen 
zullen worden uitgewischt. Niet alleen de kleine, maar ook 
de groote natiën zullen worden doodgedrukt en opgesmolten in één ontzaglijk imperium. In dat rijk zal alles zich buigen aan de voetbank van den Antichrist.’

Aldus Valentijn Hepp (1879-1950)  in zijn boek De Antichrist, dat verscheen in 1919, een jaar nadat Oswald Spengler het eerste deel van Der Untergang des Abendlandes op de markt had gebracht. Valentijn Hepp, zou later zelfs nog professor worden en gaf in 1928 de prestigieuze Stone-lezing gaf, als opvolger van de grote voorganger van de gereformeerden: Abraham Kuyper. Hepp was een strijdbare dominee van gereformeerde huize. In 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog, had hij een preek  gehouden over de Antichrist, een betoog dat veel aandacht trok, en uiteindelijk aanleiding gaf tot het schrijven van dit boek.

Hepp was in die tijd dominee gevestigd in de Watergraafsmeer, de wijk in Amsterdam, waar ik zelf geboren en getogen ben. Hij preekte toen in de Rehobothkerk, in de Zacharias Jansestraat, die in 1909 was gebouwd. Die kerk werd in 1972 afgebroken. Ik woonde toen om de hoek in de Wakkerstraat en heb het sloopproces nog dagelijks kunnen volgen.

4209-611-625

De Rehobothkerk, Amsterdam (foto: Geheugen van Oost)

Het tweede decennium van de vorige eeuw was de tijd bij uitstek voor doemdenkers met apocalyptische stemmingen.  In 1912 zonk de Titanic op zijn eerste oceaanreis met 1500 mensen aan boord. In Mexico en China braken revoluties uit in 1910 en 1911, het jaar ook van de Tweede Marokko-crisis. De Balkanoorlogen volgden in 1912 en 1913. De Russische Revolutie brak uit in 1917, en de Duitse Novemberrevolutie in  1918. En dan hebben we het nog niet eens over de rampzalige gevolgen van de Spaanse griep die in heel Europa veel slachtoffers eiste.

Ook in Nederland vonden op kleinere schaal rampen plaats, zoals de watersnood in Zeeland in januari 1916. Troelstra deed een greep naar de macht in 1918. Kortom, het einde van de wereld leek nabij in de ogen van menig dominee, die op de kansel dan ook hel en verdoemenis predikte. De Eerste Wereldoorlog werd door hen veelal als ‘een wrake Gods’ ervaren, mede omdat de wereld steeds goddelozer werd.

In zijn boek De Antichrist toont Valentijn Hepp de nuchtere cijfers. In Italië steeg het aantal onkerkelijken in de periode tussen 1901 en 1911 van 36.000 naar 874.000. Ook in Amerika, Engeland en Frankrijk speelden zich vergelijkbare ontwikkelingen af. In Frankrijk steeg het aantal onkerkelijken in die periode zelfs naar 20 %. Tussen 1910 en 1917 steeg het aantal onkerkelijken in Nederland van 300.00 naar 500.00. In Amsterdam waren in 1917 in totaal 66.902 mensen niet meer aangesloten bij een kerkgenootschap. Dat was maar liefst 11 % van de bevolking.

Dominee Hepp zag het zwerk dan ook drijven in deze moderne tijd van toenemende zedenverwildering en wetteloosheid, vooral in de grote steden. Geen wonder dat het einde der tijden nabij leek met het naderen van de antichrist. De dominante aanwezigheid van de eschatologie in de jaren 1914-1918 (en daarna) was een algemeen Europees verschijnsel. De ondergang van het Avondland werd al vroeg in de vorige eeuw voorspeld in de donderpreken van Bijbelvaste dominees. Friedrich Nietzsche en Valentijn Hepp schreven ieder vanuit een eigen optiek een boek over de Antichrist.

Daar lagen drie decennia tussen, maar als je die twee totaal verschillende betogen achteraf bezien naast elkaar plaatst, dan komt een wonderlijke vraag in beeld. Lag de oorzaak van al die rampen in het christendom of juist in de teloorgang van het christendom? Volgens Nietzsche lag de oorzaak van al die ellende in het christendom, dat de westerse cultuur had verpest met zijn slavenmoraal en driftverzaking. Valentijn Hepp trekt in het begin van zijn betoog dan ook fel van leer tegen dit – in zijn ogen – schandelijke en demonische boek van Nietzsche.

‘Toen de grote wereldoorlog uitbrak,’ zo schrijft hij, ‘leefden velen in de waan dat de geest van Nietzsche spoedig daaruit zou wederkeren.’ Die geest zag Hepp opdoemen in het collectieve verlangen naar een sterke leider, een brute dictator die de wereldmacht zou grijpen. In die zin is zijn boek De Antichrist profetisch te noemen. Hepp loopt met zijn sombere betoog niet alleen vooruit op het cultuurpessimisme van de jaren dertig, maar legt ook een direct verband tussen de vitalistische filosofie van Nietzsche en de totalitaire ideologieën die weldra Europa in bezit zouden nemen. Dat kun je met recht een voorspellende uitspraak noemen.

Nietzsche en de Antichrist

durer

Albrecht Dürer
‘Ridder, Dood en Duivel’
1513, kopergravure.

Onlangs heb ik De Antichrist van Nietzsche nog eens herlezen. Eigenlijk vind ik dit het schokkendste boek van de ‘filosoof met de hamer’. Het is de meest rabiate aanval op het christendom die ooit is verwoord, in vergelijking waarmee de woorden van Geert Wilders over de islam slechts kinderspel zijn. Toch wordt het betoog van Nietzsche vaak verkeerd begrepen. Hij had het niet op Christus gemunt, maar op de christenen. De enige christen was Christus zelf geweest en die was gestorven aan het kruis. De christenen waren erg, maar de Joden waren nog erger. Het is niet zo correct om dit te beweren, maar zijn betoog was in feite gericht tegen de Joden. Zo schrijft hij:

‘Heel deze fatale ontwikkeling ( van het christendom h.m.) werd slechts mogelijk gemaakt doordat er eerder een verwante soort grootheidswaan op de wereld voorhanden was, de joodse: zodra de kloof tussen joden en joods-christenen eenmaal was gevallen hadden laatstgenoemden geen andere keus dan dezelfde procedures van zelfbehoud waartoe het joodse instinct adviseerde aan te wenden tegen de joden zelf, terwijl de joden ze voorheen uitsluitend aangewend hadden tegen alles wat niet joods was. De christen is niet meer dan een jood van ‘vrijere’ confessie.’

Christus was twee keer vermoord, eerst door de Joden en daarna door de christenen, die zijn boodschap aan de wereld volledig hebben verminkt. Alles wat Christus had afgewezen, was alles wat uiteindelijk de naam ‘christelijk’ draagt. De kerk was als de steen op het graf van de God-Mens, zij poogt hem daardoor te verhinderen te herrijzen. Het rijk Gods is volgens Nietzsche door Christus nooit in een verre toekomst geplaatst. Integendeel, het rijk Gods is hier en nu. ‘Het heeft geen gisteren en geen overmorgen, het komt niet over duizend jaren.‘

Als je die woorden leest, dan kun je moeilijk beweren dat Nietzsche het Nieuwe Testament niet begrepen heeft. Integendeel, hij heeft het heel goed begrepen, veel beter zelfs dan menig christen. Het waren de eerste christenen geweest die het oog gingen richten op de historie, op het einde der tijden. Zij gingen naar de wereld kijken vanuit een eschatologische optiek. ‘Maar het is een compleet misverstand,’ schreef Nietzsche, ‘het rijk Gods als slotakte, als belofte! Het evangelie was immers juist de aanwezigheid, de vervulling, de werkelijkheid van dit rijk geweest.’ Zo was de boodschap van Christus verminkt, omgekeerd tot het tegenovergestelde. Nietzsche sprak zelfs van een aanslag: ‘Dat elke willekeurige Petrus of Paulus ‘de onsterfelijkheid’ werd toegezegd is tot dusver de grootste, de boosaardigste aanlag geweest op de hoogstaande menselijkheid.’

De ene God en de ene zoon Gods waren volgens Nietzsche allebei voortbrengselen van het ressentiment. ‘Het christendom,’ zo stelde hij vilein vast, ‘is gefundeerd op de rancune der zieken, op het instinct tegen de gezonden.’ Zo was Christus van zichzelf losgemaakt, precies zoals de Joden ‘als wraak op hun vijanden hun God van zich losgemaakt en hemelhoog verheven hadden.’ Kortom, de God van het monotheïsme was in feite de aartsvijand bij uitstek van het menselijk leven hier op aarde.

Signorelli-Antichrist_and_the_devil

Luca Signorelli, Duivel en Antichrist, 1501

De grote boosdoener in de ogen van Nietzsche is Paulus geweest die met zijn ‘rabbijnenbrutaliteit’ de schaamteloze leer van Christus’ opstanding uit de dood heeft gepredikt en als vervolg daarop de persoonlijke onsterfelijkheid van de ziel als een beloning voor een deugdzaam leven. Met het ‘priesterinstinct der joden’ beging Paulus  de zelfde grote misdaad tegen de historie – ‘hij schrapte eenvoudig het gisteren en het eergisteren van het christendom, hij bedacht zelf een geschiedenis van het eerste christendom.’

Paulus had begrepen, dat  – om de totale omkering van Christus’ woorden te bewerkstelligen – de leugen nodig was. De leugen dat was de noodzaak van het geloof en ‘geloof’ betekende volgens Nietzsche: ‘niet willen weten wat waar is.’ Die boodschap van Paulus had de kerk naderhand op haar beurt maar al te goed begrepen. Paulus predikte de universele gelijkheid van de ziel, maar wat stelde die gelijkheid voor? zo vroeg Nietzsche zich af en sloeg de woorden uit waarin de elitaire rassenwaan van de nazi’s al doorklinkt: :

‘Het grote getal kreeg de overhand, het democratisme de christelijke instincten behaalde de overwinning… Het christendom was niet nationaal, niet door ras bepaald.’

De Jood Paulus had alles verpest. Als de klassieke cultuur van de Romeinen in Europa had gezegevierd, dan was de westerse cultuur epicuristisch geworden… ‘ maar toen verscheen Paulus op het toneel… Paulus, de vleesgeworden, tot genialiteit verheven haat der paria’s tegen Rome, tegen de wereld, – de jood, de eeuwige jood par excellence…’ Je gelooft je ogen niet, als je dit leest, maar het staat er echt! (pagina 106) De leer van Christus is verminkt door Der Ewige Jude.  Ook de volgende passage in De Antichrist moet Hitler met instemming gelezen hebben.

‘Eerste christenen zouden wij net zo min graag in onze kennissenkring toelaten als Poolse Joden: niet dat je tegen beiden ook maar een bezwaar nodig zou hebben. Zij rieken kwalijk.’

Vaak wordt beweerd dat Nietzsche niets tegen de Joden had. Hij zou zelfs een ‘anti-antisemiet’ zijn geweest. De nazi’s zouden Nietzsches ideeën hebben misbruikt en ook zou de zuster van Nietzsche na zijn dood een doorslaggevende rol hebben gespeeld als het gaat om de beeldvorming van Nietzsche als wegbereider van het nazisme. Safranski haalt in zijn Nietzsche-biografie de nazi-filosoof Ernst Krieck aan die ironisch beweerd heeft: ‘Al met al was Nietzsche een tegenstander van het socialisme, een tegenstander van het nationalisme en een tegenstander van het rassenidee. Als je die drie geestesrichtingen buiten beschouwing laat, had hij misschien een uitstekende nazi kunnen zijn.’

Zo ontstond wellicht ook het beeld van ‘de nobele Nietzsche’ die zich nooit zou hebben verlaagd tot de met ressentiment beladen, misdadige ideologie van de nazi’s. Maar dat alles neemt niet weg dat Nietzsche zich meerdere malen fel heeft gekeerd tegen het religieuze Jodendom. Dat deed hij vooral in zijn boek De Antichrist, waarin meer uitspraken als hierboven te vinden zijn. Net als Hitler vond Nietzsche dat Joden stinken, en al was Nietzsche dan geen openlijke antisemiet, een jodenvriend is hij nooit geweest. Wie daar nog niet van overtuigd is, bij deze nog maar een uitvoeriger citaat uit De Antichrist:

De evangeliën spreken voor 
zich zelf. De hele bijbel is trouwens onvergelijkelijk. 
Je bevindt je in het gezelschap van joden: eerste gezichtspunt om de draad niet volledig kwijt te raken. ‘De hier vrijwel tot genialiteit verheven zelfvertekening tot het ‘heilige’, die elders door boeken en men
sen nooit ook maar bij benadering tot stand gebracht 
is, deze artistieke valsemunterij in woord en gebaar 
heeft niets te maken et de toevallige begaafdheid van 
een willekeurige enkeling, van de een of andere uitzonderlijke natuur. Hier is ras voor nodig. In het christendom in zijn hoedanigheid van kunst om te liegen in heiligheid, bereikt het gehele jodendom, een eeuwenlange bloedserieuze joodse training en techniek, het
 uiteindelijke meesterschap. De christen, deze ultima ra
tio van de leugen, is de jood dubbel op – drie dubbel 
zelfs.

De Jood Paulus had van Christus’ woorden en karikatuur gemaakt. Geloof, hoop en liefde het waren slechts slimmigheden volgens Nietzsche. Het medelijden, zo stelde hij,.’doorkruist in het algemeen de wet van de ontwikkeling, dat wil zeggen de wet van de selectie.’ Leven was een ‘instinct tot groei, tot bestendigheid, tot opeenhopen van krachten, tot macht.’ Als er al een God was, dan was het zeker geen goede God. De decadentie van Joden en christenen had het goed en kwaad omgedraaid. De mens moest lijden en dusdanig dat zijn lijden altijd een priester nodig had.

De mens werd wijsgemaakt dat hij zelf geen kennis heeft van goed en kwaad. Die kennis werd toebedeeld aan de priester die contact had met het hogere. De priester voerde de heerschappij door de uitvinding van de zonde. Maar de goede God was evenals de duivel ‘een misgeboorte van de decadentie’. En zo werd de deur wagenwijd opengezet voor de ontkenning van goed een kwaad, primair door de ontkenning van een metafysische  verankering daarvan in een andere wereld, een bovenwereld, de wereld van de goede, transcendente God. Een kwade God was volgens Nietzsche evenzeer nodig als een goede God:

‘Wat voor belang zou men hebben aan een God die geen toorn, wraak, nijd, hoon, list of gewelddaad kent? Die zelf niet eens bekend is met de verrukkelijke ardeur van zege en vernietiging?’

Het christendom was volgens Nietzsche ‘de onmacht tot vijandschap.’ Er was geen hemel of een hiernamaals. ‘Het rijk der hemelen is een toestand in het hart’. Dat schitterende inzicht van Christus was door de christenen om zeep geholpen. Zo was de mens verzwakt geraakt, gedegenereerd. De moderne mens werd gekenmerkt door een hypertrofie van het geestelijke en de overmatige prikkelbaarheid van het gevoelsleven. Er was dringend behoefte aan een nieuwe God. ‘Bijna 2000 jaar en geen enkele nieuwe God! zo riep Nietzsche vertwijfeld uit. Er is weinig fantasie voor nodig om bij die nieuwe God te denken aan de Antichrist.

Fontaine en de Antichrist

4 april, 1980(3)0001

In het begin van de jaren zestig hoorde ik mijn geschiedenisleraar, mijnheer Fontaine, verkondigen dat Hitler niemand minder was dan de Antichrist, de demonische belichaming van de duivel op aarde, het summum van het kwaad. De mythe van de antichrist had hem destijds stevig te pakken. Maar in zijn boek De onbekende Hitler (1992) is deze bewering niet meer terug te vinden. Wel stelt Fontaine dan dat Hitler een nieuwe religie wilde stichten en een soort kosmische omkering van de geschiedenis en wereldorde nastreefde. Daarvoor moest de transcendente, monotheïstische God, die de Joden hadden uitgevonden, verdwijnen. Met deze God hadden de Joden het geweten gecreëerd, het besef van goed en kwaad.

De Holocaust had dus in diepste wezen een theologisch motief. Hitler wilde eerst de Joden vernietigen en daarna zouden de christenen aan de beurt komen. Da paus zou uiteindelijk worden opgehangen op het Sint Pietersplein in Rome, zo had Hitler beweerd. Maar eerst moest het kleed onder het christendom vandaan worden getrokken. Zo geredeneerd is het wonderlijk dat Fontaine om zijn theorie te bewijzen van alles uit de kast haalt, behalve het boek De Antichrist van Nietzsche.

Fontaine beroept zich op de eeuwige strijd tussen het goed en kwaad, het dualisme van de Manicheeërs, de gnostici, de Katharen, de Parsifal-legende van Wagner, ja zelfs op esoterische leermeesters en occulte sekten, Karl May, Lanz von Liebenfels, het Thule-Gesellschaft, noem maar op… Maar niet De Antichrist van Nietzsche. Sterker nog, Nietzsche komt in het hele betoog helemaal niet voor! Het lijkt of Fontaine in zijn boek De onbekende Hitler zelf opeens een blinde vlek heeft voor datgene wat hij mij in de schoolbanken met veel overtuiging duidelijk wilde maken: ‘Hitler wás de Antichrist!’

Waar kwam die blinde vlek voor Nietzsches Antichrist vandaan? Kennelijk was wat Nietzsche over de christenen en de Joden had beweerd voor Fontaine zó onverteerbaar, dat het onmogelijk als argument voor zijn these over de Antichrist kon worden gebruikt. De katholiek Fontaine stond meer aan de kant van domineer Hepp, dan aan de kant van Nietzsche. Dat het christendom zelf de Antichrist kon voortbrengen, was voor Fontaine een moeilijk te verteren gedachte, al was Hitler, zoals Fontaine zelf schreef,  katholiek gedoopt en zelfs bij de Benedictijnen op school geweest. Hitler had zich ook nooit uit laten uitschrijven als katholiek, al sprak hij in de loop van de jaren dertig niet meer over ‘de hemel’, maar over ‘het walhalla’.

Dat mocht allemaal zo zijn, Hitler was volgens Fontaine uiteindelijk verblind geraakt door zijn eigen rassenwaan en messiascomplex. Hij wilde zijn eigen godsdienst, zonder de God van de Joden en de christenen. Hij zag een nieuwe God in een nieuwe wereld, voorbij goed en kwaad, een nieuwe kosmische orde met een totale omkering van alle waarden. Maar had Nietzsche niet iets vergelijkbaars gepredikt? De filosoof met de hamer zou eindigen in waanzin, maar toen hij zijn Antichrist schreef was hij dat allerminst. Zijn betoog was lucide geweest, misschien wel het helderste wat hij ooit heeft geschreven.

Waarom wilde Fontaine dat dan niet zien? Ik denk omdat hij zelf in de God van Paulus en de Joden geloofde. Hij geloofde zelfs in de Antichrist. Precies dat was zijn blinde vlek. Het was een blinde vlek voor de Antichrist, juist omdat hij daarin geloofde. Dat is een wonderlijke paradox, dat je blind kunt zijn voor iets waar je juist stellig in gelooft. Maar is dát niet juist de blinde vlek van het ‘Joodse christendom’, die Nietzsche zo pijnlijk aan het licht had gebracht? Als goed en kwaad buiten de wereld worden verankerd en het aan priesters wordt overgelaten om de waarheid daarover in pacht te hebben, dan kruipt het kwaad waar het niet gaan kan. Dat wil zeggen, in de mens zelf. Het kwaad zit immers in de mens, die zelfs als hij geschapen zou zijn ‘als evenbeeld van God’, ook iets van ‘het kwaad in God’ weerspiegelt.

Zelf geloof ik niet in de Antichrist, maar ik hou het niet voor onmogelijk dat er diep in de mens een mythische structuur bestaat, waarin het kwaad een vaste plaats heeft, los van religie, ideologie of de waan van de dag. Zo zou ‘de blinde vlek voor de Antichrist’ ook een blinde vlek kunnen impliceren voor die mythische structuur van het kwaad, een structuur die telkens weer komt bovendrijven, vaak in een nieuwe en onverwachte gedaante. Ook daar, en misschien juist daar, waar men – zoals Fontaine – ‘de Antichrist’ het minst verwacht.

4 Reacties

Oliver Sacks 1933-2015

sdachs

De neuroloog Oliver Sacks schreef ooit een verhaal over een man die in de jaren zestig hippie was geweest, aan de drugs raakte en uiteindelijk in een oosterse sekte belandde. Gaandeweg bleek dat de radicale karakterverandering, die hij daarbij onderging, niet veroorzaakt werd door drugs en meditatie, maar door een tumor in zijn hersenen die uiteindelijk de omvang van een sinaasappel had bereikt. Na de operatieve verwijdering van het gezwel leed de man aan een ingrijpende vorm van amnesie. Alles wat na de jaren zestig was voorgevallen leek uit zijn geheugen gewist. Alleen het geheugen voor de zeer korte termijn was in tact gebleven en daarnaast de herinnering aan zijn hippietijd.

In feite leefde hij in een ommuurd heden met uitzicht op een ver verleden. Zijn favoriete popgroep uit die tijd was Grateful Dead. In 1969 had hij een live concert van hen bijgewoond in het Central Park in New York. Toen deze groep in 1991 op diezelfde locatie opnieuw live optrad, besloot Sacks om zijn patiënt mee te nemen naar dit concert. Zo kwamen de jaren zestig in een goeddeels vernietigd brein voor even opnieuw tot leven. De muziek riep intense herinneringen en emoties op totdat ze stilaan haar vertrouwdheid verloor en zelfs vreemd en futuristisch gingen klinken. De patiënt beleefde met terugwerkende kracht een reis naar de toekomst.

Ik moest hier aan denken toen ik gisteravond hoorde dat Oliver Sachs was overleden. Ooit hoorde ik hem  vertellen over de therapeutische werking van muziek. Dat was in de documentaire Tales of Music and the Brain, die gemaakt was naar aanleiding van zijn boek Musicophilia. In deze film bewijst Sachs dat muziek heilzaam kan zijn voor mensen met een bepaalde neurologische aandoening. Een en ander deed mij denken aan een eigen ervaring met de genezende werking van muziek. Ik ben niet bepaald muzikaal aangelegd. Klassieke muziek zegt mij doorgaans niet zo veel. Popmuziek en Franse chansons, daar houdt het zo’n beetje mee op.

Begin jaren tachtig heb ik last gehad van een stevige depressie die bijna twee jaar heeft geduurd. Ik kon daardoor niet of nauwelijks werken. Eigenlijk kon ik niets, behalve wat uit het raam staren en in mijn bed liggen. Een van de kenmerken van een depressie is dat je absoluut nergens zin in hebt, maar ook dat je geen enkel gevoel hebt voor muziek. Niks hielp, pillen niet en praten ook niet, zelfs niet een maandenlange, en door mij als gruwelijk ervaren groepstherapie.

Het moest gewoon vanzelf overgaan. Het moment waarop ik voor het eerst merkte dat er iets ten goede ging veranderen, kan ik me nog goed herinneren. Ik was in de keuken bezig met de afwas en hoorde muziek op de radio. Het was een onbeduidend liedje, dat even een hit is geweest en sindsdien vrijwel nooit meer te horen is: January, February van Barbara Dickson. Het werkte bij mij als een blikseminslag. Daarna ging het elke dag een beetje beter, totdat ik weer helemaal was opgeknapt. Inderdaad, het brein zit raar in elkaar. Oliver Sachs wist er alles van en kon er prachtig over schrijven.


Barbara Dickson – January February door jojon26

2 Reacties

Ik zag de dood vannacht

Schermafbeelding 2015-08-29 om 15.55.59

Ik zag de dood vannacht. Even voor twee uur belde hij aan, maar voor ik de deur kon opendoen, stond hij al in de gang. ‘Wat is de bedoeling?’ vroeg ik nog. Maar hij zei niets, deed de deur van de huiskamer open en ging zitten op de bank. ‘Feel like home’, zei ik om de kou wat uit de lucht te halen. Maar ook deze poging om de stilte te verbreken had geen resultaat. De dood had de afstandbediening al gepakt en zapte langs de nachtelijke kanalen. Geen van alle kon zijn aandacht langer dan een twee seconden vasthouden, totdat hij een trein op de rails zag rijden. Het was ergens in China, zo te zien. Links en rechts trok een merkwaardig berglandschap voorbij. De dood staarde gefascineerd naar dit traag bewegende beeld, alsof het hem op een gedachte bracht. Maar misschien dacht hij wel helemaal niets. Misschien keek hij gewoon naar de tijd zelf die weggleed naar de horizon, onstuitbaar als een schaduw op een zonnewijzer. Kort is de tijd en onherroepelijk.

‘Wilt u een kopje thee?’ vroeg ik. De dood wendde zijn schedel naar mij toe en één kortstondig moment keek ik hem recht in de oogkassen. Ik zag de diepte van een maanloze nacht. Hij knikte. Ik liep naar de keuken en zette wat water op. Hoe krijg ik die engerd de deur uit? dacht ik bij mezelf. Naar bed gaan is geen optie. Voor je het weet word je niet meer wakker. Die smeerkees licht zomaar zijn hielen, als een dief in de nacht met mijn ziel onder zijn arm. Maar misschien is hij gewoon verdwaald en wil hij wat op adem komen. Ik schonk het water op, schudde even met het theezakje en bracht het kopje naar de kamer waar ik het neerzette op tafeltje voor de bank. ‘Warm opdrinken hoor, dat is goed voor de keel!’ Maar de dood zweeg. Magere Hein heeft geen humor. De trein stond inmiddels stil op een station midden in de rimboe. ‘Dooie boel daar, vindt u niet?’ Het bleef stil.

Ik heb het nog tien minuten aangezien. De dood en ik, wij zeiden geen woord. Toen ben ik maar naar boven gegaan. Zijn zwijgen begon me op mijn zenuwen te werken. In bed kon ik de slaap niet vatten. Mijn hele leven zag ik als een trein aan mij voorbij trekken. Ik dacht aan de bomen in China, waar ik lang voor mijn geboorte als een exotische vrucht in gehangen moet hebben. Waar zou de dood toen zijn geweest? Is de dood zelf ook geboren? Gaat de dood ooit dood? Ik denk niet dat de dood ooit aan een boom in China heeft gehangen. En terwijl mijn gedachten zo traag door oneindig laagland gingen, ben toch nog in slaap gevallen. Eenmaal wakker haastte ik mij naar beneden. De dood was weg. Was hij wel binnen geweest? De tv stond nog aan op een Duitse zender. Ook het kopje thee stond er nog, koud en onberoerd op het tafeltje voor de bank. Nee, de dood lust geen thee.

3 Reacties

Was Hitler zich van het kwaad bewust?

Slide1

‘Waarom haatte Hitler de joden toch zo? Hoe vaak is mij deze vraag niet gesteld, zowel door leerlingen als door volwassenen. Als is het wel dertig jaar geleden, 
ik herinner me nog levendig dat een leerling van een eindexamenklas, gymnasium VI-A, me dit vroeg. Ik begaf me toen in een uiteenzetting over het Europese antisemitisme van de negentiende en twintigste eeuw, in het bijzonder het 
Oostenrijkse, en stelde Hitler als een zeer radicale exponent daarvan voor. Ik 
leed in die dagen nog aan de ziekte van de historici, in het bijzonder van 
geschiedenisleraren, namelijk het geloof in de verklarende kracht van ‘grote 
lijnen’, met behulp waarvan men met een zeker gemak personen en gebeurtenissen over een lang tijdsverloop met elkaar kan verbinden. Ik was dan ook niet 
weinig geschokt, toen die leerling na mijn uiteenzetting opmerkte: ‘Maar dat 
verklaart het toch niet!’

Aldus Piet Fontaine in zijn boek De onbekende Hitler dat ik momenteel aan het herlezen ben. Het boek verscheen in 1992. Fontaine spreekt in bovengenoemd citaat over ‘dertig jaar geleden’. Dat was dus begin jaren zestig, de tijd dat hij leraar geschiedenis was op het Ignatiuscollege, waar ik toen naar school ging. Ik zat toen in een van de eerste klassen en dus niet in de zesde klas. Ik kan me het voorval ook niet herinneren. Wel herinner ik mij het verhaal dat Fontaine eens over Hitler en Nazi-Duitsland in de klas vertelde.

Dat was een wonderlijk verhaal waarin zijn dualistische opvatting over de strijd tussen goed en kwaad in de wereldgeschiedenis al vroeg tot uiting kwam. Hitler, zo beweerde hij, was ‘de antichrist’. De geschiedenis was in zijn ogen een bijna Bijbels epos van het duister dat opklimt naar het licht. Later schreef Fontaine een doorwrochte  studie over het historisch dualisme van goed en kwaad, die in 21 delen (!) verscheen: The Light and the Dark: a Cultural History of Dualism. Bij zijn overlijden in 2012 noemde Willem Otterspeer Fontaine ‘de geleerdste man van Nederland.’

Fontaine had een fascinatie voor Hitler. Het is ook een intrigerend probleem dat met het fenomeen Hitler annex is, niet alleen voor historici, die er vaak geen raad mee weten, maar voor ieder mens van goede wil. Beging Hitler het kwaad wetend dat het kwaad was? Of was hij in diepste wezen onwetend van het kwaad dat hij beging? Handelde hij met andere woorden uit overtuiging iets goeds te doen voor zijn volk, of misschien zelfs voor de mensheid? Dat zijn ongemakkelijke vragen die zich opnieuw aandienen bij hedendaagse processen tegen wrede misdaden tegen de menselijkheid. In dit soort processen staat niet alleen de despoot terecht, zelfs niet alleen het rampzalige politieke systeem dat hij vertegenwoordigt maar ook een ethische vraag die dieper grijpt.

Is een mens zich van het kwaad bewust als het ultieme kwaad in dienst van een gemeenschap (volk, natie, mensheid) wordt begaan? Zou het zo kunnen zijn dat het ultieme kwaad pas achteraf zichtbaar wordt, in de optiek van de overwinnaar? Dat is ook steevast het argument van de despoten die terechtstaan. Het zijn de overwinnaars die rechtspreken over de overwonnenen. Vanuit Hegeliaanse optiek is dit het recht van de sterkste. De moraal heeft geen eeuwige fundering in zoiets vaags als de humaniteit. De moraal heeft zijn eigen genealogie. Het is een product van de heerser die het slavenvolk overwint. In die eeuwige strijd op weg naar de voltooiing van de geschiedenis worden de regels telkens opnieuw vastgelegd vanuit de optiek van de winnaar.

Het is genoegzaam bekend dat Hitler in wezen een gemankeerd kunstenaar was. Deep down wilde hij de wereld herscheppen als kunstenaar. Wat hem op de kunstacademie niet was gelukt, werd later in de politiek in praktijk gebracht. Deze esthetische dimensie van het nationaalsocialisme wordt vaak onderschat. De bureaucratische beulen van de holocaust voelden zich zelf in diepste wezen een kunstenaar. Vandaar ook dat het uiteindelijk goed was wat ze deden. De kunst, zo leerde immers de Romantiek, is het hoogste wat de mens vermag. Kunst herschept de wereld. De kunstenaar – dat wil zeggen het faustische genie – schept zelfs de waarheid. Het scheppende genie legt de wereld zijn nieuwe regels op. Geen eeuwige, platonische regels, maar de altijd veranderende regels die zich openbaren gelijktijdig openbaren in het creatieve individu en in de wording van de geschiedenis.

Kunst is in laatste instantie het organon van de waarheid, zo stelde Schelling. In de kunst worden de nieuwe regels voor de wordende wereld vastgelegd. Het is ook dan een naïeve vraag die Georg Steiner zich zelf stelde: hoe is het mogelijk dat de beulen van Auschwitz keurige huisvaders waren die ‘s avonds thuis Schubert speelden op de piano? Er was geen tegenstelling tussen de barbarij van de nazi’s en de humaniteit van Schubert. Beide hadden hun wortels in een esthetische visie op de wereld, waar de Duitse Romantiek ooit het patent op had aangevraagd. De nazi’s hebben de politiek zelf tot kunst verheven en ze kwamen er ook rond voor uit. ‘Politiek,’ zo stelde Joseph Goebbels in 1933, ‘ís de hoogste en meest alles omvattende kunst die er is. Wij, die moderne Duitse politiek vormgeven, voelen onszelf kunstenaar. Het is te taak van de kunst en de kunstenaar om te scheppen, nieuwe vormen te bedenken om de zieken te verwijderen en vrijheid te creëren voor de gezonden. ‘

Schermafbeelding 2015-08-28 om 17.26.49

Wat anno 2015 intrigeert in de relatie tussen politiek en kunst onder het nationaalsocialisme is niet dat kunst destijds ondergeschikt was aan politieke behoeften, maar dat de politiek zich de retorica van de kunst toe-eigende, de kunst in zijn laat-romantische fase wel te verstaan. In haar essay Fascinating Fascism (1975) heeft Susan Sontag gewezen op de esthetische kern van het nationaal socialisme, die nog steeds herkenbaar is in de hedendaagse glamour-achtige representatie van lichaam en seksualiteit in de massamedia. De geschilderde naakten van de geautoriseerde nazi-kunstenaars zien er uit als hedendaagse pin-ups, dat wil zeggen beeltenissen die zowel schijnheilig als aseksueel zijn en dus in technische zin niet onderscheiden zijn van pornografie. Deze naakten hebben de glamour-achtige perfectie van een fantasiewereld.

Het lichaam zelf wordt een kunstwerk bij Leni Riefenstahl. Het lichaam wordt de fascinatie bij uitstek in de esthetica van het fascisme. De fascistische verbeelding van het lichaam geeft aanleiding om de werkelijkheid te construeren en zo mogelijk te overstijgen. Nationaal socialistische kunst verheerlijkt de overgave en exalteert de geestloosheid, zo stelt Sontag. De nationaalsocialistische esthetica wil seksuele energie transformeren in een spirituele kracht ten behoeve van de massa. Dat alles is nog altijd herkenbaar in de fascinatie voor glamour en seks in de hedendaagse cultuurindustrie. Kortom; de fascinatie van de fascistische esthetica leeft voort in maatschappij van het spektakel.

De verbanden die Sontag legt tussen nazi-esthetiek en hedendaagse massacultuur doen een breder verband vermoeden. Is het niet zo dat de kern van het nationaalsocialistische gedachtegoed niet overwonnen is, maar nog altijd voortleeft in het hart van het kapitalisme? Dat was ook het vermoeden dat aan de basis lag van het project van Adorno en Horkheimer in hun Dialektik der Aufklärung (1947). De zo vaak bewierookte Verlichting, zo stelden zij, heeft niet alleen Auschwitz en het fascisme, maar ook de kapitalistische cultuurindustrie voortgebracht.

‘Na Auschwitz,’ zo stelde Adorno, in zijn beroemd geworden oneliner, ‘is het schrijven van een gedicht een daad van barbaarsheid geworden.’ God is in het project van de Verlichting aan de kant gezet ten behoeve van de emancipatie van mens. Maar naast emancipatie heeft deze vlucht vooruit ook een fataal proces van destructie op gang gebracht. Het autonomiestreven van subject gaat telkens weer ten koste van de ander en ‘’het andere”. In zijn esthetische theorie pleitte Adorno dan ook voor een negatieve dialectiek van de kunst. Kunst moet de destructieve, mythische krachten van het Verlichtingsproces incarneren in een identificatie met het geweld en het exces.

De morele vraag of Hitler zich in laatste instantie al of niet bewust was van het ultieme kwaad, dat hij beging, keert terug in een nieuw gedaante. Heerst in het systeem waarin wij leven wel het bewustzijn van het kwaad dat het impliceert? Kan het zijn eigen kwaad eigenlijk wel begrijpen, waar de ultieme tegenstanders van dit systeem keer op keer op wijzen. Is de terreurdaad van een islamitisch fundamentalist in laatste instantie niet een anomalie die binnen de morele regelgeving van het heersend systeem niet te vatten is.

hitlerbaby

In zijn boek Explaining Hitler (1998) stelt Ron Rosenbaum dat Hitler zichzelf voor de gek hield. Het is iemand die zo overtuigd was van zich zelf dat hij zijn misdadigheid wel ontkennen moest. Zijn demonische charisma begoochelde niet alleen de massa, maar zorgde ook voor soort eclips van het eigen morele besef. Voortdurend stelde Hitler zichzelf ook in moreel opzicht gerust. De massa is er nog niet rijp voor het te begrijpen, zo luidde de redenering. Hitler zou dus gehandeld hebben als een acteur. Hij speelde zichzelf en geloofde zodanig in zijn rol dat het werkelijkheid werd wat hij speelde, niet alleen voor anderen maar ook voor zich zelf.

Vanuit deze zienswijze openbaart zich een duistere dialectiek van de moraal: het fatale, calculerende gedrag van Hitler keert zich om in een vreemd soort authenticiteit. Hitler zou het bewustzijn van het kwaad tot kunst hebben verheven. De wereld is niet echt, het is een schouwtoneel, zoals Shakespeare al vermoedde. Het is een wezenlijk ironische opvatting van de moraal, zoals ironie ook in de kern van het nationaal socialisme in een duistere grondtoon te herkennen valt. ‘Arbeit macht frei’. stond er boven de poort van Auschwitz. Dat is in feite het toppunt van ironie, bezien vanuit een esthetisch bewustzijn van de wereld. De wereld zelf bestaat niet. Het is wat de macht ervan maakt. De totalitaire macht is dan ook het ultieme theater van de wereld. En het spektakel waar dat theater zich maar al te graag van bedient is de kunst.

Zie ook mijn blog Time after Time en het artikel van Piet Fontaine:  ‘Ik en niemand anders!’ Het geloof van Adolf Hitler.

2 Reacties