Nostalgisch en toch modern

4 april, 1980(3)0001

Vorige week vond ik een paar negatieven van foto’s terug die ik mij niet meer kon herinneren. Ik heb ze laten afdrukken en zo zag ik deze foto. Ik heb altijd gedacht dat er geen babyfoto’s van mij bestonden. Maar deze is er nog. Hij moet begin 1948 zijn gemaakt in de erker van mijn ouderlijk huis aan de Johannes van der Waalsstraat in Amsterdam. Rechts mijn moeder en links Mickey, onze kat. Alle katers die wij vroeger thuis hebben gehad heetten altijd Mickey. Het was een soortnaam van de Mousenkaters.  Ik herken het glas en lood in de reflectie van het raam boven mijn hoofd. Zo te zien stond het raam open en heeft mijn vader het daglicht optimaal in de foto willen vangen. Ik kijk naar boven alsof ik de Heilige Geest zojuist heb zien neerdalen. Het was ook een rooms gezin waar de ooievaar mij had afgeleverd. Kort na mijn geboorte werd ik gedoopt, en ik zal zeker de kleine longen uit mijn lijf hebben geschreeuwd met dat koude water over mijn hoofd. Dat was het eerste sacrament. Het tweede volgde zeven jaar later.

Slide113-e1326744456787

Boven mijn bed hing ook een prentje met engelen. Niet één, maar veertien. Alsof één niet genoeg was. Nee, voor de nachtdienst werd van hogerhand een heel peloton ingezet. Je wist immers maar nooit wat er ‘s nachts allemaal kon gebeuren. De tekst van het bijbehorende liedje werd je op de bewaarschool bijgebracht. De voorstelling van de prent is zo oud als het Rijke Roomse Leven. Op internet ontdekte ik meerdere varianten, maar gelukkig ook de versie die boven mijn bed heeft gehangen. Het is een tekening van Jeanne Hebbelynck die waarschijnlijk in de jaren dertig is gemaakt. Ze blijkt veel van dit soort prentjes te hebben getekend, totdat ze blind werd en alleen nog maar vrome gedichtjes schreef.

’s avonds als ik slapen ga
volgen mij veertien engeltjes na
twee aan mijn hoofdeind
twee aan mijn voeteneind
twee aan mijn linkerzij
twee aan mijn rechterzij
twee die mij dekken
twee die mij strekken
twee die mij wijzen
naar ’s hemels paradijzen

Op zondag 19 mei 1955 volgde het tweede sacrament. Op die dag deed ik mijn Eerste Plechtige Communie. Dat was een groot feest destijds dat in bijzijn van vele familieleden werd gevierd. Zo kan ik mij herinneren dat uit Friesland een aantal ooms en tantes overkwam om de eerste communicant te feliciteren. Zij hadden natuurlijk cadeaus bij zich, want – naast een geheel nieuwe outfit, aangeschaft bij Peek & Kloppenburg – was dit een van de aangename kanten van dit kerkelijk gebeuren. Op een foto kijk ik wat onwennig in het oog van de camera, een vlinderdasje om, de mouwen iets te lang en de lakschoentjes, die ik daar na nooit meer zou dragen, weerspiegelde zich een zonnige lentedag. Ik was zo kuis als een eerste communicantje maar kan wezen. Van een tante uit Friesland kreeg ik een kruisbeeld cadeau met op de achterkant een papiertje, waarop in een wat bevend handschrift ‘Van Beppe’ stond geschreven. Van de overige cadeaus kan ik me weinig herinneren, op één na, want die heb ik nog altijd bewaard. Het is een boek van de Limburgse kunstenaar Charles Eyck, geschreven door Dr. G. Knuttel Wzn.

4 april, 1980(3)0001

19 mei 1955

Vooral dat toevoegsel Wzn vond ik destijds intrigerend. Eigenlijk weet ik nog steeds niet wat het precies betekent. Het zal wel  ‘zoon van een zekere W.’ zijn geweest. Misschien heette zijn vader wel Willem. God mag het weten. Hoe dan ook, dat boek heb ik destijds gespeld en vooral de plaatjes vond ik heel mooi, heel stichtelijk ook zoals dat heet. Charles Eyck schilderde als een tierelier, een beetje in de stijl van de ‘nostalgisch-moderne’ Franse figuratieven zoals bijvoorbeeld Soutine en Gromaire. Maar dat niet alleen, hij maakte ook beelden en glas-in-loodramen. Hij was de roomse volkskunstenaar uit het diepe Zuiden. Geen kerk beneden de Moerdijk, of hij door deze begenadigde Roomse totaalkunstenaar, die nog doof was ook, van vrome decoraties voorzien. Katholieke kunst, dat was me wat in de tijd van het Rijke Roomse Leven, ook al zie je daar in het Noorden weinig van terug. Katholieke kunst was vooral zuidelijke kunst. Charles Eyck, Joep Nicolas, Henri Jonas en anders wel Josef Cantré of Hendrik Wiegersma. Namen die totaal vergeten zijn, maar die ooit hoog in aanzien stonden in het katholieke Zuiden.

Ik heb gisteren dat boek over Charels Eyck nog eens doorgebladerd. Het is geschreven met een gloedvolle toon. Achterin zat een krantenknipsel dat ik er in 1962 heb ingestopt toen Charles Eyck 65 werd, het is een artikel dat vol bewondering is geschreven door en zekere Paul Haimon. Hij was bij de jarige kunstenaar op bezoek geweest in zijn huis dat hij in 1939 niet ver van zijn geboortedorp Meessen in het Zuid-Limburgse land had late bouwen, Huize Ravenbos, genoemd naar het bos daar een heuvelflank bedekt met zijn verscheidenheid aan boomsoorten. Zo las ik dat Charles Eyck toch ook in Friesland een spoor heeft nagelaten.

4 april, 1980(3)0001

Op 16 februari 1947 – negen maanden voor mijn geboorte -  werd in Lemmer het ‘Monument van Dankbaarheid’ onthuld. Het was ‘een muurschildering van het dorp, omgeven door een groep engelen en vredesduiven. Boven het dorp is het wapen van Lemmer afgebeeld. Voor het fresco bevindt zich een beeldengroep van chamotteklei, geplaatst op een eikenhouten voetstuk. De beeldengroep is een voorstelling van de verschijning van Maria aan drie kleine kinderen. Aan weerszijden van het beeld is een smeedijzeren kandelaar geplaatst.’ Op een lint staat het opschrift:

‘MONUMENT
VAN DANKBAARHEID
GEWIJD AAN O.L. VROUW
VAN FATIMA
VAN WELKE
DE HAVENPLAATS
LEMMER TIJDENS
DEN OORLOG 1940 – 1945 VAN RAMPEN
BLEEF GESPAARD’.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Muurschildering Charles Eyck in Lemmer, 1947

Deze warmbloedige kunst van Charles Eyck wortelde in een katholieke gemeenschap van eenvoudige hartelijke mensen. Het was wat je noemt ‘moderne volkskunst’. Dit soort kunstenaars belastte de katholiek gelovigen niet met ingewikkelde symboliek of esoterische geometrie, maar gaf gewoon taferelen uit het leven van Christus weer op een wijze die iedereen kon snappen. Maar wel anders dan anders, dat wil zeggen: ‘modern’. In 1937 werd in het Haags Gemeentemuseum een tentoonstelling georganiseerd over Limburgse kunst. Critici meenden dat de regionale kunst destijds alleen nog in Limburg werd gemaakt. Limburg was een streek met een sterk afwijkend karakter, meer nog dan Friesland wellicht. Vooral de kunst van Charles Eyck werd geroemd om zijn kinderlijke onbevangenheid, zijn sensualisme en zijn religieus gevoel.

De criticus Jan Engelman – aan wie Marie Timmer-van Eunen een fraaie dissertatie heeft gewijd – was een groot pleitbezorger van de kunst van katholieke kunstenaars in het algemeen en die van Charles Eyck in het bijzonder. Eigenlijk vervulde Jan Engelman voor de oorlog voor de Limburgse kunst een vergelijkbare rol als Thom Mercuur in de afgelopen decennia voor Friese kunstenaars heeft vervuld. Met alle bedenkelijke gevolgen van dien: idealisering, mythevorming er persoonsverheerlijking. Het regionale werd gekoppeld aan het intuïtieve, dat wil zeggen: een onbevangen, bijna primitieve staat van natuurlijkheid. De grote stad was ontaard en de ware moderniteit was vooral in de regio te vinden. Het modernisme werd juist in de regio van zijn scherpe kantjes ontdaan. Aan de andere kant bood deze regionale idealisering en mythevorming een probaat middel om de moderniteit  in alle uithoeken van het land te verspreiden.

4 april, 1980(3)0001

Charles Eyck aan het werk in een kerk te Heerlen

Beneden de Moerdijk was religie al voor de oorlog het glijmiddel bij uitstek voor de moderniteit. Na de oorlog werd in Friesland het natuurtalent naar voren geschoven: de autodidact, de kunstenaar die zich – tegen de wind in – geroepen voelde om de weg van de de moderniteit te bewandelen, met Gerrit Benner als prototype. De Roomse zuil en de Friese zuil verschilden niet zoveel, behalve dan dat de storm van de jaren zestig de eerste vrijwel volledig heeft weggevaagd en de laatste grotendeels heeft laten staan. Eigenheid en moderniteit gingen bij Roomsen en Friezen hand in hand. Sterker nog, het onbevangene en het moderne werden juist in de regio aan elkaar gekoppeld, zowel in het Noorden als in het Zuiden. Charles Eyck was voor alles een Limburgs kunstenaar, maar wel met een modern randje. Roomse vroomheid werd tot moderniteit verheven. Nostalgie en vooruitstrevendheid waren voor een katholiek geen tegenpolen in de tijd van het modernisme.

4 Reacties

Groeten uit Valkenburg

kjhgfda Kabelbaan Valkenburg, eind jaren vijftig

In 1959 en in 1960 was ik met mijn ouders op vakantie in Valkenburg. We logeerden in ‘Pension Linckens’ dat zich bevond aan het eind van de Plenckerttaat, een lange laan onderaan het Rotspark. Ik herinner me dat het raam van de slaapkamer boven uitkeek op de rotswand van het park. Achter het pension was een grote speeltuin met een kabelbaan en ook en hertenpark. Als je de Plenckertstraat helemaal uitliep dan kwam je aan de rand van Valkenburg bij het begin van het Geuldal. We hebben daar vaak gewandeld door dat heuvelachtige landschap op weg naar Houthem of Meerssen, over smalle paden met hier en daar een kruisbeeld langs de weg.

Er waren kastelen en grotere landhuizen waar een schilder of een schrijver woonde. Charles Eijck bijvoorbeeld in Huize Ravensbos in Schimmert. Of anders wel Bertus Aafjes die in kasteel Hoensbroek woonde. Bertus Aafjes, die geboren werd in de Indische buurt in Amsterdam en in de oorlogsjaren ondergedoken zat in het Friese Terband, legde zijn verblijf in het Limburgse kasteel vast in de verhalenbundel Limburg dierbaar oord, dat in 1976 verscheen. Daarin schreef hij:

‘Een echt kasteel heeft natuurlijk een geheime schat. Het bijzondere van die schat is dat hij onvindbaar is. Het onvindbare van de schat, door de eeuwen heen, maakt voor een deel zijn charme uit. Ik zou liegen indien ik zei dat ik de schat niet gevonden heb. Ik vond hem op een van mijn zwerftochten door het kasteel, toen het nog van God en alle mensen verlaten lag te midden van de wateren van Hoensbroek. Ik heb de schat ter plaatse gelaten, want ik weet maar al te zeer hoe een schat ophoudt een geheime schat te zijn als men hem aan het licht brengt.’

20100103_Kasteel_Hoensbroek_gemeente_Heerlen_001

Kasteel Hoensbroek

Kortom, er lagen geheimen verborgen daar in dat glooiende land van Zuid-Limburg, waar soms de sfeer nog te proeven was van het dagboek van een herdershond, het land waar ooit – zoals de dichter Jan Engelman heeft beweerd – God zelf zijn had op de aarde te ruste had gelegd. Maar voor alles was het toch het land voor wielrenners die de Cauberg opklommen als was het de Tourmalet. De weg op de Cauberg slingerde naar boven met een ongekend stijgingspercentage in kronkelde bochten zodat je als wielrenner al gauw uit het oog van je achtervolgers kon raken. Die Cauberg had iets heroïsch. Hij sprak tot de verbeelding. Wat wil je, ik had als kind ook nog nooit een berg gezien.

Eind jaren vijftig was het ook nog niet zo lang geleden dat een touringcar door zijn remmen sloeg toen hij de Cauberg afdaalde en in razende vaart te pletter sloeg op het monument op het Grendelplein. Dat gebeurde op 29 september 1954. Er vielen toen 19 doden en nog een aantal gewonden. Op de rampplek hingen in 1959 nog altijd gruwelijke foto’s in de etalages. Die foto’s maakten diepe indruk op mij, temeer omdat wij zelf ook wel busreisjes maakten vanuit Valkenburg. Zo zijn we in de Grotten van Han geweest, in het bedevaartplaatsje Banneux en bij de Watervallen van Co. En zelfs een dagje naar Trier, wat ongeveer de verste dagtrip was die je vanuit Valkenburg kon boeken.

c_valkenburg_290954_3

De plek van het busongeluk op het Grendelplein, 29.9.1954 (zie: hier)

Niet ver van het Grendelplein was een sigarenzaakje waar ik in die zomer van 1959 nog een pocketboekje heb gekocht: Het wielerleven van Gerrit Schulte, le fou pédalant. Dat boekje heb ik nog altijd bewaard als een relikwie van mijn eerste wielerverering. Meer nog dan het voetballen bracht het wielrennen mijn fantasie in beweging. Misschien wel omdat je het nooit met eigen ogen zag, en er alleen maar over hoorde in de bewogen radioreportages van Jan Cottaar. Het wielrennen had een mysterie dat nooit geheel ontraadseld werd. In Valkenburg bevond ik mij die zomer wat wielrennen betreft in het heilige der heilige, maar op de Cauberg was er nauwelijks een wielrenner te zien. Eens te meer was ik aangewezen op mijn verbeelding. Er waren immers alleen maar toeristen en dagjesmensen die ijsjes aten en langzaam voortschuifelden door de smalle straatjes.

4 april, 1980(3)0001

Ik herinner mij die straatjes van het centrum met al die souvenirwinkeltjes. Toen ik later met mijn ouders in Lourdes kwam, moest ik nog wel eens aan Valkenburg denken. We liepen daar vaak de Cauberg op, op weg naar de Lourdesgrot, waar zondagochtend de Mis in de open lucht werd opgedragen. Even verderop was de ingang van de Mergelgrotten, waar je enge verhalen hoorde over overmoedige bezoekers die hier verdwaald waren en het leven hadden gelaten. We bekeken de vele beeldhouwwerken die waren uitgehouwen in het zachte steen.

Bovenin het Rotspark had je een openluchttheater. Er was ook een mooi terras, waar ik wel eens in mijn eentje een flesje limonade ging bestelen. Joy, want dat was mijn favoriete merk. Dan leek het leven even stil te staan met nog een eeuwigheid voor de boeg. Maar de grote wereld ging gewoon door in dat jaar 1959, waarin Fidel Castro de macht greep op Cuba en met urenlange toespraken de menigte in vervoering bracht. Het Nederlands elftal won dat jaar in de kuip met 9 – 1 van België. En de Belgen werden lyrisch over de betoverend mooie Prinses Paola die haar jawoord gaf aan prins Albert. ‘Dolce Paola’, zong Adama een paar jaar later.

Schermafbeelding 2014-08-20 om 21.59.35

Het huis van pension Linckens in de huidige staat (foto: Google streetview)

Ik zelf mocht soms een enkele keer mijnheer Linckens in het privé-gedeelte van het pension naar de televisie k0men kijken. Dan zat ik daar op de bank in dat smalle kamertje aan de voorkant van het huis, samen met de dochter des huizes die ongeveer even oud was als ik. Ik herinner mij nog dat wij even alleen waren daar op die witte zitbank en dat zij opeens vroeg: ‘Zullen we samen gaan vrijen?’ Ik wist niet goed waar ze over had, en als ik het al wist, had ik op dat moment bij God niet geweten wat de gebruiksaanwijzing was in dit soort penibele situaties. Ik was 11 jaar en nog zo groen als gras. Alleen van de Tour de France raakte ik opgewonden en daar deden geen vrouwen aan mee.

Valkenburg was een vrolijke stad. Ik herinner mij de kabelbaan bij de Wilhelminnatoren met dat grote kruis erbovenop, en natuurlijk de kasteelruïne. Niet ver daarvandaan was het chique Parkhotel. Daar heb ik samen met mijn ouders nog eens een nachtje gelogeerd. Dat was in 1962, toen we na onze eerste rondreis door Frankrijk met de Fiat 600 D uiteindelijke weer in Valkenburg belandden, waar alle hotels vol waren, ook Pension Linckens. En omdat mijn vader te moe was om nog verder te rijden, overnachtten we voor één keer in dat dure Parkhotel. Dat kostte voor ons drieën toen meer dan honderd gulden, een rib uit het lijf. Mijn moeder had er nog jaren spijt van. Later vernam ik dat het Parkhotel oorspronkelijk ooit een Kurhaus is geweest dat door Pierre Cuypers in 1890 was ontworpen. Pierre Cuypers verbleef zo rond 1900 regelmatig in Valkenburg, waar onder zijn ook nog een leiding een replica van de Romeinse katakomben in de mergelrots werd uitgehouwen. Lourdes, Rome…alles werd nagebouwd in Valkenburg. Nep was echt. Roomser kon het niet. Het was het katholieke vakantie-oord bij uitstek.

images

Parkhotel, Valkenburg

De wereldkampioenschappen wielrennen werden in 1959 in Zandvoort gehouden. De wedstrijden op de baan werden in de week daarvoor in het Olympisch Stadion afgewerkt. Roger Rivière werd daar wereldkampioen achtervolging. Dat jaar vestigde hij ook een nieuw werelduurrecord. Rivière was net als Darrigade een groot Frans wielertalent. Maar in 1960 zou hij bij een bergetappe in de Tour in een ravijn storten en voor zijn leven verlamd raken. Rivière was beter dan Anquetil en zou zeker meerdere Tours op zijn naam hebben geschreven, als hij niet dat ongeluk had gehad. Hij overleed roemloos in 1976.

De organisatoren van het WK hadden jammer genoeg ook niet voor Valkenburg gekozen, zoals bijvoorbeeld in 1938 en 1979, want dan had ik de wedstrijd met eigen ogen kunnen zien. De klim op Cauberg had ook een prachtige finale kunnen bieden, maar dan had Darrigade natuurlijk niet gewonnen, want die kon voor geen meter klimmen. Coen Niesten was een van de Nederlandse outsiders die vooraf als kanshebber werd getipt. Hij reed die dag een thuiswedstrijd, want zijn ouders woonden in Zandvoort. Waarom het kampioenschap dat jaar zo vroeg verreden werd, weet ik niet meer. Tegenwoordig gebeurt dat altijd pas eind september.

4 april, 1980(3)0001

Mijn plakboek uit 1959

Hoe dan ook, ik zat die middag gekluisterd aan de radio en ik kan me nog herinneren dat een piepjonge Ab Geldermans onverwacht aansluiting vond bij de kopgroep. Uiteindelijk zou hij zesde worden. Na dat WK in Zandvoort heb ik besloten om een plakboek over het wielrennen te gaan aanleggen. De eerste pagina van het eerste boek was gewijd aan het wereldkampioenschap van Darrigade in 1959. Hij was mijn held. Een blonde god die altijd de eerste was aan de meet als het om een sprint aankwam. Ik wilde voortaan alles van hem weten. Er zouden nog vijf plakboeken volgen met alle etappes van de Tour en alle WK’s tot aan 1964. Toen was het plotseling afgelopen.

Vanaf 1960 speelde ik ook elke zomer HET GROTE TOUR DE FRANCE SPEL. Dat had ik zelf bedacht. Het kwam er op neer dat de hele Tour de France werd nagespeeld met beschilderde pionnen en een drietal dobbelstenen. Het was de grote wereld in het klein en ikzelf speelde de rol van Jacques Goddet. Elke dag werd een parcours uitgezet in de achterkamer. Ook werden bergen nagebouwd waar de renners over heen moesten trekken. Daarbij had ik een systeem bedacht waarbij de derde dobbelsteen aan kon geven of iemand demarreerde. Verder kregen klimmers en sprinters op de betreffende stukken van het parcours aparte bonuspunten, zodat het verloop van de koers zo dicht mogelijk de werkelijkheid benaderde.

Slide1

HET GROTE TOUR DE FRANCE SPEL

4 april, 1980(3)0001

Einduitslag HET GROTE TOUR DE FRANCE SPEL 1961

Het naspelen van de Tour duurde zo’n week of drie, dus ik was een groot deel van de grote vakantie onder de pannen. Elk jaar werd het spel uitgebreid. Zo werd het Parc des Princes in het klein nagebouwd en er kwamen steeds meer regels bij. In de laatste editie van 1963 had ik het hele peloton nagemaakt in kleine kartonnen wielrennertjes die in de juiste kleuren beschilderd waren. Het afwerken van een etappe duurde wel drie tot vier uur. Maar daarna begon pas het echte werk met het uitrekenen van het algemeen klassement, het puntenklassement, het bergklassement en het ploegenklassement. Daar was ik voor elke etappe meestal een hele avond mee bezig. De resultaten noteerde ik in schriftjes die ik allemaal keurig heb bewaard. Mijn eerste eigen Tour de France van 1960 werd gewonnen door Darrigade. Charly Gaul werd tweede. Maar Gaul won in 1958 wel de echte Tour. Hij was ‘de engel van de bergen’ die vooral met slecht weer opeens vleugels kreeg.

Achteraf denk ik wel eens dat ik in mijn late kinderjaren vooral in een eigen fantasiewereld heb geleefd. Het was een wereld waar geen eind aan leek te komen, maar die opeens voorbij was, zomaar, van de een op de andere dag. Het is een onzinnigheid van de natuur dat de jeugd is toebedeeld aan jeugdigen die niet weten wat het is om jong te zijn. Een vogel weet niet wat het is dat hij vliegen kan. Een kind weet niet wat het is om kind te zijn. Wij leven ons leven in een voortdurende verblinding. Het is voorbij voordat je het weet. Het geluk glipt weg tussen je vingers als een waterstraal die je niet pakken kunt. Begin jaren zeventig ben ik nog een keer in Valkenburg geweest. Alles was er nog, maar het kind dat ik daar ooit ben geweest, was er toen al lang niet meer. Nostalgie is een bron die nooit opdroogt. Het is een stroom die mij voortdrijft op weg naar het einde. Verdomd het is waar, het leven is waard om geleefd te worden.

2 Reacties

Een New Yorker in Heerenveen

sies

(foto’s: Jurjen K. van der Hoek)

Het was een volle bak gisteren in Tjepkema’s molen in Heerenveen waar de presentatie plaatsvond van het boek Sies Bleeker, libje yn liende tiid over Sies Bleeker, uitgegeven door uitgeverij Perio van Willem Winters. Een prachtig boekje met een indringend interview dat Eeltsje Hettinga vorig jaar met Sies heeft gehad, en met een tekst van Willem Winters die Sies al van jongs af aan  gekend, een caleidoscopisch overzicht van leven en werk van deze eigenzinnige kunstenaar, aangevuld mat tal van persoonlijke aantekeningen en anekdotes. De molen was te klein om alle genodigden een plaats te bieden. Daarom was er buiten een tent opgesteld met een geluidsinstallatie. Er waren kunstenaars, architecten, maar ook allerlei mensen die ik niet kende, maar die Sies wellicht goed hebben gekend. Tegenover deze molen is Sies geboren. Dat was in 1941. In de smalle straatjes rondom de molen hangt nog de sfeer van die tijd. Eerlijk gezegd heb ik nooit geweten dat er in Heerenveen een molen staat. Wel een beetje naïef natuurlijk, want je kunt hem al zien vanuit de trein. Tegenover die molen had de vader van Sies een schoenmakerij. Zo kende de jonge Sies al vroeg alle inwoners van Heerenveen door de schoenen die zij droegen.

Slide1

Het is een heel mooi boekje geworden. Het mooiste vond ik nog de foto waar Sies op staat samen met Willen Winters en Thom Mercuur. Hij is genomen op de Documenta van Kassel in 1968. Hylke Wierda staat er niet op, want hij heeft de foto genomen. Willem Winters schrijft hierover onder meer het volgende:

‘Sies, Hylke, Thom en ik besloten in 1968 naar 4de Documenta in Kassel te gaan. Met Thom’s lelijke eend gingen we op stap. Vlak voor de 
grens kwam Thom tot de ontdekking dat hij zijn paspoort niet bij zich had. Dat gaf problemen bij de douane. Na eindeloos veel gepraat kreeg 
Thom voor het elkaar, een tijdelijk document. 
Op die Documenta zagen we 
grensverleggende kunst, kunst die 
het kunstbegrip ter discussie stelde. 
Het meest enerverend vond ik de 
constructie van Klaus Geldmacher & 
Francesco Mariotti, een stalen kubus 
die van uitvergrote Meccanodelen 
gemaakt leek. Werd het ‘s avonds donker dan klommen 
twee gitaristen in het bouwsel 
en speelden keiharde pop. De honderden lampen in het ding reageerden hierop. Resultaat een machtige 
geluids- en lichtshow.’

4 april, 1980(3)0001

v.l.n.r.: Sies Bleeker, Willem Winters en Thom Mercuur, Documenta IV, Kassel, 1968. (foto: Hylke Wierda)

Eeltsje Hettigna sprak over ‘de Heerenveense school’. Maar wat was dat? Wat was het geheim van al die eigenzinnige talenten in die kleine biotoop van ‘het Friese Haagje’. Het waren de jaren zestig, toen de Friese ruimte met zijn open horizon opeens openbrak naar de grote wereld. Het dorp werd een kosmopolis. Sies was een Fries. Hij sprak ook Fries. En toch had hij iets wat ik nooit goed kon rijmen met Friesland en de Friezen. Die grandeur van hem, die bravoure, dat grote gebaar, dat absolute geloof in de kunst.  Maar misschien ligt dat ook wel aan mijn eenzijdige beeld van de Friezen. Gekoesterde miskenning kende Sies niet. Hij wist wie hij was en liet dat ook graag aan anderen weten. Eigenzinnig, scherpzinnig, zelfverzekerd en vooral trots. Act local, think global, dat deed Sies al voordat die woorden waar ook ter wereld bekend waren. Hij liet de geest waaien in zijn eigen domein. Als was hij – zoals Eeltsje Hettinga het noemde – ‘een New Yorker in Heerenveen.’

***

De uitgave Sies Bleeker, libje yn liende tiid is te bstellen bij Uitgeverij Perio, Willem Winters, 
Beethovenstraat 51, 8916 GE Leeuwarden 
058 – 215 37 73, Email: w.winters@chello.nl.

6 Reacties

Dolph Kessler doet het weer

CIMG2805

Dolph Kessler gisteren in het HCL  bij de presentatie van zijn boek Lviv, stad van paradoxen

In de herfst van 2012 brengt documentair fotograaf Dolph Kessler een eerste bezoek aan Lviv, een stad in het westen van Oekraïne. Hij is meteen onder de indruk. Lviv, vroeger Leopolis, Lemberg, Lwów en Lvov geheten, is één van de mooiste steden van Europa. De historische binnenstad staat sinds 1998 op de Werelderfgoed lijst van de UNESCO. Maar Lviv lag ook jarenlang verstopt achter het IJzeren Gordijn in Oekraïne en ligt middenin de regio die de Amerikaanse historicus Tymothy Snyder als bloedlanden bestempelt: de landen waarbij de Midden-Europese cultuur systematisch is verwoest en waar Stalin en Hitler vrij spel kregen. De meeste inwoners werden vermoord of verdreven. Wonderwel bleef de bebouwing echter grotendeels gespaard. Wat doet zo’n verleden van grootse bloei en gruwelijke neergang met een stad, hoe gaan de huidige bewoners met die erfenis om ?

Dolph Kessler besluit de stad in beeld te brengen en bezoekt de stad vele malen. Met zijn foto’s dringt hij diep in het Lviv van nu door. Dit resulteert in het boek: Lviv, stad van paradoxen dat gisteren werd gepresenteerd in het HCL te Leeuwarden. Journalist Michiel Driebergen, stedenbouwkundige Kees van Ruyven en filosoof Ruud Meij gaan in drie boeiende essays in op de geschiedenis, het heden en de toekomst van Lviv. Herman Zonderland tekende een aparte kaartenbijlage. Zij maakten dit boek tot een liefdesverklaring aan deze onontdekte parel in het midden van Europa. In de tentoonstelling in het Historisch Centrum Leeuwarden wordt de lijn van het boek gevolgd en worden plekken en personen geportretteerd die met de dramatische geschiedenis van Lviv te maken hebben. Als deelproject wordt een specifiek aspect van Lviv getoond: portretten van passagiers in bussen en tram

foto0001_Dolph+Kessler+Fotografie-De+stad+anno+2014+22DSC1897aresizejpg_1408366177

Hieronder het verdere programma van tentoonstellingen en boekpresentaties.

Opening donderdag 18 september – Foto tentoonstelling in WOW Amsterdam
WOW Amsterdam is een nieuw culturele platform in Amsterdam (Bos en Lommer)
De tentoonstelling wordt om 17.00 geopend door Chris Kijne, journalist bij de VPRO.
Adres: Wiltzanghlaan 60 Amsterdam.

Boekpresentatie zaterdag 20 september – Openbare Bibliotheek Amsterdam

Tijdens deze bijeenkomst zal de stad Lviv centraal staan. Tevens wordt de “Vrienden van Lviv” opgericht.
Het programma start om 14.30 met enkele korte presentaties die overgaan in een talkshowonder leiding van Felix Rottenberg.
Aan deze talkshow doen de samenstellers van het boek mee alsmede Marc Jansen en Heleen Zorgdrager.
Rond 16.30 wordt het boek gepresenteerd. Tot 18.00 uur borrel.
Adres:  Oosterdokskade 143, Amsterdam

17 – 20 september – Deelname aan Unseen book market

Tijdens Unseen, de fotomanifestatie in Amsterdam van 17 tot 20 september,zal het boek gepresenteerd worden op
de Unseen book market voor onafhankelijke uitgevers.
Adres: terrein van de Westergas fabriek / zuiveringshal.

10 – 14 september – Lviv Book Forum

Het boek Lviv, stad van paradoxen verschijnt ook in een Oekraïens / Engelstalige editie en wordt gepresenteerd tijdens het Lviv Book Forum.

Vrienden van Lviv

Bij de Vrienden van Lviv is iedereen welkom die de stad Lviv een warm hart toedraagt.
Het is te beschouwen als een netwerk van mensen met een gedeelde belangstelling voor alles wat met Lviv te maken heeft en
die daarom graag met elkaar informatie en gedachten uitwisselen.
Dat zal georganiseerd gaan worden via het internet, bijeenkomsten en excursies.

——————————————————————————
Voor meer informatie over het boek zie www.dolphkessler.nl en www.michieldriebergen.nl

Voor meer informatie over de actuele toestand in Oekraïne bezoek de weblog van journalist Michiel Driebergen, één van de auteurs van het boek.
zie www.michieldriebergen.nl

10603446_926293350717683_7322986318747342504_n

2 Reacties

Modernisme en herinnering

4 april, 1980(3)0001

(Foto: Aart Klein)

In het tijdschrift De Tsjerne (jaargang 1954) citeert Fokke Sierksma een Friese psychiater die zijn praktijk had in Groningen: ‘In Fries moat om geestelijk soun te wurden nei Grins farfarre.’ Tiny Mulder legde deze woorden voor aan Jan Wybenga, in een vraaggesprek dat is opgenomen in haar boek Hwer hast it wei? (1971). De Fries Fokke Sierksma wilde voor alles een kosmopoliet zijn. En kosmopoliet zijn betekende in zijn tijd voor alles ‘modern zijn’. Zelf was hij vanuit Friesland de grote wereld ingetrokken, maar tegelijk bleef hij zijn hele even een zwak voor Friesland houden. Als er één heimwee naar Friesland heeft gehad, dan was het Fokke Sierksma. ‘De minske wolle ornaris wêze hwer’t se net binne’ staat op een tegeltableau in de hal van het station in Leeuwarden. Wie uit Friesland de grote wereld intrekt word vroeg of laat overvallen door heimwee niet alleen naar it heitelân, maar ook naar een tijd toen de wereld nog een geheel was. Dat was de premoderne wereld waarin alles zijn vaste plaats had. Past het modernisme eigenlijk wel bij Friesland? Is niet alles waar het modernisme voor stond strijdig met het Fries eigene? Of hangt dat ‘Fries eigene’ juist samen met de mate waarin deze regionale cultuur weerstand biedt aan modernisme en kosmopolitisme?

In feite zijn er drie manieren waarop een regionale cultuur met een sterke hang naar een eigen identiteit het modernisme tegemoet kan treden: (1) volledig integreren c. q. assimileren; (2) totaal verwerpen en isoleren; en (3) compartimenteren, d.w.z: deels verwerpen en deels integreren, zodat een eigen variant van modernisme ontstaat. Vanuit die optiek zijn er wellicht heel wat parallellen te trekken tussen allerlei regio’ in Europa als het gaat om de houding die zij innamen ten aanzien van het modernisme. Sinds de jaren zestig is de visie op het modernisme – onder invloed van de destijds opkomende formele kunst- en literatuurbeschouwing – vooral gefocust geweest op begrippen als ‘vorm’ en ‘experiment’. In de moderne literatuur, zo luidt dan de redenering, werd de vorm gesoleerd. Het ging niet langer om een esthetica van de representatie in dienst van een hoger doel, maar om de esthetica van de onmiddellijke presentatie zonder enig doel. In de vorm uitte zich een subliem moment van tegenwoordigheid, dat zich onttrok aan de traditionele visies op de esthetische ervaring die verbonden waren met christelijke of platonische boven- of achter-werelden.

In het moderne kunstwerk – zo werd voortaan gedacht – werd een nieuw soort quasi-religieuze gewaarwording manifest gemaakt, die niets met de metafysica van het christendom te maken had. De esthetische ervaring werd – zoals Borges het ooit heeft verwoord: ‘een ophanden zijnde onthulling die zich niet voltrekt.’ Moderne kunst en literatuur hadden een esthetica zonder God. Het modernisme kende geen heimwee naar een metafysische oorsprong, maar wel een verlangen naar en utopisch ideaal in de toekomst. Maar zowel dat heimwee naar een oorsprong in het verleden, als dat verlangen naar een vervolmaking in de toekomst, kende een bestemming, een basaal punt van oriëntatie. Om die zin stonden heimwee en utopie haaks op de altijd veranderende flux van de tijd, het eeuwig stromen, het panta rhei.

Panta rhei (Grieks: πάντα εῖ) is een bekende uitspraak van de Griekse filosoof Heraclitus.. ‘Men kan niet tweemaal in dezelfde rivier stappen’ Toch wordt ook wel beweerd dat deze uitspraak niet afkomstig zou zijn van Heraclitus zelf, maar – hoe kan het ook anders – van Plato. Alles komt van Plato, zelfs deze goddeloze gedachte die strijdig is aan zijn eigen denken. Plato zou de heraclitische filosofie verkeerd geïnterpreteerd hebben. Hij dacht dat al het zintuiglijke, dat zich in steeds wisselende gedaanten voordoet aan de mens, dermate aan verandering onderhevig is dat het door de geest niet gekend kan worden. Er moet iets zijn dat beklijft, iets waar alles uit voortkomt, de oerbron van het Zijn. Het modernisme heeft die herinnering aan de zuivere bron aan het begin verplaatst naar een verwachting naar een utopische volmaaktheid die de vooruitgang in petto zou hebben.

Er zit iets van een klassiek drama in het ontstaan van het modernisme. Iets van een tragisch afscheid. Met de vooruitgang van het modernisme begint ook de herinnering aan het verleden, zoals ooit het gesproken woord heeft plaats gemaakt voor het schrift. In de tijd van Plato had het geschreven woord een nieuwe ruimte in de geest gecreëerd.. Dat was een ruimte die het tribale gemeenschapsverband – ‘de mienskip‘ – voor het eerst deed vervluchtigen in een programma voor de geletterde mens. Zo ontstond de platonische ‘achterwereld’ van de Ideeën. Daarvoor waren de Grieken volwassen geworden dankzij de tribale en orale wijsheid van de stam. Zij kenden hun Homerus uit het hoofd, precies zoal Tsjêbbe Hettinga als een blinde Homerus zijn verzen declameerde. Plato was in feite de eerste modernist die lineair dacht over de tijd. De pre-socratici waren pre-modern. Zij dachten alleen nog in cirkels.

4 april, 1980(3)0001

Friesland, jaren vijftig. (foto: Bas den Oudsten)

Toch is dat maar ten dele waar, want ook het modernisme had in filosofisch opzicht een platonische, en daarmee semi-religieuze kern. Plato formuleerde voor eerst een filosofie van de metafysische herinnering, de leer van de kenbare, eeuwige oer-structuren die achter de vluchtige werkelijkheid schuil zouden gaan. In de beeldende disciplines van het modernisme ging het primair om de formele structuur die aan de zichtbare werkelijkheid vooraf ging. Het formalisme is voortgekomen uit een stroming in de kunst, die de zuiver visuele aspecten heeft geïsoleerd. Ze is ontstaan in de tweede helft van de negentiende eeuw als een reactie tegen het bourgeois academisme dat dreigde te vervallen tot kitsch en entertainment. 
In deze reactie werden twee opvattingen over artistieke expressie met elkaar verbonden: (1) Zij uit zich alleen in termen van het ‘zuiver visuele’. En (2): Zij is gericht op een onmiddellijke ervaring van ideeën, de ‘Eidos’ in platonische zin, die superieur is aan de werkelijkheid.

Deze tendens is al bespeurbaar bij de Pre-Raphaeliten, en komt verder ook bij de Nabis, het post-impressionisme, het symbolisme en het syntheticisme tot uiting. Bovendien legde dit samengaan van de geïsoleerde vorm en de vorm als teken voor het 
idee de basis voor zowel de abstracte kunst als de theorie van 
het formalisme, waarbinnen de verbondenheid van deze ideeën bleef 
voortbestaan. Abstracte kunst en formalisme kwamen dus voort uit dezelfde oorsprong en in hun onderling analoge ontwikkeling bleven zij de verbondenheid van deze ideeën bij elkaar bevestigen. Vanuit het formalisme is het kunstwerk een ordening van vormen die door hun proportionering en onderlinge relaties een ideële
 afkorting of substraat van de werkelijkheid zichtbaar maken, die hieraan superieur is.

Het begrip ‘inhoud’ heeft hier in filosofisch opzicht een ideële betekenis: de ‘Eidos’ die door de 
vorm onthuld moet worden. Maar deze inhoud ligt niet op het niveau van de werkelijkheid zelf. Wat het formalisme negeert is de inhoud als een directe verwijzing naar de werkelijkheid en niet noodzakelijk verbonden met de vorm. Voor 
deze inhoud – een verbeelding, parodie of kritiek, of een directe
confrontatie met de werkelijkheid – heeft formalisme geen oog. De ideële inhoud van het moderne kunstwerk impliceert ook een moeilijke toegankelijkheid. De kunstenaar moet via zijn inspiratie de relaties voelen, en de beschouwer moet worden bekeerd tot een synthetische of impliciete vorm van esthetisch gewaarworden.

Voor de literatuur lag het credo van het modernisme niet zozeer in de formele reductie tot taalteken als zodanig, maar in het geloof dat een literair kunstwerk een eigen presentie heeft, een eigen authentieke aanwezigheid in een talig domein, al dan niet als uitdrukking van een oorspronkelijk subject dat toegang heeft tot een – tot op zekere hoogte – kenbare of uit te drukken werkelijkheid. Het probleem van de modernisten lag in de vraag hoe je een innerlijke werkelijkheid op formele wijze zichtbaar of ervaarbaar kon maken voor anderen. In zijn essay Hamlet and his problems (1920) schreef T.S. Eliot over een ‘objectief correlatief’, een element in een literaire tekst (i.c.: een reeks objecten, een situatie of een keten van gebeurtenissen), dat de formule zal zijn voor een specifieke emotie (van de auteur), zodat de emotie – als de uitwendige feiten gegeven zijn, die in een zintuiglijke ervaring moeten resulteren – onmiddellijk (bij de lezer) wordt opgeroepen.

Toch was dit ‘objectief correlatief’ – ondanks zijn onmiddellijke presentie – in feite representerend van aard, niet zozeer omdat een modernistische, literaire tekst op enigerlei wijze de wereld weerspiegelt, maar omdat een talige representatie van een mentale toestand van de auteur door een lezer als zodanig herkend kan worden. Maar het bestaansrecht van dit ‘objectief correlatief’ werd door de modernisten niet betwist. Zij gingen er vanuit dat het taalteken als zodanig niet alleen feiten kan afbeelden, maar ook emoties kan oproepen, bijvoorbeeld in een gedicht. Verstand en gevoel – zo ontdekte men – lopen in het afbeeldingsproces van de taal nogal eens door elkaar heen. De filosoof Wittgenstein probeerde aanvankelijk nog de afbeelding van feiten en het oproepen van emoties uit elkaar te houden, om te voorkomen dat deze twee registers werden verward. Zo ging ook zijn Tractatus (1921) nog uit van een ‘objectief correlatief’ tussen de woorden en de ‘betekende dingen’, een relatie die weliswaar arbitrair was, maar in een verhouding van één op één in ‘atomaire feiten’ te analyseren viel.

4 april, 1980(3)0001

Leeuwarden, 1957. (foto: Bas den Oudsten)

In het modernisme was het subject nog niet dood. Alleen God was dood, tenminste bij de échte modernisten, die vorm en experiment hoog in het vaandel hadden. Maar er waren ook nog heel wat modernisten die in zoiets als God bleven geloven. Gaandeweg raakte hun aandeel in het debat uit beeld, zeker na de Tweede Wereldoorlog, toen de moderne esthetica steeds meer als een talig communicatiesysteem – in de zin van Wittgenstein – werd opgevat. De psychologie maakte definitief plaats voor de semiotiek en zo kwamen vorm en experiment steeds meer als exclusieve kenmerken van het modernisme naar voren. Het idee dat er ook een meer traditionele hoofdstroom binnen het modernisme heeft bestaan raakte zo buiten beeld.

Kenmerkend voor deze perspectiefvernauwing is de studie van J. J. Oversteegen Vorm of Vent uit 1969. Hij behandelt hierin het cruciale debat over vorm of vent in de jaren dertig, maar gaat daarbij slechts indirect in op de levensbeschouwelijke discussies die hiermee annex waren. Oversteegen gaat ook in op het brede spectrum christelijke auteurs uit het interbellum, maar is daarbij niet zozeer inhoudelijk geïnteresseerd in hun levensbeschouwing, als wel in het verband dat er bestond tussen die levensbeschouwing en hun opvatting over de modernere esthetica, in casu de verhouding tussen vorm en vent. Anders gezegd: modernistische literatuur is autonoom en heeft niet inhoudelijk met religie of levensbeschouwing van doen.

Moderne poëzie was de poëzie van het autonome woord. Of zoals Paul Rodenko het ooit verwoordde: ‘Het woord niet als weergave van de werkelijkheid, maar als schepping van de werkelijkheid – en als zodanig middelaar tussen geest en stof, tussen ideaal en werkelijkheid.’ Vergelijkbare formuleringen zijn op het terrein van de beeldende kunsten te vinden, bijvoorbeeld in de woorden van de futurist Boccioni, die het centrale kernpunt van de dingen wilde ontdekken en herscheppen om zo een onzichtbare verbinding te leggen tussen ‘de zichtbare plasticiteit’ en de ‘oneindigheid van de innerlijke plasticiteit.’ Telkens weer werden het ‘buiten’ en het ‘binnen’ op een nieuwe wijze met elkaar verbinden.

Die nieuwe verbinding werd niet langer bepaald door de wetten van de weerspiegeling, de mimesis, de representatie, maar door de wetten van de presentatie, d.w z.: het in essentie aanwezig stellen van de vorm in het hier en nu. De modernisten wilden béélden, niet vér-beelden. Men wilde de taal van het heelal voortbrengen die boven de zichtbare werkelijkheid uitging. Het was een universeel, kosmopolitisch adagium, want de autonomie van woord en beeld werd opgevat los van de specifieke kwaliteiten van landstaal of streektaal. ‘De kunst heeft geen land,’ zei Eric Satie, ‘ze niet rijke genoeg om een te hebben.’

Er zijn Friese dichters – en Jan Wybenga is daar een van – die dit modernistisch adagium een draai welden geven door het specifiek toe te passen op de muzikale kwaliteiten van de Friese taal. Daarmee gebeurt er iets merkwaardigs. Je steelt de kroonjuwelen van het modernisme om een hersteloperatie voor de Friese taal uit te voeren. Die onderneming is tweeslachtig. Enezijds leun je op de schouders van experimentele, zoals de Vijftigers, anderzijds  probeert dat te maskeren door je eigen Friese betrokkenheid op de wereld en de muzikaliteit van de Friese taal als vertrekpunt te nemen.

Overigens voelde Jan Wybenga zich niet aangesproken door de bewering van Sierksma, dat je maar beter naar Groningen kunt verhuizen, om als Fries ooit geestelijk gezond te kunnen worden. Die woorden gingen volgens Wybenga slechts op voor een Fries met typisch Friese eigenschappen, en die heb je alleen als beide ouders ook Fries zijn. De vader van Wybenga was een Fries, maar zijn moeder kwam uit Twente en had zelfs een tijdje in Amsterdam gewoond. Wybenga zelf groeide op in Noordwolde, ook niet bepaald het geestelijk hart van Friesland.

4 april, 1980(3)0001

Obe Postma (1868-1963), maart 1958. (foto: Bas den Oudsten)

En toch steekt er veel waarheid in de woorden van Sierksma. Blijven wonen in je eigen geboortestad of -streek is niet aan te bevelen voor iemand die vóór alles een kosmopoliet wil zijn. De metropool is en blijft de ideale toegang tot de kosmospolis. Het gaat je benauwen die rurale horizon die altijd al was zoals hij was en ook moet blijven zoals hij altijd geweest is. Grote schrijvers verlieten hun geboortegrond, om vervolgens een web van goud te spinnen uit hun eigen herinneringen aan hun geboortergrond. Neem de modernist bij uitstek, James Joyce, die wegtrok uit Ierland, maar zijn leven lang over Dublin bleef schrijven. Indrukken uit de vroegste jeugd 
vormen in het algemeen een 
schatkamer voor schrijvers en dichters. In A la recherche du temps perdu beschrijft Proust hoe het silhouet van 
de torenspitsen van Combray, waar hij 
zijn jeugd doorbracht, hem als een 
visioen verschijnt. De geur of de smaak van een 
koekje kan een drager vormen van een wereld vol 
halfvergeten herinneringen.

Het terugzien van de omgeving van je jeugd kan een verrijkende 
ervaring zijn, zoals ook Obe Postma 
beschrijft in zijn gedicht To Harns hoe hij weliswaar geen ander mens wordt, maar toch niet helemaal 
dezelfde is gebleven als hij op zijn 
ouwe dag een reis naar Harlingen heeft 
gemaakt. Jan Wybenga was een groot bewonderaar van Obe Postma. Toen hij als dichter begon, kende hij alleen maar het werk van Postma, zoals hij aan Tiny Mulder liet weten. Andere Friese dichters kende hij alleen uit bloemlezingen. Bij Postma ontdekte hij dat je grote poëzie, zoals die van Rilke en Emily Dickinson, gewoon in het Fries kunt weergeven. Die bewondering voor Postma was met het klimmen der jaren wel wat verbleekt. Het kwam allemaal neer op de eenheid van alles: verleden, heden en toekomst, de mensen door de tijden heen. In die zin kan zelfs de herinnerig aan de harmonie van de geboortegrond iets platonisch in zich hebben. Dat heimwee is van alle tijden en zal waar ook ter wereld altijd weer opduiken. Misschien geldt dat ook wel voor het modernisme, en zelfs voor de leer van Plato die hij zelf nooit had opgeschreven en die niettemin nooit verloren zou gaan. [1]

*****

[1] In zijn boek  Space, Time and Architecture (1941) verwijst S. Giedeon naar een apocriefe brief van Plato die tegenwoordig voor authentiek wordt gehouden, waarin Plato zelf iets dergelijks beweert. Hij zou een bepaalde doctrine van zijn leer niet schriftelijk hebben vastgelegd en dat zou hij ook nooit doen. ‘Niettemin zou zijn leer, zo zei hij, nooit verloren gaan. In de menselijke ziel zou “doordat zij door deze dingen wordt geabsorbeerd en doordat zij er voortdurend mede in contact staat”, deze leer plotseling weer oprijzen, “zoals een vuur door een springende vonk wordt ontstoken en tot een 
lichtende vlam oplaait”’. Volgens Gideon is het met de vorming 
van ons cultureel bewustzijn op dezelfde wijze gesteld. ‘Het kan eensklaps ontwaken, doch 
nooit zal dit geschieden, tenzij wij beginnen “door deze dingen geabsorbeerd 
te worden”, de sterke wil tot innerlijke verandering aankweken en ons met vooruitziende blik op deze hergeboorte voorbereiden.’

4 Reacties