Camus als spiegelbeeld

Wie schrijft verdubbelt zichzelf voortdurend, waardoor het echte leven iets van zijn echtheid verliest. Dat is de voorwaarde, maar ook de tragiek van het schrijverschap. Wie schrijft die blijft. Maar wie echt leeft, schrijft niet. Schrijven is een afwijking, een splitsing, een verminking van het leven. Wie schrijft kijkt voortdurend in de spiegel en denkt dat zijn spiegelbeeld het echte leven is. Toen Karuna opstond en zijn tanden ging poetsen verbeeldde hij zich even dat hij zijn eigen spiegelbeeld was die achter de spiegel vandaan was gekropen. Zijn linker hand was voortaan zijn rechter en zijn rechter zijn linker. Gelukkig zat zijn hoofd nog altijd boven en het hoofd van zijn spiegelbeeld ook.

Maar hoe kwam het dan, dat links en rechts gespiegeld waren en boven en onder niet? Opeens drong het met een schok tot hem door, dat iedereen op zijn kop liep. Sterker nog, hij liep zelf ook op mijn kop en daarom was zijn spiegelbeeld niet upside-down gespiegeld. Maar de spiegel had gelijk. Zijn spiegelbeeld stond wel degelijk op zijn kop. Hij vergat telkens weer dat zijn spiegelbeeld een halve radslag voorover moest maken, om in zijn eigen, ontspiegelde positie te komen.

Er komt een leeftijd’, schreef Camus, ‘dat een mens verantwoordelijk wordt voor zijn eigen gelaatstrekken.’ Dat lijkt een boude bewering, een slagzin bijna, waarin de hele existentialistische levenshouding van Camus wat al te pakkend is samengevat. En toch, er zit een kern van waarheid in die woorden. Karuna had iets met Camus. Als hij ’s ochtends zijn gezicht in de spiegel zag, was hij in eerste instantie geneigd de ontbrekende tand van deze tijd verantwoordelijk te houden voor zijn nog pijnlijk jeugdige uiterlijk. Hij had graag wat meer diepe rimpels gehad. Ook al werden op zijn voorhoofd wat aarzelende lijntjes zichtbaar, waarin hij soms vaag een schaakbord kon zien, dat patroon haalde het niet bij de diepe denkrimpels op die prachtige foto achter op de De mens in opstand, zijn eerste literaire reuzenpocket die hij zo’n vijftig jaar geleden als middelbare scholier had gekocht.

Camus kijkt daar niet in de richting van de camera, maar een beetje naar benden, alsof hij vanaf het balkon van een schouwburg een blik werpt op het podium, waar de tijdgeest kennelijk in hoogst eigen persoon ten tonele wordt gevoerd. Zijn gezicht wordt van onderen aangelicht op een manier die zich onmogelijk in de alledaagse realiteit kan afspelen, misschien niet eens in het theater. Het clair-obscur van dit geënsceneerde effect geeft dit portret een tijdloze lading, alsof het geschilderd is door Georges de la Tour met de bedoeling nog eeuwen mee te kunnen.

Die onzichtbare lichtbron moet destijds een diepe indruk hebben nagelaten in het ontluikende zielenleven van menig vroegrijpe adolescent. Duidde dat licht niet op een diep verborgen geheim, iets wat de schrijver zag, maar je als lezer niet onder ogen kon krijgen. Camus leek iets te weten dat niet voor gewone stervelingen bestemd was. Je kon het alleen maar raden, proberen te lezen in die merkwaardige uitdrukking op zijn gezicht, in die aandachtige en tegelijk aanwezig blik, gekweld en toch vol mededogen, ogen die zowel naar buiten als naar binnen leken te staren, maar bovenal in die indrukwekkende groeven op zijn voorhoofd. Daar openbaarde zich wat je noemt een schaakbord in het kwadraat. Het waren de sporen van een diep doorleefd bestaan, die Karuna nu – vijf decennia droever en wijzer – in zijn eigen gezicht zo mist. Leek hij maar een beetje op Camus! Hij was nu al weer twintig jaar  ouder dan Camus ooit was geworden. En toch, aan zijn eigen voorhoofd zag hij het niet af.

Rond zijn zeventiende jaar was De mens in opstand voor Karuna een soort cultboek geweest. Met veel moeite had hij het helemaal uitgelezen, of beter gezegd gespeld tijdens een kampeervakantie in Frankrijk in de zomer van 1965. Dat jaar ging hij met enige tegenzin voor het laatst met zijn ouders mee. In hun ogen was Frankrijk vooral het land van Lourdes en Bernadette, wier gebalsemde lichaam lag opgebaard in Nevers. Afgezien van die twee verplichte bedevaartsoorden was het ook een toeristisch paradijs, waar je me een Fiat 600D precies in een maand helemaal doorheen kon rijden. ‘Fiat lux!’ placht zijn vader te zeggen. Hij kon zich echter een meer comfortabele vorm van pelgrimage voorstellen. Lezen op de achterbank van dat kleine vehikel was beslist geen sinecure en voor een verblijf op een camping municipal werd doorgaans maar één nacht uitgetrokken. Het aangename diende ook in de zomer met het nuttige te worden verenigd.

Er was immers altijd nog meer te zien. Romaanse kloosters, Romeinse aquaducten, prehistorische grotschilderingen, Uit dat oogpunt vormde het in etappes lezen van De mens in opstand een perfecte ontsnappingsroute die niet op de kaart van zijn vader stond aangegeven. Karuna zag het dan ook als een daad van metafysisch verzet tegen de sterren van Michelin. ’Ik verzet mij, dus ik besta’, zei jij zijn grote meester na. De Gorges du Tarn konden hem gestolen worden. De Pont du Gard kon de pot op. Hij was immers rijp voor de wijsbegeerte. Wat was passender dan deze verplichte ‘grand tour’ onder ouderlijk toezicht te combineren met een hoogst persoonlijke tour d’horizon door de wereldliteratuur, met zijn geliefde filosoof als gids voor onderweg.

Karuna had zich voorgenomen om elke dag één hoofdstuk verder te komen. Zo had hij Lucretius onderweg naar Amiëns leren kennen. Pascal in de buurt van Chateauroux, Markies de Sade in Lourdes en Nietzsche even voorbij Béziers. Nog altijd riepen die  namen van schrijvers, die hij in dit boek voor het eerst had ontmoet, plaatsnamen in herinnering en kon hij tot op de dag van vandaag de geschiedenis van de filosofie globaal indelen in Franse departementen. De wegen van het geheugen zijn duister en ondoorgrondelijk. Kijkend naar een touretappe op tv herkende hij nog wel eens een brug. Dan kon het gebeuren dat hem opeens een rebelse passage uit De mens in opstand te binnen schoot, de blasfemische woorden bijvoorbeeld van één van die zonen van Kaïn die hem voorgoed verdreven hadden uit de Hof van Eden die zijn jeugd tot dan toe was geweest.

Dan hoorde Karuna opnieuw hoe Markies de Sade een aanslag op de schepping beraamde, de loop van de sterren wilde verstoren, het heelal zou verpulveren tot stof. Een rotschop voor de kosmos, als een aanval van miljoenen atoombommen. Dan zag hij zichzelf daar staan, een steen naar de hemel gooien en nog één keer vloeken: ‘Godisdoodverdomme!’ Waarom had niemand hem dat verteld? Waarom moest hij daar uitgerekend hier achter komen, ver van huis rijdend in een te kleine auto, alsof mijn hele jeugd werd samengeperst in dit benauwde koekblik op wielen.

Zo werd de laatste zomer in het paradijs van zijn vader een seizoen in de hel. ‘Je suis une poupée de cire, une poupée de salon‘, hoorde je de hele dag op de autoradio. Er was iets met dat liedje. De stem van France Gall had een ongekende aantrekkingskracht. Ze klonk als de lokroep van een Sirene. Alsof ze speciaal voor hem zong en hij haar alleen kon horen, hij die als een smachtende Odysseus zat vastgebonden aan de mast, zonder was in zijn oren zoals mijn dove ouders op de voorbank. Hoe het ook zij, hij voelde zich  moederziel alleen op deze godverlaten aardkloot, als een wassen beeld in een wereld van karton.

Naarmate Karuna vorderde in zijn opstandige lectuur, groeide niet alleen zijn woede jegens de Schepper die schitterde door afwezigheid, maar ook zijn bewondering voor mijn denkbeeldige reisgenoot die onverstoorbaar verder trok langs kronkelige paden in het hooggebergte van de geest. Camus werd zijn heilige zonder God… in Frankrijk. Hij was te jong om hem nog tijdens zijn leven gekend te hebben, maar ook al oud genoeg om de mythe rond zijn persoon niet te kunnen ontlopen. Hij had de leeftijd waarop hij de gave ging verliezen om de dingen te zien zoals ze niet zijn, maar zich ook hardnekkig bleef verzetten tegen het onvolwassen verlangen volwassen te zijn.

In dat wankele evenwicht bood deze eenzame wijsgeer houvast. Hij was zijn maatje voor onderweg, zijn puberaal idool in het tranendal van dit bestaan. Hij viel voor die blik van hem die wegkijkt in een onbestemde verte. Uit die ogen sprak een heroïsche vorm van humaniteit. Want heroïek was toen nog heel gewoon. Met de regenjas nog aan, staand voor een boekenkast, vormde zijn rijzige gestalte het beeld bij uitstek van de charismatische vreemdeling. Want dat hoort een schrijver te zijn, dacht hij, een vreemdeling in de meest letterlijke zin van het woord. Ver van huis en juist daarom dichtbij. Hij keek je niet aan, maar je wist dat zijn blik niet alleen de Middellandse Zee had gezien, maar ook de diepste spelonken van de menselijke ziel. Zo’n schrijver kijkt ook niet. Hij schouwt.

Karuna hield van Camus, misschien nog meer van zijn gezicht dan van zijn werk. Het waren alleen zinnen die hem bijbleven, nooit de lijn van zijn betoog. Eigenlijk was het vooral de toon die dit proza voor hem tot literatuur verhief. Een toon die opeens kon doorklinken in het geluid van een oerzee die zonder ophouden op hetzelfde strand dezelfde wezens werpt, verbaasd te leven en onophoudelijk dezelfde woorden sprekend. Of in die smartelijke woorden over de waanzin van Nietzsche als bleek dat Dionysus’ naam slechts de dithyramben aan Ariadne onsterfelijk had gemaakt. Wanneer de echo van zo’n ronkende zin was verstomd, werd hij bevangen door een eerbiedige stilte, dezelfde gelatenheid die je opeens kon aantreffen op een marktplein in de middagzon.

De stilte van Saint Yrieux bijvoorbeeld, zo’n dorpje onderweg, waar je doorheen reed om nooit meer terug te komen. Krampachtig probeerde hij die plaatsnamen in zijn geheugen op te slaan, terwijl hij met zijn potlood de zinnen onderstreepte die zijn verwondering hadden gewekt. In dat soort zinnen van Camus zat ook een vreemd muziekje. Ze bleven hangen in je hoofd alsof je ze stilletjes mee kon neuriën, altijd maar denkend aan dat hoge voorhoofd, beroofd van herinneringen aan een verloren vaderland en van de hoop op een beloofd land (opnieuw met potloodstreep).

Camus was een idool dat alles mee had, zelfs een tragische dood. Soms zag hij zijn milde glimlach in een flits voor zich, voor eeuwig bevroren op een wonderlijk ongeschonden gelaat tussen het verwrongen plaatijzer van een autowrak. Die fatale crash had nog maar vijf jaar tevoren plaatsgevonden op een lage rechte weg in het departement Seine et Marne. Vier januari 1960, zo dacht hij bij zichzelf op de krappe achterbank van zijn vaders Fiat, moest de dag zijn geweest dat de filosofie was doodgegaan. Camus keek de wereld in zoals James Dean dat ook had gedaan. Met de kraag omhoog, zo had hij hem het liefst voor ogen, lopend op straat, nooit op de stoep maar altijd dwars door de plassen zonder ooit natte voeten te krijgen.

Hij was een spiegelbeeld, waarin hij alles kwijt kon, ondanks – of misschien wel omdat – hij hem nooit precies begreep. Dat hoefde ook niet, want alles wat zijn bevattingsvermogen te boven ging behoorde immers tot het domein van het absurde. Zonder de menselijke geest, zo leerde zijn gids, kon het absurde niet bestaan. Het zat in het denken zelf en dus ook in hem. Het was een vicieuze cirkel, het rotsblok van Sisyphus. Die eindeloze arbeid stond hem helder voor ogen bij het lezen van al die duistere passages die hem heel wat keren uit het raampje van de auto deden staren.

Het was in Nevers, waar Karuna aan het laatste hoofdstuk begon van De mens in opstand. De camping lag aan de oever van de Loire, waarin het water loom voorbij stroomde, slechts gehinderd door wat kleine eilanden, begroeid met struikgewas. ’s Avonds als hij de lantaarns van de stad zag oplichten en de lucht rood kleurde boven de torens van de kathedraal, vermengden de woorden van Camus zich met de herinnering aan het bleke gezicht van Bernadette. Hij had haar zien liggen in een glazen sarcofaag. Streng verboden te fotograferen stond bij de ingang van de kapel.

Haar huid leek van albast, haar oogleden zwevende vliezen waar niets meer onder zat. Geen ogen in ieder geval die het stralende licht van de heilige maagd hadden gezien, alleen maar opgevulde holtes en daarachter een lege schedel. Ze had hem doen denken aan Sneeuwwitje, voor duizend jaar wegdromend om wellicht ooit te worden wakker gekust door een verre prins. Haar laatste woorden leken op haar lippen bestorven te liggen. Heel even meende hij ze nog te horen, fluisterend zacht maar duidelijk verstaanbaar. ‘Hiroshima mon amour, poupée’de cire, poupée de son.’

Woedend was hij, maar op wie? Het liefst had jij die pop van was zien verpulveren in het verblindend licht van zijn flitser. Als Sade had hij de loop van de sterren willen verstoren om één moment haar naakte lichaam te zien, haar te verkrachten onder de ogen van al die beminde gelovigen die van heinde en verre gekomen waren om het wonder van haar ongeschonden gelaat te kunnen aanschouwen. Maar haar lichaam was dood, morsdood, nog doder dan de stad Nevers, waar in honderd jaar niets veranderd leek.

Op weg naar huis zag Karuna alles wat hij gelezen had nog één keer aan hem voorbijgaan, de vreemde muziekjes in al die prachtige zinnen van Camus voegden zich aaneen tot een weemoedige melodie in een treurige, maar diep menselijke nouvelle-vaque film. Aarzelend tussen heimwee naar Frankrijk en heimwee naar huis had hij medelijden met zichzelf. Beroofd als hij zich voelde van de kleine geborgenheden van mijn jeugd, verlangde hij naar zijn eerste vakantie zonder Fiat.

Hij wilde Frankrijk zelf ontdekken, zijn eigen heilige plaatsen bezoeken, het graf bijvoorbeeld van Camus op het kerkhof van Lourmarin in het departement Vaucluse. En niet te vergeten het gehucht Villeblevin aan de lange rechte weg tussen Sens en Parijs. De allerlaatste zin van De mens in opstand toonde nog één keer een groots panorama, een nieuwe ziel voor onze tijd, waarvan niets en niemand is uitgesloten, als de mens de mens wil begrijpen en aanvaarden wil de grens door het licht van het heldere denken gesteld (zijn laatste potloodstreep).

Karuna sloeg het boek dicht en keek nog lang naar het hoge voorhoofd op de achterflap, zijn geliefde spiegelbeeld, mijmerend over een nieuwe dageraad na de dood van de filosofie, zonder ook maar een moment te beseffen dat hij een zomer in Frankrijk onder zijn ogen voorbij had zien gaan. Negen maanden later zou zijn vader overlijden en de Fiat worden verkocht.

Reageer

Rouw in tijden van goddeloosheid

Al dagen ben ik bezig met een verhaal dat langzaam vordert. Het wordt een filosofische roman over Camus en Vestdijk. Het verhaal gaat over een man die op latere leeftijd is gaan schrijven. Karuna is zijn naam. Nog niet zo lang geleden heeft hij zijn vrouw verloren, met wie hij veertig jaar getrouwd was geweest. Hij is nu een boek aan het schrijven over het Harlingen van Vestdijk, maar het wordt steeds meer een ‘rouw-journaal’, ‘un journal de deuil’ zoals de Fransen dat noemen. ‘Rouw in tijden van goddeloosheid’, zo zou het moeten gaan heten.

Het boek, dat Karuna schrijft, wordt een soort filosofische zoektocht naar zijn overleden vrouw, terwijl hij onderzoek doet in het Harlingen van Vestdijk. Dat alles leidt tot een debuutroman die na verschijnen wordt bekroond met de Anton Wachterprijs –  de befaamde prijs voor debutanten, die tweejaarlijks wordt uitgereikt door de Vestdijk-kring i.s.m. niet de gemeente Harlingen.

Twee jaar tevoren werd zijn vrouw plotseling ernstig ziek en drie weken nadien overleed zij aan wat in die zwoele septemberdagen van 2016 gaandeweg longkanker met uitzaaiingen bleek te zijn. Ook in die situatie bleef het schrijven voor hem een methode om greep te houden op de werkelijkheid van alledag. Mede op aandringen van anderen schreef hij dagelijks op zijn weblog over de heftige gevoelens van verdriet die hem overspoelden en alle herinneringen die na haar dood bij hem bovenkwamen.  

In de eerste maanden na het overlijden van zijn vrouw had Karuna veel nagedacht over de dood. Hij merkte dat er in zijn leven iets wezenlijks veranderd was. Rouw legde de fundamenten bloot van zijn bestaan. Het was een voortdurend gevecht tussen opstandigheid en aanvaarding. Schrijven werd voor hem een oefening om weerstand te bieden tegen de opstandigheid en ruimte te creëren voor de aanvaarding. In die zoektocht was een plotseling opkomend verlangen naar transcendentie iets wat hem vaak in verwarring bracht.

Misschien zijn religies ooit wel ontstaan door het tragisch besef dat het leven eindig is en als een zeepbel zomaar uit elkaar kan spatten. Het verlangen naar kennis en inzicht streed bij hem om voorrang met zijn verlangen naar vervulling en verlossing. Waar kruiste zijn plotselinge hang naar transcendentie met het intense gemis ervan dat hij in zijn jeugd had ervaren bij zijn afscheid van God? 

Hoe je transcendentie ook definieert, voor hem was dit begrip opeens onlosmakelijk verbonden met de dood. Dat wil zeggen, met alles voorbij de dood, alles wat een mens bedenken kan over ‘gene zijde’, een mogelijk voortbestaan, over iets wat het leven letterlijk overschrijdt. Het gemis daarvan maakte hem opnieuw opstandig, alsof hij andermaal in opstand kwam tegen een God die hij ooit zelf met kracht de deur had gewezen. 

Onderwijl reist Karuna veel naar Harlingen om de stad beter te leren kennen. Hij gaat daar dwalen en al lopend komen herinneringen boven aan zijn vrouw, maar ook gedachten over de dood en hoe het is om te rouwen zonder uitzicht op een hiernamaals. Op die laatste vraag probeert hij een filosofisch antwoord te vinden. Twee boeken wijzen hem daarbij de weg. Het eerste is De toekomst der religie, dat Vestdijk publiceerde is 1947, het jaar dat Karuna geboren werd. Het andere is: De mens in opstand van Albert Camus, dat in 1951 verscheen.

Vestdijk mag dan niet veel over Camus hebben geschreven, maar wat hij schreef is wel belangwekkend  met het oog op het verhaal van Karuna. Bovendien heeft Vestdijk De mens in opstand van Camus zorgvuldig gelezen, want in zijn nalatenschap is een exemplaar van dat boek gevonden met allerlei aantekeningen.

Reageer

Alleen door de dood kan God bestaan

Het exemplaar van het boek L’homme révolté van Albert Camus, dat ooit in bezit was van Simon Vestdijk en door hem van aantekeningen werd voorzien. Universiteitsbibliotheek Utrecht, afdeling bijzondere collecties, zesde etage, woensdag j.l. 10.00 uur.

In de jaren vijftig en zestig werd Camus veel gelezen door theologen. Niet omdat Camus iets over God te melden had. Integendeel. Het aardse geluk was het enige geluk voor Camus en het enige leven was voor hem het aardse. Dat bepaalde ook zijn houding ten aanzien van het christendom.

‘De idee van het katholicisme,’ zo verklaarde hij eens, ‘komt mij altijd bitterzoet over. Ze is verleidelijk, en vervolgens stoot ze me af. Dat komt ongetwijfeld, omdat bij mij het essentiële ontbreekt: het geloof. Persoonlijk voel ik me dichterbij het hellenisme staan. En binnen het christendom, dichter bij het katholicisme dan bij het protestantisme.’

Camus vond dat de mens in opstand moet komen om het aardse geluk te bereiken. Toch was hij ook gefascineerd door het ontstaan van het christendom. Het was ook niet toevallig dat hij voor zijn eindscriptie voor zijn studie filosofie een onderwerp had gekozen dat betrekking heeft op deze periode: het neoplatonisme. Wat hem fascineerde in het christendom waren de raakvlakken met het hellenisme.

In die zin heeft het denken van Camus een raakvlak met de ideeën over het christendom zoals die naar voren komen in het boek De toekomst der religie van Simon Vestdijk. Camus wilde het christendom opnieuw uitvinden, maar dan zonder de metafysische smetten van de laat-klassieke tijd en de dualistische restanten van goed en kwaad die Augustinus erin had achtergelaten. Het christendom had ooit een oplossing gevonden voor elementaire bestaanskwesties als het kwaad, de schuld en de de dood.

Vestdijk schreef De toekomst der religie als een pleidooi voor een waardig afscheid van het christendom, maar tegelijk wees Vestdijk op de grote betekenis die het christendom heeft gehad. Deze religie behoedde de mens immers voor hoogmoed. Hij mag niet zelf ‘de Eeuwige Mens’ worden, anders gezegd: De Übermensch waar Nietzsche voor pleitte. Bovendien bieden de menselijke kennis en de mogelijkheden van de moderne techniek de verleiding om de natuur volledig te gaan beheersen.  Het christendom met zijn vermaning tot nederigheid en naastenliefde weerhoudt de mens ook om zijn eigen vernietiging te bewerkstelligen.

Camus en Vestdijk waren beiden geïnteresseerd in het ontstaan van het christendom, maar ook in het ontstaan van transcendentie. Waarom is de mens in een bovennatuurlijke werkelijkheid gaan geloven? Aan een God die ver boven de mens uitgaat. Camus wees zo’n God af. En ook Vestdijk verzette zich tegen wat hij noemde ‘de religieuze projectie’. Camus koos voor de menselijke solidariteit en oprechtheid en niet voor de morele onduidelijkheid en de schijnheiligheid van het christendom, hoezeer hij dit christendom tegelijk ook bewonderde.

Ook Vestdijk had een tweeslachtige houding tegenover het christendom. In vergelijking met de verschrikkingen van de totalitaire ideologieën van de twintigste eeuw, was het christendom volgens hem een zegen. Camus had zich in de Tweede Wereldoorlog verzet tegen de nazi’s. Vestdijk zat als gijzelaar gevangen St. Michielsgestel, waar hij zijn eerste ideeën ontwikkelde over de toekomst van de religie. Zowel Vestdijk als Camus begonnen horizontaal te denken en in niet langer verticaal. Vestdijk greep zich vast aan de mystiek. Camus aan de liefde en de opstand. Maar wat is het verschil? Beiden citeren uitspraken van de mysticus Meister Eckhart. Zo schreef Camus in De mens in opstand:

‘Als Heathcliff in ‘De Woeste Hoogte’ zijn liefde stelt boven God en de hel vraagt om verenigd te worden met wie hij
 bemint, dan spreekt daarin niet uitsluitend zijn vernederde jeugd, maar
de brandende ervaring van heel een leven. Een gelijke gemoedsbeweging doet meester Eckhart zeggen, in een opwelling van verbijsterende ketterij, dat hij de voorkeur geeft aan de hel met Jezus boven de hemel zonder 
Jezus. Hiertoe beweegt alleen maar de liefde. ‘ 

Zijn er daden die uit de hoogste vorm van liefde voort kunnen komen en die zelfs het hoogste kwaad te boven gaan. Of beter gezegd: zijn er daden die het hoogste kwaad omkeren in het goede? Het is een vraag die al opduikt bij de gnostici in de eerste eeuwen van het christendom. Die vraag zal ook een terrorist of een suïcidale geweldpleger vroeg of laat aan zichzelf stellen. Camus spreekt over ‘de zonen van Kaïn’ die in opstand komen tegen een naijverige, wrede en willekeurige God. Zij beroepen zich op het hoogste goed in naam van alle mensen, en zien in hun daad van verzet het hoogste kwaad als geoorloofd.

Het is een opstand tegen de wrede God van het Oude Testament, een opstand die het christendom met zijn genadeleer van bovenaf juist door iets anders heeft willen vervangen. In plaats daarvan kwam het geloof in de onvoorwaardelijke liefde van God die door het offer van zijn Zoon alle wreedheid in zich terugneemt.

Maar, zo beweert Camus, het is een paradox dat juist ‘de zonen van Kaïn’ deze wrede, willekeurige en naijverige God weer op het podium doen verschijnen. Zij zetten het hoogste kwaad in voor het hoogste goed, maar in die omkering van alle waarden begaan zij zoiets als een ‘heilige zonde’, een antinomie. De wetten van de ethiek worden dan binnenstebuiten gekeerd. Het is de wereld op zijn kop.

Alleen de dialoog met de medemens bood voor Camus uiteindelijk uitkomst voor de problemen van het menselijk bestaan. Zo schrijft hij:

‘Vanuit dit gezichtspunt heeft Socrates gelijk, en niet Jezus. De vooruitgang en de ware grootheid van de mens liggen in een dialoog op het menselijke vlak, en niet in het evangelie, een monoloog die vanaf een eenzame berg wordt uitgesproken’ .

Als het om het christendom gaat onderschreef Camus de uitspraak van Nietzsche: ‘Het christendom heeft maar één christen voortgebracht, en die hing aan het kruis.’ Of zoals Camus het in De mens in opstand verwoordde:

‘De nacht van Golgotha is zo belangrijk in de geschiedenis der mensen, omdat in die duisternis de godheid, openlijk afziende van zijn traditionele voorrechten, tot het einde toe, met inbegrip van de wanhoop, de doodsangst beleefd heeft. Zo kan verklaard worden het Lama Sabachthani, “Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” en de afschuwelijke twijfel van de Christus in doodsstrijd. Deze doodsstrijd zou gemakkelijk zijn, indien hij gedragen werd door de eeuwige hoop. Opdat God werkelijk mens zij, moet hij aangetast zijn door de wanhoop.’

Anders gezegd, alleen door de dood van de mens kan een God bestaan. De spanning tussen ‘zijn’ en ‘niet-zijn’ is het existentiële probleem van het leven zelf. Daar ligt die grens en wie die grens overschrijdt houdt op met helder denken. Leven is pas mogelijk door de mogelijkheid van de dood.

Zo geredeneerd zou de gedachte kunnen ontstaan, dat er misschien dan toch iets van een God zou kunnen zijn, maar dan een God die schuil gaat in het leven zelf, in de onmogelijke mogelijkheid van het niets. De zelfbevestiging van het ‘zijn’ zonder het ‘niet-zijn’ zou niet eens een zelfbevestiging kunnen zijn, maar een onbeweeglijke zelf-identiteit. Het goddelijke ja is niet mogelijk zonder een even goddelijk nee.

Ook Vestdijk was het opgevallen – zoals hij in De toekomst der religie terloops opmerkt – dat alleen in het brein van sommige mystici de gedachte is opgekomen, dat er een merkwaardige contradictie schuil gaat in het christelijke dogma, dat stelt dat God zijn Zoon als mens heeft laten sterven om de mens te redden. Het zou pas waarlijk christelijk zijn als in een dogma werd vastgelegd, dat een mens ook sterven kan om God te redden.

Daar ligt de omkering in het denken over de relatie tussen de menselijke existentie en het mogelijk bestaan van God. Precies op dat punt raken Camus en Vestdijk elkaar.

En toch, Vestdijk had niet zoveel met Camus. De naam Sartre komt meer voor in zijn geschriften. Vestdijk schreef ooit  lovende recensies over de romans L’étranger en La peste van Camus, maar daar bleef het ook bij. Ook in zijn studie De zieke mens in de romanliteratuur verwijst hij naar La peste. Maar in zijn dissertatie Het wezen van de angst, waarin het existentialisme ruim aan bod komt, zwijgt Vestdijk over Camus.

Misschien begreep Vestdijk Camus niet goed. En al hadden beiden de Tweede Wereldoorlog intens beleefd, Vestdijk was vijftien jaar ouder en behoorde haast tot een andere generatie. De levens van deze twee mastodonten gingen grotendeels langs elkaar heen, zelfs in dat bijzondere jaar 1957,  toen Vestdijk voor het eerst werd voorgedragen voor de Nobelprijs voor literatuur, die uiteindelijk aan Camus werd toegekend.

Afgelopen woensdag was ik in de Universiteitsbibliotheek van Utrecht om daar Vestdijks exemplaar van Camus’ L’homme revolté in te zien. Ik heb foto’s genomen van de pagina’s waar Vestdijk aantekeningen heeft geplaatst. Na afloop had ik een gesprek met Dick Vestdijk, de zoon van Simon. Ik kwam met hem in contact door zijn commentaar op mijn blogs over Vestdijk, die ik een tijd geleden schreef.

Dick Vestdijk werkt als bibliothecaris bij de Hogeschool Utrecht in een gebouw dichtbij de Universiteitsbibliotheek. Hij wist mij enkel behartenswaardige dingen te vertellen over zijn vader en gaf mij ook tips om meer te weten te komen over hoe Vestdijk over Camus heeft gedacht.

Werk aan de winkel dus. Ik wil hier iets mee doen.

Reageer

Friesland op zijn smalst

 

__________________________________________________________________

_________________________________________________________

Reageer

Alles van waarde is weerloos

Reageer