Even terug

unnamed

unname11d

unnamsssssed

unna22med

Reageer

Heeft de islam een Voltaire nodig?

Slide1

- ‘Die buitenlanders pikken onze blonde vrouwen af’, zegt u. ‘Die ze dan vervolgens hoeren noemen’.

‘Nee, ik heb het over islamitische mannen die dat doen. Dat is iets anders dan buitenlanders, meneer. Ik sta achter wat Voltaire zegt: ik kan uw mening nog zo abject vinden, maar ik zal uw recht verdedigen om die te uiten. Ik ben ook voor afschaffen van dat rare Grondwetsartikel: gij zult niet discrimineren. Prachtig. Maar als dat betekent dat mensen geen discriminerende opmerkingen meer mogen maken, en die maak je in dit land nogal snel, dat zeg ik: dit is niet goed. Laat mensen die opmerkingen maar maken. Er is een grens en die vind ik heel belangrijk: je mag nooit aanzetten tot fysiek geweld. Dat kan een rechtsstaat zich niet permitteren. Maar als een imam weet te vertellen dat mijn levenswandel volstrekt verwerpelijk is en beneden die van varkens ligt: oké, dan zegt hij dat maar.’

Na deze opmerkelijk uitspraak van Pim Fortuyn, gedaan in een interview voor de Volkskrant van 9 februari 2002, waren de rapen gaar. Het was aanleiding voor ‘De nacht van Fortuyn’, waarin hij uiteindelijk moest opstappen als lijsttrekker van Leefbaar Nederland. Het waren ook boude bewoordingen die Fortuyn had gekozen. De islam zou ‘een achterlijke religie’ zijn. Bovendien was Nederland vol. Er kon geen asielzoeker meer bij. Fortuyn vond dat hij evenveel recht had om dit soort dingen te zeggen, als een imam mocht zeggen dat homoseksualiteit verwerpelijk is. Fortuyn wees op een merkwaardig spanning die er in onze Grondwet bestaat tussen het recht op vrije meningsuiting en het verbod op discriminatie. Het recht op vrije meningsuiting ging altijd voor, volgens hem, waarbij hij zich beriep op woorden van Voltaire, die achteraf helemaal niet van Voltaire bleken te zijn, zoals de Boudewijn Büch kort daarop wist aan te tonen.

De discussie over die woorden van Voltaire lijken weer op te laaien na de aanslag in Parijs op de redactie van Charlie Hebdo. Zowel in de Volkskrant als in de NRC verschenen artikelen over Voltaire. Eind deze week verschijnt een Nederlandse vertaling van Voltaire’s Traité sur la tolerance. Zowel Marc Lijendekker in de NRC als Wilma de Rek in de Volkskrant wezen er op dat deze vermeende uitspraak van Voltaire niet van hem is, maar waarschijnlijk is ontleend aan de Engelse biografe van Voltaire, Evelyn Beatrice Hall, die het boek The Friends of Voltaire schreef. Maar beiden vergaten te vermelden dat Boudewijn Büch eerder al Fortuyn had gecorrigeerd voor dezelfde vergissing. Het gaat om de woorden:

‘Je ne suis pas d’accord avec un mot de ce que vous dites, mais je me battrai jusqu’à la mort pour votre droit de le dire.’
(‘Ik ben het voor geen woord eens met wat u zegt, maar ik zal me tot mijn dood inzetten voor uw recht om het te zeggen’).

Er zijn meer beroemde uitspraken die aan Voltaire worden toegeschreven, maar die hij waarschijnlijk nooit geschreven of gezegd heeft, bijvoorbeeld: ‘Als God niet bestaat, zullen we Hem moeten uitvinden’. Wie het wel als eerste heeft gezegd, weet ik niet. Wel is zeker dat Voltaire niet veel van het atheïsme moest hebben. Camus draaide die bewering over de wenselijkheid van het bestaan van God overigens om: ’Als God zou bestaan, zouden we hem moeten afschaffen.’ Volgens Camus bestond er een onoverbrugbare kloof tussen het mogelijk bestaan van God en de menselijke verantwoordelijkheid. De God van de orthodoxe christelijke theologie was voor Camus onverenigbaar met menselijke vrijheid en rechtvaardigheid. Maar God kun je afschaffen of doodverklaren, zijn gestalte doemt altijd weer op als een Phoenix die uit zijn eigen as herrijst. Markies de Sade zou ooit over Hem hebben beweerd: ‘God is het enige wezen dat, om te heersen, het zelfs niet nodig heeft om te bestaan.’

Wie de mens wil definiëren als een wezen zonder God, loopt van de weeromstuit het gevaar de mens zelf te mythologiseren. Ongemerkt creëer je dan een nieuwe seculaire religie: de religie van de mens. Zo wordt de mens algauw een nieuw soort God, een Übermensch, waar ook het denken van Nietzsche op uit liep. Camus zag dat gevaar van het vergoddelijken van de mens. Het was volgens hem juist de verdienste van het christendom geweest, waarvoor Camus – evenals Voltaire – veel respect had, dat het de mens voor deze hoogmoed heeft weten te behoeden.

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd solidariteit met de mens een laatste houvast in een door velen als zinloos ervaren bestaan. ‘Solitair of solidair’, dat was het dilemma voor Camus. Zo werden medemenselijkheid en naastenliefde voor zowel goddelozen als god-gelovers wapens om zich te weer te stellen tegen wat Camus had genoemd ‘de mensen, die het tegenwoordige voor de toekomst vergeten, de slachtoffers van de macht, de ellende in de voorsteden‘. Liefde werd een aanklacht tegen de lelijkheid van de voorsteden, ‘la laideur des faubourgs’, zoals Jacques Brel zong in 1956 in zijn chanson Quand on a que l’amour waarmee hij in een keer wereldnaam verwierf.

Als we alleen maar de liefde hebben om kanonnen tegen te spreken, dan hebben we de hele wereld in handen.’ In die jaren van Koude Oorlog vonden deze woorden veel weerklank. In Canada werd zelfs een theologisch congres belegd met als thema Quand on na que l’amour. Zo werd de goddeloosheid van de moderne voorsteden het doembeeld van de moderniteit. Maar ook dat is inmiddels achter de horizon verdwenen. De Parijse banlieues zijn nu de voedingsbodem geworden van terreur van radicale moslims.

‘Terwijl inmiddels de moskee onstuitbaar naar het hart van godsdienstig Nederland oprukt, is die noodzaak tot mystiek en godsdienstige “anarchie” alleen maar groter geworden.’ Dat beweerde Joost Zwagerman in 2006 in een essay over Gerard Reve. Zoals Hirsi Ali eens beweerde, dat de islam een Voltaire nodig heeft, zo zou het multireligieuze Nederland van tegenwoordig best een Gerard Reve kunnen gebruiken. Maar het was wel Reve geweest – en niet Theo van Gogh – die het term ‘geitenneukers’ voor moslims had bedacht. Toch zat er een consequentie in de redenering van Zwagerman. ‘God als ezel’ zou voor moslims betekenen: ‘Allah als kameel die zich door Mohammed in zijn meest geheime opening laat bezitten. ‘

Achteraf bezien lijken de jaren zestig opeens uiterst tolerant te zijn geweest. De tirades van Algra en Van Dis vallen in het niet bij die van een hedendaagse radicale imam. Als Reve nu open dergelijke manier over Allah en Mohammed zou schrijven, dan was de hele wereld in rep en roer. Er zouden bommen ontploffen in de Nederlandse ambassades in Pakistan, Jakarta, Beiroet, Damascus, noem maar op. God is tegenwoordig zo dood als een pier, maar Allah is springlevend en laat op geen enkele manier met zich spotten.

Zoals Voltaire in het boek Candide de stelling van Leibniz heeft willen weerleggen dat Gods schepping de beste is van alle mogelijke werelden, zo kan de literatuur ook een laboratorium zijn voor de gedachte dat God of Allah niet bestaat. De islam heeft degelijke tegendraadse literatoren nodig. Mensen die dingen bij hun naam durven noemen, al was het maar als fictie, als hypothese, als de verbeelding van een mogelijkheid. Bijvoorbeeld als een parafrase op de vermeende woorden van Voltaire over God: ‘Als Allah niet bestaat, dan zou hij moeten worden uitgevonden.‘ Of anders als een variant op de woorden van De Sade: ‘Allah is het enige wezen dat, om te heersen, het zelfs niet nodig heeft om te bestaan.’

Op 7 oktober in 2002, een half jaar na het geruchtmakende interview met Fortuyn in de Volkskrant, schreef ik zelf een artikel in de Volkskrant met als titel: ‘De Islam heeft geen Kuitert nodig’. Als ik die tekst nu teruglees, frons ik af en toe met de wenkbrauwen. Tegenwoordig denk ik over deze materie iets genuanceerder dan destijds, of misschien beter gezegd: iets minder genuanceerd. Voortschrijdend inzicht heet zoiets. Al kan het natuurlijk ook zo zijn, dat ik het zicht op dit soort zaken inmiddels volledig ben kwijtgeraakt.

ZIE: DE ISLAM HEEFT GEEN KUITERT NODIG

Reageer

Het dankwoord van mijn vader

Slide1

Op maandag 24 september 1962 ging mijn vader met pensioen. Hij was de dag daarvoor 65 jaar geworden. Ik kan het me nog goed herinneren. Ik was veertien en zat in de tweede klas van het gymnasium. Die middag kreeg ik vrij van school. De receptie was in de kantine van Huize Candida, helemaal op de bovenverdieping van dat mooie pand aan de Nieuwe Zijds Voorbugwal, met prachtig uitzicht over Amsterdam. Het was een volle zaal en er waren veel sprekers. Zo sprak de directeur van de PTT, mijnheer Ten Doeschate, maar ook mijnheer Bal, de directe chef van mijn vader, en allerlei collega’s en leidinggevenden die hij zijn zijn ruim veertigjarige loopbaan had meegemaakt. Onder hen was ook juffrouw Jonges, op wie mijn vader zeer gesteld was. Aan het eind van die bijeenkomst sprak mijn vader een dankwoord, wel twintig minuten lang, helemaal uit het hoofd.

Wonderlijk genoeg herinner ik mij die dag vooral uit beelden uit de tweede hand. Een foto van mijzelf, opkijkend naar mijn vader. Die foto heb ik niet meer. Jarenlang heb ik nog een geluidsband gehad, die ik ooit aan een van mijn zus Cornelie heb gegeven die vorig jaar is overleden. Onlangs kwam die geluidsband uit haar nalatenschap weer tevoorschijn. Ik heb hem inmiddels helemaal afgeluisterd, ruim twee uur lang. Het dankwoord van mijn vader heb ik integraal uitgetypt. Vooral uit de verhalen van zijn directeur van de PTT en van zijn collega’s uit het hele land kwam veel informatie naar boven waarvan ik geen weet meer van had. Zo hoorde ik dat mijn vader aanvankelijk onderwijzer had willen worden, maar daar hadden zijn ouders in Bakhuizen niet de financiële middelen voor. Hij was de oudste in een gezin van 12 kinderen, en mijn pake was postkantoorhouder. Post en telefoon zaten bij de Mousen in de genen.

Na de lagere school in Bakhuizen ging mijn vader naar de ambachtsschool, waar hij drie jaar op gezeten heeft, telkens als eerste van de klas. Na afloop kreeg hij een ‘diploma met lof’, zo hoorde ik op de geluidsband. Daarna bleek er in Friesland weinig werk voor hem te zijn. We spreken dan over de jaren tien van de vorige eeuw. Wel heeft mijn vader in die tijd zo af en toe nog in Friesland gewerkt als timmerman of smid. In Stavoren, zo hoorde ik, heeft hij bij Hotel De Vrouwe van Stavoren op de daktuin een ijzeren hek aangebracht dat daar in 1962 nog altijd te zien was. Of dat hek tegenwoordig nog in tact is, weet ik niet.

Op 6 maart 1920 trad mijn vader in dienst van de PTT in Heerlen. In 1932 werd hij overgeplaatst naar Amsterdam en in 1956 werd hij bevorderd tot ‘Hopz.bd’, dat wil zeggen: hoofdopzichter bijzondere diensten. Verder hoorde ik dat hij in zijn loopbaan meerdere onderscheidingen heeft gehad. Zo ontving hij in 1946  – wat ik niet wist – een eervolle gratificatie voor illegale activiteiten in de oorlogsjaren. In 1960 – en dat wist ik wel – kreeg hij een koninklijke onderscheiding: de gouden medaille in de Orde van Oranje Nassau. Inmiddels is dat afscheid van mijn vader al bijna 53 jaar geleden. Op 8 mei 1966 – ruim drie jaar na zijn pensioen – overleed hij. Dit is zijn dankwoord dat hij uitsprak op 24 september 1962, op de bovenverdieping van Huize Candida.

<<<>>>>

durk manus mous

Geachte directeur, geachte adjunct-directeur, stafleden, medewerkers van het district Amsterdam, medewerkers uit andere districten. Mijn vrienden,

Mijnheer Ten Doeschate, mag ik allerhartelijkst danken voor de gelegenheid die u me gegeven heeft om dit, laten we zeggen feestelijke afscheid mogelijk te maken in een omgeving, ja, waar ik eigenlijk geen woorden voor heb. Wij zijn hier samen in een telecommunicatiegebouw. Een gebouw waar ik dertig jaar omheen gelopen heb. Maar wat ik toch altijd gezien heb als ons technisch centrum. Een gebouw dat volgestopt is van beneden tot boven met ingewikkelde apparatuur. Waar bekwame medewerkers van u de apparatuur in goede staat onderhouden, zodat het dag en nacht beschikbaar is voor de gemeenschap.

Die gemeenschap die maakt daar dus dagelijks gebruik van. En ik heb het tot een eer gevonden dat ik twee-derde van mijn leven heb mogen meewerken aan het welslagen van dat telecommunicatiebedrijf, dat tenslotte in het leven geroepen is om de mensen dichter bij elkaar te brengen. Het heeft mij helemaal geen moeite gekost, want ik heb in mijn jonge tijd – ik heb het aan mijnheer Bal wel eens verteld en die heeft het ook nog aangehaald – bewust gekozen voor de PTT-dienst. Ik heb daar nooit geen spijt van gehad. Dat ik het zo lang heb kunnen volhouden, dat is alleen te danken aan de grote medewerking die ik overal in ons district, van hoog tot laag, in den lande bij mijn collega’s, bij de centrale directie, in al hun afdelingen heb mogen ondervinden. Directeur, ik dank u nog voor de waarderende woorden die u aan mij gericht heeft. Ik geloof wel dat alles een klein beetje overdreven is wat hier vandaag verteld is, want ik ben er me bewust van, wanneer ik moet roemen, dan moet ik zeggen met Paulus, dan moet ik roemen op mijn zwakheden.

Ik dank u ook voor de prachtige legpenning. Ik ben er erg trots op. Ik zou het hier graag bij willen laten en dan overgaan op het dankwoord aan de tweede spreker. Dat is mijnheer Bal. Hij noemde het zelf al. Hij is twaalf-en-een-half jaar mijn directe chef geweest, dat is het langste van allemaal. En ik heb eigenlijk nog nooit een chef gehad als mijnheer Bal, die door de grote vrijheid en het vertrouwen dat hij altijd in mij gesteld heeft, me kans gegeven heeft om – zij het dan op een afgebakend terrein – toch enigszins mijn eigen koers te varen. Mijnheer Bal, ik ben daar zeer dankbaar voor. Ik heb natuurlijk veel superieuren gehad in mijn lange PTT-leven, maar ik zal u nooit vergeten.

Dan kom ik bij mijnheer Kwaak. Als ik aan mijnheer Kwaak denk, dan denk ik aan die grote staf van medewerkers van de centrale directie, waar ik uiteindelijk ook uit voortgekomen ben. Mijn gedachten gaan onwillekeurig terug naar de onvergetelijke mijnheer Meier-Drees aan wie ik zoveel aan te danken heb. En dan kan ik u alleen maar feliciteren, mijnheer Kwaak, omdat het u gelukt is een staf van medewerkers om u heen te verzamelen, zo uniek dat wanneer dat zo door blijft gaan, dan hoeven we voor de Dienst huistelefoon niet ongerust te maken. Ik heb van alle kanten mijn hele leven lang, zo lang ik dus aan de huistelefonie verbonden ben niets dan medewerking van deze mensen ondervonden. Van hoog tot laag. En laat ik u daarvoor als vertegenwoordiger van bureel huistelefonie daarvoor bedanken. Wil ook vooral de groeten overbrengen aan mijnheer Roebers, en zeg hem wat u hier vandaag gehoord en gezien heeft. Het zal hem goed doen wanneer het een van zijn getrouwen zo goed gegaan is. En dat hij zo dankbaar terug kan zien op een verleden waarvan hij zich eigenlijk niet bewust si dat het zo in goede aarde is gevallen.

Ik kom meen ik aan juffrouw Jonges. Ja, daar heb ik eigenlijk geen woorden voor. Daar was ik niet op ingesteld. Wij vertoefden zo kort bij elkaar, in elkaars onmiddellijke nabijheid. We zijn eigenlijk, de dienst calculatie en projecten, dat is een twee-eenheid geworden. Uw problemen waren mijn problemen. En wanneer ik iets had dan kwam ik bij U of bij uw mensen. Ik hoop dat dit ook in de toekomst zo mag blijven gaan, wanneer ik er niet meer mag zijn. En dat die samenwerking, die er in het verleden altijd bestaan heeft tussen de technische en de administratieve afdeling, zal blijven bestaan. Het is mijn hartenwens dat dit zo zal mogen gebeuren. Ik hoop dan ook dat mijn opvolger precies zo tegemoet getreden zal worden door mijn mensen als ze dat mij steeds gedaan hebben.

Na juffrouw Jonges kwam mijnheer Van der Wal aan het woord. Tegenover Van der Wal kan ik ook kort zijn. Hij maakt ook deel uit van ons huistelefoonteam, wat eigenlijk uniek is wat de saamhorigheid betreft, de teamgeest die er heerst. En ik zou graag willen dat ook dat zal blijven bestaan, ten eerste tot welzijn van ieder lid van het personeel persoonlijk, maar ook voor ons mooie staatsbedrijf. Dat kan niet anders dan vruchten afwerpen, waar we later allemaal met genoegen op terug mogen zien.

Mijnheer Zeegers sprak namens de dienstkringleiders. Zijn woorden die kwamen diep uit zijn hart. Dat heb ik kunnen aanvoelen en ik heb eigenlijk dezelfde gedachten zoals ze over mij zijn geuit ten opzichte van de dienstkringleiders. Die dertig jaar, dat ik in deze functie heb doorgebracht, heb ik niet anders dan met plezier contacten gelegd tussen de dienstkringleiders, via de dienstkringleiders met de huistelefoonploegleiders en ook alle ondergeschikten van de ploegleiders. Het waren vrienden van me en het zullen het blijven. Ik heb al die mensen kunnen waarderen. Ik heb altijd veel waardering gehad voor vakkennis. En die vakkennis die was daar.

Ik heb er moeite mee gehad om die veelheid van verwarrende gedachten, die vandaag door mijn hoofd gespeeld hebben, een klein beetje onder woorden te brengen. Om ze op een rijtje te zetten. Ik geloof niet dat het me helemaal gelukt is. Maar neem mij vandaag alsjeblieft zoals ik ben. Mijn woord dat staat in het teken van dankbaarheid. Dankbaar ben ik tegenover u allemaal. En ik hoop dat ik u nog heel lang zal kunnen ontmoeten, waar dan ook.

Dan ben ik ontzettend blij met de cadeaus, die me zijn aangeboden. Ik had nergens op gerekend. Ten eerste heb ik begrepen dat dit feestelijke afscheid in zijn totaliteit bekostigd wordt door al mijn vrienden in het district Amsterdam en daarbuiten. Het is teveel, teveel voor een persoon die eigenlijk niets anders gedaan heeft dan zijn plicht. Hij had de medewerking van iedereen met wie hij in aanraking kwam. Van alle mogelijke diensten van het telefoondistrict, of die nu administratief of technisch waren.

En dan het grote cadeau in de vorm van de fauteuil. Die er nog niet is maar die morgens besteld wordt. En wanneer die binnenkomt als bouwpakket, dan zal ik daar al mijn aandacht aan besteden en ik zal er iets moois van trachten te maken. Dan krijgt eindelijk mijn vrouw haar zin. Zij heeft al jaren gezeurd dat onze vierde slaapkamer die we destijds nodig hadden toen het gezin zich ging uitbreiden dat die weer eens teruggebracht zal worden tot zitkamer. En daarvoor moet er natuurlijk heel wat gebeuren. Ik ben heel blij dat we hiermee nu een begin kunnen maken.

De ideeën om mij te helpen aan onderdelen voor mijn wagentje vind ik toch zo ideaal, want het zijn allemaal van die dingen die ik allemaal graag wilde hebben, maar men komt er niet toe om daarvoor zoveel geld te besteden. Ik vind het magnifiek. Ik zal nu nog meer aandacht daaraan besteden. En er gaat straks nog minder arbeidsloon naar de garages, want ik krijg nu de tijd ervoor. Ik heb het serviceboek van Fiat. dat dit jaar is uitgekomen, bij de ANWB al in bestelling. Dat ga ik nu eens van A tot Z doornemen. Want dan kom ik onwillekeurig die onderdelen tegen die dat servicepakket bevat. Daardoor kan ik dus ook weer veel van mijn vrije tijd daaraan besteden. Ik heb er dus weer een hobby bij.

Voordat ik het zou vergeten dank ik u allemaal heel hartelijk. Nogmaals dank. En zojuist zie ik nog, dat ik onze vriend Nijman zou vergeten. Ja, ik had er niet op gerekend. Maar Nijman, ik heb het geweldig gevonden dat je mijn eerste rechterhand was. Jullie zitten daar zo netjes met zijn drieën op een rijtje. Ik heb er al die versleten, zou ik haast zeggen. Ik ben aan de vierde bezig, maar die kan nog wel een tijdje mee. Ik heb het reusachtig gevonden dat je het jouwe er nog eens van gezegd hebt, Nijman. De tijd ontbreekt me nu om in details te treden, maar ik kan je wel zeggen dat die eerste dagen, dat we van 1932 tot 1935/36 samenwerkten, de mooiste dagen van mijn leven zijn geweest. Toen ik nog iets met mijn handen tot stand kon brengen.

Later is dat wel gebleken dat we daar niet teveel waarde aan moeten hechten. Want van al dat moois, dat we in die tijd gemaakt hebben, is er niets meer over, Nijman. Niets, maar dan ook niets. Dat is me later ook eens opgevallen. U heeft het al gehoord van onze directeur, ik ben mijn loopbaan in Heerlen begonnen, in 1920. En ik kwam vijf jaar geleden, dus dat is 35 jaar later, voor het eerst weer eens in Heerlen terug, en ik zocht  daar nijver naar sporen die ik daar had achtergelaten. In de vorm van luchtleidingen, van afhechtingen, van kabelkasten, want die waren er toen ook al. En ik vind er niets meer. Zelfs de straatnamen waren al veranderd. Ik ging eigenlijk misnoegd die streek weer uit, en ik dacht: ja, wat is alles toch eigenlijk van korte duur. Maar ik dacht toch ook weer aan de prettige herinneringen die ik hier heb liggen. En die prettige herinneringen die ik overal heb, ik mag wel zeggen in elk net van Nederland, want ik ben een reizende ambassadeur geweest.

En voor de dienst HV vijf jaar lang. Ik heb wel eens gezegd, er is geen spoorlijntje en ik heb tussen de wielen gezeten. Je kunt het ook anders zeggen, er is geen bioscoop of ik heb er mijn vrije tijd wel in doorgebracht. Nee, ik vind daar van al dat werk niets meer terug, alleen maar de prettige herinneringen. Mijn ondervindingen van de laatste tijd zijn zodanig dat het werk, dat we op het ogenblik afleveren, maar een levensduur heeft van gemiddeld tien jaar. En dat waren wij, de oudere generatie –  ik ben namelijk no van de vorige eeuw – niet op ingesteld. Wij maakten werk dat een generatie lang mee kon gaan. Maar in deze tijd van kunststoffen ziet dat er een beetje anders uit. En daarom is het misschien ook wel goed dat die mensen met misschien wat verouderde ideeën plaats gaan maken voor de nieuwere. Die zien weer meer licht in de toekomst.

En ik meen dat bij het bereiken van deze 65-jarige leeftijd, die weliswaar de officiële leeftijd van ouderdom aankondigt, dat die loopbaan van mij op het juiste moment wordt afgesloten. Ik zei daarnet, ik voel me gelukkig helemaal niet oud. Want oud is hij die geen idealen meer heeft. En dat is gelukkig niet het geval bij mij. Activiteit is er nog genoeg, en die activiteit zal bij mij niet zo gauw wegglijden naar gemakzucht. Dus zolang die idealen er nog blijven, voel ik me nog jong en ik hoop nog lang samen met mijn vrouw en mijn kinderen daarvan te kunnen genieten.

Ik zou nog haast vergeten hebben – en daar dank ik ook nog altijd de Dienst Huistelefoon voor – dat ik in 1929 juist door Huistelefonie mijn vrouw heb leren kennen als telefoniste bij de AKU in Arnhem. Even voor de automatisering van het net. Mijnheer Kwaak, dat had ik eigenlijk aan u moeten zeggen. Maar brengt u het maar over aan mijnheer Roebers. U doet me er een plezier mee. Hiermee zou ik dan graag mijn verhaal willen besluiten door nogmaals hartelijk dank te zeggen voor alle medewerking die ik van u ondervonden heb. Buiten u had ik het niet kunnen bereiken, niet kunnen volhouden en was ik niet zo vitaal geweest als ik op het ogenblik voor u sta.

Hartelijk dank, en het gaat u goed allemaal. Daarmee wil ik dan graag eindigen.

1 Reactie

Modernisme en de Friese ruimte

9033005875

De Frisiana toont Friesland in volle ontwikkeling en het is een merkwaardige ontwikkeling. Terwijl Friesland zich op agrarisch terrein ontplooit als nooit tevoren, wordt het agrarisch Friesland geleidelijk aan in belangrijkheid overvleugeld door het industriële Friesland.‘

Zo schreef de Leeuwarder Courant in september 1963 aan de vooravond van de opening van de Frisiana. Het was een grootscheepse vlootschouw van alles wat Friesland te bieden had. De manifestatie werd georganiseerd bij de opening van de Frieslandhal die destijds het grootste overdekte markthallencomplex van Europa was, nog groter dan de RAI in Amsterdam. Twee dagen later waren de krantencommentaren zelfs lyrisch. ‘Welhaast ongeduldig van dadendrang presenteert Friesland zich,’ kopte de LC. Maar dat niet alleen, ook de landelijke bladen waren vol lof. Het Rotterdamse Nieuwsblad: ‘Geen ander Nederlands gebied met een sterke agrarische voorgeschiedenis heeft zich in zo’n vlot tempo van de landbouw naar de nijverheid overgeschakeld. Het is prima dat dit alles in een week lang zoveel aandacht krijgt, ook voor Nederland als geheel want ook buiten de Elfsteden of Sneekweek is de provincie der Friezen een der interessantste stukken van Nederland.’

Ook Friesland maakte in die jaren zijn eigen proces van modernisering door. In 1947 waren in deze provincie nog twee maal zoveel mensen in de landbouw werkzaam als in 1963. Het platteland liep leeg. Overal stonden er bordjes met ‘Onbewoonbaar verklaarde woning.’ Er was sprake van krimp. Die snelle ontvolking van het platteland begon na 1960 zorgelijke trekken aan te nemen. Het platteland bood weinig mogelijkheden meer voor geschoolde arbeid. De dienstensector breidde zich snel uit met name in de kerngemeenten die zich ook steeds meer gingen profileren als centra van zorg en dienstverlening ook op sociaal-cultureel gebied. Automatisering en vrijetijdseconomie deden voorzichtig hun intrede. Na een periode van schaarste en achterstand in woningbouw en primaire gebruiksgoederen volgde de snelle wederopbouw met een groeiende industrie, een toenemende mechanisatie van het agrarisch bedrijf en een verbetering van de infrastructuur van verkeers-  en waterwegen.

Kortom, er deed zich een verschuiving voor van sterk agrarisch gerichte productiesamenleving naar de eerste contouren van een consumptiemaatschappij, zeker in de steden. Friesland zat midden in een proces van transitie. Daarom moest in de Frisiana niet alleen de landbouw maar ook de industrie aan bod komen en bovendien allerlei andere facetten van het leven in Friesland. Er was ook veel Friese kunst te zien en de kunstenaar Josum Walstra ontwierp de presentaties voor de 44 Friese gemeenten. Kortom, Friesland werd in de etalage gezet. Het was een grootse parade tegen de verdrukking in. Maar ook een hoopvolle vlootschouw, want het was een tijd van economische groei. Mensen kwamen van heinde en verre. Ministers kwamen een kijkje nemen en zelfs Koningin Juliana gaf acte de présence. Friesland maakte zich op voor een nieuwe tijd. Er moesten hoognodig dingen veranderen, anders kwam het niet goed met ‘t heitelân. Voor nostalgie naar het verleden leek even geen ruimte meer te bestaan. Maar zou Friesland ook Friesland blijven? Sil Fryslân, Fryslân bliuwe? Die vraag is in de krantenverslagen van die tijd niet terug te vinden, maar er zullen destijds zeker bezoekers op de Frisiana hebben rondgelopen die zich die vraag hebben gesteld.

Hoe kun je meegaan in de vaart der volkeren zonder je eigenheid te verliezen? Dat was de cruciale vraag waarvoor Friesland in de komende tijd voor zou komen te staan. Maar het wonderlijke is dat die vraag in de jaren zestig, de hoogtijdagen van de modernisering, niet of nauwelijks expliciet werd gesteld. Zeker niet in het begin. Integendeel, er heerste in die tijd een zekere euforie over een toekomst met ongekende mogelijkheden. In feite zijn er drie manieren waarop een regionale cultuur met een sterke hang naar een eigen identiteit het modernisme tegemoet kan treden: (1) volledig integreren c. q. assimileren; (2) totaal verwerpen en isoleren; en (3) compartimenteren, d.w.z: deels verwerpen en deels integreren, zodat een eigen variant van modernisme ontstaat. De eerste optie is wat Friesland betreft nooit aan de orde geweest. De twee de evenmin, al was er tot ver in de jaren zestig een harde kern binnen de Friese beweging, met E.B. Folkertsma voorop, die meende dat dit de enig juiste strategie kon zijn.

Bleef over: het compartimenteren. Het nieuwe moest een plaats krijgen binnen het oude. De traditie moest worden vernieuwd zonder jaar eigen karakter te verliezen. Veranderen om te behouden, vertragen om jezelf niet te verliezen. Er zijn tal van formuleringen te vinden om dit adagium handen en voeten te geven. Culturele identiteit kan altijd op twee manieren worden opgevat. Als een statisch instrument in dienst van behoud en bescherming, of als een inspirerende katalysator in dienst van verandering en ontwikkeling. Zo hoeft culturele identiteit geen keurslijf te zijn dat de innovatie in de regio blokkeert, maar kan juist de periferie, waar de culturele identiteit nog in ruime mate voorhanden is, een motor zijn voor culturele en maatschappelijke vernieuwingen.

Er was een sprake van onbevangenheid over de mogelijkheden om het nieuwe te omarmen zonder het oude te verliezen. Juist dat optimisme lijkt in de decennia daarna, de jaren van restauratie, enigszins verdwenen achter de horizon van de ongekende mogelijkheden. Zo ontstond een blinde vlek ten aanzien van et recente verleden, wat leidde tot vertekeningen van het beeld en in het ergste geval tot geschiedvervalsing. Die vertekening werd vooral veroorzaakt door gevoelens van nostalgie die zich al vrij snel na de jaren zestig aandienden, maar vooral in de jaren negentig gingen indalen in het collectieve geheugen.

De ideaaltypen van Geert Mak

PTA163-014_01  De jaren negentig waren het decennium waarin men zich in het spoor van Fukuyma druk ging maken over het einde van de geschiedenis en de teloorgang van de grote verhalen. Nostalgie werd in die tijd herijkt als een cultuurkritische houding en de traditie werd herontdekt als een vorm van tegencultuur. De vertekening in de beeldvorming van het recente verleden manifesteerde zich vooral in de wijze waarop de moderne transformatie in de ervaring van ruimte en tijd achteraf werd beschreven. Men ging zien wat men wilde zien. Men wilde horen hoe God verdwenen was uit Jorwerd, en Geert Mak beschreef dat proces in fraaie bewoordingen waarin bijna de illusie werd gewekt dat een geloof in de vooruitgang nooit echt had bestaan.

Zo wijdt Mak fraaie passages aan het veranderen van de geluiden op het platteland, een het verdwijnen van de echte diepe stilte die rondom Jorwerd in de jaren vijftig voorgoed verdween. Kort na de oorlog was het platteland nog vrijwel ‘motorloos’ en een paard maakte nog geen lawaai. Maar Mak beschrijft ook verdwijnen van de kleuren. ‘In de jaren zestig beginnen op dezelfde manier de kleuren van het dorp te veranderen.’. En tenslotte de geuren. ‘Vroeger had de mest een warme geur, niet onprettig vaak, maar de gier die vanaf de jaren zeventig uit de ligboxstallen kwam rook scherp door het krachtvoer waarmee de productie van de koeien werd opgevoerd, zurig door het spoelwater dart erin terecht was gekomen, gemeen door de nageboortes die door de betonnen roosters waren ontsnapt en soms kon het rondom Jorwerd knap stinken.’

De lezer wordt op bijna fysieke wijze deelgenoot gemaakt van een intens gevoel van gemis. Over de veranderende ervaring van de ruimte als zodanig is Mak opmerkelijk minder expliciet. Geïnspireerd door Auke van der Woud’s studie over ‘het lege land’ in de negentiende eeuw, schrijft hij over de veranderingen in de beleving van de natuur. Honderd jaar geleden werd het lege land van de weerbarstige natuur nog als lelijk ervaren. Het wachtte op de ordende hand van God, die niet alleen als goed en liefdevol te boek stond, maar ook als de impliciete belichaming van het kwaad. Toen de duivel en het kwaad uit de religie verdwenen, leek ook de weerbarstige natuur opeens van de erfzonde te zijn verlost.

Deze verlossing van de natuur uit zijn staat van intrinsieke kwaadaardigheid lijkt in de visie van Mak aan het proces van snelle secularisatie vooraf te zijn gegaan. Voordat God uit Jorwerd verdween, verdween het kwaad uit de natuur zelf, waarna de weg vrij kwam voor de exploratie van de natuur in de belevingscultuur van de hedendaagse toeristen en dagjesmensen. ‘Aan het eind van de twintigste eeuw,’ zo concludeert Mak, ‘leek er zo een vreemd soort pendelbeweging in gang te zijn gezet, van het extreem techniek naar het extreem, van melkrobot naar de bloemenberm, van de otter naar de embryo-implantatie, heen en weer. ‘

Vroeger was alles anders en mooier, zo lijkt Mak telkens weer te willen zeggen. Zoals de godsdienst alles te maken had met het boerenleven zelf… ‘met de dagelijkse confrontatie met geboorte, leven en dood, met het mysterie van de natuur, met de cyclus van het bestaan, met het oppakken van het werk van de ouders en het overdragen aan de kinderen.’ Het cyclische karakter van het van het boerenleven wordt door zo geïdealiseerd en tot top zijn ideaaltypische kenmerken teruggebracht. Zoals ook ‘het dorp’ een bijna een universeel cliché wordt in Mak’s bloemrijke beschrijvingen.

Om tot deze universele kenmerken te komen lijkt Mak meer te leunen op antropologische en sociologische studies over de teloorgang van het dorpsleven lders in de wereld dan op historisch onderzoek naar wat zich werkelijk in de jaren zestig en zeventig in de hoofden van de mensen in Friesland heeft afgespeeld. Het dorp Peins, waar de schrijver Josse de Haan in de jaren veertig en vijftig zijn jeugd doorbracht, ligt hemelsbreed precies tien kilometer van Jorwerd verwijderd, maar wie Pyksjitten op Snyp (1999) van Josse de Haan leest, zou denken dat hij als kind op een andere planeet heeft geleefd dan de dorpsbewoners van Jorwerd.

Het modernisme van Mansholt

r0-65-300-225-84e-Mansholt_Poster  Maar het moet gezegd, de vernieuwingen door processen als secularisatie, rationalisatie en schaalvergroting had ingrijpende gevolgen. Er moesten radicale veranderingen worden aangebracht in het landschap. Maar niet alleen het Friese landschap, ook de ruimte van de Friese steden ging op de schop. Juist in de jaren zestig veranderde het aanzien van Friesland meer dan in alle decennia daarvoor in de eeuw van het modernisme. Het was alsof men een eeuw had gewacht om deze veranderingen door te voeren. Bij het scheiden van de markt. Toen het platteland vrijwel leegliep en de steden steeds meer werden bevolkt met nieuwe functionarissen die de Fries taal onmachtig waren, laat staan iets wisten van de Friese cultuur. Maar meer nog dan de stad, zou juist het Friese platteland in de jaren zestig een dramatische verandering ondergaan.

‘Mansholt stimuleerde de schaal
vergroting met een beleid van ontwikkeling en 
sanering. Zo steunde hij de rentesubsidies. Veel ligboxenstallen uit de jaren zestig en zeventig
in ons landschap danken we aan deze steun. Ruilverkaveling en landinrichting hadden echter
de meeste landschappelijke gevolgen. Kijkend naar de kaart van Noord-Nederland zie je dat er overal grootschalige, ingrijpende veranderingen
hebben plaatsgevonden, gebieden als Drentse 
Aa en Noordelijke Friese Wouden uitgezonderd.
Van grote invloed op het landschap was dat de verkaveling verbeterde door kavelvergroting, percelen aan te sluiten, de perceelsvorm recht
te maken en bedrijven uit dorpen te verplaatsen naar soms voorheen nagenoeg open gebieden. Verder vervingen genormaliseerde, rechte stromen de kronkelende beken, om de waterhuishouding te verbeteren. De ontsluiting verbeterde door de aanleg van nieuwe wegen, door wegen recht te trekken en onverharde wegen op te heffen.
 Samengevat heeft dit geleid tot een aanzienlijke verandering van het cultuurlandschap en tot een 
sterke landbouw met internationaal gezien een 
goede concurrentiepositie.’

Aldus vatte Hendrik Oosterveld in 2008 de transformatie van de ruimte in Noord-Nederland samen in een paar zorgvuldig geformuleerde zinnen. Hij deed dat als directeur regio Noord van het ministerie van LNV in een artikel in Noorderbreedte. Opvallend zijn de woorden ‘grootschalig’, ‘rechtmaken’, ‘rechttrekken’ en ‘normaliseren.’ Het landschap werd heringericht met passer en liniaal. Landmeters gingen de weilanden in trokken rechte lijnen langs landbouwpercelen, kromme beken en nieuwe trajecten van wegen. Het was de laatste fase in dat moderniseringsproject van de ruimte dat zich primair op de tekentafel voltrok. Maar wat dit voor gevolgen had voor de ervaring van de ruimte komt ook in deze handzame opsomming niet ter sprake.

Het zijn de woorden van een ingenieur, niet van een socioloog of literator. Ook worden er geen verbanden gelegd met de radicale verandering die zich in de loop van de jaren zestig hebben aangediend in de ervaring van de stedelijke ruimte. De landschappelijke en de stedelijk ruimte leken in de jaren zestig en zeventig elk hun eigen discours te hebben. Stedenbouwkundigen en architecten bemoeiden zich met de ruimte van de stad. Planologen en landschapsarchitecten met de ruimte van het land. Zo kon het gebeuren dat er juist in Friesland, waar de stedelijke ruimte oprukte ten koste van het platteland, iets uit het oog verdween. De twee discoursen van stad en platteland spoorden niet helemaal. Zeker niet als het ging om wat er in de hoofden van mensen veranderde door deze transformaties van de ruimte.

Veel van de gevoelens van weemoed en nostalgie die deze transformatie in het bewustzijn van mensen teweeg bracht is juist niet in de jaren zestig, maar pas later ontstaan. Een symptomatisch woord als ‘horizonvervuiling’ komt pas sinds 1972 voor de rubrieken van de Leeuwarder Courant. Daarna was het niet meer weg te denken. In de Oriënteringsnota Ruimtelijke Ordening die in 1973 verscheen als opmaat voor de nog uit te komen Derde Nota werd aangekondigd dat het roer zou worden omgegooid. Het instrumentarium en de Tweede Nota uit 1966 was uit de tijd. Er zou meer aandacht komen voor ‘de beleving van het landschap in zijn totaliteit.’

Die expliciete aandacht voor de in de beleving van ruimte als zodanig manifesteerde zich pas in de jaren zeventig, na het indalen van het milieubewustzijn en het denken in termen van kleinschaligheid in de economie. In 1973 verheen het boek Schumacher,  Small is Beautiful, dat nog dat zelfde jaar in een Nederlandse vertaling uitkwam onder de titel Hou het klein: een economische studie waarbij de mens weer meetelt. Het is een klassieker die opvallend genoeg ontbreekt in de literatuurverantwoording van Geert Mak’s Hoe God verdween uit Jorwerd. In de jaren zeventig ontstond de strijd om het behoud van ‘t lytse op het platteland. De meeste dorpshuizen werden juist in die tijd opgericht, toen het provinciaal bestuur van start ging met haar ondersteuningsbeleid voor kleine kernen, en landelijk begonnen werd met de decentralisatie van rijkstaken, wat meer ruimte en verantwoordelijkheid bood voor de lagere overheden bij de inrichting van de leefomgeving.

Omslag in de ervaring van ruimte

Slide1333333333333 De bewustwording van het belang van de open ruimte liep gelijk op met een reactie op de moderne leegte in het discours van de stedenbouw. Een eigen etiket heeft de architectuur van de jaren zeventig nooit gekregen, maar deze periode staat sinds 1979 door toedoen van Carel Weeber bekend als de ‘nieuwe truttigheid’. Nieuwe theorievorming rond de stedelijke omgeving kwam voor het eerst in de Verenigde Staten op gang. Er kwam meer aandacht voor de sociale beleving van de stad en men ging onderzoeken welke visuele aspecten tot onleesbaarheid leidden. In The Image of The City (1960) pleitte Kevin Lynch voor het scheppen van herkenbare stedenbouwkundige structuren die grotere mogelijkheden tot identiteit zou bieden. Een jaar later, in 1961, verscheen het boek van Jane Jacobs, The Death and Life of Great American Cities (1961), met de verzeggende ondertitel The Failure of Town Planning. Daarin bekritiseerde Jacobs de cityvorming en de scheiding tussen wonen en werken in de moderne stedenbouw. Maar tegelijk bevatte haar boek scherpe kritiek op de uitwassen van de urbanisering met de komst van grote onherbergzame torenflats tussen veel ‘suf groen’ en een strikte scheiding van de functies wonen en werken.

In de jaren zestig raakten de visies van Lynch en Jacobs tijdelijk op de achtergrond. Hun ideeën over afwisseling, variatie en complexiteit in de stedenbouw vonden pas in de jaren zeventig opnieuw gehoor. Deze ideeën waren oneigentijds, of beter gezegd, hun tijd vooruit. Juist in de optimistische periode van de wederopbouw, die in the sixties een climax bereikte, werden er volop monofunctionele binnensteden en slaapsteden gebouwd, zoals ook buitenwijken in Leeuwarden, Drachten en Heerenveen. Pas rond 1970 kwamen er als gevolg van eerdere acties van Provo’s en Kabouters in Amsterdam ook elders in Nederland een tegenbeweging op gang die zich verzette tegen de kaalslag van de oude binnensteden en het rücksichtsloos aanleggen van verkeersaders van asfalt naar en dwars door de winkelcentra. Zo werd in 1970 in Leeuwarden Axies opgericht, een partij die in dat jaar ook voor het eerst meedeed aan de gemeenteraadsverkiezingen, waarbij direct twee zetels werden behaald. De indeling van de stedelijke ruimte werd voortaan mede een zorg van de bewoners zelf en niet alleen een zaak van technocraten achter de tekentafel en het pluche op het Stadhuis.

De omslag in de ervaring van de ruimte – zoals in de stad al op het platteland – die zich in het begin van de jaren zeventig voltrok ging gepaard met een sterke behoefte aan geborgenheid en herbergzaamheid. Dat verlangen kwam op in een tijd dat Nederland aan het bekomen was van de opkomende welvaart en de maalstroom van de jaren zestig. Er ontstond behoefte aan pasklare nostalgie en gezelligheid en Friesland leek opeens de hofleverancier te worden van nostalgische beelden en verhalen uit een tijd waarin het karige leven toch goed was geweest. Maar het was ook de tijd dat de tendens naar toenemende democratisering gelijk op ging met het besef van eindigheid van de economische groei. Het rapport The Limits to Growth van D.L. Meadows en J.W. Forrester voor de Club van Rome (1972) stelde het excessieve gebruik van natuurlijke hulpbronnen door de mensheid aan de kaak. De oliecrisis van november 1973 maakte vervolgens een eind aan elke utopische toekomstverwachting, voorover daar toen nog iets van over was. ‘Zo bezien keert de wereld van voor de oliecrisis niet terug,’ zei Den Uyl. Dat alles had zijn invloed op de ervaring van de ruimte. Ook de open horizon werd een relict uit het verleden, iets dat nooit meer terug zou keren en voortaan tot elke prijs beschermd moest worden.

Religieus getinte kruistocht

Slide1222222222222  In de twee decennia na het verschijnen van zijn boek Hoe God verdween uit Jorwerd is Geert Mak uitgegroeid tot de goeroe het nostalgische antimodernisme, zeker voor wat Friesland aangaat. In lezingen en op symposia schetst hij sindsdien het doembeeld van allerlei technocratische schijnoplossingen, imitaties van de Randstad, ‘cargocult’ zoals hij dat noemt. Keer op keer speelt hij het muziekje van het eeuwige Friese verlangen naar het premoderne verleden. En hoewel hij zich verzet tegen het heimwee naar een verleden dat nooit heeft bestaan, is het toch een vorm van conservatisme dat hij hiermee ten toon spreidt, een romantisch ideaalbeeld, waarin wonderlijk genoeg soms ook weer een utopisch verlangen in doorklinkt.

Zo lijkt Mak ziet een nieuw Utopia te zien opdoemen aan de nog altijd redelijk onbesmette Friese horizon. Met imposante gebouwen en kantoorparken kom je er niet,’ verklaarde hij in 2006. ‘Dat is voor een belangrijk deel symboliek. Net als het asfalteren van de provincie en het aanleggen van onrendabele futuristische vervoersystemen. Railverbindingen konden voor dit soort perifere gebieden een oplossing zijn in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw. Nu niet meer door de IT-technologie worden fysieke afstanden steeds minder een probleem.’ Zo bezien lijkt Friesland ook nu nog altijd te verkeren in een soort permanente overgangscrisis: de transformatie van een traditioneel agrarische naar een postindustriële regio in een snel globaliserende wereld. Dat proces voltrekt zich nu al enkele decennia lang en creëert voortdurend dilemma’s voor wankelmoedige bestuurders.

Telkens weer zien zij zich voor de keuze gesteld tussen vernieuwing en behoud in een aanhoudend nul-somspel. Het één gaat immers altijd ten koste van het ander. Een middenweg lijkt amper te bestaan. Het is de dood of de gladiolen. Anders gezegd: radicaal investeren in economie en infrastructuur of wegzakken als een verlaten eldorado voor pensionado’s in een dooie uithoek van Europa. Zo werd Geert Mak onbedoeld ook de profeet voor een bijna religieus getinte kruistocht voor ruimtelijke kwaliteit die sinds de jaren negentig in Friesland ondernomen wordt. ‘Boerderijen zijn de kathedralen van het Friese platteland,’ verklaarde Anita Andriesen als bevlogen gedeputeerde voor ruimtelijke ontwikkeling. Friesland heeft geen kathedralen. Het vlakke land met zijn strakke horizon en hoge hemelgewelf maant telkens weer tot bescheidenheid en nuchterheid. Maar soms slaat ook hier de verwondering toe. ‘Der komt mar ien tins yn my op’, zo dichtte Anne Feddema. ‘Dit lân is gjin lân, mar in katedraal foar God!

3 Reacties

Ik verlang naar het carnaval

Slide1

Ooit ben ik naar het carnaval geweest, verkleed als schroevendraaier. Het was een indringende ervaring. Sindsdien weet ik wat ‘schroeven draaien’ is. Soms verslijt de kop van een schroef en dan kan het moeilijk zijn om de schroef los te draaien, omdat de schroevendraaier er geen grip op heeft. De meeste schroeven zijn zo gevormd dat bij rechtsom draaien de schroef het materiaal ingetrokken wordt en bij linksom draaien eruit wordt geduwd. Maar dat is lang niet altijd het geval. Soms is het omgekeerd. Bij het carnaval is alles omgekeerd, zo moest ik tot mijn schande ondervinden. Het carnaval is het hele leven maar dan in negatief. Plus is min. Links is rechts. Boven onder, noem maar op. De vertrouwde wereld bestaat niet langer. Alles staat op zijn kop.

Nog drie weken en het is weer carnaval. Ik heb het nooit zo veel gehad met carnaval, maar sinds ik in Friesland woon, ben ik het gaan missen. Een mens heeft een uitlaatklep nodig. Eens per jaar moet je uit je dak kunnen gaan en je kinderlijke gevoelens kunnen uiten. Hat katholieke zuiden kan dat. Het calvinistische noorden niet, met alle kwalijke gevolgen van dien. Het verlangen om ‘Alaaf!’ te kunnen roepen, zal door psychologen wel zijn terug te voeren op een verdrongen kinderwens, maar dat kan me niets schelen. In ieder mens schuilt een kind en dat moet er af en toe uit kunnen komen. Als er hier carnaval was geweest, dan zou ik als kardinaal gekleed zijn gegaan. Dat is een infantiele kinderwens van mij, die nog nooit in vervulling is gegaan. Al op de kleuterschool wilde ik paus worden. Op de lagere school was ik een heel lief jongetje. Tot de baard in de keel kwam, zong als een kleine engel de sterren van de hemel. Het middeleeuwse katholicisme was één groot carnaval, maar de reformatie van het noorden heeft alles stuk gemaakt.

Het carnaval is in de zuidelijke landen en regio’s het volksfeest bij uitstek. Het is de ultieme gelegenheid voor het verdwijnen van hiërarchieën en voor het tijdelijk opheffen van sociale en raciale tegenstellingen. Het carnaval is van oudsher een vrijplaats voor de collectieve roes en de eruptie van het groteske. Het is het feest van kolderieke maskerade en de bezwerende vermomming. Het is het uur van de nar, de joker, de clown en de acrobaat. De gelegenheid om koning, keizer en admiraal voor even af te zetten en een komisch substituut te omkleden met alle rituele versierselen van de macht.

Het carnaval wordt als sociaal fenomeen verschillend gewaardeerd door historici en cultuurfilosofen. Inderdaad , het calvinistische noorden heeft er nooit zo veel mee opgehad. Het verschijnsel zou een primitief overblijfsel zijn uit vervlogen tijden, een verzonken cultuurgoed dat alleen in de rooms georiënteerde, zuidelijke volkscultuur is blijven voortbestaan. Het carnaval zou zelfs een geïnstitutionaliseerde uiting kunnen zijn van repressieve tolerantie. Zo beweert de historicus Herman Pleij, dat het laat middeleeuwse carnaval in feite een direct repressie-middel was van de opkomende burgerij om zich te distantiëren van elementen die zich niet wilden of konden voegen naar de opkomende kapitalistische moraal. Het carnaval was vanuit die optiek niet meer dan een sociaal ventiel binnen het oprukkende civilisatieproces. Deze ‘noordelijke’ zienswijze benadrukt vooral het schijnkarakter van het carnaval, het onechte, de maskerade, een argument waarmee een kritische houding tegenover de hedendaagse tendens van folklorisering in de massacultuur – zo men wil – kan worden onderbouwd. De ‘carnavalisering van de cultuur’ (een term die ook bedacht werd door Herman Pleij) gaat dan ook uit van deze negatieve, en in wezen calvinistische visie op het carnaval.

Maar het carnaval heeft ook alles te maken met het gevoelsleven van de onderbuik. Zonder carnaval kent de cultuur geen ontlasting. Het is de echte wereld op zijn kop, een soort keerzijde van het katholicisme, een zotte wereld waar het eeuwig feest is. Binnen de leer van het katholicisme heeft van oudsher een wonderlijke relatie bestaan tussen ziel en lichaam. Hoewel de ziel altijd strikt van het lichaam gescheiden is gehouden, werd tegelijk ook alles in het werk gesteld om die grens te overschrijden. Vanuit die optiek bezien is een omgekeerde wereld tegelijk ook realiteit. Beide maken deel uit van een zich spiegelend universum, waar het profane weerkaatst in het heilige en het spirituele zich omkeert in het scabreuze, een geaccepteerde vorm van kortsluiting die zich kan ontladen in een bevrijdende lach. Die dubbele wereld had in de middeleeuwen altijd bestaan en is sindsdien ook blijven bestaan – van Brueghel tot Brel – in de onderlaag van de cultuur. Een wereld waar mannen zuipen omdat de drank smaakt als de pis van een aartsengel in het verhemelte. Waar de vrouwen smachten naar de goudgepunte lans van een uitgestorven geslacht van reuzen. Kortom, een wereld waar mensen schijt hebben aan God.

In zijn boek Het groteske van de taal, over het werk van Michail Bachtin (1990) laat Anton Simons dat in het werk van de van oorsprong Russische filosoof Michail Bachtin (1895-1977) het begrip carnaval een centrale rol speelt. Bachtin zag in de onderlaag van de cultuur – evenals in de onderlaag van het lichaam – de plaats van waaruit de cultuur zich vernieuwt. Lang gelden viel de onderbuik samen met de zogeheten ‘volkscultuur’ met zijn feesten en folklore, zijn carnaval en zijn volksgeloof. Niet alleen het carnaval, maar ook het obscene en het scabreuze komt vanuit deze optiek in een ander licht te staan. Het lichaam zou ook geen zaak zijn van het individu, maar de hele mensheid toebehoren. Zijn boek over Rabelais, dat in 1970 in het Frans werd vertaald, lag in Frankrijk aan de basis voor de hernieuwde belangstelling voor de volkskunst en is van grote invloed geweest op het post-structuralistische denken. De studie van Bachtin L’oeuvre de Francois Rabelais et la culture populaire au Moyen Age et sous la Renaissance’ verscheen al in 1940 in het Roemeens. Het hele werk van Bachtin draagt volgens Simons ‘de sporen van zijn ambitie om de moderniteit te her-evalueren in het licht van de religieuze tradities’.

Zo kwam Bachtin tot de conclusie dat het laat middeleeuwse carnaval een beslissend factor is geweest voor het ontstaan van de Europese moderniteit. Dat wil zeggen: een cultuur van relativisme, tolerantie, polyfonie en vermenging van de meest uiteenlopende ‘taalspelen’. De mentaliteitsgeschiedenis is – onder invloed van de ideeën van Bachtin – de veranderingen in dat soort basale structuren gaan onderzoeken. De Franse historicus Michel Vovelle spreekt in dit verband over het ‘collectief imaginaire’, dat wil zeggen de totaliteit een pre-verbaal en pre-reflexief voorstellingsuniversum dat zich ontwikkelt in de tijd. Dat collectief imaginaire heeft ook een verticale as die hoge en lage cultuur verbindt in de verschillende niveaus van de menselijke lotgevallen. Dit fenomeen heeft volgens Michel Vovelle niets van doen met het ‘collectief onbewuste’ uit de dieptepsychologie van Jung, noch met de structuralistische patronen van antropologie van Levi-Strauss. Het is een historisch geaard begrip ‘op de grens van het biologische en het culturele.’

Maar het carnaval was meer. De historicus Le Roy Ladurie bijvoorbeeld beweert dat je  het middeleeuwse carnaval niet kunt afdoen als een spottende en louter tijdelijke omkering van de maatschappij, die op deze wijze uiteindelijk werd gerechtvaardigd. Hij spreekt van een bijzonder sociaal instituut, waarin groepen zich op satirische, lyrische of epische manier in al hun complexiteit kunnen uitdrukken en laten kennen. Het carnaval  bood ook de onderdrukten de mogelijkheid om zich op vermomde wijze te etaleren, om in sociaal opzicht ‘uit de kast te komen’ en zo de gemeenschap de kans te geven om het onbekende en exotische te verkennen. In het middeleeuwse carnaval werden de Latijnse kerkelijke rituelen geparodieerd in de volkstaal, waardoor ruimte ontstond voor meerstemmigheid en meertaligheid.

Ook de hedendaagse culturele en sociale verandering voltrekt zich niet zelden in processen die nog herinneren aan het middeleeuwse carnaval. Zo hebben we in de afgelopen decennia de heropleving gezien van de rituele parade als carnavalesk fenomeen in dienst van de vernieuwing. De parade is inmiddels een alom geaccepteerd instituut geworden voor de coming out van minderheidsgroepen. Na de gay-parade van Amsterdam, the love-parade van Berlijn, de Caraïbische zomerparade van Rotterdam, volgde zelfs de Slachtemaraton als een rituele parade tijdens Simmer 2000, waarin de Friezen als laatste minderheidsgroep in Europa hun definitieve coming out beleefden. Simmer 200o was in feite een poging om in Friesland het carnaval opnieuw uit te vinden.

Straks komt er weer een poging: Lwd 2018. Ik hou mijn hart vast. Friezen leren het nooit. Friezen ontdooien pas als het gaat vriezen. Ze missen de keerzijde van het leven, de achterkant, de onderbuik, de gekte, de dwaasheid. Zoals zo vaak heeft Reve dit alles al eens eerder gezegd, en beter: ‘Ik gun de Friezen alle goeds, maar ik kan niet tegen die nuchterheid, die het demonische, het verscheurde, de nachtzijde & de schaduwzijde van de mens & van het menselijk bestaan ontkent.’

Wat wil je ook? Frisia non cantat. De Friezen kennen geen carnaval. Het katholicisme heeft in dit kale, vlakke land nooit echt wortel kunnen schieten. ‘De Friezen zijn religieus,’ schreef J.B. Charles in zijn boek Volg het spoor terug (1951). ‘De roomsen onder hen behoren tot de sympathiekste roomsen in Nederland, terwijl de combinatie van Friese taal en calvinist bijzonder onaangenaam valt: plechtiger, expressie-armer, zelfverzekerder, ‘liberaler’, commerciëler en geborneerder Nederlanders bestaan er niet.’

In 1959 schreef Jacques Brel zijn chanson Les Flamandes. Het was een milde satire op de Vlaamse volksaard die de Vlamingen tot woede bracht. Wat jammer toch dat Brel nooit een lied over de Friezen heeft geschreven, over dat sombere volk zonder carnaval bij wie Vlamingen afsteken als levenslustige zotskappen en vrolijke drinkebroers. Brel was een Franstalige Vlaming tegen wil en dank. Als stedeling moest hij niets hebben van dat boertige volk op dat platte land, een landschap waar hij tegelijk zo aan gehecht was. Brel had een haat-liefde verhouding met Vlaanderen. Ik weet er alles van. Evenals Brel ben ik opgegroeid in de grote stad. Maar ik werd een Nederlandstalige Fries met een diep verlangen naar het carnaval.

2 Reacties