En dan is er poëzie

Jaren geleden, op een poëzieavond in De Bres in Leeuwarden, heb ik onderstaand gedicht voorgedragen. Dichten is ook niet zo moeilijk. Je moet gewoon wat woordjes achter elkaar zetten, zodanig dat ze af en toe op elkaar rijmen. Of niet. Poëzie is in de wilde weg wat op papier zetten. Achteraf merk je dan dat het poëzie is. Of niet. Eerlijk gezegd heb ik deze vorm van kunst nooit echt serieus kunnen nemen. Maar dat kan ook aan mij liggen. Of niet. Poëzie is als de Friese wind. En als de Heilige Geest. Hij waait waarheen hij wil.

***

Mijn vriend de Friese wind

het is een rare uithoek waar we hier in leven
mensen sturen brieven in gebruikte enveloppen
nieuws is heilig, men gelooft de krantenkoppen
gezag is hier gezag en ús is nog met ús verweven

er ligt een vreemde sluier van onzichtbare relaties
over dit trage, lage land, een waas die niemand ziet
het geheim van Friesland is: je speelt hier altijd quitte
tenminste, als je meedoet in het spel van machinaties

alles draait hier in ‘t rond, je hebt samen je belangen
wie ‘t hoofd opricht moet niet te ver zijn nek uitsteken
de vos kan altijd nog, zo hij dat wil, de passie preken
je komt elkaar weer tegen, barbertje moet hangen

roddel, achterklap, men leeft hier van gerucht
laat nooit een scheet voor je hem eerst zelf goed
hebt geroken; het is nooit goed hier wat je doet
mijn vriend de Friese wind is frisse lucht

.

Reageer

Trump en de taal van de nazi’s

‘Het onderwerp spreekt me erg aan. Ik heb veel met psychotici gewerkt, in het GGZ. De rand met de werkelijkheid (een complex begrip) is diffuus. Sterker nog, we bewegen ons steeds in een tussengebied, als je het mij vraagt.’

Aldus een paar woorden uit een reactie die ik gisteren ontving van Elmar Kuiper op mijn blog De gevangenis van het onechte. Hij bood me aan om feedback te geven bij het vinden voor een structuur voor mijn roman. Ik denk dat ik zelf eerst nog maar even verder moet hannesen, maar aardig is het natuurlijk wel dit aanbod. Ik zoek naar een structuur, maar al schrijvend kom ik erachter dat die structuur mogelijk in het schrijven zelf verscholen zit.

Reframing the narrative, heet zoiets. Door te schijven verander je het kader van het verhaal. Of beter nog, je boodschap valt één op één samen met het kader van de boodschap. Zoiets als wat John Cage ooit zei: ‘I have nothing to say, and I am saying it.‘ Wat mij vooral interesseert is de mogelijke gelijkenis tussen enerzijds de transformatie van de taal die plaatsvindt tijdens een psychose, en anderzijds de doelbewuste transformatie van de taal die de nazi’s toepasten om de leugen opgemerkt tot waarheid te verheffen. Die transformatie voltrok zich ongemerkt. Niet eens zozeer door wat er werd gezegd, maar vooral door het kader waarin het werd gezegd, een kader dat samenviel met de boodschap.  

Kan het zijn dat een heel volk – door toedoen van een gestoord brein – in een collectieve waan belandt? Hitlers jodenhaat groeide exponentieel in een paar jaar tijd en kreeg uiteindelijke de trekken van een paranoïde waantoestand. Kan het zijn dat zo’n toestand van het brein besmettelijk wordt omdat er een nieuwe taal gecreëerd is, waarmee de werkelijkheidservaring van een heel volk transformeert. Joachim Fest stelde in zijn Hitler-biografie het volgende:

‘Vermoedelijk is de doorslaggevende oorzaak van de omslag van het gewone antisemitisme van de periode in Linz tot de manische proporties aannemende, demonische en letterlijk in de laatste dagen van zijn leven aanhoudende haat niet te achterhalen.’

Fest gebruikt hier de woorden ‘manisch’ en ‘demonisch’. Zo bezien is er iets misgegaan in het brein van Hitler. Wat deze storing ook geweest mag zijn is niet eens zo belangrijk. Belangrijker is het feit, dat deze storing besmettelijk werd en kon leiden tot een collectieve transformatie in het bewustzijn. Kan het zijn dat de taal zelf in dit proces een rol heeft gespeeld, zoals ook de taal van een psychose een besmettelijke vorm kan aannemen, bij de godsdienstwaan bijvoorbeeld? Hiermee komt een vraag in beeld die ik al eens eerder heb gesteld, maar dan in relatie tot Jeanne d’Arc, in mijn blog Er is meer tussen hemel en aarde:

‘Bestaat er een uitzonderlijke, psychotische, c.q. demonische modus van het bewustzijn, die niet noodzakelijkerwijs afstevent op een totale uitputting van het organisme, maar uiteindelijk in balans komt, niet alleen met zichzelf maar ook met de omgeving, en vervolgens de totale werkelijkheid gaat transformeren als een proces van inkeer en ommekeer, hetzij ten goede, hetzij ten kwade. En zo ja, wat zijn de condities voor het ontstaan van een dergelijke uitzonderlijke modus van het bewustzijn? Hoe verloopt het interactieproces met de omgeving, niet alleen de psychische omgeving, de wereld van de geest, maar ook de fysische, dat wil zeggen, de wereld van de materie?’

Die vraag is gemakkelijker gesteld dan beantwoord, en dat laatste ga ik hier ook niet doen. Vooruitlopend op zo’n antwoord kun je stellen dat er in de taal een register schuilgaat, waarmee je de werkelijkheid kunt als geheel transformeren, ook voor anderen. Dat verborgen register zou dan samenvallen met de taal zelf.

Maar eerst nog even dit. Trump is geen Hitler en de grootste dienst die je hem kunt bewijzen is de bewering dat dit wél zo is, al was het maar omdat dit teveel eer is voor Trump. Maar sommige ontwikkelingen geven wel te denken. Gisteren las ik dat veel Amerikanen het helemaal niet zo erg vinden dat Trump stelselmatig heeft gelogen over zijn belastingaangiften. Kennelijk is Trump erin geslaagd om een taal te bedenken waarin de waarheid er niet meer toe doet. Alle leugens glijden van hem af en hij komt ogenschijnlijk overal mee weg. Het gaat alleen nog om Trump, niet meer om de vraag of hij liegt of niet. Dat is een zorgelijke ontwikkeling.

In haar boek The Origins of Totalitarianism (1951) schrijft Hannah Arendt het volgende:

‘In een steeds veranderde, onbegrijpelijk wereld, bereikte de massa een punt waarop ze, op hetzelfde moment, alles geloofde en niks, dat alles mogelijk was en niets nog waarachtig. De propagandisten ontdekten dat het publiek klaar was om het slechtste scenario te geloven, hoe absurd dit ook was, want het publiek maakte het niet meer uit dat er tegen ze gelogen werd. Al het andere was immers ook een leugen.’

Met de Amerikaanse verkiezingen in het vooruitzicht, waarin Trump dreigt te verliezen, komen parallellen in beeld tussen het Duitsland van de jaren dertig en het Amerika van nu. Wat zou er gebeuren wanneer Trump nu op het idee komt van een eigen versie van de Reichstag-brand, de door de nazi’s in scene gezette aanslag van een communist, waardoor Hitler de totale macht naar zich toe kon trekken. Hannah Arendt wees erop dat de wereld in een toestand kan raken, waarin niemand meer zit te wachten op de waarheid. Er ontstaat dan een omgekeerde wereld, een totalitair universum waarin de waarheid verdwenen is.  

Dat is in feite een fatalistische gedachte. Blijkbaar kan er sprake zijn van een sluimerend proces dat al een tijdje onder het oppervlak gaande is en opeens als bij de uitbraak van een epidemie het hele systeem in bezit neemt. Hoe je je ook wapent tegen deze epidemie van het kwaad, er is geen kruid tegen gewassen. De leugens van de totalitaire geworden leider nemen de werkelijkheid dan totaal in bezit. De waarheid verstikt en zelfs de taal verandert van gedaante.

Als de nazi’s ergens goed in waren, dan was het de transformatie van de taal. De officiële taal van de nazi’s had ook een bijzondere relatie met het leven van alle dag. De nazi’s konden liegen met de waarheid en van de leugen een waarheid maken. Thomas Pegelow Kaplan heeft daar een boek over geschreven, The Language of Nazi Genocide, Linguistic Violence and the Struggle of Germans of Jewish Ancestry (2011). Hij analyseert daarin heel exact de lagen van betekenis in het nazi-idioom. Taal heeft een belangrijke rol gespeeld in de het welslagen van de Holocaust. Het eerste wat je moet doen, als je als totalitaire tiran een misdadig plan hebt, is het bedenken van een nieuwe taal. Taal creëert de wereld, en dat is precies wat de nazi’s wilden: een geheel nieuwe wereld creëren.

Maar voor ik  verder inga op dit fenomeen, eerst nog even dit. Onder Hitler-onderzoekers is er veel gedebatteerd over de exacte datum, waarop Hitler daadwerkelijk besloot om zijn voornemen om alle Joden in Europa systematisch uit te roeien ook daadwerkelijk te gaan uitvoeren. Meestal wordt een datum ergens in 1941 genoemd. De Wannsee-conferentie, waar het besluit definitief genomen werd vond plaats op 20 januari 1942. Hoe dan ook, na de operatie Barbarossa op 22 juni 1941 was Hitler tot de conclusie gekomen dat een Blitzkrieg tegen de Sovjet-Unie niet ging lukken. De Russen lieten zich niet zo makkelijk verslaan als Noorwegen, Denemarken, Frankrijk, Nederland en België in 1940. Aanvankelijk zou Hiltler van plan zijn geweest om alle Europse Joden te verbannen naar Siberië. Maar nu het de oorlog aan Oostfront niet wilde vlotten, viel het besluit om alle Joden dan maar te vernietigen. In twee jaar tijd, vanaf het najaar van 1941 werd het grootste deel van de Europese Joden omgebracht. 

Degene die het meest van afwijkt van deze opvatting over het begin van de Holocaust is de Amerikaans-Joodse historica Lucy Dawidowicz (1915-1990). Ron Rosenbaum wijdt in zijn boek Waarom Hitler? Een zoektocht naar de wortels van het kwaad (1999) zijn laatste hoofdstuk aan deze bijzondere vrouw die haar hele leven wijdde aan het onderzoek naar de verloren gegane Joodse cultuur in Centraal en Oost Europa.

In 1938, toen zij literatuurgeschiedenis studeerde in Amerika, reisde zij als 23-jarige af naar de stad Vilnius – destijds in Polen, nu de hoofdstad van Litouwen – om daar de Joodse cultuur te bestuderen. Ze moest al gauw maken dat ze wegkwam, omdat Hitler en Stalin hun pact hadden gesloten en de oorlog onvermijdelijk was. Via Berlijn nota bene wist ze te ontkomen, terwijl ze in Berlijn zelf nog een wonderlijke ontmoeting had met een Duitse officier, die niet wist dat zij Joodse was, maar zelf wel degelijk wist dat de oorlog nu snel naderde. Beiden maskeerden in dit gesprek hun ware aard en bedoelingen. Een dubbele maskering dus, die iets carnavalesks had, en voor Lucy Dawidowicz een soort oerervaring moet zijn geweest. Hier begreep ze opeens hoe de taal van de maskerade werkt, bijna als een literair procedé.

Deze wonderlijke ontmoeting tussen de Joodse studente en de nazi-officier doet me denken aan een verhaal Drame bien parisien van Alphonse Allais, dat wordt aangehaald door Baudrillard in zijn boek Fatale strategieën (1983). Twee jonge minnaars ontvangen onafhankelijk van elkaar een anonieme brief, waarin 
ze worden gewezen op de ontrouw van de ander. Om achter de waarheid te komen hoeft te vrouw slechts naar een gemaskerd bal te gaan, waar haar minnaar ook zal zijn, vermomd als Harlekijn.

Maar de man ontvangt per brief hetzelfde heimelijke advies. Ook hij moet naar het bal gaan om daar zijn geliefde te zien, vermomd als Kongolese Kano. Als het gemaskerde bal in volle gang is, zitten twee personen zich in een hoekje te vervelen: een Harlekijn en een 
Kongolese Kano. Tenslotte benadert hij haar. De ontmoeting eindigt in een privé-vertrek, waar ze op elkaar afstormen en elkaar het masker 
afrukken. Het toppunt van consternatie is dan: ZE WAREN HET GEEN VAN BEIDEN!

Door 
welk wonder, door welke samenloop zijn ze daar verzeild geraakt, zo vraagt Baudrillard zich af. En waar zijn die twee 
anderen, die de echte minnaars waren? De ware werkelijkheid is in dit verhaal opeens tussen wal en schip verdwenen. Alleen de verschijningen van de werkelijkheid lijken elkaar te ontmoeten in twee personages. Ze verbinden zich met elkaar volgens een eigen logica, terwijl de echte logica ze juist voor altijd van elkaar had moeten verwijderen door de wederzijdse ontmaskering. Zo’n bizar proces van maskerade lijkt niet alleen bij de ontmoeting van de jonge Lucy Dawidowicz en de nazi-officier aan de hand te zijn geweest, maar ook in de taal van de  maskerade, waarmee de nazi’s het Duitse volk wisten te misleiden.

Wie bedroog wie in dit proces van een folie à deux ? De bedrogene wil bedrogen worden. Terwijl niet duidelijk is wie eigenlijk begonnen is in dit dubbelspel van maskerade. Was Hitler de rattenvanger die de meute achter zich aan kreeg, of was de meute maar te graag bereid om de rattenvanger te volgen?  ‘Zonder Hitler geen Holocaust’, zegt het ene kamp. Maar menig Hitler-onderzoeker die het omgekeerde beweert. Hitler had talloze ‘gewillige beulen’ zoals Daniel Goldhagen heeft aangetoond. Het zou een proces zijn geweest van zelfontbranding, een plotselinge uitbarsting van demonie en antisemitisme in het Duitse volk, dat hier bij uitstek gevoelig voor was.

Als Hitler er niet was geweest was er een andere volksmenner opgestaan om het lont in het kruitvat te steken, zo luidt dan de redenering. Kortom, wat is de uniciteit van Hitler? Of sterker nog: is de Holocaust een uniek historisch gebeuren of een zoveelste tragedie in de menselijk geschiedenis? Was het opzet of noodlot? Verklaarbaar of onverklaarbaar? Magisch of materialistisch? Een ontsporing van een waanzinnige geest of iets wat onvermijdelijk was in de dialectiek van de geschiedenis? Dit debat tussen intentionalisten en functionalisten vindt zijn verdwijnpunt in de maskerade van de taal.

Het bedrog is onzichtbaar geworden als de leugen zich verhult in de waarheid die de taal ons voorspiegelt. De taal zelf heeft het in zich om verraderlijk spel te gaan spelen, waarin iedereen wordt meegezogen. Wie heeft nog houvast als de taal ons in de steek laat? De taal is het medium van de waarheid, maar wat gebeurt er als de waarheid zelf een product is van de taal? Voor de formele taal van de wiskunde is het dilemma in wezen niet anders. Is de waarheid van de wiskunde een metafysische essentie of een formele constructie van de geest?

Na de oorlog schreef Lucy Dawidowicz haar opus magnum The war against Jews, dat verscheen in 1975. In dit boek verdedigt zij de theorie dat Hitler al in 1918 besloten had om de Joden in Europa te  vernietigen. Dat besluit zou hij genomen hebben tijdens zijn verblijf in het militair hospitaal in Pasewalk. Daarna zou Hitler dit nooit in het openbaar verkondigen, tot de beroemde rede op 30 januari 1939. Tot dan toe verpakte Hitler dit voornemen altijd in esoterische taal.

Als hij over de Joden sprak, dan sprak hij over Entferning, Aufraümung, Beseitigung en later Endlösung, maar nooit over Vernichtung. Dat woord was tot 1939 taboe. Het verhullende of eufemistische taalgebruik was typerend voor de nazi’s. Alle aandacht van Dawidowicz was gericht op de ontrafeling van deze ‘geheimtaal’ van Hitler, die alleen voor insiders duidelijk was. Het grote publiek mocht immers (nog) niet verontrust worden.

Hoe kun je liegen met taal zonder dat de leugen als leugen te herkennen is? In die kunst was Hitler een meester, maar ook de nazi’s in het algemeen.  Het is soms moeilijk om deze gecodeerde taal werkelijk te doorgronden. Het beste voorbeeld is natuurlijk de al eerder genoemde spreuk ‘Arbeit macht frei’ op de toegangspoort van Auschwitz.  Sommigen hebben dit opgevat als een macabere variant van zwarte humor, galgenhumor of sadistische ironie.

Maar er zit meer achter. De waarheid kun je verpakken in een leugen, en omgekeerd. Dat is de kunst van de taal-maskerade die elke populistische politicus verstaat, maar die ook noodzakelijk is als je iets te verbergen hebt. Als je streeft naar macht bijvoorbeeld, en je niet wilt dat dit streven al te duidelijk aan het licht treedt. Het boek De heerser van Machiavelli is wat dat betreft een leerboek in misleiding door middel van de taal.

In het begin van de jaren negentig ben ik kort na elkaar naar verschillende plaatsen in het voormalige Oostblok geweest, onder meer Praag en Vilnius. In gesprekken met kunstenaars en dissidenten viel telkens weer het woord ‘Aesopisch taalgebruik’. De term ‘Aesopisch’ verwijst naar de Griekse dichter Aesopus die bekend is van zijn dierenfabels, waarmee je sociale kritiek kon uiten.

Aesopische taal is een taalgebruik dat de waarheid doelbewust maskeert. Een betekenis, die onschuldig is voor buitenstaanders, heeft een verborgen betekenis voor de insider. Die insiders kunnen samenzweerders zijn, mensen die de macht uitoefenen en hun ware bedoelingen willen verhullen, maar het kunnen ook de onderdrukten zijn in een totalitair systeem.

In het voormalige Oostblok was het Aesopische taalgebruik heel gebruikelijk, want je wist nooit wie bij de geheime politie hoorde en wie niet. De muren hadden oren. Het wonderlijke is dat dit voor Hitler ook gold. Zelfs in zijn beroemde Tischgespräche in Berlijn, die genotuleerd werden, kom je telkens weer dat maskerende taalgebruik tegen. Soms lijkt het op een wonderlijke vorm van humor, als er gesproken wordt over ‘de goede bedoelingen’ ten aanzien van de Joden, die alleen maar naar de moerassige gebieden van Oost-Europa zouden worden afgevoerd, terwijl alle aanwezigen aan tafel donders goed wisten wat er werkelijk gaande was. Het woord ‘vernietiging’, dat nam je niet in de mond. Het was not done, zelfs voor een nazi.

Sterker nog, men schiep er een satanisch genoegen om de waarheid zodanig te verpakken dat de boodschap onschuldig leek, terwijl de goede verstaander zich hierdoor tevens bevestigd voelde als lid van the inner cicle. Taal is bij uitstek geschikt om een samenzwering te smeden. Daarom meenden na de oorlog sommige schrijvers en filosofen dat de Duitse taal besmet was geraakt. De geheime coderingen hadden hun functie verloren, behalve dan als sjibbolet van de schuld die met de taal zelf verkleefd was geraakt. Alleen al om die reden – maar er waren meer – vond Adorno dat na Auschwitz het schrijven van een gedicht een daad van barbaarsheid was geworden.

We leven steeds meer in een wereld waarin de leugen de waarheid gaat overtreffen. De leugen heeft zich geëvolueerd tot iets wat grenzeloos is en daarmee de waarheid naar de kroon steekt.  Nep wordt echt en omgekeerd. In zo’n situatie is het hoe dan ook zaak het systeem stabiel te houden om niet te vervallen in chaos. Daartoe is alles geoorloofd, vooral de leugen. ‘Reframing the narrative,’ dat wordt dan het devies. Zo kan de werkelijkheid als geheel een leugen worden, als de waarheid, die zijn grond in de transcendentie verloren heeft, als sneeuw voor de zon verdwijnt.

.

Reageer

De gevangenis van het onechte

‘Om niet te sterven, moeten alle mishandelde kinderen de mishandeling, de ontbering en de verbijstering die ze hebben ondergaan volledig onderdrukken, omdat het organisme van het kind anders de omvang van de pijn niet zou kunnen verwerken. Alleen als volwassenen hebben ze andere mogelijkheden om met hun gevoelens om te gaan. Als ze geen gebruik maken van deze mogelijkheden, kan wat eens de levensreddende functie van onderdrukking was, worden omgezet in een gevaarlijke destructieve en zelfvernietigende kracht. In de carrières van despoten als Hitler en Stalin kunnen hun onderdrukte wraakfantasieën leiden tot onbeschrijfelijke wreedheden. ‘

Dat schrift Alice Miller in haar artikel Adolf Hitler: How Could a Monster Succeed in Blinding a Nation? Alice Miller heeft zich uitgebreid met de opvoeding van Hitler bezig gehouden, maar ook met het de wortels van het kwaad die tot mishandelingen in de opvoeding te herleiden zijn. Zij schreef onder meer For Your Own Good: Hidden cruelty in Child-Rearing and the Roots of Violence (1983). Maar ook het boek waarmee zij internationaal bekendheid verwierf: Het drama van het begaafde kind (1979).

Hitler was een begaafd kind en toch ontspoorde hij volledig. WaaromHet begaafde kind ontspoort niet zelden omdat het de strakke patronen van de opvoeding te consequent opvat. Juist die kinderen, waarin alles wordt geïnvesteerd, passen zich teveel aan, waardoor hun ware zelf verdrongen wordt. Begaafdheid in combinatie met volgzaamheid leidt tot extremiteiten.

Het boek Het drama van het begaafde kind gaat in feite over het narcisme. De stoornis van dit narcisme bestaat volgens Miller uit ‘eenzame opsluiting van het ware ik in de gevangenis van het onechte’. Gevangen in een opvoeding, dat is de kern van haar betoog. De gevangenis waarin het kind zit opgesloten bij de opvoeding kan ogenschijnlijk zeer aangenaam zijn. In mijn geval was die gevangenis de gesloten katholieke zuil van de jaren vijftig en begin zestig. Het was een uiterst aangename gevangenschap en daarom juist killing. Zo bezien heeft elke generatie zijn eigen ‘gevangenis van het onechte’ gekend, een kerker waaruit men zich moet bevrijden bij het opgroeien. Maar waarom ging het bij Hitler dan toch zo mis?

In het boek van Miller over opgroeien van het begaafde kind speelt de religie geen rol, terwijl de religie – of het gebrek daaraan – vaak een cruciale factor vormt bij het opgroeien van het kind. In feite is dit ook het kernthema in mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering. Het teveel aan religie dat zich spiegelt in het tekort daaraan. Het ene uiterste dat doorslaat in het andere, en dat alles in de draaikolk van de tijd. Opvoeden en opgroeien is leren maat en koers te houden, vooral in tijden van mateloosheid.

Al enige tijd ben ik bezig met het schrijven van een roman. Het verhaal gaat over een kind dat opgroeit in een sterk religieus milieu en vervolgens in opstand komt tegen het kwaad, een opstand die eindigt in een psychose. De titel heb ik al. Het is de titel van dit blog: De gevangens van het onechte. Het probleem is alleen dat ik de juiste structuur nog steeds niet kan vinden. Ik zoek naar een toon, een kapstok, maar ook naar wat zo fraai heet: een ‘vertel-instantie’. Elke roman heeft een verhaalstructuur. Soms komt daar een verteller in voor, maar lang niet altijd. Die verteller kan iemand buiten het verhaal zijn, iemand die zich het verhaal herinnert omdat hij het zelf heeft meegemaakt, maar het kan ook één van de personages zijn in de roman.

Soms verspringt de vertelfunctie van de ene personage op de andere en is er dus sprake van een meervoudig vertelperspectief. Ik stel me zo voor dat je eerst een vertelperspectief bedenkt, alvorens je een roman gaat schrijven. De verteller, die je verzint, kan samenvallen met jezelf, maar het kan ook een fictieve persoon of een anonieme alwetende instantie zijn. Hoe dan ook, je moet weten hoe je begint. Wie is er aan het woord? Dat is de eerste vraag die een schrijver zich moet stellen. Wie vertelt het verhaal en op welke toon?

Maar hoe zit het als je een film gaat maken? Je begint met een kort concept, dan volgt een storyboard en vervolgens ga je dat steeds verder uitwerken in achtereenvolgende scenes. Meer nog dan een roman begint het maken van een film met het bedenken van een structuur. Vaak is een film gemaakt naar een roman en veel verhaalstructuren van de film zijn dan ook ontleend aan de roman. Soms echter is dat niet het geval.

Laatst zag ik een film terug, die ik jaren geleden voor het eerst zag als openingsfilm op het Noordelijk Filmfestival: Das weisse Band – Ein deutsche kindergeschichte. Het is een mooie film in zwart-wit, die in 1999 de Gouden Palm won op het filmfestival in Venetië. Het gaat over een dorpje in  Duitsland in de tijd vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Het verhaal is heel beklemmend, maar de inhoud doet er nu even niet toe. Ik heb altijd gedacht dat deze film een bewerking is van een bestaande roman. Nu ik hem op video terugzag, kon ik ook the making of zien. Daaruit bleek dat de regisseur, Michael Haneke, zich helemaal niet op een bestaande roman gebaseerd heeft, maar het scenario zo geschreven heeft alsof het lijkt dat het ooit een verhaal is geweest, dat zich in een roman voor de lezer heeft ontrold.

Hij koos dus doelbewust voor een traditionele verteller, in dit geval één van de personages, in casu de dorpsonderwijzer, die het verhaal vertelt waarin hij zelf een belangrijke rol speelt. De sprongen in de tijd worden zo heel gemakkelijk gemaakt en pas op het eind van de film blijkt, dat de oorlog al is uitgebroken en de onderwijzer terugkijkt op zijn tijd in het dorp. Bovendien ontstaat zo de illusie, dat het verhaal zich ergens in je eigen bewustzijn afspeelt, als een herinnerd verleden. Om die reden is ook doelbewust voor zwart-wit gekozen, om het verleden ook inderdaad de sfeer van een herinnering te geven, zoals je dat ook ervaart in oude foto’s en films uit die tijd. De verhaalstructuur in deze, in wezen moralistische film moest een universele wending krijgen. Het moest een a-filmisch verhaal worden, alsof er een dubbele bodem in zat, een bodem die niet bestond.

Ondanks alle zorgvuldig gekozen details in de historische aankleding en het decor, wordt de atmosfeer van de film eerder poëtisch en zelfs symbolisch. De regisseur wilde een universeel verhaal vertellen in een specifieke historische situatie. Daarvoor werden kosten noch moeite gespaard. Op elk detail werd gelet, ook wat de casting betreft. Alleen al voor de rollen van de kinderen werden 7000 audities gehouden. De figuranten voor de boeren met verweerde gezichten van honderd jaar geleden waren in Duitsland niet meer te vinden. Ze moesten uit Roemenië met bussen worden aangevoerd.

Ondanks – of juist dankzij – al deze aandacht voor het detail is de regisseur erin geslaagd om de structuur van het verhaal zodanig te organiseren, dat er een poëtisch universum ontstaat dat boven de historische werkelijkheid uitstijgt.  Of, zoals Wellek en Warren het verwoordden naar aanleiding van een roman van Defoe: ‘Alles in het verhaal is waar, behalve de totaliteit ervan. Het is een droomtuin met echte padden erin.’

Je zou het verhaal kunnen opvatten als een vertelling over de kiemen van het fascisme, die al werden gelegd door de uiterst autoritaire, religieuze opvoedingsmethoden van zo’n honderd jaar geleden, waarbij de ouders de lat van de kinderen veel te hoog legden. De gevolgen zijn dan dramatisch, omdat de kinderen de morele lessen, die de ouders er in hebben gedramd, letterlijk ten uitvoer gaan brengen door op moorddadige wijze voor eigen rechter te gaan spelen.

Maar die diepste betekenislaag, die in de film verborgen zit, heeft niet alleen betrekking op het fascisme als een specifiek Duits probleem, maar is universeel toepasbaar, denk maar aan de fundamentalistische islam. In feite geldt dit probleem voor elke orthodox religieuze opvoeding, waarbij ‘een witte band van zuiverheid’ uiteindelijk leidt tot fanatisme en moordzucht. Salman Rushdie verwoordde het ooit als volgt: ‘In elke cultuur waar het woord “zuiverheid” centraal staat, duikt vroeg of laat Auschwitz op.’ Pascal had het al in zijn Pensées op een iets andere wijze verwoord: ‘De mens is engel noch beest, en het ongeluk wil dat wie engel wil zijn, beest wordt.’ 

Wie het hoogste nastreeft, roept vaak het tegendeel op. En achter de vroomste gedachten gaan vaak de meest barbaarse zielenroerselen schuil. Een orthodox religieuze opvoeding kan juist averechte gevolgen hebben, als de lat voor het morele leven door de opvoeders te hoog wordt gelegd. Het is de ‘Wet van de zuivere band’ die leidt tot bandeloosheid. Wonderlijk genoeg geldt die wet ook voor het spiegelbeeld: een opvoeding waarbij geen enkele ruimte wordt geboden voor het spirituele, het religieuze of het numineuze, dat in elk kind al bij zijn geboorte in meerdere of mindere mate aanwezig is. Ook zo’n streng anti-religieuze opvoeding kan desastreus zijn, vooral als er sprake is van een religieus begaafd kind.

Religie kan bij de opvoeding dus wel degelijk van invloed zijn op de uiteindelijke ontsporing van een kind, zeker als die te hoge verwachtingen, die door de religie zijn gewekt, door de ouders – of een van hen – ook nog eens worden versterkt. Hitler zelf had overigens weinig met religie, al kreeg hij als kind zangles in het kanukkenklooster in Lambach, zoals hij laat weten in Mein Kampf.  De onstporing van Hitler kwam volgens Alice Miller in eerste instantie voort uit het fysieke geweld van zijn vader, waarvoor het kind Hitler zichzelf gevoelloos had gemaakt.

Alice Miller schrijft over de kwalijke invloed die de religie kan hebben in haar artikel over Hitler wel het volgende:

‘Uit de geschiedenis van mensenoffers – van kannibalisme tot de Azteken – kunnen we leren hoe sommige religies dergelijke daden hebben geheiligd om de misdaden van ouders tegen hun kinderen vrij te pleiten. Wie deze geschiedenis met open ogen leest, wordt keer op keer getroffen door hetzelfde patroon: “Als ik anderen doe wat mij ooit is aangedaan, dan hoef ik niet alle pijn te voelen die ik anders zou moeten ervaren. Stop alles in ideologische of religieuze verpakking en herhaal alle leugens die de mensen om me heen hebben geleerd te geloven, ik zal veel volgers hebben.’

Als motto voor haar artikel over Hitler gebruikte Alice Miller een uitspraak van Hitler zelf, die door zijn biograaf Joachim Fest wordt geciteerd:

 “What good fortune for those in power that people do not think.”

Ik heb geprobeerd die woorden terug te vinden in de Nederlandse vertaling van Mein Kampf, die ik de laatste dagen aan het lezen ben, maar ik kon ze niet vinden. Wel deze:

‘De psyche van de grote massa is niet ontvankelijk voor alles wat halfslachtig en zwak is.’

Ik denk dat je daar aan toe kunt voegen dat zwakheid het kwaad oproept. En wat Mein Kampf betreft, het is een wonderlijk boek. Al was het maar omdat Hitler hierin heel openlijk spreekt, niet alleen over zijn eigen jeugd, maar ook over de wijze waarop hij de massa denkt te kunnen misleiden. In die zin is Mein Kampf nog altijd een handboek voor hedendaagse populisten. Alleen moet je dan wel alle passages over Hitlers jodenhaat overslaan.

Hitler schrijft letterlijk in Mein Kampf dat hij de Joden is gaan haten. Ook dat is een vertontustende vorm van eerlijkheid. Haat is doorgaans iets waarvoor je je geneert. Niet iets waar je openlijk voor uitkomt. Openlijk zeggen dat je haat is een ongehoorde vorm van eerlijkheid waarmee je de massa kennelijk kunt overtuigen. Hoe die haat bij Hitler is kunnen ontstaan –  door zijn opvoeding of door zijn aard –  zal altijd wel een raadsel blijven. Een ding is zeker: het kwaad zat diep in zijn ziel. En daar kwam hij zelf rond voor uit.

Reageer

Verloren onschuld

Schermafbeelding 2015-11-12 om 10.57.56

‘Als je kon reizen in de tijd, zou je baby Hitler dan vermoorden? 42 procent van de Amerikanen antwoordde positief op de vraag van The New York Times. De klassieke vraag houdt Amerika weer bezig sinds The New York Times eind oktober de kwestie had voorgelegd aan lezers en de resultaten in een grafiekje rondstuurde op sociale media: 42 procent antwoordde ja.’

Dit bericht stond een tijd geleden in bijna alle kranten. Het is natuurlijk het klassieke filosofische vraag of je door te reizen naar het verleden de loop van de geschiedenis zou kunnen veranderen, waardoor ook het heden verandert waarin je die beslissing hebt genomen. Onmogelijk dus. Bovendien, het noodlot lag vast, zo lijkt het. Diep van binnen ervoer het kind Hitler zichzelf als een beschikking van het lot om een reeks mislukkingen te herstellen die hem waren voorafgegaan. Hij had een opdracht bij geboorte. Het was een teken uit de hemel geweest, misschien wel uit de hel.

Want hoe je ook probeert om het kwaad van Hitler te verklaren, je blijft altijd zitten met die ene vraag. Is Hitler als een kwade genius geboren, of is hij dat geworden door de omstandigheden, milieu, gezinssituatie, opvoeding, levensloop, historische situatie etc, etc.? Zat het kwaad bij Hitler in de genen? Of  kwam het kwaad voort uit zijn sterk narcistische persoonlijkheid die in de opvoeding werd gevormd?  Uit ‘het drama van het begaafde kind’, met een veel te strenge vader en een veelsteveel verwennende moeder? Kortom, was het nature of nurture? Die vraag raakt de kern van het probleem van het kwaad. Is de mens van nature goed en overkomt het kwaad hem? Of zijn er nu eenmaal mensen die van nature slecht zijn, heel slecht zelfs, duivels, demonisch of hoe je het ook noemen wilt.

De Romantiek – met Rousseau voorop – heeft ons doen willen geloven dat de mens van nature goed is. We worden geboren als een tabula rasa en daarna gaat het mis. Het kwaad zit in de cultuur, in de maatschappij, in het opvoedingssysteem … niet in de natuur. In de achttiende eeuw was de gedachte ontstaan dat wij als mens in de beste van alle mogelijke werelden leven. Dat had de rede zo bedacht in de eeuw van rede. De mens was op de stoel van God gaan zitten en keek Gods huiswerk na. God had met de schepping zijn uiterste best gedaan, zo luidde de conclusie. En bovendien: hij was redelijk geweest, zeer redelijk. Beter had hij het niet kunnen doen. Wat wij als kwaad ervaren behoort tot een orde die wij met onze rede niet kunnen vatten, maar daarom nog niet onredelijk is. Het kwaad is immers noodzakelijk is om de wereld te laten draaien zoals hij draait.

Gaandeweg bleek dat deze redenering niet klopt. Bovendien leidt hij tot een hopeloos fatalisme. Het bestaan van het kwaad ontkennen door een beroep te doen op een hogere ordening is een gemakkelijke manier om de aanstichter van het kwaad vrij te pleiten. Als het kwaad slechts schijn is en we in de beste van alle mogelijke werelden leven, dan bestaat er geen noodzaak om nog iets aan het kwaad te doen. Dat ging er bij Rousseau niet in. Volgens hem zat het anders in elkaar.

Alle kwaad komt voort uit de beschaving zelf, zo verklaarde Rousseau. De zuiverheid was er nog bij de geboorte, toen er nog geen kwaad in het kind aanwezig was. De zuigeling was als de primitieve wilde, onbesmet door de beschaving. Zo geredeneerd werd theologie voortaan geschiedenis en Gods genade veranderde in de psychologie van de opvoeding. De opvoeding was in wezen een hersteloperatie, terug naar de zuivere oorsprong van de onschuld in een wereld zonder lijden. Het is immers de menselijke zonde waardoor het lijden in de wereld ontstaat. Lijden volgt op het kwaad als de nacht op de dag.

Maar klopt dit wel? Als de onschuld eenmaal verloren is kan hij nooit meer worden teruggewonnen, ook al hebben de hippies in the sixties daar anders over gedacht. Er zit iets diep in de mens wat niet deugt. Sommige mensen deugen zelfs helemaal niet. Daar moet je ver uit de buurt blijven. Het heeft bij mij heel lang geduurd voordat ik deze ongemakkelijke waarheid over het kwaad in de mens kon aanvaarden.

Sindsdien is de wereld voor mij bedekt met een sluier van zwaarmoedigheid. Mijn christelijke opvoeding had een rooskleurig format in mijn brein geplant. Er bestond wel zoiets als een erfzonde, maar dat was niet onoverkomelijk. Het was alsof er een stem was die deepdown zegt: ieder mens is in potentie goed, want ieder mens is in principe verlost van het kwaad. Je hoeft je alleen maar tot het goede te richten om het kwade achter je te laten. Je moet je richten tot het hogere, dan bestaat er zelfs helemaal geen kwaad meer. Het kwaad is de afwezigheid van het goede, zo leerde Augustinus. Als de mens zich richt op het hogere – de transcendentie – verdwijnt het kwaad uit beeld.

Wat ‘transcendentie’ was voor Augustinus, heette voortaan ‘natuur’ bij Rousseau en alle romantische denkers en dichters na hem. In de Romantiek werd de ‘God van de bovenwereld’ vervangen door ‘een wordende god’ die zich manifesteert in de natuur en de geschiedenis. Het evolutie-idee kwam in de plaats van de God die met zijn openbaring inbrak in de geschiedenis. De verticale as tussen hemel en aarde werd vervangen door een horizontale as tussen verleden en toekomst.

So far so good. Maar waar is het kwaad gebleven? Wat gebeurt er als het kwaad toch in de mens zelf al bij zijn geboorte zit ingebakken, als een biologisch fatum in de genen, zoals het kwaad wellicht ook zit ingeweven in de wordende natuur, misschien zelfs in de wordende God? Alles is immers op één lijn komen liggen. Vluchten kan niet meer. Het idee God is dan op drift geraakt, als een wijkende horizon is de storm van de geschiedenis.

Als er één natuur is zonder bovennatuur, één natuur waarin alles – dus ook het kwaad – te vinden is, hoe zit het dan met de vrijheid van de wil? De mens heeft dan niet alleen de vrijheid om zich al dan niet te richten op wat voorheen ‘het hogere’ werd genoemd, maar hij kan ook zichzelf met ‘het voorheen hogere’, in casu de natuur, vereenzelvigen. De mens is zelf immers ook natuur. Dat wil zeggen, hij kan met zijn eigen wil  ‘de universele wil’ van de natuur inlijven.

Zijn zendingsdrang wordt dan letterlijk een ‘natuurverschijnsel’. Het kwaad wordt dan niet bedreven ‘uit vrije wil’, maar omdat ‘het moet’, als een beschikking van het lot. The decision is made by fate. Dat is misschien wel het ultieme kwaad dat mogelijk wordt als de natuur ‘de wordende god’ wordt. Zo ontstaat vroeg of laat een seculiere religie. Een Ersatzreligion, zoals de Duitsers dat noemen. Hitler heeft zo’n seculiere religie gecreëerd, een religie met een eigen moreel spectrum van goed en kwaad. Of beter gezegd: voorbij goed en kwaad.

Verder leek alles wat de nazi’s hadden bedacht op het christendom, maar dan in een andere gedaante. Zelfs aan het hiernamaals was gedacht. Door op te gaan in het collectief was de mens onsterfelijk zolang dat collectief bleef bestaan. Zo werden de zielen van het zuivere ras letterlijk aaneengesmeed in een nieuwe transcendentie, die al in het hier en nu zich manifesteerde. In die nieuw ontstane zielen-ruimte kan de mens demonisch worden. De vrije wil gaat dan voor je het weet slaapwandelen in het duister.

In Mein Kampf sprak Hitler van ‘het aristocratisch beginsel van de natuur’. Daarmee leek de natuur vergoddelijkt te worden en de monotheïstische God voorgoed tot het verleden te behoren. Maar Hitler was slim genoeg om de christelijke of monotheïstische God niet totaal te negeren. ‘De eeuwige natuur wreekt onverbiddelijk de overtreding van haar geboden,’ schreef hij. Maar hij voegde daar in één adem aan toe: ‘Daarom denk ik inmiddels in de geest van de almachtige Schepper te handelen: door mij tegen de Jood te verweren, strijd ik voor het werk van de Heer.’ Om met Bob Dylan te spreken: ‘With God on our side.’

Hoe zit dat dan met God, de natuur en het kwaad? De Duitse filosoof Safranski heeft een dik boek gewijd aan het probleem van het kwaad. Ik heb het de laatste dagen weer eens gedeeltelijk herlezen, omdat het probleem van het kwaad mij wederom bezig houdt. Safranski loopt de hele ideeëngeschiedenis door om alles nog eens op en rij te zetten wat de mens over het kwaad en de oorsprong daarvan heeft gedacht. En natuurlijk komt hij dan uiteindelijk terecht bij Hitler. In feite kun je zeggen dat het hele oeuvre van Safranski draait om de ene, onoplosbare vraag: hoe was het ultieme kwaad van Hitler-Duitsland mogelijk in Das Land der Dicher und Denker?

Safranski noemt Hitler een ‘demonische’ figuur. Er ging een ‘ongelooflijke kracht’ van Hitler uit, zo stelt hij. En omdat fenomeen te verklaren verwijst hij nota bene naar Goethe, die in het laatste hoofdstuk  Dichtung und Wahrheit een 
beschouwing heeft gewijd aan het ‘demonische’. Het is een wonderlijke passage, temeer omdat hij vrijwel op zichzelf staat en ‘slechts zijdelings met de rest van het betoog samenhangt.’ Goethe schreef deze woorden in 1813, toen de het tijdperk van Napoleon op zijn eind liep. Volgens Safranski wilde Goethe met deze woorden wijzen ‘op de 
duistere drijfveren achter de geschiedenis, zowel van zijn eigen als – 
van de politieke geschiedenis.’

Goethe schreef toen het volgende:

‘Het ijzingwekkendst komt dit demonische te voorschijn als het in zomaar een mens allesoverheersend 
opduikt. Ik heb dat in mijn leven meermaals, zowel van nabij als van 
een afstand zien gebeuren. Het zijn niet altijd de voortreffelijkste 
lieden, ze hebben vaak weinig geestkracht en talenten en munten zelden uit door goedhartigheid; maar er gaat een ongelooflijke 
kracht van ze uit en ze oefenen een miraculeuze macht uit over alle 
schepselen in hun omgeving, ja zelfs over de elementen, en wie kan 
zeggen hoever een dergelijke invloed reikt? De vereende morele 
krachten kunnen niets tegen ze uitrichten, en al wil het meer verlichte deel van de mensheid hen verdacht maken, hen ontmaskeren 
als bedrogenen of bedriegers, het blijft tevergeefs, want de massa 
voelt zich door hen aangetrokken. Zelden of nooit vinden ze onder 
tijdgenoten hun gelijken, en niets kan ze overwinnen, behalve het 
universum zelf waarmee ze de strijd hadden aangebonden.’

Het zijn prachtige woorden van Goethe, woorden waar wellicht veel waarheid in schuilt en die met het ultieme kwaad van de nazi’s voor ogen in een ander licht komen te staan. Maar zeggen deze woorden ook iets over het kind Hitler dat onschuldig in de wieg lag, zoals ieder onschuldig kind met een leven nog voor zich?

In Mein Kampf schreef Hitler:

‘Bedenk daarbij ook hoe eindeloos talrijk ze zijn; bedenk dat tegenover één Goethe de natuur de medemensen moeiteloos met tienduizend van zulke knoeiers opscheept, die dan als bacillendragers van het ergste soort de zielen vergiftigen. Het was afschuwelijk, maar je kon niet negeren dat door de natuur nu juist Joden in overvloedig aantal voor deze smaakvolle taak leken te zijn uitverkoren.’ 

Reageer

Verlangen naar een bezield verband

In zijn boek Paniek in de polder polytiek en populisme in Nederland (2011) heeft Jos de Mul een hoofdstuk gewijd aan wat hij noemt ‘Radicale Romantiek’. Hij ziet daarin een probaat antwoord op de huidige crisis, dat wil zeggen: de ‘paniek in de polder’ die na het multiculturele drama in Nederland heeft aangediend. Nederland zou geen echte Romantiek hebben gekend. Dat zei Helmuth Plessner al, toen hij in de jaren dertig voor de nazi’s naar Nederland moest vluchten. Die uitspraak van Plessner was als compliment bedoeld.

De Romantiek was in zijn optiek vooral een Duits probleem. Het was de voedingsbodem voor het latere nationaalsocialisme, een stelling die ook door Safranski verdedigd wordt. Zo is de Romantiek onder verdenking komen te staan. De natuur nam de plaats in van God en als er nog iets van God overbleef, dan werd hij immanent ervaren en niet langer in een transcendente ruimte geplaatst. Het leven zelf werd geësthetiseerd. De kunst werd een orakel van de waarheid. De mens moest door de kunst weer worden opgevoed. Sterker nog, alleen de kunst kon de mensheid nog redden, volgens Nietzsche.

Jos de Mul weerlegt deze redenering door een andere visie op de Romantiek te geven. De nadruk zou in de Romantiek niet liggen op de vlucht naar de verte, het verleden en de esthetiek, maar in een balans tussen een enthousiast geloof in idealen en een ironische distantie daarvan. Juist die romantische ironie zou het ideale tegengif zijn voor de crisis van de moderniteit, veel meer dan het fanatieke atheïsme van de Radicale Verlichting. 

Toen ik dit alles  hoorde, moest ik wederom aan Gerard Reve denken, met wiens werk ik mij een tijdlang heb beziggehouden. (zie: hier). Ook Reve was een romanticus. Evenals Plessner beweerde Reve dat Nederland niet of nauwelijks een romantische traditie heeft gekend. Reve vond zich zelf een Einzelgänger met slechts enkele voorlopers in de vaderlandse literatuur: Couperus en Slauerhoff, maar dan hield het ook op met de Romantiek in de polder. En wat belangrijker is: de romantische ironie is het centrale kenmerk in literaire oeuvre van Reve. Ironie gepaard aan een romantisch verlangen, op die manier zou juist het fenomeen Reve een exponent zijn van de crisis van de moderniteit. Alleen uitte deze crisis zich bij hem in een terugkeer naar het geloof in God en niet in het loslaten daarvan. Om kort te gaan, met de Romantiek kun je alle kanten op, als het huis op instorten staat.

Maar er is nog iets met de Romantiek en dat heeft alles te maken met de romantische wortels van het nationaal-socialisme. Het is een erfenis van de Romantiek om te denken dat mens is een organisch onderdeel van de natuur die op zichzelf een bron is van waarheid en natuurlijkheid. Dat impliceert een verbondenheid met een grotere orde, waarin God en mens niet gescheiden zijn in twee registers: natuur en bovennatuur. Voor zover er sprake is van een bovennatuur is die in de natuur zelf te vinden. Het rentmeesterschap van de mens over de natuur betekent dus de zorg voor de natuur als een totaalgebeuren in de tijd, waar de mens zelf een onlosmakelijk en tijdelijk onderdeel van vormt. Deze intrinsieke verandering kwam voort uit een roep van binnenuit.

De vraag is nu of die roep van binnenuit verdwenen is, na de overwinning op het nationaliaal-socialisme. Is de verleiding van de Romantiek nog steeds actueel? Ik ben van na de oorlog en als ik boeken over Tweede Wereldoorlog lees, heb ik soms het gevoel dat ik word teruggeworpen in de Middeleeuwen. En toch, als ik om me heen kijk, wordt die vreemde ideeënwereld van het nationaal-socialisme ook steeds meer herkenbaar in het heden. We beleven een tijd van opkomend populisme en nationalisme, van nepnieuws en complotheorieën omtrent corona, kortom een tijd waarin de waarheid stilaan een leugen wordt.

Snelle globalisering en radicale secularisering hebben het romantisch verlangen gewekt naar een hernieuwd bezield verband. De verdwijnende ideologieën en utopieën – het einde van ‘de grote verhalen’ – hebben dit verlangen alleen maar versterkt. Zo is een gevaarlijke leemte ontstaan. Populistische politici begrijpen dit als geen ander, want met het romantisch verlangen, dat uit deze leemte voortvloeit, is winst te maken. Dit verlangen hoeft alleen maar met fictieve verhalen gekanaliseerd te worden en samengesmeed tot een nieuw gemeenschapsgevoel of ‘de stem van het volk’, het liefst in combinatie gezamenlijk vijandsbeeld, zoiets als ‘de elite’ of ‘de linkse pers’. We beleven de tijd van de grove simplificaties en hashtags. Het is zwart of wit. Voor of tegen. Zij of wij. En daarmee komt de totalitaire verleiding opnieuw in beeld.

In zijn boek Het verboden boek, Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme (2016) verwoordt Ewoud Kieft het als volgt:

Nationalisme is weer terug als een hoofdstroming binnen de westerse politiek. En misschien is dat simpelweg een een terugkeer naar politics as usual. Misschien was de politieke orde van de afgelopen zeventig jaar de uitzondering, niet de regel. Ik heb al jaren het gevoel dat ik het einde meemaak van een periode in de westerse geschiedenis die per definitie tijdelijk moest zijn, een periode waarin vrijheid, tolerantie en internationale samenwerking vanzelfsprekende waarden waren vanwege het waarschuwende effect van de Tweede Wereldoorlog, een periode die met het verstrijken van de tijd en de vervlakking van de herinnering onherroepelijk aan het verdwijnen is.    

Dat gevoel herken ik. De vraag is nu of de cirkel inderdaad weer rond is. Beleven we de terugkeer van de Romantiek inclusief al haar duistere en totalitaire kanten? De hedendaagse mens denkt ogenschijnlijk pragmatisch en niet romantisch, maar we leven nog steeds in wat Maarten Doorman ‘de romantische orde’ heeft genoemd, hoe instrumenteel en rationeel ons denken ook is. Sterker nog, we zijn nog altijd op zoek naar ‘een natuurlijk evenwicht’, waar ook de eerste Romantici naar verlangden: de juiste balans tussen de instrumentele rede en een verbondenheid met de aarde. Zo bezien is de romanticus een koorddanser, balancerend tussen redelijk handelen en natuurgevoel. Dat ideaaltype steekt schril af tegen het clichébeeld van de romanticus als ‘een bleke jongeling die in door maanlicht beschenen herfstbos gedichten schrijft over een onbereikbare geliefde, terwijl in de verte de posthoorn schalt.’ Ook dat clichébeeld roept Jos de Mul in herinnering in zijn essay Radicale Romantiek.

De Mul sluit zich aan bij romantisch verlangen zoals geformuleerd door Friedrich Schlegel als ‘de eeuwige oscillatie tussen enthousiasme en ironie’. Ook De Mul schetst dus het beeld van de romanticus als een koorddanser die voortdurend moet balanceren tussen twee uitersten. Het juiste midden is de weg van de romanticus. Teveel geloof is even slecht als teveel ironie. ‘Ook in zijn seculiere gedaante gaat ieder geloof in het Absolute dat niet door ironie in toom wordt gehouden over lijken,‘ zo concludeert De Mul. Letterlijk stelt hij:

‘Wat we vandaag van de radicale romantiek kunnen leren is dat we als koorddansers het precaire evenwicht moeten zien te bewaren tussen enthousiasme en ironie. Zeker in een interculturele samenleving waarin het ene enthousiasme al snel een radicaal tegengesteld enthousiasme oproept. In die zin lijkt het Verlichtingsfundamentalisme onheilspellend veel op het moslimfundamentalisme dat zij bestrijdt. Als de geschiedenis ons iets leert, dan is het wel dat een dergelijke radicalisering een geheid recept is voor uitslaande branden. Ironische distantie is een uitstekend blusmiddel, vooral wanneer het zich richt op het eigen enthousiasme. Maar daarbij moeten we niet vergeten dat we met een overmaat aan ironie ons doel ook kunnen voorbijschieten. Wie de ander volledig ironiseert, is de dialoog voorbij. En voor wie enkel nog ironisch naar zichzelf kan kijken, wordt zelfs de monoloog krachteloos. Als het lachen alleen toekomst heeft, dan toch alleen als we samen kunnen lachen om de zaken die ons werkelijk heilig zijn. Er valt nog aardig wat te romantiseren.‘

Als je dit leest, kunt je je twee dingen afvragen. Ten eerste: klopt dit beeld van de romanticus wel? Schiet het clichébeeld hier niet te ver door in het ideaaltype? Ten tweede: is het wel zo, dat het moslimfundamentalisme gebaat is met voorzichtig balancerende romantici op het slappe koord boven een onheilspellende afgrond van terreur en sharia? Want dat willen die fundamentalisten toch? De aanval van de radicale islam is primair gericht op de scheiding van kerk en staat en dat is een product van het Westen op de rampzalige godsdienstoorlogen in de tijd van de Reformatie. Kortom, de radicale islam richt zich tegen de Westerse Verlichting en niet tegen de Romantiek of die nu radicaal is of niet, en zeker niet op de romantische ironie. Montaigne en Erasmus zijn de tegenpolen van radicale islam en niet Schlegel of Heinrich Heine. Bovendien weten radicale moslimfundamentalisten heel goed dat de kernwaarden van westerse samenleving  – zoals vrijheid en democratie – op een wankele basis rusten. Ernst-Wolfgang Böckenförde heeft die wankele basis als volgt geformuleerd in het naar hem vernoemde dilemma: De vrije geseculariseerde staat leeft uiteindelijk van vooronderstellingen die hij zelf niet kan garanderen.

Dat is de hachelijke kern van dit dilemma. In een democratie is de overheid aangewezen op een voortdurend ‘waarden-debat’ tussen mensen met heel verschillende overtuigingen. Waar het werkelijk om gaat is niet een individueel balanceren, zoals de voortdurende ‘oscillatie tussen enthousiasme en ironie’ – maar een rechtsfilosofisch probleem dat aan de basis ligt van de seculiere staat. Dat probleem behelst niet alleen de onmogelijkheid om de fundamenten van de seculiere staat in zichzelf te funderen, maar ook in de vraag of je het basiscontract voor een seculiere staat kunt opstellen zonder een expliciete verwijzing van een religieus georiënteerde morele traditie of een ander metafysisch gedachtegoed.

De ‘lege plaats van de macht’ zou vrij moeten zijn van levensbeschouwelijke beginselen, heeft John Rawls beweerd. Maar nu de islam zijn intrede doet in de westerse samenleving valt niet te miskennen dat de kern van elk rechtssysteem bepaalde levensbeschouwingen bevordert en andere ontmoedigt. Frits Bolkestein pleitte jaren geleden al voor een erkenning van christendom en humanisme als grondslag voor onze westerse beschaving. Paus Benedictus XVI had graag gezien dat de christelijke erfenis opnieuw verankerd zou worden in de Europese grondwet nu de islam een radicale terugkeer van de religie predikt in alle buitenwijken van de Europese metropolen.

Met die religie is niets mis, integendeel, maar met het romantisch verlangen naar het radicale, dat door de confrontatie tussen de islam en de westerse leemte gaandeweg ontstaat, des te meer. En anders wel in het romantisch verlangen aan de andere kant van het spectrum: het opkomend populisme met haar hernieuwde hang naar een gemeenschap met een bezield verband. Dat zijn twee ontwikkelingen die elkaar op een fatale manier versterken, waardoor de fundamenten van vrijheid en democratie kunnen worden aangetast. De opkomst van het nationaal-socialisme was een uniek gebeuren in de geschiedenis van de moderniteit, een gebeuren dat zich niet zo snel zal herhalen. Dat neemt niet weg dat deze geschiedenis wel een adequaat format biedt om ontwikkelingen in de wereld van vandaag beter te kunnen begrijpen. Niet alleen in Europa, maar zeker in Amerika. Trump is geen Hitler, maar we kunnen de gevaren van zijn doen en laten niet onderkennen zonder de kennis die we hebben van het verleden.

Vrijheid is gewoon geworden en in juist die gewoonheid schuilt een gevaar. De totalitaire verleiding behoort niet exclusief tot het interbellum, laat staat tot een voltooid verleden tijd. De totalitaire verleiding wordt ook niet bestreden door een beroep op een vaag humanisme of een blind vertrouwen in mensenrechten. De Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens is geen vanzelfsprekende verworvenheid van de mensheid, maar een fundament van menselijke beschaving dat voortdurend bevochten moet worden. Daar helpt geen lieve moeder aan, en zeker geen koorddanser op het slappe koord van de Romantiek.

Reageer