Groupies of niet

Herman Koch bij boekhandel Scheltema, Amsterdam, zaterdag j.l. 12.00 uur

‘Herman Koch (63) bereikte cultstatus als lid van het trio Jiskefet en is op dit moment de meest succesvolle schrijver van Nederland. Dit jaar schreef hij het Boekenweekgeschenk Makkelijk Leven. “Groupie-achtige aandacht kan spannend zijn”, zegt hij in gesprek met NU.nl. Ter promotie van de Boekenweek ben je op dit moment overal te zien. Zelfs verkleed als conducteur. “Er komt ook een filmpje waarin ik in een trein acteer. Op een bepaalde manier loop ik voor lul, maar aan de andere kant denk ik: doe nou gewoon mee. Als je het Boekenweekgeschenk mag schrijven moet je er volledig voor gaan. Anders kun je het beter niet doen.’

Tja, dat is als schrijver moet je er volledig voor gaan, zelfs als je lul loopt. Afgelopen zaterdag was ik even bij boekhandel Scheltema aan het Rokin in Amsterdam. Daar zat Herman Koch zijn Boekenweekgeschenk te signeren en er stonden heel wat groupies in de rij. Signeren moet je leren, zeggen ze wel eens. Als dat zo is, dan heb ik zelf nog een lange weg te gaan. Toen ik in december 2013 mijn boek Modernisme in Lourdes mocht signeren bij Boekhandel Van der Velde in Leeuwarden, heb ik welgeteld twee boeken van mijn handtekening mogen voorzien. Niet dat er geen mensen in de zaak waren. Het was smoordruk, dat maakte het nog pijnlijker. Een aardige mevrouw kwam nog een praatje met me maken. Ze had niets met Lourdes, maar ze vond het zo zielig zoals ik daar zat.

Bij Boekhandel Van der Velde in Leeuwarden, 23-12-2013 ( foto: Jurriaan Mous)

Zaterdag maakte ik een foto van de signerende Herman Koch, en opeens zag ik Pieter Verhoeff opduiken. Hij had een cameraploeg bij zich en was aan het filmen. Pieter draaide zich om, gaf me een hand en vroeg heel bezorgd hoe het met me was. Hij wist kennelijk van het overlijden van Marijke. Hoe wist hij dat, vroeg ik mij af. Ik ontmoet Pieter zo eens in de paar jaar en meestal op de meest onmogelijke locaties. Opeens besefte ik dat wij samen gelinkt zijn op Facebook. In deze tijd van sociale media wordt iedereen beroemd, als je maar lang genoeg wacht. Fifteen minutes of fame, zoals Warhol voorspelde. Pieter Verhoeff excuseerde zich dat hij niet langer met me kon praten. Hij was een film aan het maken over Herman Koch. Die film heet de De woede van Herman Koch, zo las ik later op internet:

‘’De Woede van Herman Koch’ is een schrijversportret waarin regisseur Pieter Verhoeff samen met Koch door het doolhof van zijn binnenwereld dwaalt, om in het centrum daarvan uit te komen. Pieter ontmoet hem in de intimiteit van zijn eigen leven waar hij bereid is zijn vermommingen af te leggen.’

Ik ben benieuwd of dit nu dat ‘filmpje’ is, waarin hij op een bepaalde manier voor lul loopt. Het zal wel niet, maar je weet het maar nooit. Herman Koch is een blanke man en zestiger. Dat ben ik ook.  Hij weet hoe het moet. Ik kennelijk niet. Je moet er wat voor over hebben om bij de incrowd te horen. Daarvoor leg je desnoods je hele binnenwereld bloot. Ik doe niet anders dan mijn hele binnenwereld bloot leggen. Als schrijver loop je altijd voor lul. Of je nu groupies hebt of niet. Misschien moet ik hier maar eens mee ophouden. Of misschien ook niet. ‘Alles wat geweest is, is eeuwig,’ zei Nietzsche, ‘de zee werpt het terug op de kust.’

Reageer

Als de liefde niet bestond

Op onze slaapkamer hangt sinds jaar en dag een prent die Marijke kreeg ter gelegenheid van haar Eerste Communie. De prent is gemaakt door Pieter Geraedts (1911-1978). Hij hangt daar naast mijn eigen communieprent, en onder die van haar vader en die van mijn vader. Gisteren zag ik dat de handgeschreven tekst op de communieprent van Marijke door de zon behoorlijk is vervaagd. Je kon de woorden bijna niet meer lezen. Ik heb de prent uit de lijst gehaald en het handschrift met pen en inkt overgetrokken. Alles is nu weer goed te lezen. Het kan weer jaren mee. Vooral die twee woorden ,,De Liefde”. De Liefde is als een plant. Je moet haar geregeld water geven, dan bloeit ze weer op. En trouwens, wat zou de wereld zijn als de liefde niet bestond?

Marijke, 11 mei 1958, in de tuin van kerkgebouw ” De Liefde”, Da Costakade, Amsterdam

Kerkgebouw ‘De Liefde” aan de Da Costakade (foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

‘De ontkerkelijking, vergrijzing en leegloop van de buurt leidden tot de fusie van de parochie van de Liefde met de Sint-Vincentiusparochie en de Heilig-Hartparochie (Vondelkerk) tot VVL: Vincentius-Vondel-Liefde. In 1992 werd de oude kerk vervangen door nieuwbouw. Er werd een flatcomplex gebouwd, waarin een klein gedeelte als parochiekerk in gebruik kwam. Ook die ruimte is inmiddels (2013) door het bisdom afgestoten.’ (bron: Wikipedia)

Reageer

Aan gene zijde van het graf

Afbeelding(64).jpg

Daar ik onmogelijke kan weten wanneer mijn laatste uur zal hebben geslagen; daar op mijn leeftijd de ogenblikken die een mens zijn vergund nog 
slechts bij wijze van genade, of veeleer met een onverbiddelijke gestrengheid 
worden toegemeten, zal ik hier, uit vrees voor een onverhoeds heengaan, nader 
ingaan op een werk dat ik ondernam om de verveling te verdrijven van deze 
laatste, eenzame ogenblikken waar niemand om vraagt en waar geen mens raad mee weet. ‘

Aldus schreef François-René de Chateaubriand in zijn Memoires van over het graf. Deze Franse schrijver overleed op 4 juli 1848, maar in zekere zin spreekt hij nog steeds tot ons via zijn herinneringen die van gene zijde komen. Chateaubriand was op 4 oktober 1811 in Rome begonnen deze herinneringen op te schrijven en zou er tot het eind van zijn leven aan doorwerken. Hij verbeeldde zich hoe het zou zijn als hij in zijn eigen graf was opgesloten en zich van daaruit tot de wereld kon richten. Hij had ook notarieel laten vastleggen dat zijn boek beslist niet voor zijn dood gepubliceerd mocht worden. De drukproeven zou hij dus zelf niet meer kunnen corrigeren, maar hij sloot niet uit dat dit hem alsnog zou gelukken. ‘Doden werken immers snel.’ zo schreef hij.

Hoe is dat om opgesloten te zijn in je eigen graf? Ze kunt je dan alles permitteren, alles denken en alles zeggen. Niets is er meer dat je weerhoudt om anderen eens goed de waarheid te vertellen. Of – als je echt aan gene zijde verkeert – om je nabestaanden te laten weten dat er meer is tussen hemel en aarde. Wat kun je allemaal doen vanuit je graf? Ik zou het wel weten. Ik zou er alles aan doen om iedereen, die mij lief is, op het hart te drukken om niet verdrietig te zijn. ‘Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder, niet zonder ons…’ zou Ramses Shaffy zeggen.

Op 19 oktober 2006 heb ik mij op de begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam laten opsluiten in het graf van Peter Giele (1954-1999). Op dat graf stond een sculptuur van Joep van Lieshout. Peter Giele was een bekend figuur in de Amsterdamse kunstwereld van de jaren negentig. Hij stierf in 1999 aan een hersenbloeding. Zijn bijzondere uitvaart op een boot over de Amstel leverde destijds indrukwekkende beelden op die de hele wereld overgingen. Op de dag van Giele’s begrafenis brandde de door hem gecreëerde discotheek RoXY tot de grond toe af.

Zorgvlied, afgelopen zaterdag (foto Renate Mous)

Toen ik afgelopen zaterdag weer op Zorgvlied rondliep, kon ik dit bijzondere graf van Peter Giele niet meer vinden. Mogelijk is het geruimd en de sculptuur van Joep van Lieshout ontmanteld. Toen ik het destijds zag, waren er een paar fotografen bij en ook een cameraploeg van Omroep Noord-Holland. Het bezoek aan dit graf vormde het hoogtepunt van een excursie langs Amsterdamse begraafplaatsen, die werd georganiseerd door de Stichting Kunst in de Openbare Ruimte (SKOR).

Onder deze paarse doodskop, die in feite een soort afsluitbare capsule was, lag de kunstenaar in een kist onder de grond. Mijn opsluiting was wat je noemt een claustrofobische ervaring, temeer omdat het graf ook inderdaad op slot werd gedaan. De paarse doodskop van polyester was van binnen bekleed met een rode stof en er lagen wat kussentjes. Verder lag er een boek over het leven en werk van de kunstenaar.

Door de twee vensters van matglas in de vorm van de ogen van de doodskop viel een vaal licht naar binnen. Ik hoorde het geluid van stemmen buiten en ik waande me even levend begraven. Gelukkig had ik nog wel de tegenwoordigheid van geest om ook binnen in de doodskop wat foto’s te maken. Zelfs van het moment dat de deksel weer openging.

Twee foto’s door mij genomen van binnenuit de capsule. Op de foto rechts wordt de deksel weer opengedaan.

Diezelfde middag bezocht ik in het kader van deze excursie de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Daar keek ik mijn ogen uit. Ik was er in veertig jaar niet geweest. Op 12 mei 1966 werd mijn vader hier begraven, maar dat graf is lang geleden geruimd, zoals dat heet. Op de dodenakker, waar mijn vader lag, is nu een veld voor islamitische graven ingericht. Dit stuk grond ter grootte van een half voetbalveld ligt in de zuid-oosthoek van de begraafplaats tegen Betondorp aan.

Het was destijds niet bepaald de duurste plek. In de zogeheten ‘algemene graven’, die hier te vinden waren, werden altijd drie kisten op elkaar gestapeld. Bovenop lagen dan ook drie platte stenen van identiek vierkant formaat. Zo lag het hele veld bezaaid met tegels, een soort gigantische stenen legpuzzel, waarin je goed de weg moest weten om iets terug te vinden.

Ik ben er nog wel eens geweest. Dat was een zo’n half jaar na de dood van mijn vader. Het was winter en er lag een dik pak sneeuw. De dodenakker was omgetoverd in een maagdelijk wit tapijt dat alle stenen had afgedekt. Zo stond ik voor het dilemma om alle graven één voor één van hun sneeuw te ontdoen of  terug te keren naar huis. Ik bedacht me geen moment.

Zonder aarzelen liep ik dwars over het witte tapijt, een recht spoor van voetafdrukken achter me latend. Op de plek, waar ik intuïtief voelde dat het graf zou moeten zijn, veegde ik met mijn rechtervoet de sneeuw opzij. Ik las de gebeitelde naam met twee jaartallen:

Durk Manus Mous 1897-1966

Zo was het wel genoeg. Ik ben er nooit meer teruggekomen. Dat ene bezoek leek mij voldoende. Ik had een bericht gekregen van gene zijde. Een bericht van over het graf.

Geen reactie mogelijk

Printemps au cimetière

Begraafplaats Zorgvlied Amsterdam, gisteren 15.00 uur (foto Renate Mous)

Reageer

Een diepere laag van betekenis

Slide1

Teksten uit het verleden krijgen tegenwoordig voor mij vaak een andere betekenis. Dat schreef ik van de week al, als een reactie op mijn blog Een grijze lente. Soms geldt dat ook voor teksten die ik zelf heb geschreven. Dan lijkt het of het nu pas tot me doordringt wat ik destijds had willen zeggen.

Dat geldt in hoge mate voor de onderstaande tekst, die begint met een filosofische dialoog uit ‘Het eeuwige telaat’ (1941) van Simon Vestdijk. Ik schreef het voor mijn blog van 16 april vorig jaar, met als titel ‘Vestdijk en de uiterste seconde’. Er zit een diepere laag in deze tekst die voor mij nu pas open komt te liggen.

Op een stoel in de serre ligt Pablo op een dikke stapel kussens. Alles is in rust. Een week voor het overlijden van Marijke lag Pablo opeens gestrekt onder de eettafel. Hij was dood. Op deze foto is ook hij op weg naar zijn uiterste seconde.

Een foto kent niet het telaat. Hij is altijd op tijd genomen. Daarna wordt het een beeld uit een wereld waarin de tijd ontbreekt. Maar is dat niet de echte wereld? Staat de tijd in werkelijkheid stil? Is wat wij gewaarworden als een voorbijgaan soms een illusie? Ben ik het zelf die in mijn brein al die momenten van stilstaande tijd aan elkaar plak tot een voorbijgaan?

***

Arminius: Uit 
een van onze eerste gesprekken zul je je herinneren – hoop 
ik – dat ik mij wel degelijk een wereld kan voorstellen waar
 de tijd ontbreekt – waar de tijd ontbreekt, omdat men er het 
telaat niet kent. Het is de wereld van mijn griffon, het is de 
wereld van de dieren. Een wereld, waar alles ‘op tijd’ geschiedt. Waar men in plaats van het telaat (en het ‘tevroeg’, 
dat echter steeds tot een telaat is te herleiden) slechts het 
’voor’ en ‘na’ kent, het ‘vroeger’ en ‘later’, het ‘na elkaar’. 
Of heter gezegd: men ‘kent’ het met – men léeft er slechts in”. Maar wat men in geen geval kent, is het vernietigende oordeel van de mens over de tijd, wanneer hij de twee woordjes 
’te laat’ uitspreekt. Alleen de mens, tot wanhoop gebracht, 
door de vluchtigheid en onachterhaalbaarheid van het leven, gaat tegen de tijd te keer en behandelt hem als zijn vijand. 
Daarbij vergeet hij echter te gemakkelijk dat de tijd eerst 
uit deze wanhoop en deze vijandschap geboren werd.

Godard: Men behoeft dus slechts zijn wanhoop, zijn 
toorn, onrust, wrok en ontevredenheid te overwinnen om de 
tijd van het wereldtoneel te doen verdwijnen?

Arminius: En de eeuwigheid deelachtig te worden, zeker.

Godard: Dat lijkt een gemakkelijk recept!

Arminius: Zo gemakkelijk, dat niemand er nog in geslaagd is het te verwezenlijken, ook wanneer hij al zijn 
streven er op richtte en precies wist wat hij er voor doen en 
laten moest. Maar ik dwaal af. Wat ik je duidelijk wilde maken is alleen, dat wij ons van de tijd in een anorganische, 
ontmenselijkte natuur – de natuur der exacte wetenschappen – slechts een voorstelling kunnen vormen onder 
het beeld van wat de tijd is voor mijn griffon. Dit klinkt als 
een paradox, maar je begrijpt nu wel wat ik bedoel.’

Is het waar wat Arminius hier beweert? Is er een wereld denkbaar zonder tijd? Is het zo dat de tijd een creatie is van het menselijk brein die op gang is gebracht door de oerervaring van het te laat zijn of te laat komen. Dieren kennen niet het ‘telaat’. Zij leven in een tijdloos eeuwig nu. Als een dier te laat komt, bijvoorbeeld door zijn prooi te missen na een reuzensprong, gaat hij meteen over in een nieuwe ervaring van het nu. Wellicht zou ene volgend moment de prooi zo in zijn bek kunnen vliegen. Een dier vraagt ook nooit: Hoeveel tijd rest mij nog in dit leven. Dieren worden oud zonder gedachte aan het einde. Een mens is altijd op weg naar het einde

Schermafbeelding 2016-04-13 om 22.18.54

Vestdijk met hond Doesje in de sneeuw, januari 1967. (Archief Hans Visser, Vestdijkkring)

Alleen de mens kent de tragiek van het ‘telaat’. Sterker nog van daaruit heeft hij de tijd als een abstractie gecreëerd. In feite is de mens altijd op tijd. Maar de ervaring leert hem dat hij voortdurend te laat komt. Zelfs de dood, de laatste seconde van het leven, komt op gewoon tijd. Voor de mens echter is dit het ultieme te laat. Het leven houdt op na de laatste seconde. Het dier kent dit ‘ultieme te laat’ niet. Voor het dier is er geen laatste seconde. Elke seconde is de eerste en tegelijk ook de laatste. Alles komt voor het dier op tijd. Voor de mens komt alles te laat. Hij probeert zich voortdurend tegen eeuwig te laat te verweren, niet alleen met zijn verstand door middel van berekeing, maar met zijn gevoel door middel van de verbeelding en de herinnering.

Voor de mens wordt de ‘tegenwoordigheid’ gecorrumpeerd door een merkwaardig voortdurend interval, een ‘slippende beweging’ een ‘effect zonder oorzaak’, iets dat zelfs geen oorsprong heeft in het subject, maar dat het bewustzijn de voorwaarde is voor het zich bewust worden van het te laat. Die slippende beweging houdt in: uitstel én verschil. Uitstel, omdat het zich aanwezig stellen van datgene, wat in het bewustzijn verschijnt voortdurend wordt opgeschort. Verschil, omdat de ervaring die van ‘het te laat’ wordt waargenomen, zich primair onderscheidt van een andere waarneming en nooit kan samenvallen met iets wat zich buiten de bewustzijn bevindt.

De ervaring van het te laat is dus doortrokken van een leegte, of anders gezegd: doorboord met afwezigheid. Die afwezigheid in de ervaring van het eeuwige te laat komt niet voort uit een voortdurende gewaarwording van een tegenwoordigheid, maar juist andersom, het effect van uitstel en verschil – ‘de slippende beweging’ – doet de herhaling van tegenwoordigheid ontstaan als een voortdurend verglijdende schijngestalte. Tegenwoordigheid – of anders gezegd, de subjectieve ervaring van het te laat  – is de grondvorm van het bewustzijn.

Sterker nog, het bij zichzelf zijn van het bewustzijn is niet de absolute matrix van het bestaan. De spelbeweging van de tijd vormt de sleutel voor een systeem in het bewustzijn, dat niet het systeem van de tegenwoordigheid is. In feite bestaat de tijd niet. De tijd is een illusie die is ontstaan in het bewustzijn van de mens door de oerervaring van het te laat komen.  Het eeuwige telaat is de tragiek van de mens die verdreven is uit het paradijs van het tijdloos bestaan van het dier.

Maar hoe zit het dan met de waanzinnige, de psychoticus? Hij heeft een andere ervaring van tijd. De psychoticus zweeft door een nog onbekende ruimte, waarin de tijd zijn vertrouwde trekken verloren heeft. De psychoticus creëert op deze wijze zelf een chaotisch tijdcontinuüm, zonder strakke opeenvolging van  eerder, later, toen, nu, heden, verleden en toekomst. Getallen en abstracties verbinden zich in zijn waanervaring op een andere wijze met de taal. Tijdstippen krijgen nieuwe betekenissen buiten de normale orde om.

‘Vóór Kant waren we in de tijd, sinds Kant is de tijd in ons’, schreef Schopenhauer. De tijd is iets wat we zelf creëren in steeds nieuwe ervaringen. De ervaring van een gevangen zijn in een gespleten heden, dat telkens weer wegglijdt in het verleden, staat haaks op die andere gewaarwording, het voortdurend verwikkeld zijn in een innerlijke monoloog van het gelijktijdige van het ongelijktijdige, het verleden in het heden.

Maar in die aanhoudende monoloog kan zich ook een ervaring aandienen die boven de tijd uitgaat en als het ware bovenhistorisch wordt, zoals de gedachte aan een mogelijke Verlossing alles met de dood, maar niets met het wegtikken van de tijd van doen heeft. Die bovenhistorische gewaarwording kan een ervaring zijn, waarin de tijd zich lijkt op te splitsen in twee verschillende werelden, niet alleen in verleden en toekomst, maar ook in een verleden en een nieuw beeld daarvan, een beeld dat niet overeenstemt met wat het verleden daarvoor altijd was.

Op zo’n moment breekt er iets open in de tijd zelf, alsof een dode tak van een boom afbreekt of een stuk ijs opeens wegglijdt van een smeltende gletsjer. Misschien dat op zo’n moment het verleden zelf ontstaat of herboren wordt in een nieuwe gedaante, niet omdat de tijd lijkt stil te staan, maar omdat een omkering van perspectief zich aandient, waarin alles op een andere manier wordt samengevat. In die ‘omkering van de omkering’ raakt alles dan heel even los van de rol. Dan verdwijnt de lege tijd, de chronos, om plaats te maken voor de gewaarwording van een op handen zijnde voltooiing en vervulling: de kairos. In de meest onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden van het hier en nu openbaart zich dan plotseling een moment van Verlossing.

Je zou dit een existentiële bevrijding kunnen noemen, een moment van verlichting, een Verlossing wellicht uit de beklemming van het bestaan. De tijd als gevangenis wordt opeens het omgekeerde: een tijd om jezelf in te verliezen. De beleving van de tijd kent twee richtingen – de terugkeer van het verleden en het naderen van de dood.  Beide richtingen spelen zich af binnen de wereld zelf en zijn dus immanent. Er is geen transcendente ‘ruimte’ in deze dubbele tijdsbeleving, zoiets als een eeuwige uitgestrektheid die zich aan het de sequentie van de tijd onttrekt.

Dat zou een tijd zijn, die zich ergens buiten de psychisch beleefde tijd zou ophouden, een tijd van eeuwigheid, een tijd die vóór de tijd uitgaat, pre-existent is of co-aetern, zoals theologen dat noemen. Dat is geen horizontale, beleefde tijd,maar een verticale, alles overstijgende tijd. Die tijd is aan het verdwijnen, niet alleen in het gewone leven, maar misschien wel bij uitstek in de psychose met al zijn wonderlijke ervaringen van tijd en ruimte.

Wezenlijk voor de psychotische ervaring de transformatie van het tijdsbesef. De overstroming van het hier en nu. De vernietiging van het verleden. Het krimpen van de toekomsthorizon en tegelijk het openzwaaien van alles wat in het heden gebeurt, wat tot je komt en een diepe betekenis lijkt te hebben. Tijd verschuift naar een ander register. Het wordt iets wat je kunt opvorderen, alsof je een ‘bestand’ opent in een computer. Tijd wordt steeds meer… zelfs alles tegelijk: de euforie, de extase, het totale opgaan in een orkaan van worden en gebeuren, een ervaring die kosmische en diep religieuze dimensies kan aannemen.

Een psychose – zo luidt de verklaring binnen het huidige wetenschappelijke paradigma – komt voort uit een verstoring van het dopaminegehalte in de synapsen tussen de neuronen in de hersenen. It’s nothimg but…., but is that all there is? Zoals Einstein een nieuwe topologie probeerde te te vinden om de tijd-ruimte samen te kunnen vatten, zo zou er ook een topologie van de psychotische ervaring van tijd en ruimte kunnen bestaan. Sterker nog, je kunt de vraag stellen of die twee uitzonderlijke topologieën soms ergens met elkaar verband houden?

Bestaat er zoiets als ‘een brug’ die de waanzin verbindt met een kosmologie die we nog niet kennen? En zo ja, welke leeuwensprong is nodig om die brug in gedachten in beeld te krijgen? Niet als voorstelling, want hij is letterlijk onvoorstelbaar. Niet als abstractie, want hij is wellicht niet eens beredeneerbaar. Niet als ervaring, want als constructie onttrekt deze brug hij zich aan ons zicht en wellicht zelfs aan onze intuïtie. Het zou een brug moeten zijn die alles verbindt: het binnen en het buiten, de lijn en de cirkel, het alles en het niets, het eindige en het oneindige, het hier en het hiernamaals.

Iets van mijn psychotische ervaringen zijn mij altijd bijgebleven. Ik draag ze met me mee als de herinnering aan een andere ruimte, een andere tijd. Soms vraag ik me af in welke wereld ik eigenlijk leef. Bestaat deze wereld eigenlijk wel? Leef ik – of op zijn minst iets in mij – niet in een andere wereld, een parallelle wereld voorbij het leven en de dood? Is zo’n dubbel-leven überhaupt mogelijk? Het heelal is gekromd, zei Einstein, maar dat zijn de bananen ook. De hedendaagse kosmologie is – voor zover ik er iets van begrijp – puur mentale bellenblazererij.

We weten niet eens of het heelal eindeloos uitdijt, ooit weer gaat krimpen of in een eindeloze fluctuatie van ontploffen en krimpen is verwikkeld. De vraag hoe het heelal eruitziet is in de kern is een topologisch probleem. Hoewel de relativiteitstheorie voorspellingen doet over de krommingen van de ruimte kan ze geen topologie vaststellen. En dat zal toch moeten gebeuren, anders weten we niet waar we het over hebben. Hoe zit het heelal in elkaar gevouwen? Waar is het begin en waar het eind van al die opgevouwen dimensies? Als er al een begin en een einde is.

Staat ons tikkende horloge misschien in werkelijkheid stil? Bestaat de geschiedenis niet? Er zijn tegenwoordig natuurkundigen die beweren dat ruimte en tijd geen fundamentele eigenschappen zijn van het heelal, maar collectieve eigenschappen van de trillende snaartjes waaruit het heelal – met al zijn in elkaar gerolde dimensies – is opgebouwd. De recente ontdekkingen over zwaartekrachtgolven en de inflatie van het heelal schijnen de snarentheorie, die een beetje op de achtergrond was geraakt, weer aantrekkelijk te maken voor allerlei wilde speculaties.

Kosmologen dromen weer van een heelal dat uitsluitend uit trillingen bestaat. Het universum is misschien niet meer dan een bries die heel even door de haardos van God waait. Als God zijn haar kamt is alles weg. Als Hij wakker wordt uit zijn droom, blijkt dat dit tranendal een illusie is geweest. Het was een nachtmerrie die zijn oorzaak vond in een slecht verteerde maaltijd van het Opperwezen.

De vraag wat ‘ruimte-tijd’ eigenlijk is verliest zijn relevantie als je dit soort wilde hypotheses serieus neemt. Volgens de kwantumfysica kunnen elementaire deeltjes zonder enig tijdverlies met elkaar communiceren. Ruimte-tijd is het filmdoek, waarop we de fysische fenomenen kunnen gewaarworden. Maar dat alles heeft niets te maken met wat Vestdijk bedoelde met de oerervaring van ‘het eeuwig telaat’. Nogmaals: ‘De tijd op zichzelf bestaat niet. Alleen het telaat bestaat. En uit dat te laat leiden we tijd af als een abstractie.

_voo013199901ill0020

Vestdijk met Ans Koster-Zijp en de beide honden (foto: dbnl)

De tijd is noodzakelijk in ons denken, omdat we alles in vaste coördinaten willen vastleggen. Maar er ligt letterlijk NIETS vast. Alles stroomt en weerspiegelt zich in elkaar. Vestdijk verwoordt het als volgt: ‘De tijd van de natuurwetenschappen moet zoiets zijn als een gelijkmatig verlopende stroom van eenparige snelheid, een wiskundig iets, een continuüm….’ Het  heelal zou een eindeloos spiegelpaleis kunnen zijn. Als dat zo is, dan kunnen we wellicht ooit onszelf geboren zien worden. De mens staat in een middelpunt dat tegelijk overal is. Ik ben een zwevend kosmisch embryo van pulserende uitgestrektheden, maar tegelijk ook een uitdovende laatste seconde in het uur van mijn dood.

In deze wereld, waarin wij met ons bewustzijn  – of beter gezegd: dóor ons bewustzijn – leven, komen wij voortdurend te laat. Maar de dood komt voor ons altijd te vroeg. Om met Arminius te spreken: ‘De dood komt op tijd, en degene die sterven gaat komt te laat voor het leven.’ Maar de uiterste seconde komt gewoon op tijd. Altijd gewoon op tijd. De ban van de tijd wordt dan wel gebroken. Na de uiterste seconde worden we losgelaten door de tijd. Of losgelaten ván de tijd, hoe je ook maar hebben wilt. Of zoals Vestdijk het zelf verwoordde in dat prachtige gedicht:

De uiterste seconde

Voor Ans

Doodgaan is de kunst om levende beelden
Met evenveel gelatenheid te dulden
Als toen zij nog hun rol in ’t leven speelden,
Ons soms verveelden, en nochtans vervulden.

Hier stond ons huis; hier liep zij met de honden;
Hier maakte zij de bruine halsband los;
Hier hebben wij de stinkzwammen gevonden,
Op een beschutte plek in ’t sparrenbosch.

Doodgaan is niet de aangrijpende gedachte,
Dat zij voortaan alleen die paden gaat, –
Want niemand is alleen die af kan wachten,
En niemand treurt die wandelt langs de straat, –

Maar dit alles wàs: een werk’lijkheid,
Die duren zal tot de uiterste seconde;
Dit is de ware wedloop met de tijd;
De halsband los, en zij met de twee honden

 

Reageer