La mesure de l’amour

‘De liefde is de tijd en de plaats waarin het ‘ik’ zich het recht voorbehoudt buitengewoon te zijn. Soeverein, zonder ook maar individu te zijn. Verdeeld, verloren, vernietigd, maar door de imaginaire vereniging met de geliefde ook samenvallend met de oneindige ruimten van een bovenmenselijke psyche. Paranoïde? In de liefde ben ik op het toppunt van mijn subjectiviteit. ‘

Aldus schrijft Julia Kristeva in haar boek Liefdesgeschiedenissen, een essay over verleiding en erotiek (1992). Wat zijn dat, de oneindige ruimten van een bovenmenselijke psyche? Over welke ruimten spreekt zij hier? Is dit bovenmenselijke soms bovennatuurlijk? Is het goddelijk misschien?  Ik ben het boek van Kristeva aan het herlezen, omdat ik wat meer over de liefde en vooral over het verliefd zijn wil weten. Het verliefd zijn – zo wordt wel beweerd – is rijk aan honing en gal en doet het hoofd niet zelden op hol slaan. De Romeinse komedieschrijver Plautus schijnt het al gezegd te hebben: ‘Toen mij één mens die tegelijk verliefd en redelijk is en ik zal zijn gewicht uitbetalen in goud.’

Onlangs las ik ergens dat bij verliefdheid de serotine-niveaus in de hersenen sterk zijn verlaagd. In feite is verliefdheid een psychische aandoening die veel lijkt op een obsessieve-compulsieve stoornis. Bij hevige vormen van verliefdheid kunnen alleen medicijnen uitkomst bieden. Met name de zogeheten SSRI’s  kunnen dan het serotonine-niveau weer op peil brengen.  SSRI’s zijn selectieve serotonine-heropnameremmers (Engels: selective serotonin reuptake inhibitor) en vormen een subklasse van de antidepressiva. Als het puur om de werking van het brein gaat, is verliefdheid dus verwant aan de depressie. Je zou verwachten dat verliefdheid een manische toestand is, maar nee dus.

Hoe dan ook, ik las het boek Liefdesgeschiedenissen van Kristeva ooit toen ik niet verliefd was. Nu lees ik het met andere ogen. Liefde maakt blind. Ook dat wordt vaak van de liefde gezegd, maar kan de liefde je ogen ook openen voor ruimten die de menselijke geest te boven gaan? Toen ik bovenstaande woorden van Kristeva las over die ‘oneindige ruimten van een bovenmenselijke psyche’, moest ik denken aan een schilderij van Titiaan.

Een van Titiaans  meest erotische werken is de naakte Danaë die bezocht wordt door de Oppergod Zeus in de gedaante van gouden regen. Het schilderij was in zijn tijd zo succesvol dat de schilder er verschillende versies van maakte. Zo is er een te zien in het Prado van Madrid, in de Hermitage in Leningrad, in het Kunsthistorisch Museum in Wenen en in het Museo di Capodimonte in Napels. Elke versie laat kleine verschillen zien. Bij de een is Danaë geheel naakt, bij de ander heeft ze een laken over haar opgetrokken been. In  Madrid en Sint Petersburg is er rechts van Danaë een dienstmaagd te zien die de gouden regen, waarin Zeus zich heeft vermomd om Danaë te verleiden, opvangt in haar schort. Maar in Napels is deze dienstmaagd vervangen door een gevleugelde cupido. In Wenen is geen enkele figuur te zien op de rechterzijde van het schilderij dat hier zelfs geheel lijkt te zijn afgezaagd.

Maar in alle vier interpretaties van dit thema ligt Danaë loom achterover op bed. Ze heeft haar rechterbeen opgetrokken in een bevallige houding die Titaan – zo beweren althans de kenners – eerder gezien moet hebben op een plafondschildering van Primaticcio in Fontainebleau. Deze Danaë is geen kille, mythische vrouwenfiguur, maar een vrouw van vlees en bloed.  Sterker nog, ze lijkt wel een courtisane die de schilder uit de rosse buurt van Venetië heeft weggeplukt, om hier als actrice een rol te spelen in een oud verhaal. De gedachte daaraan wordt nog eens versterkt, doordat de gouden regen, die op het lichaam Danae neerdaalt, onderbroken wordt door gouden munten. Het is alsof de schilder suggereert, dat zelfs Zeus diep in de beurs heeft moeten tasten, alvorens Danaë haar liefdesdiensten beschikbaar stelde aan zijn goudgepunte lans van licht.

De Griekse Oppergod, die volgens het klassieke verhaal van Ovidius op het punt staat Danaë te bevruchten, had zichzelf in een wolk van gouden regen veranderd om zich zo wat makkelijker door het tralievenster van de toren, waar Danaë zat opgesloten, naar binnen te kunnen dringen. Zeus had al tijden droog gestaan, daar boven op de Olympus. Hij moest nodig weer eens vogelen met een vrouw van vlees en bloed. It fleis leaver as de bonken, zoals de Friezen zeggen. Het verhaal van deze aardse vrijage met de dampige hemelbewoner heeft een wonderlijk verloop. Er wordt een zoon uit geboren, een mensenzoon van de Oppergod. Voorwaar geen alledaagse gebeurtenis die in het ondermaanse dan ook niet onopgemerkt kon blijven.

Zodra de koning, die Danaë had opgesloten om te voorkomen dat ze een kind zou krijgen, van het bestaan van een kleinzoon lucht krijgt, laat hij Perseus en zijn moeder in een houten kist opsluiten, die vervolgens in zee geworpen wordt. Maar de houten kist zinkt niet en drijft naar het eiland Seriphos, waar de twee worden bevrijd door een vriendelijke visser. Het verhaal van Danae met de gouden regen is een mythe met veel betekenislagen. Zelfs het christendom kon er mee uit de voeten. Deze platonische copulatie met Zeus werd immers gezien als een prefiguratie van de onbevlekte ontvangenis van de Maagd Maria, waarmee Danae de verpersoonlijking bij uitstek werd van de kuisheid van de vrouw.

Toch roept de schilderkunstige interpretatie van Titiaan allesbehalve de gedachte aan een vrome kuisheid op. Integendeel, de schilder heeft dit klassieke tafereel aangegrepen om er juist een uiterst erotische, en daarmee heidense voorstelling van te maken. Zo bracht hij voor het eerst een synthese tot stand tussen christendom en heidendom. Zeus in de gedaante van gouden regen was in feite de Heilige Geest geweest, vermomd als de engel Gabriël. Danaë op haar beurt was niet alleen de hoer van de Oppergod, maar ook een Madonna avant la lettre. De tijdgenoten van Titiaan waren verzot op deze vondst en daarna volgde een stoet van bewonderaars die zich door de eeuwen heen door het sensuele tizianismo van dit dubbelzinnige tafereel zou laten inspireren: Tintoretto, Veronese, Rembrandt, Poussin, Van Dijck, Rubens, Delacroix, Goya, Renoir, Manet, Gustav Klimt en zelfs menig pinup-fotograaf. Zij waren allen in meerdere of mindere mate schatplichtig aan Titiaans wellustige Danae die tegelijk een Heilige Maagd was.

Het waren voornamelijk schilders, geen beeldhouwers die zich aan dit thema waagden. Wat wil je ook. Hoe breng je als beeldhouwer in hemelsnaam het thema ‘Zeus vermomd als gouden regen‘ in marmer of steen in beeld, om van die vallende munten maar te zwijgen. Ik zag de Danaë van Titiaan voor het eerst in 1990 op een tentoonstelling in het Palazzo Ducale in Venetië. Het schilderij maakte diepe indruk op mij. Het was de versie uit Napels met het laken over het been. Jarenlang heeft een grote poster van dit schilderij bij mij thuis aan de muur gehangen en altijd verbaasde ik me weer, niet alleen over de fraaie rondingen van het geschilderde vrouwenlichaam, maar ook over die geheimzinnige gouden regen die oplicht tussen het chiaroscuro en als ‘geld van de zon’ neerdaalt op de blanke huid van Danaë: ‘Kom Zeus, kom… Mij geschiede naar uw wil.’

Misschien is er nog een betekenislaag in dit schilderij, die pas in de moderne tijd aan het licht komt. Danaë laat zich verleiden door het groot-kapitaal. Het zou een aanklacht kunnen zijn tegen het kapitalisme die de mens en het algemeen en de vrouw in het bijzonder ten gronde richt. De Zeus van tegenwoordig is immers Het Grote Geld, de Mammon in deze goddeloze tijd. Maar Danaë kan ook staan voor de kunst zelf die zich heeft uitgeleverd aan het profijtbeginsel van de economie. Het is zoals Clement Greenberg ooit zei: de kunst van de avant-garde is door een gouden navelstreng verbonden met het kapitaal. De gouden regen van Danaë staat dan voor de verleiding van het geld die de Muze moet weerstaan. Het goud dat ooit als goddelijke inspiratie recht uit de hemel kwam neerdalen, maar nu zomaar uit de lucht komt vallen voor wie voor de verleiding bezwijkt.

Maar er is nog een laatste mogelijkheid. Misschien bevat dit schilderij van Titaan wel een allegorie van de liefde. In de liefde vallen alle grenzen en onderscheidingen weg. Ook die tussen hemel en aarde, tussen lichaam en ziel, tussen materie en geest, tussen het vlees en de mystiek, eindigheid en oneindigheid. Anders gezegd, tussen het leven en de dood. Maar hoe letterlijk moeten wij dit laatste opvatten?  Hoe letterlijk moeten we de woorden van Kristeva lezen over ‘de oneindige ruimten van een bovenmenselijke psyche’?

Volgens Plato wil de liefde de menselijke natuur genezen. Zij herschept het oerbeeld en leidt ons naar schoonheid, zoals ook de schoonheid ons doet liefhebben. Aangeraakt door de liefde wordt iedereen een dichter. Maar overwint de liefde daarmee ook de dood? Bestaan er ruimten, die de menselijke geest te boven gaan, maar waar de liefde toegang toe heeft?  Wordt in de liefde iets bewaard van het gedachtegoed van Plato en het vroege christendom? Bestaat er dan toch een ruimte die groter is dan dit aardse leven? Een ruimte die eeuwig is? Is het waar wat nog te horen is in menig Duitse smartlap: ‘Menschen die sich lieben sterben nie.’

Toch heeft het vroege christendom over het eeuwige leven wellicht een andere voorstelling gehad dan doorgaans wordt aangenomen. Het christendom, zoals wij dat kennen, is een onontwarbare kluwen van platonische en 
orfische gedachten over de ziel. Het vroege christendom ging veel verder dan het laat-klassieke denken over de eeuwigheid van de ziel door het leerstuk over de opstanding uit de dood naar voren te schuiven. Maar waar staat dat in Bijbel? In het Oude Testament zeker niet. En in het Nieuwe Testament eigenlijk ook niet. Voor de oudtestamentische mens was de dood het natuurlijke einde van het leven.

Het vroege christendom heeft de woorden van Christus, die een spoedig einde der tijden verwachtte, vertaald in gnostische en neoplatonische termen. De oudtestamentische wortels van het christendom zijn daardoor verloren gegaan. ‘Ik verwacht de opstanding van de doden. en het leven van het komend Rijk,’ zo staat het in het Credo, de officiële geloofsbelijdenis die in 325 in het Concilie van Nicea werd vastgelegd. Maar dit leerstuk was vooral gericht tegen al die ascetische woestijnzoekers uit die tijd, die de aarde uit alle macht wilden ontvluchten voor een totale overgave aan een bovenaardse God en daarmee de liefde in het leven zelf tekort deden.

Het eeuwige leven na de dood zou ook het ware leven kunnen zijn, dat pas door het liefhebben in het hier en nu gerealiseerd kan worden. ’Wie niet liefheeft, blijft in de dood,’ schreef de evangelist Johannes (l Joh. 
3:14). Misschien is het alleen de liefde die ons doet beseffen dat een leven na de dood er eigenlijk niet meer zo veel toe doet. In die hoogste vorm van wijsheid raakt de cultuur van de klassieke oudheid aan die van het christendom. De liefde kent geen maat, alleen de mateloosheid. Of zoals Augustinus het verwoordde:

‘La mesure de l’amour, c’est d’aimer sans mesure.’

Geen reactie mogelijk

Vanavond! Niet te missen!

ZIE OOK:  LIWWADDERS

Reageer

In het oog van de camera


Henk Bleeker in zijn studio, gistermiddag 12.00 uur

Gisteren naar Oude Leije gefietst, naar de studio van kunstenaar-fotograaf Henk Bleeker. Hij wilde een portretfoto van mij maken. Dat gaat bij Henk niet zomaar. Zowat een uur lang heb in allerlei standen achter een grote lamp gezeten. In het midden daarvan zat een gat waardoor ik het oog van de camera kon zien. Een zwart gat, meer zag ik niet. En af en te een klik met daarna een hoge pieptoon. In weet niet hoeveel foto’s er in totaal genomen zijn. Tientallen, misschien wel  honderd…  Een portretfoto van Henk Bleeker is dan ook niet zomaar een foto. Hij is er meester in. (zie hier). Ik weet niet waar mijn portret voor bedoeld is. Het wordt een project, misschien wel een boek. Gisteravond  berichtte  hij mij nog:

‘Huub ik heb in mijn ogen een prachtig portret van je geschoten… Ik ben er zeer blij mee. Groet, Henk Bleeker’

Hoewel ik verslaafd ben aan het maken van selfies, hou ik er niet van om een foto van mezelf terug te zien die gemaakt is door een ander, helemaal als die ander een gerenommeerd fotograaf is. Door het eindeloos tonen van selfies op dit weblog toon ik iets van mijn onvolgroeide en in wezen narcistische persoonlijkheid. Alles wat tegenwoordig op social media met anderen wordt gedeeld is in wezen getolereerd narcisme. Maar een selfie is iets anders dan een portretfoto die gemaakt is door een fotograaf. Ik herken mezelf niet in zo’ n doordachte foto van mijn eigen gelaat. Het is net alsof je je eigen stem terughoort. Ik ben het niet. Het lijkt eerder het gelaat van een ander te zijn. Een vreemdeling die vreemd genoeg heel nabij is.

De laatste keer dat ik door een bekende fotograaf geportretteerd ben was in 1994. Toen kreeg Harry de Cock van het CBK Groningen de opdracht om foto’s te maken van mensen die destijds actief waren in de kunstwereld van Noord-Nederland. Zo is hij ook een middag lang bij mij thuis geweest om een reeks foto’s te maken, niet alleen van mijzelf, maar ook van objecten die hij aantrof in mijn huis en die hem opvielen. Dat resulteerde in een soort boter-kaas-en-eieren-spel van mijzelf. Het hangt nog aan de muur op het toilet.

Harry de Cock, portret van mijzelf, 1994

Je moet altiijd oppassen als je in het oog van de camera kijkt, want voor je het weet wordt er iets zichtbaar van jezelf dat je liever niet wilt weten. Een portretfoto is een spiegelbeeld dat bevroren wordt in de tijd. Je ziet je eigen gezicht met het vreemde landschap van rimpels en groeven dat zich hierin heeft afgetekend. ‘Er komt een leeftijd’, schreef Camus, ’waarop een mens verantwoordelijk wordt voor zijn eigen gelaatstrekken.’ Dat lijkt een boude bewering, een slagzin bijna, waarin de levenshouding van deze filosoof wat al te pakkend is samengevat. En toch, er zit een kern van waarheid in die woorden. Als ik ’s ochtends mijn gezicht in de spiegel bekijk, ben ik in eerste instantie geneigd de tand van des tijds verantwoordelijk te houden voor mijn uiterlijk. Iets waar ik niets aan kan doen. En toch, ik had graag wat minder diepe rimpels gezien. Op mijn voorhoofd worden lijnen zichtbaar, waarin ik soms vaag een schaakbord kan zien.

Wat voor het oog van de camera op gaat geldt evenzeer voor een microfoon. Voor je het weet zeg je iets waar je later spijt van hebt. Henk Bleeker had van de week het marathon-interview beluisterd, dat Andries Veldman met mij had. Ikzelf heb dat interview inmiddels één keer teruggehoord en daarbij steeg het schaamrood mij om de kaken. Jezelf horen praten voor de hele goegemeente heeft iets gênants. Net als jezelf terugzien op een filmpje van jaren geleden.

Op YouTube vond ik laatst een videofilmpje, dat Andries Veldman vijf jaar geleden heeft geschoten in Café De Ossekop in Leeuwarden bij het afscheid van Gryt van Duinen bij Omrop Fryslân. Het is puur dronkemansgelal. Henk te Biesebeek komt voorbij en wordt door mij aan de tand gevoeld. Ik zit hem te jennen met de vraag of hij nog wel op scherp staat. Op de achtergrond is nog de stem van Marijke te horen die zelfs even in beeld komt. Sommige dingen kunnen maar beter niet bewaard worden. Maar juist die beelden blijven je tot je dood toe achtervolgen.

Overigens… vanavond is het marathon-interview dat Andries Veldman met mij had te beluisteren op de radio bij Omroep Leo. Vanaf 23.00 uur  Hoor en huiver: HIER. Of nog altijd HIER.

Reageer

Camus in Amsterdam… op ARTE !

Dear Anna-gaelle Brault,

I am interested in your project ‘Camus in Amsterdam’.
I read ‘La chute’ when I was seventeen years old.
I was born in Amsterdam and lived there for 30 years.
‘La chute’ est mon livre de chevet.

Sincerely

Huub Mous

Dit mailde ik eergisteravond terug aan Anna-gaelle Brault. (zie foto boven) Zij is een Franse journaliste en werkt bij ARTE, het voornaamste culturele televisiekanaal in Frankrijk en Duitsland. Ze is momenteel bezig met een documentaire over Albert Camus in Amsterdam. Zo stuitte zij op enkele blogs die ik eerder aan dit onderwerp heb gewijd. Ze vroeg me of ik geïnteresseerd was in het project en of ik haar kon adviseren over de inhoud van de documentaire.

Wonderlijk zo’n verzoek out of the blue…. Gisteravond mailde Anna-gaelle Brault me weer, maar nu uitgebreider. Ze wil een paar dingen van me weten. Bijvoorbeeld: waarom La chute (De val) van Camus mijn lievelingsboek is. Maar ook wat ik vind van de wijze waarop Camus in dit boek Amsterdam beschrijft en waarom ik een vergelijking maak tussen Albert Camus en Jacques Brel. Vandaag zal ze me bellen. Ik ben benieuwd. Het is niet de eerste keer dat ik iets wonderlijks beleef naar aanleiding van dit boek….

Al weer enige tijd geleden werd ik aangesproken door de Leeuwarder advocaat Pieter Tuinman  Hij had De val van Albert Camus gelezen en was gaan googelen. Zo ontdekte hij tot zijn verbazing dat ik op mijn twaalfde jaar over dat boek geschreven zou hebben. Ik heb hem toen even uit de droom geholpen. Ik was niet twaalf, toen ik dat boek las, maar zeventien. Maar ik heb er inderdaad over geschreven in het schoolblad De Harpoen van het Sint Ignatius College. De tekst van dit verhaal, dat een persiflage was op La chute, was ik nadien kwijtgeraakt, maar het kwam weer boven water doordat een oud-ignatiaan (na meer dan veertig jaar!) het mij toestuurde toen hij erover gelezen had op mijn blog (zie: hier).

Ik las Camus veel in mijn pubertijd. Toen ik zeventien was had ik alle belangrijke boeken van hem gelezen: De pest, De mythe van Sisyphus, De vreemdeling, Keer en tegenkeer, De mens in opstand en natuurlijk De val. In die tijd raakte ik verslingerd aan Camus. Ik heb daar al eens  eerder over geschreven in mijn blog Camus als spiegelbeeld. Camus heeft mijn denken gevormd in een gevoelige en kwetsbare periode van mijn leven. Zelfs in de afgelopen maanden ben ik bezig geweest met een boek dat gaat over Camus en Vestdijk. Dat boek moet af, en daar ga ik aan werken… Ik ben geen groot kenner van Camus, maar hij is wel een van de weinige schrijvers wiens boeken ik in mijn leven telkens weer herlees…

Vandaag nog maar eens tekst die ik al eerder publiceerde over….

Camus in Amsterdam

Hier zat op een avond in 1954 
Albert Camus in een van de talrijke cafés in gesprek met een Nederlandse geleerde leeftijdgenoot. Dat gesprek zou de bron worden voor een van Camus’ beroemdste 
romans, La chute van 1956 die gesitueerd is in dit oude stuk van Amsterdam. Ik had 
altijd de neiging gehad de gesprekspartner van de hoofdfiguur van De val als een 
fictioneel personage te beschouwen: tot ik in 2000 werkte aan een Camus-nummer 
van het tijdschrift Raster waarvan ik redacteur ben. Voor dat nummer werd ook 
een bijdrage geschreven door de door mij zeer bewonderde Leidse oud-hoogleraar 
Frans en Camus-kenner S. Dresden. Hij schreef een indringend stuk over La chute 
en omdat hij een heer van de oude stempel was, wilde hij dat graag met mij bespre
ken, bij een kopje koffie in Krasnapolsky. Door de rook van zijn eeuwige sigaret 
heen zei hij daar ineens: ‘Je hebt toch wel begrepen dat de man die daar met hem 
in die bar zat, bij de Zeedijk, dat ik dat was.’

Aldus Willem van Toorn in het boek De stad van Het Oosten. Het verhaal van een woningbouwvereniging (2008). Ik las dit onlangs tot mijn verbazing. Ik had dit verhaal nooit eerder gehoord. Ook Willem van Toorn moet professor Dresden verbijsterd hebben aangekeken, toen die haast tussen neus en lippen vertelde dat hij Camus in die kroeg had ontmoet en dus de gesprekspartner was van de hoofdfiguur in La chute. Camus was in 1954 nog geen 
Nobelprijswinnaar. Pas drie jaar later werd die aan hem toegekend, waarbij La chute waarschijnlijk een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Drie jaar daarna, in 1960, zou Camus omkomen bij een verkeersongeval. In 1954, zo laat Willem van Toorn weten, had Camus in Den Haag een lezing gehouden voor de jubilerende Haagsche Boekhandels Vereeniging. De tekst van die lezing werd  onlangs teruggevonden in een archief in Den Haag. Na afloop had Camus ‘geen zin gehad de aanwezige officiële Franse vertegenwoordigers te ontmoeten – vanwege de situatie in Algerije, waar hij was geboren en, 
waar Frankrijk een koloniale oorlog voerde – en hij had aan Dresden gevraagd of 
ze niet naar Amsterdam konden ontsnappen. Daar hadden ze lang in een bar bij 
de Zeedijk zitten praten.’

Het is een mooi verhaal, maar helemaal volledig is het niet. Café Mexico City bevond zich niet op de Zeedijk, zoals ik zelf eerder vermoedde. Anthonie van den Buuse heeft naspeuringen gedaan in het Gemeentearchief in Amsterdam, in het dagblad Trouw van 22 januari 2005 werd hiervan melding gemaakt. Het betreffende café, zo ontdekte hij, bevond zich destijds in de Warmoesstraat op nummer 91, net om de hoek van de Zeedijk, maar wel midden in de hoerenbuurt, vlak achter het Ouderkersksplein. Dit café heette destijds Mexico City. Eigenaresse was de weduwe Gallego-Van Dam. ook Huub Beurskens schreef onlangs in het tijdschrift Terras een artikel over de kroeg Mexico City die zich destijds bevond in de Warmoestraat. Daarin laat hij ook foto’s zien van de situatie toen en nu.

***

‘Op het Damrak klingelt 
het belletje van de eerste tram door de vochtige lucht 
en kondigt het ontwaken van het leven op de uiterste 
rand van Europa aan, waar op dat ogenblik miljoenen 
mensen, allen mijn onderdanen, moeizaam en met een 
bittere smaak in hun mond hun bed uit kruipen, om 
met een vreugdeloos hart naar hun werk te gaan. Dan 
zwerf ik in gedachten boven dit werelddeel, dat aan 
mijn wil onderworpen is, zonder dat de mensen het we
ten, ik drink met volle teugen deze nieuwe dag als 
absint in en dan, dronken van gemene woorden, ben 
ik gelukkig, dan ben ik gelukkig, zeg ik u, en ik verbied u ook maar één ogenblik te geloven, dat ik niet 
gelukkig ben, tot stervens toe gelukkig! 0 zon, 0 
strand, 0 eilanden onder de passaat, 0 voorgoed ver
vlogen jeugd, wat maakt de herinnering er aan een 
mens diep wanhopig!’

Aldus Jean Baptiste Clamence aan het slot van de roman La chute (1956) van Albert Camus. Plaats van handeling: Café Mexico City,  in de jaren vijftig een beroemd café. Hier vonden ook live-concerten plaats en er werd gedanst. De plek kreeg ook een plaats in het boek van Simon Vestdijk De dokter en het lichte meisje en in veel van Carmiggelts Kronkels. Camus kwam er in 1954 bij een bezoek aan Amsterdam.  Maar ook Jacques Brel belandde hier een paar jaar later aan de hand van Ernst van Altena.

Het was eind jaren vijftig een beetje een cultcafé, the place to be, misschien wel mede door het boek van Camus. Hoe dan ook, het café inspireerde Jacques Brel tot zijn chanson Amsterdam. De roman La chute speelt zich af in ‘de rosse buurt’, zoals die in die jaren eruit zag. Exotische vrouwen achter de ramen: ‘Op het naakte lijf dalen de goden neer, de eilanden schuiven als schimmen voorbij. De palmen in de wind lijken op een warrige haardos. Probeer het eens’. Camus schrijft over het brakke water in de gracht en de duiven die alsmaar rondvliegen in de lucht. Maar ook Ons’ Lieve Heer op Solder wordt genoemd.Veel passages van La chute brengen teksten van Brel in herinnering, ook andere chansons dan alleen Amsterdam. Voor Brel moet dit boek een bron van inspiratie zijn geweest.

Jean-Baptiste Clamence lijkt verlost te zijn als hij over het Damrak loopt. Niet toevallig is hij naar Johannes de Doper genoemd. Hij lijkt als eerste mens verlost te zijn, nadat God is dood verklaard, maar deze verlossing heeft wel een hele hoge prijs. Clamence moet als boetedoend rechter diep door het stof alvorens hij opnieuw tot leven kan komen. Wat dan van zijn leven overblijft is slechts een magere schaduw van het succesvolle bestaan dat hij ooit heeft geleid. Zijn eigen demasqué is een telkens herhaalde openbare biecht die tegelijk een aanklacht is van de Ander, van elk mens wel te verstaan. Want Clamence is niet zomaar een mens. Zijn aanklacht gaat ons allen aan.

Na de pijnlijke ervaring van schuld, toen hij geen hulp bood aan de vrouw die zich verdronk in de Seine, is hij een aan martelend zelfonderzoek begonnen. Zijn drang om te excelleren was in wezen het verlangen om zijn eigenwaarde te bevredigen en de hoge dunk van zichzelf bevestigd te zien. Al die kasten vol boeken en voorgewende menslievendheid, het was een vertoning geweest van ijdelheid. Zelfs als hij een blinde hielp met oversteken, nam hij na afloop even zijn hoed af. Door voortdurend in zijn herinnering te wroeten had hij uiteindelijk ingezien dat hij door zijn bescheidenheid briljant was geworden, door zijn nederigheid vooruit was gekomen en door zijn deugdzaamheid het vermogen had verkregen om te overheersen en te onderdrukken.

Want elk mens wil een heerser worden over een slaaf, en elke slaaf is altijd nog heerser over zijn eigen slaaf. Alleen de bittere conclusies van Hegel resteren nog, als de mens de maker wordt van zijn eigen geschiedenis. De clementie van Clamence is het enige wat de mens nog rest, nu het geloof in een verlossende God gelijk staat aan zoiets als brandende sneeuw. Clamence gelooft niet. Hij heeft niets op met het christendom, behalve dan die eerste christen aan het kruis, die eerlijk was tot het laatst. ‘God waarom hebt Gij mij verlaten?’ Maar Lucas was de eerste evangelist die deze pijnlijke woorden al schrapte uit de gecanoniseerde tekst. Hoeveel zonden worden er niet in naam van Christus begaan?

Onder het mom van de charitas streeft ook menig christen naar aanzien en ijdelheid. Elke godsdienst is in de ogen van Clamence in feite een vorm van witwasserij. We zijn allemaal even grote aasgieren en er is niemand die ongestraft blijft. Een mens kan alleen nog anderen beschuldigen om zijn eigen schuld te ontlopen. Maar dat is uitstel van executie. Op een dag komt iedereen langs een brug waar een vrouw in het water springt. Vluchten kan niet meer voor het oordeel. Dat wil zeggen: het oordeel van anderen want een Laatste Oordeel bestaat niet meer. Elke dag wordt Christus opnieuw gekruisigd. Elke dag ook vind het Laatste Oordeel plaats.

Het nog altijd vermiste paneel van De rechtvaardige rechters ( zie: hier)

Het paneel van Jan van Eyck, dat de boetedoend rechter in de kast heeft staan is de metafoor voor een schijnverlossing, die Clamence voor zichzelf heeft gecreëerd. In laatste instantie is hij een toneelspeler. Alleen op het toneel en in een voetbalstadion voelt hij zich even vrij van schuld. Ook hier klinken de eigen passies van Camus door in die van Clamence. Camus hield als geen ander van toneel en voetbal. In het stadion en in de schouwburg gaat Clamence voor even geheel op in het spel, zoals hij vroeger het leven en de liefde als een spel speelde, bij de vrouwen die hij bedroog met zijn ingestudeerde verhalen.

De verlossing, die hij nu gevonden heeft in zijn nieuwe toneelspel, werkt for the time being. Hij weet dat hij de mensen en zichzelf niet echt kan bevrijden. Want op zekere dag zullen de nieuwe heersers komen, waaraan zij zich opnieuw als slaven zullen onderwerpen. Zij kunnen de nieuw verworven vrijheid niet aan. Het leven zonder God is een te zware last. Er zijn geen heilige wetten meer. De rechters oordelen, maar vergeven niet. Rechtvaardigheid kent geen grond meer. De deugd verliest zich in eigenbelang en de liefde verstrikt zich in eigenliefde.

Je kunt deze roman op verschillende manieren duiden. Als een vlijmscherpe analyse van het morele bankroet van de mens na de dood van God, dat wil zeggen: de mens na Auschwitz, maar ook als de proef op de som voor de fundamentele gespletenheid van de menselijke existentie. Je kunt het boek zelfs lezen als een parodie op het christendom. Want de bekentenissen van Clamence herinneren wel heel sterk aan de Belijdenissen van Augustinus. In het eindeloos zelfonderzoek blijft niets in zichzelf gespaard. Hier keert een mens zich volledig binnenste buiten, zoals voorheen alleen Augustinus had gedaan. Camus was een groot kenner van Augustinus. Zijn proefschrift was aan hem gewijd. Zijn boetedoend rechter  loopt in de voetsporen de Belijdenissen van deze oude kerkvader, bij wie schuld, liefde en verlossing centraal stonden.

Clamence vertelt over de oorlog, toen hij terugkeerde naar Noord-Afrika, waar hij zich tot paus liet kronen een gevangenkamp. Na deze pauskroning mag hij het water verdelen onder de dorstigen in het kamp, maar hij drinkt zelf het water van een stervende, omdat hij zijn eigen leven uiteindelijk van meer belang acht dan degene die ten dode is opgeschreven. Het verhaal lijkt een schrijnende aanklacht tegen Pius XII die met zijn uiteindelijk zwijgen over de Holocaust ook een pragmatische afweging maakte. Maar de liefde en de rechtvaardigheid kennen de wetten van de boekhouding niet. Iedereen is schuldig die de onvoorwaardelijke liefde niet tot het einde toe in praktijk weet te brengen. Slechts dan is er wellicht ooit rechtvaardigheid op deze wereld mogelijk. Maar de mens, die dat kan volbrengen, moet opnieuw geboren worden.

Telkens weer doemt het beeld op van een mens die schuldig is tot op het bot. Alleen een God zou hem nog kunnen redden, maar die is er niet. La chute gaat over de hedendaagse crisis van de liefde en de deugd. De eigenliefde overwoekert de deugd. Er is geen liefde zonder eigenbelang. De amor sui is het noodzakelijk fundament voor de amor proximi. Dat geldt al voor de eerste genegenheid van de zuigeling voor zijn moeder. Voor Augustinus ging het zondebesef zelfs zo ver dat ook de zuigeling zondig was.

De mens is al bij geboorte met schuld beladen en alleen door zijn hart tot de onvoorwaardelijke liefde van God te richten is een verlossing mogelijk. Door de genade die hem dan wellicht ten deel valt. Maar Clamence kent geen genade. God was ooit de zekering die er voor zorgde dat er geen kortsluiting kwam tussen liefde en eigenliefde. De mens diende van de mens te houden in God, en niet van het goddelijke in de mens. Of in de woorden van de boetedoend rechter die kantoor houdt in de Warmoesstraat:

Neen, je kunt niet zeggen, dat het medelijden niet 
meer bestaat, waarachtig niet, grote goden, we praten 
over niets anders meer. Alleen is het nu zo, dat we niet 
meer aan vrijspraak doen. Boven het dode lichaam van 
de onschuld woekeren de rechters voort, rechters van 
alle landen en alle rassen, in naam van Christus, in 
naam van de Anti-Christ. Daar is trouwens geen enkel 
verschil tussen, zij vinden elkaar terug in de malcom
fort. Weet u wat er hier in de stad met een van de 
huizen is gebeurd, waarin Descartes zijn toevlucht had gevonden? Dat is op het ogenblik een gekkenhuis: Daar ziet u op het ogenblik niets anders meer dan achter
volgingswaan en volslagen waanzin. Uiteindelijk zullen 
wij daar ook nog wel eens terechtkomen. U merkt wel, 
dat ik niets ontzie, maar u denkt er net zo over, dat heb ik wel gemerkt. Omdat we nu eenmaal allemaal 
rechters zijn, zijn we automatisch ook allemaal schuldig in elkaars ogen. Op onze eigen weerzinwekkende 
manier spelen we allemaal een beetje voor Christus, 
stuk voor stuk worden we aan het kruis genageld en 
uiteindelijk weet niemand de waarheid. Zo zouden de 
zaken er tenminste voor ons uitzien als ik, Clamence, 
geen uitweg had gevonden. Ja, ik heb de enige juiste 
oplossing gevonden, de waarheid mag ik wel zeggen.

Reageer

Dolph Kessler en het koude noorden

Dolph Kessler gistermiddag in De Lawei in Drachten

Op zaterdag 6 oktober j.l. fietste ik heen en weer naar Drachten. Ik wilde ‘De spiraal van Friesland’ van Dolph Kessler zien in de Galerij van de Lawei. Daar aangekomen waren er allerlei foto’s van Dolph Kessler te zien. De meeste kende ik al. Maar waar was ‘De spiraal’? Ik vervoegde me bij de juffrouw achter het tafeltje bij de ingang. ‘Waar is de spiraal?’, vroeg ik. Ze had de Leeuwarder Courant voor zich liggen met een paginagroot artikel over ‘De spiraal van Friesland’ van Dolph Kessler. Ze zei: ‘Iemand van de technische dienst heeft vanochtend de beamer weggehaald, dus u kunt de spiraal vandaag niet zien.’ Ik was perplex en wist niet wat ik zeggen moest.

Gisteren haalde Dolph mij met de auto van huis op om samen ‘De spiraal van Friesland’ in Drachten te gaan zien. Gelukkig was de beamer nu wel in bedrijf. De totale projectie duurt acht uur, dus dat hebben we niet gehaald. De video laat een wandeling van 500 kilometer zien die in vijf jaar is afgelegd volgens een spiraal op de kaart van Friesland. Om de 100 meter werd een foto genomen. Die beelden vloeien in elkaar over als een traag inzoomend en voortdurend verschuivend perspectief.  Wij vielen erin in het gedeelte dat door Weststellingwerf liep, op de rand van Drenthe.

Het project is mij niet geheel onbekend. Zo’n acht jaar geleden diende Dolph het concept hiervan in bij de adviescommissie die de Provincie Fryslân adviseerde bij de kunstopdrachten voor de nieuwbouw van het Provinciehuis. Ik zat in die commissie o.a. met Sies Bleeker. Het project van Dolph heeft het toen niet gehaald, omdat wij als commissie het idee hadden dat Dolph zich als fotograaf  teveel als kunstenaar manifesteerde. Inmiddels heeft hij tal van projecten gerealiseerd op het grensvlak van kunst en fotografie. Een conceptuele dimensie is in vrijwel al zijn werk terug te vinden. De tentoonstelling in Drachten laat dat goed zien.

Dolph reist veel naar het noorden, naar het gebied rond de Noordpool. IJsland, Groenland.. hoe kouder, hoe mooier. De noordelijke zeeën en oceanen kennen geen geheimen voor hem. Om over smeltende ijsbergen maar te zwijgen. Daarnaast is Dolph actief als ideeën-bedenker. Vorig jaar  riep hij een paar mensen bij elkaar die een avond bij mij thuis hebben gebrainstormd over een reeks debatten die in het Fries Museum zou moeten plaats vinden. Daar is tot nog toe weinig van gerealiseerd. Veel van de ideeën van Dolph worden niet uitgevoerd. En dat is jammer. Zijn project over de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat is inmiddels deels gerealiseerd, maar nog lang niet alles. Dolph vroeg mij vorig jaar om een concept te bedenken voor een tentoonstelling voor zijn virtuele museum, dat op Ameland zou moeten verrijzen in cyberspace. Ik schreef hem toen het volgende.

Het verlangen naar het noorden

De Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat leed in 1777 schipbreuk op Groenland. Zijn avontuurlijke reis, waarvan hij verslag deed in een dagboek, roept herinneringen op aan de zeereis van de filosoof Johann Gottfried Herder in die zelfde tijd ondernam. Herder vertrok in 1769 uit Riga voor een lange en barre tocht op zee, waarin hij onderweg de balans opmaakte van zijn leven. Zijn dagboek verscheen postuum in 1846 in Parijs onder de titel Journal meiner Reise im Jahr 1769. Vaak wordt dit geschrift gezien als het beginpunt  van de Romantiek, onder meer door Rüdiger Safranski in zijn boek Romantiek, een Duitse affaire. 

Maar hoe Duits is dit romantisch verlangen om in te schepen en alles achter je te laten? ‘Het verlangen naar het noorden’ is een authentiek Friese verlangen. In zekere zin is het ook een verlangen naar de dood, een verlangen om te bevriezen en langzaam koud te worden en op te gaan in de polaire natuur. De Friese schaatser Jeen van den Berg heeft ooit laten weten dat hij  – toen hij gevallen was tijdens een Elfstedentocht – diep van binnen dacht: ‘Laat mij hier maar liggen en langzaam doodgaan tussen het ijs.’ 

Een romantisch verlangen naar het uiterste noorden en een spirituele beleving van het landschap komt bij meerdere kunstenaars naar voren die in Friesland gewoond en gewerkt hebben. De grenslijnen tussen land en lucht, tussen zee en wolken keren in de verbeelding van het Friese landschap altijd weer terug. 

In de tentoonstelling Het verlangen naar het noorden worden werken getoond waarin dit verlangen centraal staat. Dit komt tot uiting in beelden, waarin de onmetelijke ruimte van het landschap al dan niet in geabstraheerde vorm, als mentale ruimte of als oriëntatie voor het gevoel tot uiting komt.  Het Waddenlandschap bijvoorbeeld heeft Fred Landsman decennialang geïnspireerd tot werken waarin telkens weer een spanning optreedt tussen de onmetelijke ruimte van het Wad en de eenzame gestalte van een mens. 

In dat soort beelden wordt soms de herinnering aan Caspar David Friedrich heel even gewekt. Zoals ook in de foto van de ijsschotsen bij Laaksum gemaakt door Rob Nypels herinnert aan de het kruiend dat Friedrich ooit schilderde. De gedachte aan de eenzame gestalte in de onmetelijke ruimte dook telkens weer op in de verbeeldingswereld van Friese kunstenaars. Fred Landsman en Tjibbe Hooghiemstra trokken keer op keer naar Ierland. Zoltin Peeter en André de Jong naar IJsland. Allen zochten zij de verlatenheid op van een ruige natuur die hen tot een nieuwe beeldtaal inspireerde. eéet verlangen naar het noorden wordt een tentoonstelling van Friese kunstenaars na 1945, een beetje als een folluw up van De Kleur van Friesland, maar dan toegespitst dit specifieke thema. In 2008 mocht ik als gastcurator optreden  voor deze tentoonstelling. Ook toen was in het museum een kleine  vierkante zaal gewijd aan dit thema. De muren waren kristalblauw. Op dit concept zou nu voortgebouwd kunnen worden. 

De tentoonstelling Het verlangen naar het noorden zou een coproductie kunnen worden van het virtuele museum op Ameland en het Fries Museum. Dit museum beheert een collectie van naoorlogse Friese kunst van meer dan duizend werken, waaruit een basis-keuze kan worden gemaakt, eventueel aangevuld met actueel werk van de gekozen kunstenaars. Bij de presentatie in het virtuele museum zou zoveel mogelijk iedere kunstenaar een eigen zaal of kabinet kunnen krijgen. Er kunnen per zaal ook spannende dialogen worden gezocht tussen het werk van een of meer kunstenaars.  In het Fries Museum zou gelijktijdig een kleine POP-UP tentoonstelling te zien kunnen zijn, die verwijst naar het virtuele museum op Ameland. Dat trekt extra virtuele bezoekers naar internet en eventueel ook maar Ameland. 

Ook zou de tentoonstelling in werkelijkheid in zijn geheel in het Fries Museum te zien kunne zijn. In dat geval is de virtuele tentoonstelling op Ameland een proeftuin voor het Fries Museum om zich op dergelijke wijze op internet te presenteren.  Samenwerking kan verder worden gezocht met de manifestaties Kunstmaand Ameland en Explore the North.  

Ik zie mijzelf niet als gastcurator van deze tentoonstelling, hooguit als aandrager van suggesties voor de invulling ervan.  De tentoonstelling zou tot stand komen onder eindverantwoordelijkheid van het Fries Museum, en eventueel uitgebreid kunnen worden uitgebreid met werk van buitenlandse kunstenaars, waarin een dergelijk ‘verlangen naar het noorden’ eveneens tot uiting komt. 

Een precedent voor dit concept is ook de manifestatie 11 steden/11 landen, die in 1990 werd georganiseerd in de toenmalige Frieslandhal in Leeuwarden.  Uit elf steden boven de 53ste  breedtegraad  – ongeveer de hoogte waarop Leeuwarden ligt – werd een kunstenaar en een architect  uitgenodigd om zich gezamenlijk te presenteren in een nieuw te bouwen paviljoen. Dit paviljoen mocht een geïntegreerd kunstwerk zijn, maar ook een paviljoen als ideale tentoonstellingsruimte voor de kunst. 

Deze manifestatie beoogde een bijdrage te leveren aan een discussie over de geldigheid van begrippen als ‘een noordelijke identiteit’, ‘noordelijk gebruik van kleur en vorm’, kortom ‘het noordelijk gevoel’. Het was  zoektocht naar de ‘nordic spirit in art’. De Amerikaanse kunstcriticus Robert Rosenblum had al in 1974 zijn baanbrekende studie gepubliceerd  Modern Painting and the Northern Romantic Tradition: Friedrich to Rothko. Hierin beschreef hij een traditie in de Noord-Europese kunst die tot dan toe onderbelicht was gebleven, omdat teveel de nadruk was gelegd op de ontwikkelingen die zich het eind van de negentiende eeuw in Frankrijk en met name in Parijs hadden voltrokken.

Op de tentoonstelling Het verlangen naar het noorden is muziek te horen, of beter  gezegd ‘muzak’ als achtergrond op de zalen, bijvoorbeeld het nummer FREEZE van Philip Glass, maar mooier zou zijn werk van een Friese componist, bijvoorbeeld Klaas Hoek. 

Beelden van de barre Elfstedentocht tocht van 1963 zouden ergens op de tentoonstelling zichtbaar kunnen zijn. Dat was het verlangen naar het noorden in optima forma. Een verlangen tot de dood ons scheidt.

Zie ook mijn blog: Dolph Kessler verdient Gerrit Bennerprijs

Reageer