De tijd in een illusie

‘We kunnen de wetenschap van de toekomst niet scherp omlijnd tekenen. We kunnen alleen vermoeden dat dan de scherpe scheiding tussen de mens en de wereld langzamerhand zal verdwijnen, dat de mensen minder egoïstisch en met een warmer gevoel niet alleen tegenover zichzelf maar ten opzichte van de hele organische en ook de zogenaamd levenloze natuur zullen staan. Zo’n vermoeden heeft misschien 2000 jaar geleden de grote Chinese filosoof Licius aangegrepen, toen hij wees op een oud menselijk geraamte en in een korte en krachtige stijl, die gedicteerd werd door het tekenschrift, tot zijn leerlingen de woorden sprak: “Alleen dit gebeente en ik bezitten de kennis dat wij noch leven noch dood zijn.’

Aldus beweerde de natuurkundige en wetenschapsfilosoof Ernst Mach (1838-1916). Ik heb dit altijd een raadselachtige passage gevonden. Ten eerste weet ik niets van Licius. Het schijnt de weinig bekende Latijnse naam te zijn voor iemand die waarschijnlijk Lie Yukou heette en leefde in de vierde eeuw voor Christus – twee generaties voor Confucius – in de staat Zheng, in de huidige streek Shandong in China. Over het leven van de goede man blijkt nauwelijks iets bekends te zijn, behalve dan dat hij een boek geschreven heeft, ‘Het ware boek van de stromende oergrond’, dat nog altijd geldt als een van de filosofische oerteksten van het Taoïsme. Ernst Mach, die nog over de allesomvattende eruditie beschikte van een negentiende eeuwse kamergeleerde, moet dit obscure boek wellicht ooit gelezen hebben, lang voordat het in de mode raakte om verbanden te zoeken tussen de bevindingen van de moderne natuurwetenschap en eeuwenoude oosterse wijsheden.

Mach was niet de eerste de beste. Hij wordt algemeen beschouwd al een van de grondleggers van de hedendaagse natuurkunde. Einstein betitelde hem zelfs als de belangrijkste voorloper van zijn relativiteitstheorie. Hij was een positivist die niettemin een scherp oog had voor de filosofische implicaties van de moderne natuurwetenschap. Zo had hij grote belangstelling voor wat destijds de ‘psycho-fysica’ werd genoemd, een stroming in de toenmalige wetenschap die er vanuit ging dat psychologie en natuurkunde één en dezelfde grondslag hadden en dus ook vanuit één optiek benaderd moesten worden. Achteraf beschouwd kan dit streven wellicht als een laatste wanhoopspoging worden gezien om de dreigende breuk tussen natuurwetenschap en geesteswetenschap te dichten. Het drama van onze tijd komt nog altijd voort uit deze breuk die zich in de negentiende eeuw heeft voltrokken. Er is een scheur ontstaan in ons westerse wereldbeeld, een scheur die door de wetenschappelijke revolutie sindsdien alleen maar groter is worden.

Die scheur is een kloof geworden. Lezend in het boek Sferen van Peter Sloterdijk stuitte ik op een beschouwing over de dood. Kan het zo zijn, zo vroeg ik mij af, dat ons hedendaagse onwrikbare beeld van de dood mede bepaald is door deze breuk in het westerse wereldbeeld. We zien de dood tegenwoordig als de absolute tegenpool van het leven, als een ultieme, ondoordringbare grens, waarachter alles ophoudt en het grote niets begint. Dood is een blinde muur geworden waar elk leven uiteindelijk hopeloos op stuk loopt. De dood is ontaard in iets fataals, iets wat elk begrip te boven gaat. Niet ‘te boven’ in de zin van ‘verheven’, ‘subliem’, of ‘geheimzinnig’, maar ook daar nog bovenuit, als iets dat nergens meer bij hoort, iets dat alleen meer tragisch is en noodlottigs. Iets dat niets is.

De dood staat in feite voor een nieuwe categorie in het westerse denken. Dood is de categorie van het absolute niets, het niets dat zich dialectisch niet meer kan omkeren in zijn tegendeel, in een ander soort ‘alles’, een ‘alles’ dat ook het niets omvat. De cyclische gedachte dat het leven voortkomt uit de dood, om daar weer in terug te keren, zoals je een lepel soep optilt en vervolgens weer terug in de pan schenkt, die gedachte is in onze huidige tijd ondenkbaar geworden. Er is immers geen pan meer, dat wil zeggen, een plenaire volheid die leven en dood in een allesomvattende ‘pan-visie’ omvatten kan. Het leven zelf is de oersoep geworden en de pan is allang van tafel gehaald.

Zo kon het wellicht gebeuren dat het grote niets van de dood zoiets werd als zwarte gat waar alles in verdwijnt. Er werd een nieuw soort troost bedacht. Het zwarte gat van de moderne dood keerde zich om als een ultieme oorsprong van het meest duistere verlangen. De dood werd een warmtedood, het eindpunt van de entropie, de ultieme chaos waar alles, maar dan ook alles, uiteindelijk naar op weg is. Maar dat eindpunt van de entropie kan evengoed een beginpunt zijn, zo leerde de natuurwetenschap. Zo werd de dood in de psychologie een verborgen bron waar de eeuwige stroom van het driftleven ontspringt. De dood werd de tegenpool van de liefde. Eros werd de spiegel van Thanatos. Freuds doodsdrift werd een verlangen naar een ultieme ontknoping, naar het moment dat de machinerie uiteindelijk ontspoort en de totale chaos om zich heen grijpt, naar het inferno van moleculen dat een mens te wachten zou staan als het leven voorgoed ophoudt levend te zijn. Als het ijskoude niets bezit van ons neemt.

Zou het zo kunnen zijn dat dit vreemde, ijzingwekkende beeld van de dood een schaduw is van het positivisme? Dat deze wonderlijke gedachteconstructie is voortgekomen uit een het moderne onvermogen om een breuk in het wetenschappelijke wereldbeeld heel even op te schorten. Het onvermogen om over de grenzen van het eigen, beperkte denkkader heen te kijken? De eclips van de moderniteit ontneemt wellicht het zicht op een oorspronkelijke verbondenheid van leven en dood.

Bij Ernst Mach heeft een dergelijke gedachte misschien heel even door het hoofd gespookt, toen hij terugdacht aan die vreemde Chinees Licius: “Alleen dit gebeente en ik bezitten de kennis dat wij noch leven noch dood zijn”. Het zijn gedachten die bij ieder mens misschien wel eens opkomen als hij denkt aan de dood. Als hij als Hamlet dwaalt op het kerkhof en op een schedel stuit die een doodgraver heeft opgegraven uit een gedolven graf: de schedel van een bekende wellicht.

Toen Einstein in 1954, ziek en verzwakt – nog geen jaar voordat hij zelf zou sterven – een condoleancebrief moest schrijven aan de weduwe van zijn oude vriend Michele Besso, kwamen er woorden in hem op die hij als natuurkundig nauwelijks verantwoorden kon. Die woorden wekken bij mij een vergelijkbare verwondering als de passage van Mach over Licius. ‘De dood betekent niets’, zo schreef Einstein:

This signifies nothing, for us believing physicist the distinction between past, present, and future is only an illusion, even if a stubborn one.” (Barnesh Hoffmann, Albert Einstein, ceator and rebel) .

De tijd is een illusie. Met die gedachte  voor ogen wordt alles anders. Zelfs de dood wordt dan iets anders. De dood is geen einde. eerder zoiets als een doorgang, een transitie, en transformatie. Er moet een punt zijn vanwaaruit dit alles zichtbaar wordt. Iets buiten de tijd. Een rots onder de stroom. De bodem waarop wij staan, iets waar alles hetzelfde blijft, ook al verandert alles. 

Dit alles kwam in mij op op bij het lezen van een passage in het fraaie boek Sferen van Sloterdijk. In zijn beschrijving van het mesmerisme van Hufeland, als een half vergeten hoofdstuk in de ontstaansgeschiedenis van de westerse natuurwetenschap, duiken er opeens wonderlijke verbanden op tussen het doodsbegrip in de Gnosis en dat van de vroege Romantiek. Het zijn vergeten vergezichten die achter de horizon van de moderne wetenschap verdwenen zijn. Sloterdijk schrijft:

“Hier in de kleine ruimte van Hufelands betoog botsen twee tegengestelde doodsbegrippen op elkaar: in de eerste wordt de dood op romantisch-holistische wijze geïnterpreteerd als hereniging met het Al-Organisme, in de tweede wordt hij op naturalistische en nihilistische wijze opgevat als een terugval in het anorganische. Het woord ‘anorganisme’ maakt iets zichtbaar wat als een scheur door het omhulsel van de levenswarmte loopt, het werpt een schril licht op het gebod van de Verlichting, het essentiële onderscheid tussen binnen en buiten, tussen het organische lichaam van de wereldmoeder en het anorganische gebied van de dodenwereld onder geen beding te verdonkeremanen.”

Een dode geliefde is niet dood, beweerden de dichters van de Romantiek. Dood en leven zijn geen tegenpolen, maar nauw met elkaar verweven in de meest letterlijke zin. ‘Peace, peace! he is not dead, he doth not sleep, He hath awaken’d from the dream of life.’ Dat schreef  Shelley in zijn lange gedicht Adonais: An Elegy on the Death of John Keats.

Maar daartegenover stond de dood van het als onvermijdelijk en onontkoombaar ervaren grote niets. De dood van de wetenschap. Freuds leer van de doodsdrift kan gezien worden als een meer afstandelijke en berustende versie van dat polariteitsdogma. Ze doet een concessie aan de gnostische voorstelling dat niet de dood ontbreekt in het leven, maar dat het eigenlijk het leven is dat als een vreemde indringer in het algemene levenloze opduikt. Verlichting en duistere Gnosis zijn hierin verklaarde bondgenoten; allebei bestoken ze de zelf-warmende vitaliteitsillusie met onmenselijke waarheden.

Uit deze verlegenheid heeft Nietzsche de filosofische consequenties getrokken: ‘Laten we er voor oppassen te beweren dat de dood de tegenpool van het leven is. Het levende is slechts een bestaansvorm van het dode,’ schreef hij in Die fröhliche Wissenschaft. Daarmee was de onverdraaglijke oppositie tussen leven en dood heel even op zijn kop gezet. Maar echt troost bood deze gedachte niet. Dood bleef dood… en het leven bleef het leven. Tussen die twee zat niets, maar dan ook echt niets. Nu ook nog altijd niet. Die breuk tussen leven en dood is onze condition humaine geworden in een wereld zonder God.

Maar is dat zo erg? Epicurus had het ooit al eens eerder gezegd: ‘Als wij er zijn is de dood er niet en als de dood er is, zijn wij er niet. Dus daar zou ik me niet te druk over maken.’ En toch is er niets in de wereld waar een mens zich meer druk over maakt dan juist de dood. Misschien wel omdat de dood ons bevattingsvermogen nog altijd totaal te boven gaat. 

1 Reactie

Hoe de waarheid een fabel werd

mod

Cartoon uit 1922

Die ewige Jetztzeit van het modernisme was een seculiere variant van het nuc stans uit de tijd van de middeleeuwse scholastiek. In het moderne kunstwerk werd een nieuw soort quasireligieuze gewaarwording manifest gemaakt die iets te maken had met de metafysica van het christendom. Het modernisme was de voortzetting van het christendom met andere middelen. Het is zoals Dietrich Bonhoeffer in 1944 schreef over de toekomst van het christendom: ‘Etsi deus non daretur (alsof God niet zou bestaan).  

In de moderne tijd werd de esthetische ervaring, zoals Borges het ooit heeft verwoord: ‘een ophanden zijnde onthulling die zich niet voltrekt.’ Het moderne kunstwerk is per definitie niet af. De voltooiing moet nog komen. Die voortdurende staat van onvoltooidheid had een eschatologische dimensie, zoals ook Walter Benjamin vermoedde.

Zo hadden moderne kunst en literatuur  een esthetica zonder God. Het modernisme kende geen heimwee naar een metafysische oorsprong, maar wel een verlangen naar een utopisch ideaal in de toekomst. Modernisten waren hemelbestormers die soms overvallen werden door ruimtevrees, een plotselinge opwelling van heimwee en nostalgie. Zowel het heimwee naar een oorsprong in het verleden, als het verlangen naar een vervolmaking in de toekomst, kende een bestemming, een basaal punt van oriëntatie.

Zo bezien stonden heimwee en utopie niet haaks op elkaar, maar lagen als twee uitersten op dezelfde lijn. Dat was een lijn die stond haaks stond op de altijd veranderende flux van de tijd, het eeuwig stromen, het panta rhei. Modernisme was het geloof in de taal van het heelal die de stroom van de tijd zou overleven.

Panta rhei (Grieks: πάντα εῖ) is een bekende uitspraak van de Griekse filosoof Heraclitus. ‘Men kan niet tweemaal in dezelfde rivier stappen.’ Toch wordt ook wel beweerd dat deze uitspraak niet afkomstig zou zijn van Heraclitus zelf, maar – hoe kan het ook anders – van Plato. Alles komt van Plato, zelfs deze goddeloze gedachte die strijdig is aan zijn eigen denken.

Plato zou de heraclitische filosofie verkeerd geïnterpreteerd hebben. Hij dacht dat al het zintuiglijke, dat zich in steeds wisselende gedaanten voordoet aan de mens, dermate aan verandering onderhevig is dat het door de geest niet gekend kan worden. Er moet iets zijn dat beklijft, iets waar alles uit voortkomt, de oerbron van het Zijn. Het modernisme heeft die herinnering aan de zuivere bron aan het begin verplaatst naar een verwachting naar een utopische volmaaktheid die de vooruitgang in petto zou hebben.

Toch is dit alles maar ten dele waar, want ook het modernisme had in filosofisch opzicht een platonische – en daarmee semi-religieuze – kern. Plato formuleerde voor eerst een filosofie van de metafysische herinnering, de leer van de kenbare, eeuwige oer-structuren die achter de vluchtige werkelijkheid schuil zouden gaan.

In de beeldende disciplines van het modernisme ging het primair om de formele structuur die aan de zichtbare werkelijkheid vooraf ging. Het formalisme is voortgekomen uit een stroming in de kunst, die de zuiver visuele aspecten heeft geïsoleerd en verbolgens als geestelijke vormen ging herkennen. Dat alles is ontstaan in de tweede helft van de negentiende eeuw als een reactie tegen het bourgeois-academisme dat dreigde te vervallen tot kitsch en entertainment.


In deze reactie werden twee opvattingen over artistieke expressie met elkaar verbonden: (1) Zij uit zich alleen in termen van het ‘zuiver visuele’. En (2): Zij is gericht op een onmiddellijke ervaring van ideeën, de ‘Eidos’ in platonische zin, die superieur is aan de werkelijkheid.

De ontdekking van de ‘bezielde vorm’ met een intrinsieke waarde – los van een directe verwijzing naar de wereld of een weerspiegeling van de werkelijkheid – was cruciaal voor het ontstaan van de moderne kunst. Het verstaan van deze ‘bezielde vorm’ zou en kwestie zijn van ‘Einfühlen’, een proces dat zich louter en alleen afspeelt op het vlak van de visuele waarneming en een daarbij horend mentaal register.

Rond 1900 ging de esthetica op het terrein van de beeldende kunst zich steeds meer beperken tot het herkennen van een esthetische waarde in louter formele beeldorganisaties. Dit puur visuele spel van de geest kon tot een spirituele vorm van zelfgenot leiden of zelfs – in de hoogtijdagen van de abstractie – tot een vorm van op handen zijnde transcendente onthullingen.

De bron van deze ‘Einfühlungstheorie van de kunst’ ligt bij Conrad Fiedler (1841-1895). Het kunstwerk, zo stelde hij, is als uit zichzelf te creëren als iets dat in zijn eigen vorm zichtbaar los en niet naar een geestelijke inhoud buiten het kunstwerk zelf verwijst.

Daarmee nam Fiedler definitief afscheid van de mimesis – de weerspiegeling van de wereld – als basis van de esthetica. De autonomie van het kunstwerk was definitief tot stand gekomen. Fiedlers ontdekking van de bezielde vorm geldt dan ook als sleutel voor het ontstaan van de moderne kunst. Met zijn idealistische kunsttheorie, die teruggaat op Kant, keerde hij zich tegen het positivisme, dat de wetenschap van negentiende eeuw beheerste.

De moderne kunst is ontstaan door een onoverbrugbare geworden kloof tussen natuurwetenschap en geesteswetenschap, tussen positivisme en idealisme. Daardoor groeide het besef dat het kunstwerk geen illusionistisch venster op de wereld is, maar een wereld in zichzelf.

’Sehen is nicht sehen, sehen ist erkennen”, zo stelde Fiedler kort en bondig. Kunst moet niet de natuur nabootsen, maar de plaats van natuur innemen. Door kunst immers kan de mens de natuur begrijpen. Het zijn de begaafde eenlingen, de kunstenaars, die kunst iedere keer weer en in elke tijd opnieuw esthetisch creëren vanuit zichzelf.

Door deze intrinsieke en formele benadering van het kunstwerk werd de kunst dan ook historisch vergelijkbaar. Vanuit de optiek van Fiedler wordt het begrijpelijk dat een schilderij van Picasso op één lijn ligt met een Romaans Madonnabeeld of een Afrikaans masker.

Vanuit het formalisme bezien is het kunstwerk louter een ordening van vormen die door hun proportionering en onderlinge relaties een ideëel substraat van de werkelijkheid zichtbaar maken dat hieraan superieur is. Het begrip ‘inhoud’ heeft hier in filosofisch opzicht een ideële betekenis: de ‘Eidos’ die door de 
vorm onthuld moet worden. Maar deze inhoud ligt niet op het niveau van de werkelijkheid zelf.

Wat het formalisme negeert is de inhoud als een directe verwijzing naar de werkelijkheid en niet noodzakelijk verbonden met de vorm. Voor 
deze inhoud – een verbeelding, parodie of kritiek, of een directe
confrontatie met de werkelijkheid – heeft formalisme geen oog. De ideële inhoud van het moderne kunstwerk impliceert ook een moeilijke toegankelijkheid. De kunstenaar moet via zijn inspiratie de relaties voelen, en de beschouwer moet worden bekeerd tot een synthetische of impliciete vorm van esthetisch gewaarworden.

Moderne poëzie was de poëzie van het autonome woord. Of zoals Paul Rodenko het ooit verwoordde: ‘Het woord niet als weergave van de werkelijkheid, maar als schepping van de werkelijkheid – en als zodanig middelaar tussen geest en stof, tussen ideaal en werkelijkheid.’ Vergelijkbare formuleringen zijn op het terrein van de beeldende kunsten te vinden, bijvoorbeeld in de woorden van de futurist Boccioni, die het centrale kernpunt van de dingen wilde ontdekken en herscheppen om zo een onzichtbare verbinding te leggen tussen ‘de zichtbare plasticiteit’ en de ‘oneindigheid van de innerlijke plasticiteit.’

Telkens weer werden het ‘buiten’ en het ‘binnen’ op een nieuwe wijze met elkaar verbonden. Het verbond tussen God en wereld met zijn verticale relatie tussen hemel en aarde maakte in de moderne tijd plaats voor een horizontale vlucht vooruit in de toekomst. De existentiële matrix van ruimte en tijd, die het christendom geboden had in Augustinus’ leer van de Drie-eenheid met zijn verstrengelde relaties tussen het’ binnen’ en het ‘buiten’, tussen God en de mens, moest opnieuw worden uitgevonden.

Die verstrengeling van relaties werd aangeduid door het Griekse woord perichorese. Volgens Sloterdijk analyseerde Heidegger in zijn boek Sein und Zeit (1928) de moderne, ontaarde vormen van perichorese, die in feite teruggingen op het vroege christendom en het gnosticisme. De mens raakte vervreemd van zichzelf in de moderne ervaring van de tijd. De tijd liep voor hem leeg als een badkuip. Er was geen volheid meer in het bestaan, omdat het innerlijk allengs verdween. Iedereen is voortaan de ander en niemand is zichzelf. Allen zijn wij onder elkaar waar is het ‘binnen’ gebleven?

‘De hel, dat zijn de anderen,’ schreef Sartre in zijn toneelstuk Huis clos. De moderne mens werd letterlijk veroordeeld tot de vrijheid. Voor deze nieuwe mens stond ook niet vast wie hij was. De mens ontwierp voortaan zichzelf. Hij moet opnieuw een verbinding tot stand brengen tussen het binnen en het buiten. De perichorese werkte niet meer. De Drie-eenheid werd een raar verhaal uit een ver verleden. In de tijd van het blok trok men de lijnen van het verstand. Het heimwee naar de bol was een zaak geworden van het gevoel. De bol werd het onbewuste.

Het modernisme was een aanhoudende poging tot reconstructie van de perichorese. Er moest een nieuwe bol worden uitgevonden, waarin de binnenwereld van de mens zich kon verzoenen met het eindeloze heelal dat sinds Pascal het moderne bewustzijn angst inboezemt. Maar in de zoektocht naar die nieuwe bol ontvouwde zich telkens weer een verschiet van individuele vergezichten.

Zo raakte niet alleen mens vervreemd van zichzelf in de moderne ervaring van ruimte de tijd, maar dreigde ook de werkelijkheid zelf onwerkelijk te worden. In die ewige Jetztzeit hield zelfs de geschiedenis op reëel te zijn.

‘Een pijnigende voorstelling dat vanaf een bepaald punt in de tijd 
de geschiedenis ophield reëel te zijn. Zonder het te merken heeft de hele 
mensheid plotseling de realiteit verlaten, alles wat sindsdien is gebeurd 
is absoluut niet waar, maar we kunnen het niet merken. Onze taak is nu 
dit punt te ontdekken en zolang we het niet hebben gevonden moeten we in de huidige vernietiging blijven volharden.’

Deze woorden van Elias Canetti worden door Baudrillard geciteerd in zijn boek De fatale strategieën uit 1983. We moeten het spoor terug volgen, terug naar het punt waarop de wereld is opgehouden ‘echt’ te zijn. Dat zou het punt zijn waarop we met zijn allen de realiteit hebben verlaten. Het leven is onecht geworden en zolang we niet weten wanneer dat gebeurd is en vooral ook hoe, zijn we gedoemd om in deze schijnwereld verder te leven zonder exit-strategie.

‘De tijd verdwijnt’ is een cliché dat de werkelijke betekenis van deze drie woorden verhult, namelijk dat de ervaring van het verdwijnen van de tijd uit ons bewustzijn aan het verdwijnen is. Ergens in het verleden zijn we het fatale ‘point of no return’ gepasseerd.

Als het waar is dat er zo’n punt in de tijd bestaat, waar Canetti over schreef, dan moet het wellicht te vinden zijn in de negentiende eeuw. De ontdekking van fenomenen als het onbewuste, de verdringing, de hysterie en de neurosen valt samen met de definitieve teloorgang van de premoderne samenleving met zijn organische verbanden.

Daardoor werd ook de persoonlijkheid pluriform en ontstonden er nieuwe ziektebeelden. In zijn roman Madame Bovary (1857) beschreef Flaubert bij de hoofdpersoon een ‘verschoven leven’ dat de rechten van het gewone bestaan had overgenomen. Madame Bovary leefde grotendeels in een gedroomde wereld. Zij had de neiging om twee levens te leven en zo op te gaan in haar verbeelde leven, dat het gewone uit elkaar viel.

Ook de volstrekte scheiding tussen seksualiteit en a-seksualiteit, die met deze splitsing in het persoonlijk leven gepaard ging, leidde tot onhoudbare toestanden. Zo ontstond de hysterische vrouw die om de haverklap flauw viel. De flauwvallende vrouw, waar Freud in zijn spreekkamer mee geconfronteerd werd, was in feite in een psychisch vacuüm beland, omdat het intieme leven van haar seksualiteit niet in overeenstemming was te brengen met het sociale leven van haar omgeving, laat staan met de avances van haar minnaar.

Maar ook het leven in zijn algemeenheid viel uiteen in verschillende sferen die elk hun eigen rol opeisten. En het bewustzijn zelf viel uiteen in verschillende mentale toestanden die zich simultaan kunnen aandienen: waken en dagdromen, waarnemen en herinneren.

De moderne roman, die met Flaubert een aanvang nam, markeert de ontdekking van dit pluriforme bewustzijn, the stream of consciousness, waarin de droom de werkelijkheid infiltreert. Het onbewuste was in feite het resultaat van een splitsing in de persoonlijkheid, een psychisch proces dat sociologische oorzaken had. Dat proces van desintegratie van de persoon ging steeds verder naarmate de moderne samenleving complexer werd.

De moderne mens werd ertoe gedwongen een ‘leven in meervoud’ te leven’. In zijn boek Leven in meervoud (1963) heeft de psychiater Jan Hendrik van den Berg op fenomenologische wijze het ontstaan van dit pluriforme bewustzijn beschreven. Het gemis aan levenseenheid is nog altijd de status quo van het bewustzijn. De leer van Freud is niets anders dan een beschrijving daarvan in pathologische termen. Het onbewuste werd het bewijs bij uitstek van de pluraliteit van de moderne mens.

Als het waar is wat Van den Berg al in de jaren zestig heeft beweerd over ‘de meervoudigheid van de het moderne bewustzijn’, hoe is het dan met de hedendaagse mens gesteld? De organische verbanden van de premoderne samenleving zijn inmiddels ver achter de horizon verdwenen. Zelfs het modernisme is verdwenen tijd. De postmoderne mens is een ‘zappende mens’ geworden die zijn versplinterde identiteit beleeft in een volledig gemediatiseerde wereld met 100 kanalen op tv en overal op aarde een permanent bereik via Wi-Fi.

De toenemende mondialisering creëert ook nieuwe definities van identiteit. Identiteit hoeft niet alleen met traditie of afstamming van doen te hebben. Het is geen eenduidig begrip meer, maar valt uiteen in aspecten als zelfherkenning, beeldvorming, geborgenheid en imago. Er ontstaan nieuwe ervaringen van identiteit door mensen die hun burgerschap verdeeld hebben over diverse naties en nu eens een gastland en dan weer een land van herkomst als identificatiemodel nemen. Identiteit is dus niet langer iets exclusiefs, iets wat alleen voor een gesloten gemeenschap invoelbaar is, maar wordt steeds meer een universeel toegankelijk fenomeen, dat telkens weer vertaalbaar en ervaarbaar kan zijn in nieuwe en onverwachte ensceneringen.

Alles gebeurt tegelijk, en nooit meer synchroon op één moment. De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige splijt de wereld voortdurend in een oneindig pluralisme. Er is niet meer één werkelijkheid, maar er zijn voortaan talloze werkelijkheden naast elkaar.

De wereld versplintert en wordt één. Dat is de vreemde paradox die de nieuwe media teweeg brengen. Datgene wat nieuwe verbanden creëert is voortaan echt, en niet datgene waar de nieuw gecreëerde verbanden middels taal of beeld naar verwijzen. Wij zijn functionarissen geworden in dienst van apparaten. Maar is dat nieuws? Het verontrustende is dat deze onheilstijding in de afgelopen eeuw in talloze varianten verwoord is, maar inmiddels ‘oud nieuws’ is geworden. Niemand hoort er meer van op.

Nietzsche vroeg zich al af hoe zelfs de waarheid een fabel is kunnen worden. En als niets meer waar, dan is niet alleen alles geoorloofd, maar ook alles onwerkelijk geworden. De zogenaamde essentie of wezenlijke natuur van de dingen, die in de tijd van het modernisme nog gezocht werd in de statische wetten van de wiskunde, moest gaandeweg het veld ruimen voor een perspectivische wijze van kijken naar de wereld.

In zijn essay Over waarheid en leugen in buiten-morele zin (1873) schreef Nietzsche: ‘Het woord verschijnsel bevat een groot aantal verleidingen, reden waarom ik het zoveel mogelijk vermijd, want het is niet waar dat het wezen der dingen in de empirische wereld verschijnt.’ En even verderop: ‘Alle wetmatigheden die ons in de omloop der sterren en in chemische processen zo imponeert, valt in wezen samen met die eigenschappen die wij zelf aan de dingen toekennen, zodat we op die manier onszelf imponeren.’

Het perspectivisme was van begin af aan in het modernisme aanwezig, niet alleen in het denken van Nietzsche maar ook in de relativiteitstheorie van Einstein. Het impliceert een overal opduikende meervoudigheid van gezichtspunten en daarmee de altijd aanwezige mogelijkheid van andere gezichtspunten, en op de bodem daarvan de vraag: wat betekent dit alles voor mij als individu?

Zo zijn in de eeuw van het modernisme de grenzen tussen werkelijkheid en onwerkelijkheid ongemerkt gaan vervagen. Vervreemding, depersonalisatie of de-realisatie werden belangrijke thema’s in de literatuur van het modernisme. De oorzaak van dit sluipend proces werd niet zelden gezocht in invloed die de moderne techniek en vooral de moderne media hebben gehad op het bewustzijn.

Achteraf beschouwd zijn de jaren zestig in veel opzichten een keerpunt geweest in dit vervreemdingsproces van de moderniteit. Ook het keerpunt van modernisme naar postmodernisme is juist in deze roerige eindfase te vinden toen het denken in termen van maakbaarheid zijn hoogtepunt beleefde. Maar alles overziende was ook dat niet een breuk, maar onderdeel van één groot proces. De grote afdaling, de neergang, de aftocht… Het is het verhaal hoe de waarheid een fabel werd. Was’nt it a long way down?

Reageer

Droom in Bilgaard

Waarde lezer en tijdgenoot. U bent gewaarschuwd. Reageer niet op dit weblog.  U die dit leest – en wellicht wilt reageren –  ik ken u niet, en toch ook weer wel. Op internet zijn wij allen strangers in the night. Wij begeven ons in duistere sferen en menen te weten wat we doen. Maar wij weten het niet. We doen net alsof we het weten, en alleen dàt weten we donders goed. Op internet zijn wij ‘beterweters tegen beter weten in’.

Dat is het kenmerk van dit nog vormloze medium. Het brengt ons samen in de meest wonderlijke sferen niet alleen van de wereld, maar ook van onszelf. Internet is een nog onbekende ruimte naast ons, met ons, en zonder ons. Internet is een eindeloze schuimzee van bubbels. Wij zitten allen tezamen gevangen in dezelfde bol. Internet is een ruimte die ons uitdaagt en op de proef stelt. Een ruimte die geen ruimte is.

‘Sferen zijn ruimtescheppingen die als immuunsysteem werken’, zo heeft Peter Sloterdijk beweerd. De mens leeft al een soort tweeling-bel. Naast de ruimte, waarin we denken te leven, is er een embryonale ruimte die als een gebarsten eierschaal na onze geboorte aan onze psyche is blijven hangen. We hebben de moederschoot eigenlijk nooit verlaten. Alles wat we ons voorstellen in termen van ruimte en tijd ontleent zijn structuur aan ons verblijf in de moederschoot. Zelfs het idee dat we een zoiets als een ‘ziel’ hebben is in deze embryonale levensfase ontstaan. Of zoals Sloterdijk het formuleert:

‘Wat we in de taal van de onheuglijke tradities ziel hebben genoemd is in zijn gevoeligste centrum een resonantiesysteem dat in de audio-vocale gemeenschap van de prenatale moeder-kind sfeer tot ontwikkeling komt.’

We horen het kabaal van de de moederbol en zullen ons dat een leven lang herinneren. Het leven is de echo van het embryo.

Maar hoe zit het dan met de dood? Wat gebeurt er als we de sfeer van het leven verlaten? Komen we dan in een ander universum terecht? Een sfeer buiten de bol van tijd en ruimte, waarin we nu noodgedwongen rondzwemmen als in een glazen stolp die van buitenaf alleen zichtbaar is voor iets wat we voorheen ‘God’ hebben genoemd? Dood is de hereniging met het Al-organisme of een terugval in het anorganische: de kolkende heksenketel van voortrazende moleculen en elementaire deeltjes.

Hoe je ook denkt over de dood, het hangt altijd af van welke bol-opvatting voor jou geldig is. Terugvallen in het Al, of voorgoed vergaan in vergetelheid. Anders gezegd: uit de bol in het niets verdwijnen of in een andere bol binnendringen. Zijn geboorte en dood elkaars ultieme tegenpolen of raken ze elkaar in een cirkel die deel uitmaakt van een andersoortige bol waar wij geen weet van hebben?

Maar bestaat er wel een verschil tussen die twee opties, zolang wij niets met zekerheid kunnen zeggen over wat er zich buiten onze eigen bol van tijd en ruimte bevindt? Als er al sprake zou zijn van een parallel-universum met andere wetten voor ruimte en tijd – of geen wetten zelfs – dan kunnen wij daar niets zinnigs over zeggen. Zonder ruimte en tijd is de bol als basale structuur van het heelal onvoorstelbaar. Wij kunnen dan alleen maar redeneren in analogieën, binnen de geijkte patronen van ruimte en tijd (of ‘ruimte-tijd’), maar we kunnen er niet buiten treden.

We zitten gevangen in onze eigen bol, onze eigen epistemologische cocon, de bol waarin we geboren zijn en die als oerstructuur in ons hoofd zit ingebakken.

Maar er is nog een andere ruimte die Freud heeft ontdekt. Dat is de ruimte van de intimiteit, de ruimte van onze diepste verlangens. ‘Intimiteit is het rijk van de surreële, autogene reservoir’, zo beweert Sloterdijk. ‘De erotische angst verwijst naar een plek elders waar het subject oorspronkelijk vandaan komt en die hem na de hernieuwde ontmoeting met het schone van een smartelijke heimwee vervuilt.’

Er schuilt een raadselachtige belofte in onze diepste verlangens, en bij uitstek in onze erotische verlangens. Er kan sprake zijn, zo stelt Sloterdijk, ‘van een erotische bedwelming die gelijkstaat aan helderziendheid.‘

En op dat moment krijgt de bol-metafysica van Sloterdijk een raakvlak met de mystiek. Ook mystiek is – evenals het erotische verlangen – te analyseren in termen van de bol, die ontleend zijn aan de moederschoot. Er is altijd iets ‘met mij’, iets wat het ‘ik’ in diepste wezen omgeeft, een soort restant-ruimte van de baarmoeder, een virtueel embryo dat als een gebroken eierschaal achter blijft bij de – tot een ‘ik’ geboren – psyche.  Dit oude ‘ik’ blijft ook na de geboorte met een vreemde navelstreng met het nieuwe  ‘ík’ verbonden.

Zo leef je tegelijk binnen en buiten het oude embryo, dat wil zeggen: in de echte wereld en tegelijk ook niet. Een ruimte die tot nog toe alleen in het taoïsme beschreven is. Het is de ruimte van een droom die echt is. Echt en onecht tegelijk. De ruimte ook van de liefde. Ik heb vaak van dat soort dromen, waarin ik in twee bollen tegelijk leef, alsof ik ben blijven steken in een onvoltooide geboorte. Nicht zum Ende geboren, zo noemen de Duitsers dat. Het is de ruimte ook van een afscheid dat nooit echt een afsluiting heeft gehad. De bol is de bol, maar tegelijk ook niet.

Vannacht nog had ik weer zo’n repeterende droom die ik al talloze malen gedroomd heb. Ik was aan het wandelen in Bilgaard, de noordelijke stadswijk van Leeuwarden met galerijflats uit de jaren zestig, de tijd van de wederopbouw toen hoogbouw de oplossing leek te zijn voor de snelle groei van het aantal inwoners van de stad. Er werd daar flink gerenoveerd. De meeste flats werden afgebroken om plaats te maken voor futuristisch ogende woningbouw. Ik verbaasde me over de experimentele parkaanleg, waarbij tropische speelstrandjes met cipressen en palmbomen werden afgewisseld door afwerkplekken voor straatprostituees en heroïneverslaafden.

De politie keek toe hoe vrouwen werden opgepikt. Ook pooiers en drugsdealers hielden zich op in de buurt. Het was nog vroeg. In de takken van de bomen zaten vogels, roerloos en met opgezette veertjes in de kille ochtendbries. De lauwe geur van natte kranten vermengde zich met de tinteling van het hoogseizoen. Ik realiseerde me opeens dat ik in de toekomst liep.

Dit was niet Bilgaard maar een gereconstrueerde kopie daarvan die als trekpleister diende voor toeristen uit de hele wereld. Japanners liepen in ganzenpas over de paden in het groen. Als ze stilstonden werd er druk gefotografeerd. Het geklik van de camera’s deed me aan het geluid van krekels denken. Het was volop zomer en zondagochtend bovendien. In het gazon tussen twee grote flats was een stel Pakistanen in smetteloos witte kleding cricket aan het spelen.

Een oud mannetje dat daar elke dag naar stond te kijken sprak me aan. Hij wist alles van cricket. Pakistan is een groot cricketland met veel uitzonderlijk getalenteerde spelers, zo liet hij me weten. Een probleem is echter de discipline en de daarmee gepaard gaande erectieproblemen. Hierdoor is het Pakistaanse team in staat geweldige prestaties neer te zetten, maar de andere dag ver onder hun niveau te spelen. ‘Cricket is oorlog,’ hoorde ik hem nog zeggen. Een straaljager vloog over en stortte neer in de verte.

Maar het bleef stil. Ik hield mijn adem in en door een kier in mijn hart sloop de weemoed naar binnen. Ik wilde naar huis, maar ik kon niet. De tijd stond stil. Het verleden – dat wil zeggen: het heden – lag voorgoed achter me. De toekomst was een eeuwig afscheid. Eenzaam maar niet alleen voelde ik mij beroofd van een natuurlijk verloop der dingen.

Overspoeld door een intens gevoel van heimwee liep ik al dolend verder door dit betonnen decor. Op het eind van de wijk was een groot vliegveld. Het deed een beetje denken aan Schiphol maar het was ergens in het buitenland. Staal glas, beton en roltrappen, meer was er niet op de wereld. Alles was vluchtig geworden als een heden dat nooit had plaatsgevonden en een toekomst waar je geen weet van hebt. Op een vertrekhaven stonden twee geliefden op het punt om afscheid te nemen.

Er scheurde iets doormidden maar ik wist niet wat. Ik hoorde een licht fladderend geluid alsof een verdwaalde engel de vleugels uitspreidde die op zijn sandalen bevestigd waren. Een vliegtuig steeg op met brullende motoren. Achter mij zag ik nog net dat op de verkeerstoren een witte bol was geplaatst. Het leek wel een grote golfbal die wachtte op een reus die hem met een gigantische club weg zou slaan in de richting van een gapend gat ver weg in de grond. De armen gingen omhoog en de club zwiepte als de tong van een gifslang.

Alleen in de toren zag men nog een glimp van mij voordat ik verdween in de stille ochtend. De horizon trilde en in de verte joeg nog altijd een golvend hete wind. Ergens diep in mezelf sprak een stem de waarheid van het eerste begin. Dit moet ik goed onthouden, dacht ik nog.

Toen ik ontwaakte was de waarheid verdwenen.

Reageer

De Tao van internet

Gisteren las ik een paar teksten van Zuang Zi in het wonderlijke boek van Kristoffer Schippers over het taoïsme. Ik las over een droom die Zuang Zi ooit heeft had. Hij droomde dat hij een vlinder was, waarna hij niet meer wist of hij Zuang Zi was die droomde dat hij een vlinder was, dan wel een vlinder die droomde dat hij Zuang Zi was. Hij concludeert dan: ‘Tussen mij en vlinder bestaat noodzakelijkerwijs een onderscheid; dit is wat men noemt de transformatie van de vlinder. En even verderop:

O mijn Meester, mijn Meester, die zonder geweld de tienduizenden schepsels verbrijzelt, die liefdeloos de tienduizenden generaties bevrucht. Die ouder is dan de oudste oudheid en nochtans niet oud. Die de Hemel bedekt en de Aarde draagt, die alle vormen heeft geschapen en nochtans niet bekwaam is. Dit is de vreugde van de natuur en daarom wordt er gezegd: ‘Voor hen die de vreugde van de natuur kennen, is leven een spontaan gebeuren en sterven de transformatie van de schepsels’.”

Ik vond dat een mooie gedachte: de transformatie van de schepsels. Sterven is een transformatieproces. Mar is alleen het  sterven dat? Wie regelmatig schrijft op internet meet zichzelf een nieuwe identiteit aan. Het ‘ik’, dat ik ben op het net, is een soort gedroomd ‘ik’, dat een vreemde dubbele werkelijkheidsstatus heeft. Dit ‘ík’ is reëel en virtueel tegelijk, zoals ook een ‘ík’ in een lucide droom ‘reëel’ en ‘virtueel’ tegelijk is. In die zin heeft de alternatieve ‘ik-ruimte’, die internet te bieden heeft, iets taoïstisch. Toch is de internet-ruimte geen gedroomde werkelijkheid, maar een aparte werkelijkheid binnen de werkelijkheid zelf, een nieuw domein dat tot een andere dimensie behoort en tegelijk interfereert met de driemensionale , ‘normale’ werkelijkheid.

Deze psychologische ‘psycho-ruimte’ van internet is wat anders dan de pure virtualiteit, zoals de internet-ruimte doorgaans wordt benoemd. Het is in feite een hybride ruimte die tegelijk virtueel en psychologisch is, en in die zin zich elders ‘bevindt’, voorbij alle reële dimensies.

Sloterdijk verkent in zijn boek Sferen voortdurend dit soort hybride psychologische dubbelruimtes, ruimtes die zich enerzijds in de normale realiteit bevinden en anderzijds niet onderworpen zijn aan de ‘normale’ fysische ruimte-beperkingen. Wat de complicaties zijn van deze nieuwe psycho-ruimte, die internet te bieden heeft, is nog lang niet duidelijk. Het zou een aardig idee zijn om vanuit de taoïstische filosofie de psychologische virtualiteit van internet eens nader onder de loupe te nemen.

De reguliere internet-filosofie oriënteert zich doorgaans op het historisch arsenaal van fysische ruimte-opvattingen. Zo zou de middeleeuwse ruimte-opvatting, waarin de fysische ruimte overkoepeld wordt door een spiritueel universum, enige gelijkenis vertonen met de nieuwe virtuele ruimte-opvatting van internet. Dit soort beschouwingen gaat echter voorbij aan de intrinsieke verwevenheid van de psyche en de internet-virtualiteit. Sloterdijk heeft het over de ‘Met-ruimte’ van de psyche.

Er is altijd iets ‘met mij” iets wat het ‘ik’ in diepste wezen omgeeft, een soort restant-ruimte van de baarmoeder, een virtueel embryo dat als een gebroken eierschaal achter blijft bij de – tot een ‘ik’ geboren – psyche. Die embryonale eierschaal – of kosmische achtergrondstraling van de psyche – keert vreemd genoeg in een andere gedaante terug als je jezelf een nieuwe identiteit aanneemt op internet. Dit nieuwe ‘ik’ blijft dan met een vreemde navelstreng met het oude ‘ík’ verbonden. Zo leef je tegelijk binnen en buiten het oude embryo, dat wil zeggen: in de echte wereld en tegelijk ook niet. Terwijl ik dit schrijf, zweef ik in een oneindig universum, terwijl ik tegelijk met beide benen op de grond sta.

Onderwijl blijf ik zitten met de gedachte dat ik u niet ken en u niet mij. Wie zegt dat ik niet uit mijn nek klets en hier op dit weblog een fake-wereld creëer? Achter het scherm van je computer kun je heel iemand anders worden. Een monster. Een goeroe. Een priester. Een klootzak. Internet is een nieuwe psychologische ruimte, daar helpt geen lieve moeder aan.

Wie bent u eigenlijk ? Een kantoorklerk? Een captain of industry? De hoofdredacteur van het Friesch Dagblad? Een gefrustreerde Fransoos die in Friesland een doorstart zoekt voor zijn gestrande carrière? Een dichter die niet dichten kan? Een mens zoals ik? A stanger in the night?

Laat mij  gedenken dat ik een nietig schepsel ben dat ooit rondzwom in de kloten van mijn vader en nu voort dwaalt in deze onbestemde ruimte van het internet. Op weg naar… ja, naar wat eigenlijk? Op weg naar niets wellicht. Het grote NIETS. Dat is de Tao van internet.

Soms denk ik, zal ik stoppen met dit blog? Maar dan: waarom, waarom, waarom? Ik zal dit blijven doen zolang ik niet in een leunstoel zit. Om met Frans Halsema te spreken, ik ben nu nog springlevend, straks ben ik dood. Op weg naar de volgende transformatie! 

1 Reactie

Alles tegelijk in het hier en nu

‘Deze boeken maken deel uit van een wereldwijde stroming van metavertellingen (niet alleen in literatuur, maar ook in series en films). De verteller reflecteert in metafictie op het medium, de structuur en de techniek, personages zijn zich er dikwijls van bewust personages te zijn. De verteller herinnert zo de lezer voortdurend aan de gekunstelde vorm die de roman is. Het zijn, kortom, verhalen die gáán over verhalen vertellen.’

Aldus Haro Kraak in het artikel Schrijven over schrijvers die schrijven in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. Het blijkt een nieuwe trend te zijn in de litratuur: romans die gaan over het schrijven van een roman. Daarbij wordt ook stevig geëxperimenteerd met de vorm, bijvoorbeeld door het toepassen van alternatieve tijdlijnen, afwisselende vertelperspectieven, het invoegen van onbewerkte dagboeknotities, interviews opgeschreven als een scène in de ik-persoon, horoscopen of  ‘een verslag van een door het Letterenfonds bekostigde “reis naar de roots’’ en een brief daar weer over’.

Kortom, het zijn gefragmenteerde meta-vertellingen over de binnenwereld van de schrijver die worstelt met het schrijven zelf. En dat alles genadeloos eerlijk verteld, zelfs  op het gênante af. Waar komt deze trend vandaan? Kennelijk is het een fenomeen dat past bij deze tijd. In het artikel in de Volkskrant wordt als verklaring gewezen op een breder verband:  

‘Een deel van de verklaring zou kunnen zijn: het is een tijd van zelfonderzoek, van het bestuderen van identiteit en wortels. Wanneer de cultuur zo is gericht op sleutelen aan en kennen van het zelf, van mindfulness en stamboomonderzoek tot therapie en microdoses, is het logisch dat daarvan ook een weerslag is te zien in de literatuur. Een mijmerende roman is voor introspectie in wezen de ideale vorm.’

Maar is dat ook ook zo? Als verklaring lijkt me dit wat kort om de hoek. Volgens mij is er. meer aan de hand. Wonderlijk genoeg komt  deze nieuwe trend mij heel bekend voor. Al twee jaar lang worstel ik zelf met het schrijven van een roman die – nota bene – gaat over het schrijven van een roman. Daarbij probeer ik ook dagboekfragmenten te verwerken en allerlei soorten teksten die ik eerder schreef over mijzelf.  Blogs, bijvoorbeeld. Hoe dat in zijn werk gaat, heb ik onlangs nog beschreven in mijn blog Net als in de film. 

Het lijkt alsof ik gevangen zit in een loupe.  Zoals ik al tijden worstel met het schrijven van een roman die gaat over het schrijven van een roman, zo gaan mijn blogs ook steeds meer over herschrijven van eerdere blogs. Het is een soort ‘uitzending gemist, niet op tv, maar in het schrijven over het schrijven. We leven in een wereld waarin alles oproepbaar en herhaalbaar is geworden. Abram de Swaan heeft daar een paar jaar geleden een essay over geschreven:  Het signaal is ruis geworden, het kunstwerk in het tijdperk van zijn onbeperkte beschikbaarheid.

Daarin stelt hij het volgende:

‘De voortgaande uitbreiding van de technische reproduceerbaarheid van het artefact heeft met de komst van het internet een omslagpunt bereikt waarin ze overgaat in de onbeperkte bereikbaarheid van alle tekst, beeld en geluid. Die overgang van reproduceerbaarheid naar onbeperkte beschikbaarheid is ook een omslag van gelijktijdige en tijdsbepaalde leverantie naar permanente beschikbaarheid en daarom ongelijktijdige consumptie. Nu is er al sprake van ‘uitzending gemist’, waarmee programma’s die op een vast tijdstip zijn uitgezonden op elk moment kunnen worden afgespeeld op het internet. Dat veronderstelt nog dat er een tevoren bekende programmering is waarop iedereen die uitzending had moeten zien. Juist dat synchrone arrangement wordt ondermijnd met de voortdurende beschikbaarheid op het internet van tv-programma’ en wat niet al. Daarmee gaat de gelijktijdigheid, noodzakelijke voorwaarde voor de collectieve beleving, verloren. Het ‘grote publiek’ valt uiteen en raakt gefragmenteerd in evenzo vele afzonderlijke consumenten die elk een eigen tijdrooster volgen.’

Als we Abram de Swaan mogen geloven dan leven we in een tijd die gekenmerkt wordt door ‘de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige’. ‘Uitzending gemist’ lijkt een metafoor te worden voor de ingrijpende ervaring dat niets voortaan meer te missen valt. Alles is voortaan altijd en overal voor handen. Vroeger kon je nog wel eens zeggen dat je iets per ongeluk gemist had, maar dat kan niet meer. De technologie van de nieuwe media heeft elke vluchtweg afgesneden.

Je kunt de telefoon niet meer uitzetten, want een e-mail komt altijd aan. Alleen lees je het bericht op een ander moment, zoals je ook een uitzending bekijkt op een tijdstip dat het je uitkomt. De media doen aan ‘tijdspreiding’ met het gevolg dat er geen tijd meer resteert waarin niets meer gebeurt. De 24-uurs economie heeft elk uur productief gemaakt. De koopzondag heeft het shoppen tot een eeuwigdurende bezigheid getransformeerd. Alles gebeurt tegelijk, en nooit meer synchroon op één moment. De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige splijt de wereld in een oneindig pluralisme. Er is niet meer één werkelijkheid, maar er zijn voortaan talloze werkelijkheden naast elkaar. De wereld versplintert en wordt één. Dat is de vreemde paradox die de nieuwe media teweeg brengen.

Die ontwikkeling is natuurlijk niet van vandaag. Eigenlijk is alle techniek erop gericht om gelijktijdigheid te creëren. De perfectionering van transportmiddelen streeft naar de gelijktijdigheid van de geografisch ruimte. Eén uur besparing van reistijd tussen twee wereldsteden vereist een miljarden-investering in het spoorwegnet, maar we hebben het er graag voor over. Afstand is tijd en hoe sneller een afstand overbrugd kan worden, hoe gelijktijdiger we overal kunnen zijn. Maar met de versnelling van het transport verdwijnt ook de verloren tijd van het reizen. Die verloren reistijd is de prijs voor de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige. ‘Beam me up. Scotty’ van Star Trek is de ultieme droom van de techniek.

Er bestaat straks geen afstand meer. Je kunt dan tot in de verste uithoeken van het heelal gelijktijdig opduiken, door je eigen lichaam radiografisch te laten ‘verzenden’ in de ruimte. Aanwezigheid in het hier en nu is slechts een golfpatroon van elementaire deeltjes dat heel goed overgeplaatst kan worden naar elders. Het gevolg is dat er geen pauze meer zal bestaan. Met de ultieme verdwijning van de reistijd zal ook elk moment van rust uit de wereld verwijderd zijn. ‘De wereld gaat aan vlijt ten onder’, zoals Max Dendermonde al in de jaren vijftig voorspelde.

De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige werd al in het begin van de vorige eeuw ontdekt door mensen die zich met geschiedenis bezig hielden. Het verleden is nooit te beschrijven als een zich gelijktijdig voltrekkend gebeuren. Ontwikkelingen lopen nooit synchroon, maar voortdurend ‘uit de pas’. Er is altijd sprake van vertraging en ongelijktijdigheid, niet alleen tussen centrum en periferie, maar ook in de faseverschillen waarin ontwikkelingen zich naast elkaar kunnen voltrekken.

Waar komt het begrip ‘De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige‘ vandaan? Voor mij als kunsthistoricus is dit begrip gesneden koek. Het is ooit door Hans Jaffé in de kunstgeschiedenis geïntroduceerd om de polyfonie aan te duiden, die ontstaat doordat verschillende generaties van kunstenaars zich gelijktijdig aandienen in het heden. Jaffé ontleende dit begrip aan de ‘generatietheorie’ die de Duitse kunsthistoricus Wilhelm Pinder al in 1926 had ontwikkeld in zijn boek Das probleem de Generation in der Kunstgeschichte Europa’s.

Daarmee wilde Pinder afrekenen met Wölfflins strakke lineaire schema voor de opeenvolging van stijlen. Volgens Pinders ‘generatietheorie’ volgen stijlen elkaar niet lineair op, maar schuiven over en langs elkaar heen in een ritmische wisseling van generaties. Jaffé maakte dankbaar gebruik van Pinders gedachten om het stijlpluralisme in de moderne kunst een theoretisch kader te geven.

Met andere woorden, de ‘gelijktijdigheid van het ongelijktijdige’ is niet een nieuw fenomeen, maar er is wel iets nieuws mee aan de hand. Het fenomeen grijpt steeds meer om zich heen. Er is sprake van een eenparige versnelling in de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige.

‘Uitzending gemist’ is een metafoor voor de nieuwe ervaring dat het ‘hier en nu’ zijn urgentie verliest. Je kunt alles zien wat geweest is. Niets verdwijnt, want het blijft eeuwig bewaard in een almaar verder uitdijend virtueel universum van beelden. Vluchten kan niet meer. We leven in een tijd van de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige, waarin het heden voor eeuwig blijft voortbestaan.

Er wordt wel eens beweerd dat de tijd een verworvenheid van de natuur is om te voorkomen dat alles tegelijk gebeurt. Precies dat laatste dreigt nu allengs te gaan gebeuren. De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige is een kern-eigenschap van het psychotisch bewustzijn. Alles tegelijk in het hier en nu. 

Maar je kunt het ook anders formuleren. Ook de gedachte dat alles weer terugkeert in het hier en nu, keert zelf als gedachte steeds weer terug. Daarmee wordt de gelijktijdigheid van het ongelijkzijdige steeds gelijktijdiger. Uiteindelijk is alles oproepbaar, maar daarom juist uniek door zijn telkens weer herhaalde herhaalbaarheid. Om niet in herhalingen te vervallen, citeer ik tot slot nog maar eens uit mijn eigen blog Net als in de film:

‘Het schrijven over het schrijven maakt deel uit van mijn roman. Deze roman begint dan ook met een verhandeling over de vraag hoe je de eerste zin van een roman moet schrijven. Dat is natuurlijk heel handig, want dan heb je de eerste zin ongemerkt al geschreven terwijl hij eigenlijk nog geschreven moet worden. Heel even heb ik nog met de gedachte gespeeld dat mijn roman eigenlijk alleen zou moeten gaan over het schrijven van een eerste zin. In La Peste van Camus komt een schrijver voor die zijn hele leven blijft steken in de eerste zin van zijn roman. Een prachtige zin, dat wel (ik ben te lui om hem nu op te zoeken). Ook in de film The Shining van Stanley Kubric blijft de hoofdpersoon steken in één zin, als hij bezig is om in een verlaten hotel in de winterse bergen een boek te schrijven. Ik ben ook die zin helaas weer vergeten. Maar dat ik er nu over schrijf laat zien, dat je heel wat weg kunt ouwehoeren over het schrijven van een eerste zin.’

Reageer