Dit is geen selfie

Gistermiddag in Amsterdam ( foto: Renate Mous)

Reageer

While I was so busy being free …

Hans Kraan en ik op het Spui in Amsterdam bij de rellen tijdens de Maagdenhuisbezetting, mei 1969 (foto: de Volkskrant).

Ik mag de oorlog dan niet hebben meegemaakt, de jaren zestig heb ik redelijk intensief beleefd. Sterker nog, die jaren zitten als dikke ringen in de boomstam van mijn leven. Eigenlijk is dat roerige decennium niet alleen het keerpunt geweest voor mijn generatie. Het is achteraf bezien ook een soort lakmoesproef om te testen of je wel deugt. ‘Wat deed jij in de oorlog, papa?’, vroegen wij babyboomers aan onze vaders? Wat deden wij in de jaren zestig, dat zouden wij onszelf moeten afvragen. Het decennium waarin alles op zijn kop kwam te staan. Het was, zoals Bob Dylan zei, alsof ergens een vliegende schotel was geland. Niet dat mijn bijdrage aan de revolutie van destijds zo opzienbarend is geweest, maar ik hoef in ieder geval niet te zeggen, dat ik mijn kop in het zand heb gestoken. Al was het meer toeval dan intentie, dat ik werd meegezongen in de maalstroom. In het voorjaar van 1968 was ik bij toeval in Parijs, waar de straten werden opgebroken voor barricades. Precies een jaar later overkam mij iets dergelijks in Amsterdam.

In mei 1969 raakte ik min of meer per ongeluk verzeild in de bezetting van het Maagdenhuis, waarvan ik de eerste nacht heb meegemaakt. Maandagavond 16 mei 1969 hoorde ik op de radio dat het Maagdenhuis bestormd zou worden. Inzet van de strijd was het medebeslissingsrecht op alle niveaus in het bestuur van de universiteit (one man, one vote). Samen met mijn studiegenoot Hans Kraan ging ik ernaar toe. Eenmaal bij het Maagdenhuis zag ik Ton Regtien aan de voorkant een raam forceren en naar binnen kruipen. Naast hem stond Paul Verheij, de zoon van de toenmalige CPN-wethouder van Amsterdam: Harry Verhey. Het generatieconflict in een notendop. De politie stond erbij en keek er naar. Professor Belinfante, de rector magnificus, probeerde de bezetters nog met een megafoon van gedachten te doen veranderen. Vergeefs.

Ik ben toen mee naar binnen gegaan. Dat deed iedereen trouwens die daar bij was. ‘s Nachts was het een dolle boel binnen. Er werd gezongen (‘we shall overcome’) en urenlang gediscussieerd. De volgende ochtend ben ik weer naar huis gegaan om wat te eten. Mijn moeder vroeg waar ik de hele nacht geweest was. ‘In het Maagdenhuis!’, zei ik. Dat vond ze dat wel grappig, want ik had nog nooit een meisje ontmaagd. Ik was zo groen als gras, maar de grote wereld lag aan mijn voeten. Ik wilde in één keer de sprong wagen, afrekenen met al mijn angsten, afstand doen van mijn onvolwassen verlangen volwassen te zijn, en het volle leven léven zoals het was voorgeschreven wat het volle leven wás. Dat was de paradox waarin ik gevangen zat. Ik wilde vrij zijn volgens de voorschriften die daarvoor golden… en dat waren er vele in the sixties.

Toen ik later op die ochtend weer terugkwam, kon je nog via een loopbrug aan de achterkant het Maagdenhuis binnenkomen. Het was een grote puinhoop inmiddels. Iedereen liep in en uit en je kon alles zomaar meenemen. Ik weet nog dat ik mijn voormalige leraar Latijn van het Ignatiuscollege – pater Bremer SJ tegenkwam, die inmiddels aan de universiteit doceerde. Hij was diep geschokt, vooral ook omdat hij zag dat ik meedeed aan dit barbaars gebeuren. (‘Et tu Brutus?’, maar dat zei hij niet). Iedereen jatte van alles mee. Ik heb nog altijd een nummer van Scientific American, dat ik toen uit een leeszaal heb meegenomen. Het was de tijd van het proletarisch winkelen, dus daar deed je niet moeilijk over.

Ik ben niet lang meer gebleven en toen ik nogmaals terugkwam was het pand opeens hermetisch afgesloten door een cordon ME-ers. Er braken rellen uit in de omgeving. Ik had een paraplu bij me en die kwam goed van pas, want binnen de kortste keren werden Hans en ik belaagd door een waterkanon van de politie. Pas vele jaren later zag ik mezelf terug op een persfoto die van dat moment werd gemaakt. (zie boven) Ook op een van de opnamen van het Polygoonjournaal, die een week later van de bezetting waren te zien, ben ik nog zichtbaar, staande achter het  ME-cordon.

Achteraf mag ik van geluk spreken, dat ik uiteindelijk niet opnieuw in het nu zwaar belegerde Maagdenhuis ben beland. Mijn gedrag was in die tijd nogal onvoorspelbaar. Ik slikte veel medicijnen (o.a. Trilafon, een antipsychotisch middel) en ik weet niet hoe het was afgelopen, als ik de redelijk gewelddadige ontruiming had moeten meebeleven. Een enorme politiemacht maakte op 21 mei hardhandig een einde aan de bezetting. Studenten werden aan hun haren de trappen afgesleept. Ik ben dus ook niet veroordeeld in het latere proces. Dat heb ik altijd wat jammer gevonden, want het was destijds een eer als je de Maagdenhuisbezetting op je strafblad had.

Minder onschuldig was mijn bemoeienis met de bezetting van mijn parochiekerk, de Martelaren van Gorkum in Amsterdam Watergraafsmeer, aan het Linnaeushof, waar ooit Nescio gewoond heeft. Die bezetting vond een maand eerder plaats in de Paasnacht op 6 april 1969. Samen met Hans Kraan (die later wèl veroordeeld zou worden voor de Maagdenhuisbezetting) was ik het brein van deze actie. We waren met zijn vijven dacht ik: Hans Kraan, Herman Klink, Jan Roos, Jet Tocila en ik. Na afloop van de Mis ben ik de preekstoel op geklommen. Ik heb toen met luide en soms overslaande stem alle kerkgangers uitgenodigd om naar de sacristie te komen, die door ons was bezet en waar gediscussieerd zou worden over de rol van de kerk in Zuid Amerika. Ik voelde me een beetje als Che Guevara, maar voor de kerkgangers moet mijn interventie op de preekstoel een komische vertoning zijn geweest. Ik oogde allerminst als een onverschrokken revolutionair, eerder als een overjarige puber die om wat aandacht verlegen zat.

Hoe dan ook, de koster draaide al snel het geluid weg en het slot van mijn betoog stierf weg in de gewijde stilte van het leeglopende kerkgebouw. Ongeveer tien mensen kwamen naar de sacristie, waar we ongeveer een half uur gediscussieerd hebben. Toen vond de koster het welletjes en belde de politie. Die heeft ons – geweldloos – uit de kerk verwijderd. Ik weigerde om zomaar weg te gaan en eiste een proces verbaal. Zo kwam het, dat ik als enige nog eventjes heb vastgezeten op het politiebureau in de Linnaeusstraat. Het politierapport leidde er toe, dat onze actie de volgende dag de krant heeft gehaald. Ik werd als enige met initialen genoemd. Na afloop hebben we nog de hele nacht bij mij thuis verder gediscussieerd. Die discussie heb ik op band opgenomen, maar ik heb hem al jaren niet meer gehoord, want mijn oude bandrecorder is stuk.

De volgende ochtend zijn we teruggegaan naar de kerk en hebben we grote pamfletten op de kerkdeuren geplakt. Deze hebben er niet lang gehangen. Een en ander heeft er wel toe geleid dat er enige weken later (ik dacht op 10 juni 1969) een discussieavond is gehouden in de kerk over de problematiek in Zuid Amerika en de kwalijke rol van de kerk aldaar. Deze discussie stond onder leiding van Ed van Westerloo en werd voorbereid door de actievoerders in nauwe samenwerking met de parochieraad. In 1979 heeft de de jeugdsociëteit Omega nog een reünie gehouden in de kelder onder het koor van de kerk.

trouwen0001.JPG

Die kelder van Omega werd in 1971 verbouwd. Omega week toen een tijdje uit naar de Christus Koning kerk, die nu leeg staat en in bezit is genomen door uitgeprocedeerde asielzoekers. Ik was er laatst nog en schrok van de puinhoop die van het interieur van dit kerkgebouw is overgebleven. In dat jaar 1971 heb ik ook mijn latere vrouw Marijke ontmoet. Wij waren beiden bestuurslid van Omega en trouwden in 1974 in de Martelaren van Gorkum. Bij de huwelijksmis, geleid door pastoor De Reus, was popmuziek te horen, wat in die tijd in de mode raakte. We kozen voor Bob Dylan (I want you) en Renaissance (Island). Marijke en ik vertrokken in 1977 naar Leeuwarden. Hans Kraan vertrok naar Maastricht, maar is inmiddels terug in Amsterdam. Herman Klink kwam later nog even in Oudemirdum te wonen, maar vertrok uiteindelijk ook naar Maastricht, waar hij in 2011 op 63-jarige leeftijd overleed, vijf jaar voor het overlijden van Marijke. De overigen ben ik uit het oog verloren.

In het leven gaat het er niet om hoe lang je elkaar hebt gekend, maar hoe intens de ervaringen waren die je samen hebt beleefd. Ooit zouden Herman en ik samen een roman gaan schrijven, waar alleen maar kikkers in voor zouden komen. Het idee was geïnspireerd op een verhaal van Nico van Suchtelen, voor wiens werk Herman destijds grote bewondering had, vooral zijn boek Quia absurdum uit 1906. Herman hield ook veel van de verhalen van Nescio. Zo herinner ik mij dat we een keer –  na een nacht doorhalen –  de fiets hebben gepakt en op weg gingen naar Holysloot. Daar hebben een uur lang zwijgend aan de waterkant gezeten, Herman en ik, samen met Hylkia die stotterde en op wie ik meende verliefd te zijn, kijkend naar de zonsopkomst en luisterend naar het gekwaak van de kikkers. Uiteindelijk zijn we in een achtergelaten roeiboot gestapt en voeren we samen weg tussen het riet. Herman en ik, we leefden in een romantische droomwereld. Of – om met Nescio te spreken: ‘Jongens waren we, maar aardige jongens.’

Geen reactie mogelijk

Homeward bound

Gisteren 11.00 uur bij Kornwerderzand op de Afsluitdijk, op de fiets op weg naar Alkmaar.

Reageer

Alleen op de wereld

 

Het GAK-gebouw in Amsterdam in de jaren zestig (foto: Stadsarchief Amsterdam)

In februari 1968 brak ik mijn studie bouwkunde aan de TH in Delft plotseling af, van de een op de ander dag. Ik keerde terug naar Amsterdam om daar Nederlands te gaan studeren. Maar ik moest eerst nog een half jaar wachten voordat ik de studie weer kon oppakken. Daarom nam ik een baantje via een uitzendbureau. Zo werd ik als uitzendkracht aangesteld bij het GAK in Amsterdam, dat gehuisvest was in het grote aquariumachtige gebouw in West naast de zogeheten ‘Kolenkit’. Op 21 april 1968 was het tropisch warm. In Venlo werd op die dag 32,2 graden gemeten. Ik weet nog goed dat de temperatuur binnen in het GAK-gebouw niet te harden was. Ik had het geluk dat ik niet aan een bureau gekluisterd zat. Mijn taak bestond uit het zoeken naar zoekgeraakte dossiers van de WAO-afdeling.

De WAO was nog maar een jaar tevoren ingevoerd en toch ging er al heel wat mis. Sommige dossiers waren soms wekenlang zoek. Het was nog het tijdperk van vóór de computers en alle gegevens van cliënten zaten opgeborgen in mappen die voortdurend van het ene bureau naar het andere verhuisden. Zo ging ik als een rechercheur alle afdelingen af en zocht ook in het archief. Vaak was een dossier gewoon verkeerd opgeborgen. Sommige kwamen ook nooit meer tevoorschijn. Er gingen dagen voorbij dat ik geen enkel dossier wist te vinden. Soms vond ik er wel tien op een dag.

Vaak vertoefde ik in halfduistere kelders, eindeloos zoekend in allerlei stoffige archiefkasten. Niemand kon controleren wat ik precies deed. Ik moest er alleen voor zorgen dat ik zo af een toe weer een dossier boven water bracht. Op een keer ben ik al zoekend in slaap gevallen. Mijn chef heeft mij uiteindelijk ergens in de kelder gevonden. Hij was gaan zoeken, omdat ik wel erg lang weg bleef. Het was een aimabele man die meende een soort vaderlijke houding tegenover mij te moeten innemen. Dat riep ik kennelijk bij hem op. Ik liep in die tijd met mijn ziel onder de arm. Hij heeft me dus niet ontslagen, alleen wat vermanend toegesproken en het advies gegeven om ‘s avonds wat vroeger naar bed te gaan. Inderdaad spookte ik in die tijd nog wel eens rond in de nachtelijke binnenstad van Amsterdam.

Ik had vooral medelijden met mezelf en troostte me met mooie woorden van anderen, terwijl ik zelf nooit dronken werd of echt de weg kwijt raakte. Wie wil spreken over eenzaamheid stuit onontkoombaar op de valsheid van de taal, 
de onechtheid van de poëzie, de structurele leugen van het 
woord dat alleen bij machte is te benoemen wat de ervaring 
allang in een ver verleden achter zich liet. Ik was verdwaald in mijn nog jonge leven, maar was ik maar écht gaan dwalen. Ik heb in die tijd nooit de krochten van de lust opgezocht en verliefd was ik nog nooit geweest. Ik dwaalde vooral in het GAK-gebouw. In het archief in de kelder stond altijd de radio aan. Zo kon ik daar niet alleen naar mijn favoriete muziek luisteren, maar ook naar de nieuwsberichten.

Begin mei werden de muziekprogramma’s steeds vaker onderbroken door extra nieuwsuitzendingen. In Parijs was een studentenopstand aan de gang. Ik luisterde met bijzondere belangstelling, want ik was zelf van plan om naar Parijs te gaan. Eind mei zou ik voldoende geld verdiend hebben om een maand in Frankrijk door te brengen. Maar er werd stevig gevochten in het Quartier Latin, zo hoorde ik. Op 11 mei werd de gehele wijk gecontroleerd door de opstandelingen. In de week van 13 tot 17 mei was er zelfs sprake van een revolutionaire situatie. In heel Frankrijk waren inmiddels vele bedrijven bezet. De Gaulle kondigde de noodtoestand af en dreigde het leger in te zetten. Op een gegeven moment was De Gaulle zelfs even helemaal zoek en leek het land in complete chaos te vervallen.

De treinen staakten, dus ik kon ook niet weg. Uiteindelijk –  op maandag 10 juni – begonnen er weer treinen naar Parijs te rijden. Met een van de eerste ben ik toen uit Amsterdam vertrokken. In Parijs belandde ik in een spookachtige situatie. Er was haast geen toerist te bekennen. Overdag dwaalde ik door het Quartier Latin of at een stokbrood op een bankje aan de Seine. De gevechten waren grotendeels voorbij, alleen ’s avonds was het nog onrustig. Maar ook overdag was de sfeer nog altijd grimmig. Boulevard Saint Michel was zwart van de politie en ik werd daar wel drie keer per dag gefouilleerd.

In het Odeon-theater waren non-stop debatten aan de gang die zeer gedisciplineerd verliepen. Ik heb daar urenlang zitten luisteren. Soms had ik het idee in een andere wereld te zijn beland. Er was geen enkel politietoezicht, de studenten hadden hier de macht volledig in handen. Op een gegeven moment ben ik het gebouw gaan verkennen – een klassiek galerijtheater – en zo belandde ik op de bovenste verdieping. Daar lagen in een donkere, halfronde gang allemaal gewonde studenten met verband om het hoofd of ledematen in het gips. Zij durfden zich niet in een ziekenhuis te laten opnemen uit angst gearresteerd te worden.

Op een wonderlijke manier voelde ik mij aanwezig op de plek waar ‘het’ gebeurde. De geschiedenis voltrok zich onder mijn ogen, maar om nu te zeggen dat ik daar part of deel aan had, nee. De wereld zat verpakt in cellofaan. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Hoe groter het drama was dat zich voor mijn ogen voltrok, hoe meer ik mij een outsider voelde.

Toen ik op 10 juni 1968 naar Parijs vertrok, was Martin Luther King nog maar kort tevoren vermoord, op een balkon in Memphis Tennessee, op 4 april, de verjaardag van mijn moeder. Vier dagen voor mijn vertrek naar Parijs werd Robert Kennedy vermoord, op 6 juni. Op het Centraal Station las ik in de krant dat zijn lichaam met de trein was overgebracht naar Washington.

Het is slechts een ongelukkig toeval waar en wanneer de dood je treft, want tijd en toeval slaan elke dag opnieuw hun slag. Zo dacht ik erover in die dagen. Ik was twintig en het leven was voor mij een aaneenschakeling van toevalligheden, waarin ik voortdurend een zin en betekenis probeerde te herkennen. Telkens weer ging ik op zoek naar iets zinvols dat je tegenover de contingentie van het bestaan zou kunnen plaatsen, tegenover de waanzin van het toeval, het absurde, het kwaad of wat het ook is. De dood misschien, want dat was nog het meest absurde.

Bij de begrafenis van Robert Kennedy sprak zijn broer Edward. Het werd een indrukwekkende rede, waarbij hij verwees naar alle groten der aarde die hadden geprobeerd de wereld te veranderen. Wat kan één mens doen? Zijn woorden maakten op mij veel indruk destijds. Nog indrukwekkender wellicht waren de beelden van de treinreis van New York naar Washington, waar de ter aarde bestelling van Robert Kennedy zou plaatsvinden. Funeral train, zo heette de film die van die laatste treinreis is gemaakt. Onlangs zag ik hem integraal terug in het Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover, dat zich bevindt bij de ingang van Oosterbegraafplaats in de Watergraafsmeer, op een steenworp afstand van mijn ouderlijk huis.

Het was een lange stille tocht. De trein met het stoffelijk overschot werd onderweg begroet door talloze Amerikanen: duizenden vlaggen, eresaluten en huilende mensen. Amerika was in diepe rouw gedompeld. Vijf jaar eerder was John F. Kennedy vermoord in Dallas. Met deze derde moord op rij leek het noodlot definitief toe te slaan. De hoop van de jaren zestig was de bodem ingeslagen. De tijden gaan veranderen, had Bob Dylan gezongen, maar de grote verandering leek nu definitief verleden tijd. Behalve in Parijs dan, waar ik twee dagen later zou arriveren en waar een opstand was uitgebroken.

Dat alles is nu 50 jaar geleden. De begrafenistrein van Robert Kennedy werd in juni j.l. herdacht.  Robert F. Kennedy’s funeral train, Fifity years later, zo luidde de kop van een artikel in The New Yorker waarin een fototentoonstelling werd beschreven. In Amsterdam werd een fotoboek gepresenteerd in Foam. In het Amerika van Donald Trump is Robert Kennedy nu een nationale legende die nauw verbonden is met de Kennedy-mythe. Of die mythe terecht is, laat ik maar even in het midden. Zeker is dat Robert Kennedy – evenals zijn broers – begiftigd was met de gave van het woord. ‘I have a dream’, zei Martin Luther King, maar de beroemde oneliner van Bobby Kennedy is wellicht nog mooier:

‘Some people see things as the are and say: why. I dream things that never were and say: why not?’

Inderdaad, waarom niet? Toen ik aankwam op een vrijwel lege camping in het Bois de Boulogne heb ik mijn tentje opgezet, mijn luchtbed opgeblazen en mijn slaapzak uitgerold. Parijs lag aan mijn voeten en het was wonderlijk stil om me heen. Ik voelde me alleen op de wereld. De vertrouwde wereld van weleer leek opeens op mysterieuze wijze te verdwijnen alsof hij verzwolgen werd in een zwart gat van het universum.

De post werkte wonderlijk genoeg normaal, zodat al mijn brieven vanuit Parijs aankwamen. Mijn moeder schreef me een brief terug vanuit Huissen, waar ze op bezoek was bij haar drie zusters. Mijn vader was twee jaar daarvoor overleden en nu toerde ze het hele land door. Ze was toen 63 jaar, zeven jaar jonger dan ik nu, maar evenlang weduwe zoals ik nu weduwnaar ben.

Mijn moeder schreef een brief altijd in één keer, ogenschijnlijk zonder er bij na te denken. In tegenstelling tot mijn vader, die heel lang kon nadenken voordat er een woord uitkwam. Dan zag ik zijn vulpen aarzelend heen en weer bewegen boven het papier. Vaak streepte hij ook dingen door. Mijn moeder deed dat nooit. Haar handschrift oogde ook veel vrijer. Als kind werd ze door de schoolmeester wel eens ‘een verwaaid nest’ genoemd, en eigenlijk is ze dat haar leven lang gebleven. Ik heb de slordigheid van mijn moeder geërfd.

brief1

brief2

Toen ik na vier weken weer thuis kwam uit Parijs, leek Amsterdam opeens heel klein. Het was een raar jaar, 1968. Een jaar van vervlogen dromen en hoge idealen waarvan met alle respect afscheid werd genomen.

2 Reacties

Een banneling zonder thuisland

4 april, 1980(3)0001

Zonder titel, 1971 (120 x 80 cm)

Door te bloggen kan ik ronddwalen in mijn eigen verleden. Bij voorkeur in de eerste dertig jaren van mijn leven toen ik nog woonde in Amsterdam. Nostalgie is voor mij een belangrijke drijfveer voor het schrijven. En schrijven is voor mij dwalen, een verhaal beginnen en niet weten waar je uitkomt. Ik zou willen schrijven over een verleden dat er niet meer is, maar waarvan de restanten nog in het heden zichtbaar zijn. Maar in Friesland vind ik die restanten niet. Behalve dan in Gaasterland, waar ik als kind met mijn vader kwam. Ik hou ervan om in Amsterdam in een tram te zitten. In Friesland rijden geen trams. In een tram kun je half dagdromend naar buiten kijken en je gedachten laten weg dwalen.  Vanachter het glas lijken de mensen op straat te zwemmen in een groot aquarium, alsof je bewustzijn is ondergedompeld in het brein van de stad.

Begin jaren zeventig begon ik te schilderen. Dat heb ik jarenlang gedaan, maar naarmate ik meer over de schilderkunst te weten kwam, ben ikzelf de kunst van het schilderen verleerd. Wonderlijke voorstellingen verschenen op het doek, meestal surrealistisch van aard. Nachtelijke landschappen met reusachtige handen die over de rand van de bergen reikten alsof een gigantische reus zichzelf omhoog hees achter de horizon om zo te kunnen zien wat aan de andere kant van de aarde zoal gebeurde die nacht.

Welnu, er gebeurde heel wat in die tijd. De dagen vlogen om. Ik woonde in de Wakkerstraat in een donkere kamer met uitzicht op een binnentuin. Om de hoek was de buurtbioscoop De Bio. Daar keek ik  naar griezelfilms van tweede garnituur: Dracula en Frankenstein. Ik las in die tijd ook de spookverhalen van Edgar Allen Poe. Foltering door hoop, van De Villiers De l’Isle Adam is een titel die me te binnenschiet, en natuurlijk ook alle boeken van Tolkien.

Op 24 december 1971, heb ik samen met Hessel Miedema en vier medestudenten een bezoek gebracht aan het kerkje van Oosterend. We reden met een Volkswagenbusje ernaartoe. De  kraak (of doksaal), die zich in dit kerkje bevindt, dateert uit het midden van de zestiende eeuw. Die hebben we toen de hele dag opgemeten en beschreven. Ik was nog nooit in Oosterend geweest. Het leek me een onnozel oord in the middle of nowhere. Dat was het ook. Ik herinner me nog dat we in de sacristie het doopregister hebben bekeken. We kregen warme chocola te drinken. Ook de reliëfs in de kraak met voorstellingen uit de Bijbel staan me nog helder voor de geest. Het ging er Miedema vooral om welke middeleeuwse Bijbel als voorbeeld was gebruikt voor de voorstellingen in de kraak.   

Die dag in december vroor het ook dat het kraakte. Het was ook wat je noemt ‘de dag van de kraak’. Op de Afsluitdijk was het glad en moesten we bijna stapvoets rijden. Het was ook de dag voor kerst. De laatste kerstbomen werden verkocht alvorens ze teruggingen in de grond. Er lag geen sneeuw voor zover ik me kan herinneren. Mijn jongste zus Trees was jarig, zoals altijd de dag voor kerst. Toen ik thuiskwam had Marijke de kerstboom opgetuigd. Ik heb toen meteen mijn nieuwe elpee van Joni Mitchell opgezet die ik de dag daarvoor had gekocht.

Het verleden is niet in woorden te vatten, dat blijkt telkens weer. Er is iets wat ontglipt: de poëzie, de muziek, de tederheid. En zodra je het benoemt, vliegt het weer weg. Er wordt wel eens beweerd dat het dichters verboden moet worden om gelukkig te zijn. Poëzie is heimwee. Dichters horen thuis in een stad waarin ze zich niet thuis voelen. In Leeuwarden bijvoorbeeld.

Ik ben een ‘displaced person’. Dat wil zeggen: een ontheemde. Een ‘displaced person’ is – volgens Wikipedia – een term die gebruikt wordt om een burger aan te duiden die door krijgshandelingen zich buiten zijn thuisland bevindt, en die zonder hulp daar niet naar terug kan keren. Zo is het maar net, maar toch ook weer niet. Ik heb zelfs geen thuisland, geen vaderland, geen roots. Wie ik ooit was, ben ik niet meer. En wie ik geworden ben, zal ik nooit zijn. Precies zo voel ik me vaak:  een banneling zonder thuisland. Ik ben eeuwig op de vlucht. Voor ik arriveer, zie ik mezelf al aankomen. En zodra ik ergens aankom, wil al weer vertrekken. 

Geen reactie mogelijk