De komende tijd van de melancholie

‘Een van de problemen van de moderne tijd bestond erin dat heel lang de zin van een onbepaalde dimensie van transcendentie werd geïdentificeerd met
 een bepaald ‘iets aan gene zijde’, en daarmee was afgedaan. Tegelijkertijd werden pijnlijk de krachten gemist 
die uit de betrekking tot zo’n dimensie rijkelijk kunnen voortvloeien. Was het een transcendente onwetendheid die de druk vergrootte om alle dromen in dit 
ene, eindige leven te moeten realiseren, omdat er geen 
hiernamaals meer was? De poging om alle, maar dan
 ook alle, mogelijkheden in dit eindige leven te realiseren is altijd tot mislukken gedoemd – was het die 
transcendente onwetendheid die het lijden ondraaglijk maakte dat daarmee gepaard ging? Heeft dat de mensen nog meer de melancholie in gedreven?

Melancholie is echter niet alleen het ongelukkig-zijn 
als gevolg van de onvervulbaarheid van dromen met 
een oneindige intensiteit, maar ook de verlossing van 
de hoop op vervulling in dit eindige leven. Het besef 
van de onvervulbaarheid bevrijdt ons van de smartelijke inspanning om alles in dit vermeend enige leven te 
moeten ‘proppen’. De komende tijd van melancholie 
kan daarom ook een tijd worden van nieuwe vrijheid.’

Uit: Wilhelm Schmid, Ongelukkig zijn. Een aanmoediging (2012)

Reageer

Melancholie en transcendentie

‘In dit eindige leven is de oneindige intensiteit evenwel meestal alleen pijnlijk aanwezig als de afwezige intensiteit, en de melancholicus lijdt daaronder. Hij be
schikt zelf niet over de onuitputtelijke energieën die 
een leven in de oneindigheid van het zijn kan bieden; 
hij kan ze uitsluitend door de dunne huid van zijn lichamelijke eindigheid voelen; en dat maakt de melancholie tot een transcendent vermogen. In gevoelens en gedachten is de melancholie een overschrijden, transcendent in de letterlijke betekenis van het Latijnse werkwoord transcendere. De drempel die ze overschrijdt is de 
grens van de eindigheid, aan de andere zijde waarvan 
zich iets anders, iets onbestemds opent. De melancholicus voelt en denkt dat het ware leven van de intensiteit, 
het Zijn, niet te vinden is in het actuele leven, in het
 reële zijn, hoe aantrekkelijk het leven in het hier en nu 
ook mag zijn. Hij treurt over het metafysische hiaat tussen deze wereld en gene zijde; hij treurt omdat hij
 in deze wereld geen duurzaam thuis vindt en eerder heimwee voelt naar de andere wereld, waarheen hij terug wil. Melancholie is de treurnis over de vervreemding van de mens van zijn tijdloze oorsprong, over het onmogelijke, steeds hooguit tijdelijke één-zijn met anderen in de wereld, dat het intense verlangen voor een moment kan stillen, omdat de oorspronkelijke intensiteit in hem weer oplaait.’

Uit: Wilhelm Schmid, Ongelukkig zijn. Een aanmoediging (2012)

Reageer

Primum vivere, deinde scribere

Kroatië, mei 2010

Reageer

De dood is een roos van vlees

‘De context lijkt vergeten, de diagnose wordt gezien als objectief vaststelbare ziekte. Dat geldt niet alleen in de medische 
wereld, maar eveneens in organisaties waar op grond van verkeerde diagnostiek niet de juiste beslissingen worden genomen. Diagnoses hebben immers gevolgen. Want, zoals een basaal 
sociologisch inzicht luidt: ‘If men define situations as real, they 
are real in their consequences.’ Wie heeft de benoemingsmacht? 
We noemen dat nu framing, en zien hoe krachtig dat speelt in de 
politiek, en wat dat doet met mensen en stemmingen. Het zijn geen nieuwe gedachten, maar het was wel een 
ontdekking hoe breed hetzelfde refrein klonk, en hoe onder al 
die verschillen in gebieden, jargon en beroepsgroepen dezelfde processen spelen.’

Aldus een passage uit het boek Weten vraagt meer dan meten (2017) waarin een groep wetenschappers uit verschillende disciplines het hedendaagse adagium ‘meten is weten’ tegen het licht houdt. Er is iets misgegaan, maar wat? Die vraag houdt velen tegenwoordig bezig. Van Jan Terlouw met zijn ‘touwtje tussen de brievenbus, tot aan deze groep verontrusten die protesteert tegen het feit dat meten in de plaats is gekomen van goed luisteren kijken en nadenken.

‘Framing’ dat is het nieuwe modewoord. Vroeger noemden we dat ‘in een kader plaatsen’, maar het woord ‘framing’ heeft opeens een magische klank gekregen. Je kunt de kijk op de werkelijkheid wezenlijk veranderen door de werkelijkheid meetbaar te maken. Door haar te onderwerpen aan de macht van de statistiek. Door er een spreadsheet overheen te leggen met dingen die kunt afvinken. Door alles controleerbaar te maken met de schijnzekerheid van het getal. Door levende wezens te proppen in de dode dwangbuis van de minutencultuur.

Bovenstaande foto is genomen op 13 mei 2009. Marijke en ik zitten aan een lange tafel in een wijngaard even buiten het stadje Lucca in Toscane. De lunch is overdadig en wordt overspoeld met wijn. Voordat de fles leeg is staat er al weer een nieuwe op tafel. Tot voor kort was dit voor mij een argeloze vakantiefoto. Maar dit beeld heeft voor mij een ander frame gekregen. het frame van de melancholie. Dit gebeuren komt nooit meer terug, dat zegt die foto nu, en dat dat was voorheen niet het geval. In elke vezel van mijn lijf zit zij, en toch blijft het gemis.

Als ik de treurige beschouwingen in het boek Weten vraagt meer dan meten lees, dan word ik ook overvallen door een gevoel van melancholie. Tussen alle scherpzinnige analyses lees ik nergens iets over de ware oorzaak van wat er fundamenteel mis is gegaan. Wat is er in het kader veranderd dat iedereen nu opeens klaagt over ‘meten is weten’? Hoe komt het dat we die ware oorzaak niet zien of niet kunnen zien?  Is er soms iets geruisloos verdwenen, zo geruisloos zelfs dat we niet eens meer weten wat het nu eigenlijk was, dat er nu niet meer is. Is het soms iets dat we missen zonder het te missen?

Maar wat kan dat zijn? Iets wat je mist terwijl er niets ontbreekt. Of omgekeerd, iets wat ontbreekt, terwijl je niets mist. Misschien is dat wel het ergste wat er is. Erger dan de diepste rouw, want dan weet je tenminste wat je mist. Ik weet het, ik haal alles door elkaar vandaag, maar soms heb ik het vermoeden dat er ergere dingen zijn dan rouw. Het onvermogen om te rouwen is erger dan rouw. Misschien wordt deze tijd nog het meest gekenmerkt door bet onvermogen om te rouwen. Het onvermogen om het gemis ook als een gemis te ervaren.

Ik herlas van de week het boek Een roos van vlees van Jan Wolkers. Dat schreef hij elf jaar na de de rampzalige dood van zijn dochtertje, dat in 1951 op tweejarige leeftijd in kokend heet water verbrandde. De hoofdpersoon Daniël gaat langzaam ten onder door het onvermogen om te rouwen. Hij komt niet bij zijn eigen verdriet en kan zelfs zijn eigen vrouw Sonja niet troosten. Dit verdriet, dat er niet mag zijn of kan zijn, wordt dan een voortdurende bron voor smart en zelfverwijt en maakt dat beiden vreemden voor elkaar worden en uit elkaar gaan. Zo ontstaat een dubbel verlies omdat het verdriet niet gevoeld kan en mag worden.

De dood is de reet van het leven, een aars van vlees. Maar ook een roos, want de liefde is gemaakt van zielevlees. Wie niet liefde kan ontvangen, kan het ook niet geven. Verdriet heeft met liefde gemeen dat je het moet kunnen toelaten. Het zijn gevoelens die ongrijpbaar en onmeetbaar zijn, maar het moet er wel eerst in, voordat het eruit kan komen. Onvermogen om te rouwen komt voort uit een drang om alles onder controle te hebben, zelfs het verdriet dat liefde is.

Het volgende citaat uit Een roos van vlees vond ik het meest schrijnend, maar ook het meest treffend, niet alleen door de impliciete verwijzing in de eerste zin naar de woorden van Paulus over de liefde, maar vooral vanwege het structurele onvermogen dat hier in slechts enkele zinnen wordt uitgedrukt.

‘Als je de liefde niet hebt ben je een klinkend metaal of een 
luidende schel geworden. Maar veel kleintjes maken geen 
grote. Ik kan er niets mee in het leven terugroepen, al 
doe ik er nog zo mijn best voor. Als je de liefde niet hebt. 
Nee, die had ik niet, ik kon het niet opbrengen dat gewone beetje tederheid dat ze zo broodnodig had. Ik wist 
dat ze het te kort kwam, ik was het mij iedere dag bewust. En daarom ging het helemaal niet meer. Als het 
mogelijk was geweest was het ongeluk niet gebeurd, dan 
hadden we geen ruzie gehad. Ik kon het niet aan, het
 schoof allemaal te snel in elkaar. Het ene jaar liep ik nog 
met mijn kleine broer, het jaar daarop met mijn eigen 
kind. Er zat geen rustpauze tussen, ik kon niet op adem 
komen. Het was of ik van de ene kooi in de andere werd 
gestopt.’

Geen reactie mogelijk

Uit het dagboek van een herdershond

Een hond schijt op straat, pist tegen tafelpoten, laat scheten in gezelschap, masturbeert op de broekspijpen van zijn baas en ledigt zijn maag bij tijd en wijle op een Perzisch tapijt van de buurman. Kortom, een hond kent geen decorum. Alles wat wij in de afgelopen tweeduizend jaar beschaving hebben genoemd wordt door een hond te kijk gezet als een ongemakkelijk keurslijf. Met zijn huiselijkheid, trouw en bereidheid tot domesticatie staat de hond precies halverwege natuur en cultuur. Op die tweesprong speelt hij een dankbare dubbelrol. Hij herinnert ons voortdurend aan onze ongekunstelde oorsprong, terwijl hij toch graag bereid is om al onze kunstjes uit te voeren. Hij laat ons in de waan iets te willen leren, terwijl hij alleen maar laat zien wat wij zelf hebben afgeleerd. Hij apporteert voortdurend wat wij voorgoed hebben weggegooid: de impuls om te spelen, onbeschaamdheid en vrijpostigheid, de taal van het instinct, het koninkrijk van de geuren, het tijdloze paradijs van het zomaar er zijn. Wij houden van honden, omdat wij ooit op de drempel van onze beschaving de hond in onszelf in de steek hebben gelaten. Misschien hebben we hem wel lafhartig vastgeknoopt aan een boom, toen we werden verdreven uit de hof van Eden en noodgedwongen aan cultuur gingen doen. Maar de hond heeft zich losgerukt van die boom van goed en kwaad. Hij is ons achterna gerend, toen wij op de vlucht sloegen. Hij is bij ons ingetrokken, toen wij ons eigen vuurtje moesten gaan stoken. Hij is bij ons gebleven toen wij – zoals Nietzsche zei – de kunst hebben uitgevonden om niet aan de waarheid te gronde te gaan.

Er is een oud verhaal dat God – nog voor dat hij de wereld schiep – een hond heeft gehad. Het was zijn trouwe hemeldier, waarvan nooit duidelijk is geworden sinds wanneer hij eigenlijk samen met Hem opliep, als gids en enige metgezel in die barre voorwereldse tijden aan het ijskoude firmament. In feite staat de hond voor alles wat er altijd al was. Hij is de keerzijde van de schepping, de omgekeerde Muze, de achterkant van het sublieme, het spiegelbeeld van God. Niet voor niets laat het engelse woord DOG nog altijd de letters van GOD in spiegelbeeld zien. De hond ging aan de wereld vooraf en misschien wel aan God zelf vooraf. Hoe het ook zij, God was een hond in het diepst van zijn gedachten. Diezelfde hond lag aan zijn voeten, elke avond weer – zeven dagen van de week – tot de oude man eindelijk zag dat het goed was en de historische woorden sprak;:“It’s been a hard days night and I’ve been working like a dog”.

De hondse esthetica waarvoor ik een pleidooi wil houden, vindt zijn oorsprong dan ook niet in God of in welke hemel dan ook. Het domein van de hond is uiteindelijk de goot. In de hemel immers is geen plaats voor hondendrollen. Het koninkrijk van de hond is van déze wereld, het slijk van moeder aarde, de geur van de grond die de mens is vergeten – sterker nog, heeft verdrongen sinds de dag, dat hij besloot rechtop te aan lopen. Dat laatste is niet alleen de grootste ramp die ons in de evolutie is overkomen, maar vormt ook de biologische basis voor het verhaal van het verloren paradijs. Op het moment immers dat wij van viervoeters veranderden in tweevoeters bevond onze neus zich niet meer op gelijke hoogte met de genitaliën en de anus van onze soortgenoten.

Sindsdien heeft er een aardverschuiving plaatsgevonden in het rijk van onze zintuigen. Het oog heeft de functie van onze neus voor een groot deel over moeten nemen. We zijn machteloze voyeurs geworden die de intense rijkdom van de geur in het paradijs hebben achtergelaten. In de kunst, waartoe de mens zijn toevlucht nam, heeft het geluk van het lichaam plaats moeten maken voor het surrogaat van de platonische herinnering. We vergapen ons nu aan de Venus van Milo, maar zijn te geremd om een poot op te tillen en tegen de sokkel van een standbeeld ongegeneerd te urineren. We kijken naar de glimlach van de Mona Lisa, maar vragen ons niet meer af of zij inderdaad – zoals Marcel Duchamp heeft beweerd – een warm gatje heeft: ‘Elle a chaud au cul!’. We hebben de in wezen pornografische esthetica van de kunst uitgevonden, omdat we de immense schoonheid van onze uitwerpselen niet meer willen en kunnen herkennen. Onze sterk verzwakte reukzin, die aan de basis lag van de dierlijke erotiek, heeft alleen nog vaag de herinnering bewaard aan het volledig aards geluk. Het verval van ons reukvermogen heeft gelijke tred gehouden met de bloei van de melancholie. En het is die melancholische grondstemming die nog altijd de fundering vormt voor ons verheven – in haar kern tragische – gevoel voor poëzie en schoonheid.

Wie over de relatie tussen hond en kunst wil spreken zal dan ook op zoek moeten gaan naar een verloren domein in ons bewustzijn. Daar waar de geuren nog onvermoede verbanden leggen, waar de kennis van goed en kwaad samenvalt met de kennis van de lichaamsvochten: zweet, urine en uiteindelijk ook de kennis van stront. Zo zijn we vergeten – wat elke jonge hond weet – dat drollen eetbaar zijn. Evenals de hond is de mens tussen poep en pis geboren. ‘Inter urinas et faeces nascimur’, zei de oude Seneca. Maar we hebben ons uit het paradijs van die kennis laten verdrijven. Het hoogste genot hebben we omkleed met de diepste walging. We hebben ons libido verschoven, onze oudste driften verzaakt. Cultuur is verbonden geraakt met een onnatuurlijke neiging tot hygiëne. Met de uitvinding van de kunst hebben we letterlijk en figuurlijk de hondse esthetica om zeep geholpen.

Het beeld van de hond dat nadien in de geschiedenis van de kunst tot uiting is gekomen, berust dan ook grotendeels op karikaturen. We hebben de hond misbruikt voor eigen ideeën. In de Middeleeuwen werd hij het schoothondje van de kerk, het symbool bij uitstek van geloof en trouw dat een vaste plaats kreeg toebedeeld in verluchte incunabelen en vrome altaarstukken. De Renaissance transformeerde de hond in een mythologisch fabeldier dat alleen nog de godin Artemis mocht vergezellen bij de jacht. In de zeventiende eeuw werd vrijwel elke hond een loopse teef die liederlijk rondsprong in het huishouden van Jan Steen. De Pruikentijd heeft hem getemd tot een tamme herdershond die het verlangen opriep naar een ver Arcadië. En de Romantiek tenslotte degradeerde de hond tot een verschoppeling van de bourgeois. Hij werd een straathond vol teken en zweren, de metgezel van de bohémien, wegkwijnend in de goot van de grote boulevards.

Deze clichés en karikaturen belemmeren ons zicht op de klassieke bron van de hondse esthetica. Wie opnieuw uit die bron wil putten kan tweeduizend jaar kunstgeschiedenis dan ook gevoeglijk vergeten. Hij zal zijn oor te luister moeten leggen bij de Griekse filosofen van de aarde en het lichaam. Bij Diogenes bijvoorbeeld, de eerste mens die de hond als voorbeeld nam voor een andere manier van leven en in een ton ging wonen. Diogenes was ook de eerste filosoof die het podium opzocht en daarmee kunstenaar werd. Hij was een schaamteloze nar, die niet alleen gekoesterd werd door de menigte op het marktplein, maar ook door de hoogste gezagdragers van zijn tijd. Diogenes bracht de waarheid aan het licht door zijn publiek als een hond te schofferen.

Zijn argumenten waren altijd te herleiden tot het dierlijke karakter van het menselijk lichaam. Plato’s leer van de ‘achter-wereldse ideeën’ beantwoorde hij door een scheet te laten. Als tegenzet op de theorie van de goddelijke Eros ging hij masturberen op de markt. Zijn enig bezet was een kalebas waarmee hij water kon schepen. En zelfs die gooide hij weg toen hij zag dat een hond ook zonder kon, waneer hij wilde drinken uit de goot. Diogenes was werkelijk een honds filosoof en naar dat edele dier werd zijn gedachtegoed dan ook genoemd. Hij werd de grondlegger van het ‘kunisme’, afgeleid van het Griekse woord ‘kunos’, dat – raadt het al – niets anders betekent dan ‘hond’.

Het is ook precies deze hondse houding die in onze eeuw aan de basis heeft gelegen van een aantal wanhopige pogingen om de kunst uit het slop te trekken. Van Dada tot Fluxus, van Provo tot Punk van Publikumsbeschimpfung tot het hondentoneelstuk van Wim T. Schippers. Van Joseph Beuys, die zich op liet sluiten met een coyote in een New Yorkse galerie tot Anton Heyboer die in een hondenhok kroop uit solidariteit met zijn doodzieke levensgezel. En wat te denken van Oleg Koelik, die Russische kunstenaar die poedelnaakt op een Rotterdams trottoir zijn poot optilde om tegen autobanden te pissen. Ook dat was een daad van verzet tegen de gedresseerde kunst van tegenwoordig, een kunst die vaak alleen nog in staat blijkt tot Pavlov- reacties.

Stuk voor stuk zijn dit de nazaten van Diogenes, maar wellicht ook de voorlopers van een nieuw tijdperk, waarin een hondse houding in toenemende mate zijn plaats zal opeisen op het podium van de kunst. Deze hondse kunstenaars willen geen Übermensch zijn, maar ook geen underdog van God, hooguit iets daartussenin. Ze pissen op het pluche van de cultuur. Ze kotsen op het Perzisch tapijt van het postmodernisme. Ze hebben schijt aan de kunst met een grote K. en de kouwe kak van het kunstpubliek. Kortom, ze willen een hond zijn.

Wellicht worden zij een lucht gewaar die zij ooit hebben geroken, de oude geur van het aards geluk. Misschien hebben zij opnieuw de diepte gepeild van een paar trouwe hondenogen, de blik die ook de eerste Schepper moet hebben gezien – elke avond weer, zeven dagen van de week – toen hij zag dat het goed was.

Er waart een spook door het oude Europa, het spook van de hondse esthetica. Ik richt mij niet als Christus tot de armen van geest, noch als Marx tot het proletariaat, maar als Franciscus tot de dieren. Hij was het immers die als eerste het dier serieus heeft genomen. De dieren zijn onze laatste hoop en de hond was onze eerste gids. Alleen hij weet misschien nog de lange weg terug. Kunstenaars aller landen verenigt u! Als gij niet wordt als honden, zult gij het koninkrijk van deze aarde niet binnengaan!

Geen reactie mogelijk