Protest in tijden van angst

17758b7f-4fa8-4b53-9caa-113d50e02433

Hans Kraan en ik onder de paraplu tijdens de rellen bij de Maagdenhuisbezetting in mei 1969. (foto: De Volkskrant)

‘Op het Rooms-katholiek 
Pastoraal Concilie wilde men Guevara heilig verklaren en tijdens de Assemblée van de Wereldraad in Uppsala hing zijn foto op de tentoonstelling: ‘De kerk in de wereld’. Belangrijker dan 
op deze manier de hoop zoals die door een agnosticus werd 
vertolkt te kerstenen, lijkt het mij om, net als hij, een continent met hoop te bezielen.’

Aldus Hans Achterhuis in zijn boek Camus, de moed om mens te zijn (1969). Als je deze woorden leest vraag ik me af hoe Achterhuis nu over deze woorden denkt. Veel mensen, die in de jaren zestig hun christelijke geloof verwisselden voor een links-activistisch wereldbeeld, hebben achteraf spijt gekregen van hun woorden en daden. Aan het eind van de jaren zestig werden op de katholieke universiteiten van Nijmegen en Tilburg de heiligenbeelden in de nissen van de kapellen vervangen door de borstbeelden van Marx en Lenin. Iedereen leek aan het schuiven te zijn, zo niet met heiligenbeelden, dan wel met wereldbeelden. Geweld was gerechtvaardigd als daarmee aan onderdrukking (ook wel ‘structureel geweld’ genoemd) een eind kon worden gemaakt.

Bijna veertig jaar na dato publiceerde Achterhuis zijn lijvige studie Met alle geweld (2008). Daarin nam hij openlijk afstand van de ruime definities van structureel geweld in links-revolutionaire kringen. Het begrip ‘structureel geweld’ diende in zijn optiek in zijn reikwijdte te worden beperkt. Van ‘geweld’ mag worden gesproken als sprake is van een intentie tot van het aanbrengen van fysiek of geestelijk letsel of schade. Ongemerkt gaan bij het begrip ‘structureel geweld’ opportunistische, hypocriete of ‘politiek correcte’ intenties meespelen. Wie het structurele geweld aan de kaak stelt, of iedere westerling beschuldigt van structureel geweld of schuld ten aanzien van de Derde Wereld, pleit daarmee ongemerkt zichzelf vrij.

Achterhuis’ boek over geweld leest als een verantwoording achteraf van een vertegenwoordiger van een generatie, die in haar studententijd de posters van Che Guevarra in de studentenkamers had hangen. Geweld zou volgens hem niet tot één bron of enkele dieptestructuur te herleiden zijn, want dat soort theorieën werken altijd averechts. Er kunnen tal van oorzaken zijn voor geweld. Door de complexiteit van het fenomeen tot één oorzaak te reduceren, blijft geweld immanent aanwezig. Er ontslaat dan een cirkel, een spiraal van geweld die zijn oorzaak vindt in een doel-middelen-redenering: ‘Het mooie doel heiligt de gewelddadige middelen.’ Dat is een redenering die volgens Achterhuis extra kracht krijgt als ze gekoppeld wordt aan het zondebokmechanisme.

9e7250fc-b9ac-11e4-86b2-f28aa488ece7

Hoe zit het eigenlijk tegenwoordig met het gerechtvaardigd geweld in Nederland? Het lijkt erop dat Nederland sinds de jaren zestig en zeventig allengs allergisch is geworden voor geweld, vooral als dit politiek of ideologisch gekleurd is. De moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh hebben ons definitief doen ontwaken uit een naïeve verheerlijking van het geweld als je daarmee ‘een betere wereld’ zou kunnen bereiken. Dat is wel eens anders geweest. In het boek Tussen verbeelding en macht, 25 jaar nieuwe sociale bewegingen in Nederland (1992) staat het volgende te lezen:

‘De Nederlandse bewegingen zijn echter niet zonder meer en over de gehele linie als gematigd te beschouwen. Weliswaar blijft het aandeel van geweld in het actierepertoire door de openheid van het politieke systeem en het verhoudingsgewijs lage repressieniveau beperkt. Maar tegelijkertijd zorgt de grotere tolerantie ten opzichte van vormen van illegaal protest en burgerlijke ongehoorzaamheid ervoor, dat de Nederlandse bewegingen zich meer dan hun buitenlandse tegenhangers het gebruik van confrontatieve strategieën als bezettingen en blokkades kunnen veroorloven.’

Dit boek werd onder meer geredigeerd door Jan Willem Duyvendak, die inmiddels hoogleraar is. Hij is  de broer van Wijnand Duyvendak, die in 2008 in opspraak raakte als Kamerlid. In dat jaar verscheen ook Achterhuis’ boek Met alle geweld. Achterhuis besteedt in dat boek ook aandacht aan de Duyvendak-affaire. Kennelijk herkende hij daarin iets van zichzelf. Jan Willem Duyvandak, die twee jaar jonger is dan zijn broer Wijnand, was destijds een van de eersten die wetenschappelijk onderzoek deed naar de opkomst en ondergang van de buitenparlementaire actie in Nederland.

Ik las het boek Tussen verbeelding en macht ergens in het midden van de jaren negentig. De evaluatie van de anti-parlementaire bewegingen in de jaren tachtig is al vroeg in de jaren negentig begonnen. Met enige verbazing volgde ik in 2006 de discussies over de affaire-Duyvendak. Duitsland heeft een vergelijkbare affaire gekend rond de politicus Joschka Fischer van de Grünen. Het leek erop destijds alsof Nederland opeens verantwoording moest gaan afleggen wat er in de jaren zestig en zeventig allemaal door actievoerders was uitgespookt. Geweld in welke vorm dan ook was opeens een taboe.

Achteraf beschouwd is het onbegrijpelijk dat Wijnand Duyvendak zich destijds op zo’n domme manier in de nesten heeft gewerkt, zodanig zelfs dat hij uiteindelijk zijn Kamerlidmaatschap moest opgeven. De triomfantelijke wijze waarop hij zijn actieverleden ter sprake bracht bij de promotie van zijn boek Klimaatactivist in de politiek was ronduit stuitend. Daarin maakte hij bekend dat hij in 1985 betrokken was geweest bij een inbraak in het Ministerie van Economische Zaken, waarbij plannen voor nieuwe kerncentrales werden gevonden en die vervolgens openbaar werden gemaakt. Misschien wilde hij zijn geleerde broer naar de kroon steken op een terrein, waar hijzelf kon bogen op enige praktijkervaring. Anderzijds was de wijze waarop GroenLinks hem publiekelijk dumpte als een politicus met een onacceptabel actieverleden even abject en onbegrijpelijk. Als je alle linkse politici met een radicaal actieverleden op een dergelijke wijze tegen het licht zou houden, hou je er in Nederland weinig meer over, vrees ik.

Omgekeerd wantrouw ik elke linkse politicus die zich nooit aan een illegale actie heeft schuldig gemaakt. Ik zou niet graag al diegenen de kost willen geven die in het verleden aan een blokkade of een bezetting hebben meegedaan. Als je dat niet deed in die tijd, dan had je geen enkele sociale bewogenheid. Actievoeren hoorde erbij. Ook de PvdA raadde iedereen aan om toch vooral te demonstreren tegen het plaatsingsbesluit van kruisraketten. Acties binnen en buiten het parlement vloeiden zelfs nog in de jaren tachtig naadloos in elkaar over. Om nu achteraf met een microscoop te gaan bekijken waar deze illegale activiteiten zijn overgegaan in moreel onoorbare daden is onbegonnen werk. Hoe dan ook, het ‘gewelddadige actie’ leek, toen de affaire Duyvendak losbarstte, opeens een huiveringwekkende term geworden.

In het boek Tussen verbeelding en macht wordt een aantal gewelddadige acties uit de jaren tachtig besproken, maar de grenslijn tussen illegale en gewelddadige activiteiten is vaak moeilijk te trekken. Een van de meest gewelddadige acties uit die tijd was de verstoring van de vergadering van de Centrumpartij in een hotel in Kedichem op 26 maart 1986, waardoor de vrouw van Janmaat voor de rest van haar leven in een rolstoel belandde. Achteraf bleek dat deze calamiteit zijn oorzaak vond in een rookbom, waardoor een gordijn vlam vatte, wat uiteindelijk de brand veroorzaakte. Kortom, het was eerder een uit hand gelopen protestactie dan een doelbewuste terreurdaad.

Het verhaal van de gewelddadige acties in de jaren tachtig is grotendeels te reduceren tot mythevorming en romantiek. Actievoerend Nederland was weliswaar zeer actief in die tijd, maar het geweld, dat daarbij te pas kwam, is niet te vergelijken met wat in de jaren zeventig in Duitsland en Italië gebeurde. Ook de Molukse gijzelingsacties in Nederland waren veel gewelddadiger dan het actiegebeuren in het decennium daarop. Natuurlijk, er ging wel eens een tram in de fik zoals bij de krakersrellen in Amsterdam, een vestiging van de MAKRO ging in vlammen op, de kat van Aad Kosto raakte in shock toen de achtergevel van zijn huis door een bomaanslag instortte, maar dat is het dan ook zo’n beetje.

Andersom stierf er wel een kraker in een politiecel, te weten: Hans Kok, op 25 oktober 1985. Achteraf bleek  een acute longontsteking de doodsoorzaak te zijn. Het was dus niet moord zoals het actieblad Bluf! liet weten. Deze gebeurtenis was overigens wel de oorzaak van een escalatie van de gewelddadigheid in de actiemethoden. Voortaan werkte men ook met molotovcocktails en ging het niet alleen om opruiende taal uit de stencilmachine. Een week na de dood van Hans Kok, op 1 november 1985 werd door het tweede kabinet Lubbers het besluit genomen tot plaatsing van kruisraketten in Nederland. Die gebeurtenis is achteraf te beschouwen als een breekpunt in de bereidheid tot actievoeren. De grote golf was voorbij ook bij het grote publiek. Men stortte voortaan op de giro van ideële organisaties, maar men ging niet meer massaal de straat op om te demonstreren. De harde kern radicaliseerde, maar bloedde uiteindelijk ook dood.

Met enig gevoel voor de ironie van de geschiedenis zou je kunnen stellen, dat ergens in het midden van de jaren tachtig het keerpunt van een tijdperk ligt. De golfbeweging van subversieve tendensen, die ooit in de jaren zestig was opgekomen, ebde ineens weg uit de samenleving. De vredesbeweging viel volledig stil en met de kraakbeweging is het daarna ook nooit meer geworden wat het ooit was geweest. De laatste subculturen, die deels nog hun wortels hadden in de zeven jaar eerder uit Engeland overgewaaide punkbeweging, maakten definitief plaats voor de ondraaglijke lichtheid van het bestaan in de late jaren tachtig. Dit decennium, dat zo stormachtig was begonnen na de grimmige kroning van een nieuwe koningin, keerde zich langzaam om naar een tijd van ideologische windstilte, de jaren van yuppies in het westen en glasnost in het oosten. Kortom: naar een tijd zonder alternatief.

Jaren geleden liet Joep van Lieshout in het programma Zomergasten beelden zien van de krakersrellen in 1980, omdat hij het contrast wilde tonen met het zo tam en braaf geworden Nederland. ‘Voor de belangrijke zaken van de wereld moet je momenteel niet in Nederland zijn, terwijl in de jaren ’80 Nederland de bakermat van protest was,’ verklaarde Van Lieshout tijdens die uitzending. Het Nederlandse actieverleden uit de jaren tachtig werpt geen nieuw licht op wat er nu gaande is. Het laat hooguit zien, dat opvattingen over burgerlijke ongehoorzaamheid snel aan het veranderen zijn.

Nederland wordt steeds braver. De terroristische aanslagen van de laatste jaren hebben het taboe op het geweld bij protestuitngen – zelfs in ludieke vorm- alleen nog maar groter gemaakt. Rob Jetten van D’66 was onlangs ‘not amused’ bij het spontane huisbezoek (met boerenvoedsel aan de deur) van Farmers Defence Force. ‘Vreemd en onaangenaam,’ zo noemde hij dat. En toch, wat betekende deze ludieke actie nu eigenlijk in verhouding met de daadwerkelijke aanslag op het huis van Aad Kosto, waarbij de achtergevel werd weggevaagd? Tijden veranderen en daarmee ook de acceptatie-normen voor het protest.   

April, 2018. Protestactie in Leeuwarden

Tijdens een openbaar debat in Leeuwarden in 2018, dat ging over een moord op een journaliste op Malta, belaagde ik de toenmalige directeur van Leeuwarden CH 2018, Tjeerd van Bekkum, met een waterpistool. Aanleiding: Van Bekkum wilde destijds over deze kwestie geen politieke uitspraken doen. Ik beschouwde deze ‘aanslag’ als een onschuldige daad van protest. Die opvatting werd niet door iedereen gedeeld en vooral niet door de filosoof Afshin Ellian, die ook in forum zat. Tegenover de Leeuwarder Courant verklaarde hij: 

“Wat hij deed, doet tuig. Burgerlijke moed is van belang, je kunt een tekening maken, een lied, je kunt een revolutie beginnen op twitter, je kunt hier komen en alles zeggen wat je wilt. Maar hier staan en fysiek iemand bijna bedreigen, die manier van handelen is een zwaktebod.’’

Onder het mom dat aan de parlementaire democratie absoluut niet te tornen valt, wordt elke buitenparlementaire actie tegenwoordig bij voorbaat verdacht gemaakt als een opstap naar terreur. Iedereen moet oppassen of er geen rugzak op een perron is achtergelaten. Moslims moeten afstand nemen van hun geradicaliseerde geloofsgenoten. Er heerst tegenwoordig een diepe angst voor geweld. Elp protest is bij voorbaat verdacht. Wat dat betreft was het oplaaiend protest van de gele hesjes in Parijs heel even een verademing. Wie weet moeten we het nu hebben van de protestacties van Virus Waanzin. Niet het protest op zich zelf, maar het doel van het protest lijkt een grens te hebben overschreden. Het gaat vaak nergens meer over. De buitenparlementaire actie heeft zelf de grens van de waanzin bereikt, nadat de acceptatie-norm voor het uiten van onvrede en protest steeds hoger is komen te liggen. En dat alles uit pure angst voor geweld.

Provinciehuis Leeuwarden, december 2018

Omgekeerd is de drang om publiekelijk onvrede te uiten tegenwoordig zo groot geworden dat er soms al gedemonstreerd wordt zonder dat men weet waartegen. Ooit riep Wim Kan tegen het publiek in de zaal; “Kom laten we gaan demonstreren, dan bedenken we onderweg wel waartegen wat dat gaan doen!’  Die grens van de waanzin lijkt nu bereikt. Demonstreren wordt een volksvermaak, zoals een optocht bij het carnaval. Maar is dat ooit anders geweest? Over de demonstrerende studenten zei Wim Kan in de jaren zestig: ‘Studenten zijn mensen die ruiten ingooien van firma’s, waar ze later directeur van hopen te worden.’ En ook daar zat een kern van waarheid in. 

Het recht om te demonstreren is een grondrecht. En toch, in tijden van angst is er iets wezenlijks veranderd. De diep ingedaalde islamofobie en terreurdreiging hebben een verstarde houding gecreëerd tegenover de buitenparlementaire actie als zodanig. Zelfs bij linkse politieke partijen, om over rechts maar te zwijgen. Rutte liet daar vier jaar geleden in Zomergasten nog een fraai staaltje van zien, toen hij een uit de hand gelopen demonstratie van Turkse Erdogan-aanhangers becommentarieerde. ‘Pleur op naar je eigen land,‘ riep hij, of iets in vergelijkbare bewoordingen. Ooit was dat soort taferelen bij demonstraties in Nederland heel gewoon. Er was een tijd dat ik zelf ook zowat elk weekend ging demonstreren. En dat ging er toen lang niet altijd zachtzinnig aan toe. Waterkanonnen trotseren, de straat openbreken, stenen gooien, wat deden we allemaal niet…

Het is anno 2020 de tijd van het nieuwe conformisme, een tijd van de brave burgers en buitenlui. De burgerlijke ongehoorzaamheid is als morele waarde tegenwoordig morsdood. Zorg dat je macht en invloed krijgt via de geijkte kanalen. Wijk met je meningen niet teveel af van de communis opinio. Loop niet uit de pas. Doe vooral je mond niet open en zeker niet een grote mond en trek ook vooral geen geel hesje aan.  Accepteer het onvermijdelijke en richt je alleen op het haalbare. Kijk niet op of om en speel nooit voor klokkenluider. Wees redelijk en vooral niet opstandig. Respecteer het gezag en heb oog voor bestuurlijke verhoudingen. Ken je plaats. Wees als burger vooral gehoorzaam.

Een dergelijke tijdgeest brengt bange en laffe mensen voort. Bovendien komen in een zo’n constellatie dommen en dwazen steeds meer bovendrijven. Nederland lijkt soms verziekt door angst en paranoia. Het komplot-denken viert hoogtij en de waarachtige opstandigheid – voorzover die ooit heeft bestaan – lijkt een zaak van een ver verleden geworden. 

Reageer

Standing on the outside

Frank Kramer is overleden. De oud-voetballer, die ook furore maakte als televisiepresentator en voetbalcommentator, is 73 jaar geworden. Kramer was al enige tijd ziek. De Amsterdammer begon met voetballen bij RKAVIC in Amstelveen en was al 22 jaar toen hij in 1970 de sprong naar het betaalde voetbal maakte. Na Blauw-Wit verdedigde de aanvaller de kleuren van FC Amsterdam, MVV, Telstar, FC Volendam en HFC Haarlem.

Zo las ik gisteren in een persbericht van het ANP. Frank Kramer heb ik nooit persoonlijk gekend. Dat had zomaar gekund, want als jongen speelden wij samen bij RKAVIC. Alleen speelde Frank enkele elftallen hoger dan ik, want hij kon écht voetballen en ik niet. Zijn overlijden roept bij mij een stroom van herinneringen op over het einde van de jaren vijftig. Misschien wel de mooiste tijd van mijn leven.

RKAVIC speelde destijds op het sportcomplex dichtbij de Kalfjeslaan in Amstelveen. Het clubshirt was wit met een oranje verticale baan. De kousen waren zwart – evenals de broek – met een omslag van oranje-wit-oranje. Dat waren de clubkleuren die ook terugkwamen in de schooldas van het St. Ignatiuscollege. RKAVIC is een afkorting voor: Rooms Katholieke Amsterdamse Voetbalvereniging Ignatiusucollege. RKAVIC had van oudsher een band met de jezuïeten, net als meerdere sportverenigingen in Amsterdam zoals HIC (hockey), RIC (roeien) en TATIC (tafeltennis). Het waren de nadagen van het Rijke Roomse Leven met zelfs zijn eigen Rooms-katholieke geitenfokverenigingen.

In 1960 op het complex van RKAVIC in Amstelveen

Dat katholieke karakter van RKAVIC kwam terug in de sfeer van de kleedkamers. Nico Scheepmaker speelde in de jaren vijftig bij de junioren van het ‘heidense’ Blauw-Wit, waar later ook Frank Kramer kwam te spelen. Scheepmaker was ouder dan ik, dus ik heb nooit tegen hem gespeeld. Maar hij schreef later wel over zijn ervaringen bij Blauw-Wit, waar hij ook wel eens ballenjongen mocht zijn in het stadion. Ook speelde hij wel eens tegen de junioren van RKAVIC en dan verbaasde het hem altijd dat die hun zwembroekje aanhielden als ze onder de douche gingen. Bij Blauw-Wit keken ze wat raar aan tegen die roomse preutsheid. De heidenen lieten gewoon hun piemel zien, maar die onbevangenheid in de kleedkamer was voor ons niet weggelegd. Roomse jongens deden dat niet. Dat mocht niet van Onze Lieve Heer. Wij waren nette jongens, maar wel aardige jongens. 

Als kind was ik niet wat je noemt een voetbaltalent. Zeker niet op het veld met van die zware kicksen aan je voeten. Op straat kon ik veel beter uit de voeten. Al mijn schijnbewegingen die ik me op straat had aangeleerd, kon ik op het veld niet kwijt. Ik kwam dan ook meteen als linksback in het laagste elftal terecht. Voor eeuwig linksback. Mijn vriendjes speelden allemaal hoger, dat was een traumatische degradatie voor mij.

Een keer nam ik wraak. Ik moest als midvoor invallen in een hoger elftal. Ik weet niet wat ik had die dag, maar ik speelde de sterren van de hemel. Scoorde zelfs twee keer, de tweede met een rush vanaf de middellijn. Ik ben ijdel genoeg om me ook dat nog te herinneren tot op de dag van vandaag. Maar dat was eens en nooit meer. De grote ster bij de junioren overigens niet Frank Kramer, maar Jos de Loor. Hij kon alles met een bal. Nooit meer wat van die jongen gehoord. Van Frank wel! Die liet zich overal gelden en was dol op de camera. Er was een tijd dat hij niet van het scherm was af te slaan.

Mijn laatste jaar bij RKAVIC was het seizoen 1959-1960. Ik zat zat toen in de hoogste klas van de lagere school. In juli 1960 ben ik nog mee geweest naar een zomerkamp van RKAVIC in Amersfoort. Daar was ook Erik Kramer bij, de broer van Frank. Erik en ik waren ongeveer even oud, zo dacht ik. Maar nu las ik gisteren dat dit niet waar kan zijn geweest, want Frank was even oud als ik nu: 73.  Of Frank en Erik waren tweelingbroers, dat kan natuurlijk ook. Nooit op gelet, en nooit gevraagd ook. Hoe dan ook, op de dag van zijn verjaardag – op 27 november j.l. – werd Frank Kramer plotseling onwel en raakte in coma. Vijf dagen later overleed hij, de dag na mijn verjaardag.

Maar terug naar 1960. In dat zomerkamp in Amersfoort werd zijn broer Erik voortijdig naar huis gestuurd samen met enkele andere belhamels die het ‘s nachts bij de kussengevechten te bont hadden gemaakt. Frank was daar niet bij, voorzover ik mij kan herinneren. Hij speelde een paar jaar later als linksbuiten in het eerste elftal van RKAVIC. Daarna werd hij profvoetballer Ik heb zijn carrière altijd een beetje gevolgd vol nostalgie naar een gekoesterd rooms verleden. De spelletjes, die hij destijds op TV deed, daar had ik niet zoveel mee. Uiteindelijk werd hij commentator van Eurosport en versloeg daar voornamelijk wedstrijden die al een tijdje geleden waren gespeeld. 

Als voetballer was hij beter dan als commentator. Een beetje ‘type René van der Gijp’, maar dan wel een stuk sportiever. Sterker nog, met zijn eeuwige krullenbol stond hij bekend als de aardigste speler van Nederland die bovendien heel veel van zijn moeder hield. Hij had ook een wat eigenaardige vorm van humor die me altijd een beetje aan deed denken aan Henk Terlingen, ook zo’n roomse jongen die ooit bij de jezuïeten in de schoolbanken zat. Henk Terlingen overleed al in 1994 (Zie mijn blog: Denkend aan Apollo Henkie) Misschien waren beiden wel behept met de absurdistische ‘jezuïeten-humor’ die heel wat komieken en cabaretiers heeft voortgebracht. Hoe dan ook, Frank Kramer werd een keer geïnterviewd in de rust bij een wedstrijd van FC Amsterdam. Opeens keek hij recht in de camera en vroeg zijn moeder thuis of hij het gas wel had uitgedaan.

In de zomer van 1976 maakte Frank deel uit van de popgroep Full House. Hij kon absoluut niet zingen, maar dat mocht de pret niet drukken. Full House scoorde maar één hit, die dat jaar de tweede plaats haalde in de TOP 40. Hoe kan het ook anders, Frank Kramer was de eeuwige tweede. Dat liedje heette Standing on the inside. Oorspronkelijk was het een nummer van Neil Sedaka. Het schijnt dat Patricia Paay nog in het achtergrondkoortje heeft meegezongen. Als de onbestemde opgewektheid van de jaren zeventig ergens is ingedaald, dan is het in deze muziek. Compleet nietszeggend, maar wel zeer aanstekelijk. Wat je noemt een tijdsbeeld.

De groep Full House heeft geloof ik ook maar één zomer bestaan. Ze deden een beetje ABBA na, maar wel met één vrouw meer. Daarbij stonden ze in een 3-2 opstelling, zoals vroeger de voorhoede op het voetbalveld, met een midvoor, twee buitenspelers en twee binnenspelers. Bij Full House speelde Frank rechtsbinnen. Op een gegeven moment kwamen de binnenspelers naar voren toe. Standing on the outside werd dan standing on the inside. Zoiets moet Frank Kramer hebben bedacht. Dat kan niet anders. De ‘omschakeling’ heet dat tegenwoordig in voetbaltermen.

Standing on the inside heb ik altijd een ijzersterke zomerhit gevonden en het verbaast me, dat je hem nooit meer hoort op de radio. Die gelukkige zomer van 1976 was een van de heetste van de vorige eeuw. Ach, the seventies…Sweet summer sweat….Some dance to remember. Some dance to forget… . Ik ging weer voetballen in die tijd en speelde nog een jaar lang bij De Schollevers, een studentenclub die was opgericht door Maurice de Hond. Alleen, ik was wéér linksback, voor eeuwig linksback. Standing on the outside. Net als Frank Kramer … die – zoals gezegd- écht voetballen kon.

Reageer

Bedankt voor de bloemen!

Bij deze wil ik iedereen hartelijk danken voor alle bloemen en felicitaties ter gelegenheid van mijn 73ste verjaardag. Wij zullen doorgaan!

Reageer

Mooie vrede op de Apollolaan

Apollolaan gezien vanaf de Amstelkade, tekening van Hendrik IJkelenstam, 1946. (foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam) 

‘Als Hitler de oorlog wint, betekent dit dat de normen van democratie en christendom worden weggevaagd door een systeem waarin het geoorloofd en nobel is grote massa’s mensen die als nutteloze mee-eters worden beschouwd, op te ruimen als wrak vee.(..) Zoals godsdienst en levenswaarden van het oude Egypte uitgevlakt zijn door christendom en islam, zoals de beschaving van de Azteken verpletterd is door de Spanjaarden, zo worden straks onze heilige goederen opgeblazen door Hitler.’

Aldus schrijft Willem Frederik Hermans in zijn bundel Van Wittgenstein tot Weinreb (1970) over hoe hij in 1942 dacht over de kansen dat Hitler de oorlog zou winnen. Ton Anbeek verwijst naar deze uitspraak in zijn boek Na de oorlog, de Nederlandse roman 1945-1960 (1986). Dit citaat van Hermans vormt de sleutel, waarmee je zijn vroege romans als Conserve (1947) en De tranen der acacia’s (1949) beter kunt begrijpen. Hermans heeft in het begin van de oorlog daadwerkelijk getwijfeld over de vraag of het allemaal wel goed zou aflopen. Tot eind 1942 was hij overigens niet de enige die die mening was toegedaan. Pas bij de slag om Stalingrad gingen de kansen van Hitler keren. Menigeen, die daarvoor met de Duitsers collaboreerde of sympathiseerde, veranderde nadien zijn houding. Zelfs menig verzetsstrijder is aanvankelijk fout geweest.

De grenzen tussen goed en fout zijn na de oorlog vaak heel goed te trekken, maar het veranderend perspectief van de oorlogsjaren zelf is dan ook al lang uit zicht. Tijdens de oorlog bestond er heel wat opportunisme en pure drang om te overleven. De kernboodschap van de roman De tranen der acacia’s is dat de grens tussen goed en fout in feite niet bestaat. De motieven van het gedrag blijven doorgaans onzichtbaar om over dubbele motieven maar te zwijgen. En dat niet alleen, er waren heel wat jonge mensen die zich tijdens de oorlog vooral een buitenstaander voelden. De oorlog gebeurde, het overkwam je gewoon, zonder dat je er verder veel aan kon doen. De keuze voor het verzet was niet in de laatste plaats ook een egoïstische manier om te overleven. Heldendom ontstaat vooral achteraf in de ogen van de overwinnaars die net zo goed verliezers hadden kunnen zijn.

Vooral die laatste gedachte is verontrustend. Ik ken de oorlog alleen maar uit verhalen achteraf die vaak ook zeer gekleurd waren. Er hing een schaduw over de wereld in die tijd, maar als kind wisten wij niet waar die schaduw vandaan kwam, laat staan waar de zon aan de hemel stond. Er was een weldadige leegte en die ruimte leende zich goed voor een gelukkige jeugd. Onlangs las ik het boek uit 1966 van Michel van der Plas Mooie vrede, een documentaire over Nederland in de jaren 1945-1950. Het was bijna niet om door te komen, omdat op elke pagina de retoriek je tegemoet walmt. Zelfs in 1966 was het beeld van de oorlog nog niet echt gecorrigeerd.

Ik kan me ook goed herinneren dat in de tijd van de wederopbouw de gedachte bijna ondenkbaar was dat Hitler de oorlog zou hebben gewonnen. De beschaving wint altijd, zo werd je op alle manieren bijgebracht. Begin jaren zestig hield Prins Bernard een toespraak bij de uitreiking van de Erasmusprijs en sprak over de Europese beschaving die altijd weer terugkeert naar zijn eigen positieve grondwaarden. Volgens mij dacht niemand daar toen anders over.

In onze huidige tijd van fake-news, toenemend populisme en nationalisme is die onomstotelijke zekerheid een beetje aan het wankelen geraakt. In de politiek zijn waarheid en eerlijkheid niet meer vanzelfsprekende grondwaarden. En zelfs het overheidsapparaat is niet meer wat het geweest is. In een beschouwing over de parlementaire enquete over de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst las ik zaterdag j.l. in de Volkskrant allerlei vergelijkingen met Hitler-Duitsland. Zo kan er een sfeer ontstaan, waarin overheidsdienaren medeplichtig worden aan een kwaad dat als vanzelf van kwaad tot erger wordt. In Nazi-Duisland heette dat: ‘naar de Führer toe werken’.  Men deed het kwaad omdat met dacht dat de opperste leiding dit goed zou vinden. In dit artikel werd zelfs verwezen naar de beroemde woorden die Hannah Arendt bij het proces Eichmann wijdde aan ‘de banaliteit van het kwaad’. Ook onze huidige belastingambtenaren kunnen blijkbaar in de greep raken van ‘de banaliteit van het kwaad’.

Zo bezien klinken de gedachten van W.F. Hermans over de oorlogsjaren niet meer zo vreemd. De meeste mensen is de oorlog overkomen. En toch is er in die oorlogsjaren iets wezenlijks veranderd in Nederland. Wie de oorlog zelf heeft meegemaakt weet het maar al te goed. Henk Hofland schreef over over ‘het DNA van de oorlogsgeneratie’, alsof er door de oorlog iets veranderd is in de menselijke genen, omdat er iets in de samenhorigheid van de samenleving verdween. Zo stelt hij: 

In de oorlogsjaren is in versneld tempo de samenhang van de normale maatschappij verloren gegaan, overal, in ieder land dat aan de oorlog heeft deelgenomen. Chaos en willekeur werden genormaliseerd, in vredestijd onbekende menselijke mogelijkheden bevorderd tot omgangsvormen, dit alles niet voor de korte duur van een incident, maar over een bestek van jaren, dagelijks. Het komt erop neer dat de oorlogsjeugd een wezenlijk en onbecijferbaar andere opvoeding heeft gekregen dan de voorgaande generaties. Dit in aanmerking genomen kan niemand het een wonder vinden dat de kinderen van de oorlog zich daarna als volwassenen anders hebben gedragen: De breuk zit niet in de oorlog zelf, maar in de jeugd van de oorlogsjaren. Dat is het DNA van deze generatie. ‘

Hofland werd geboren in 1927 en was dus 13 toen de oorlog begon en 18 toen hij eindigde. Willem Frederik Harmans was 18 toen de oorlog begon. De generatie die in de jaren twintig werd geboren trof een zelfde lot. Zij hebben een vitaal gedeelte van hun jeugd gemist, de jaren dat zij bij hun volle bewustzijn kwamen. Ik herken dit bij mijn ouders zus Mariet. Zij was 9 toen de oorlog begon en kon mij vaak vertellen hoe de intense oorlogservaringen bij haar zijn ingedaald en haar gedachten bleven beheersen. Die herinneringen werden zelfs sterker toen ze ouder werd. Voor wie als kind de oorlog beleefde kwam het besef van een grote verandering na de oorlog in versterkte mate. Zij waren het immers die het moesten gaan maken, de generatie van de toekomst, de wederopbouw. Maar in plaats van zich klaar te stomen, hadden ze vijf jaar in de wachtkamer moeten zitten.

Menigeen, die volwassen werd in de oorlog, had zelfs onder moeten duiken om aan de Arbeitseinsatz in Duitsland te ontkomen. Een enkeling was gerekruteerd geweest voor het Oostfront, maar de meesten waren murw door vijf lange oorlogsjaren, die juist voor jongelingen langer hadden geduurd dan voor wie dan ook. Het was een tijd geweest van geestdodende saaiheid, maar ook van geestelijke verwarring en ontreddering. Na de oorlog was dat niet opeens voorbij. Integendeel. Juist de generatie, die door de oorlog tussen wal en schip was gevallen, zag dat de beklemmende sfeer van de wachtkamer in Nederland gewoon was blijven hangen. De jaren vijftig waren een ‘gaskamer van verveling’, heeft W.F. Hermans ooit provocerend beweerd. Het verstikkende moralisme van die ogenschijnlijk zo rustige jaren vijftig riep weerstanden op bij eigenzinnige geesten. 

En toch, de toekomst lag open en alles was mogelijk. Ook dat waren de jaren vijftig, en zo herinner ik me ze ook als kind. Deze jaren van verveling vormden in feite een hybride periode van zowel stagnatie als vooruitgang, van schaamteloos conservatisme versus verholen rebellie, niet in de laatste plaats onder de katholieken, die Hermans zo belachelijk maakte omdat ze op instigatie van de pastoor ‘doorfokten als konijnen’ om zo meer politieke macht te kunnen verwerven. Dat neemt niet weg dat het klimaat onder de vooraanstaande katholieken in het Nederland in die tijd overwegend progressief waas. Juist in dit zo oersaaie decennium voltrok zich in roomse kringen haast ongemerkt een grote verandering. Maar het zou nog tot het midden van de jaren zestig duren voordat de bom dan eindelijk zou barsten.

Die ondergrondse strijd van de jaren vijftig leidde tot een proces dat je ‘de vergeten revolutie van het katholicisme ’ zou kunnen noemen. Er wordt wel beweerd dat de katholieken alleen maar geprofiteerd hebben van de sociale vernieuwingen die de socialisten op gang brachten. De invoering van de kinderbijslag bijvoorbeeld leidde tot nog meer katholieken die doorfokten als de konijnen. Maar zo simpel lag het niet. De grote omwenteling van de jaren zestig had meerdere voorlopers in de jaren vijftig, niet alleen in de experimentele poëzie van de vijftigers in de tegendraadse literatuur van Hermans, Reve en Blaman, maar vooral ook in de stille revolutie die zich voltrok binnen de katholieke zuil met mensen als Marga Klompé en Carl Romme.

Die katholieke zuil had een stevige fundering in het vooroorlogse leven Amsterdam. Het was een eigen wereld geweest, met een eigen elite en een eigen kunst. Over die vooroorlogse katholieke wereld schrijft Chris van der Heijden in zijn boek Grijs verleden het volgende als de figuur van Romme ter sprake komt:

Carl Romme was al op jonge leeftijd verzeild geraakt in het katholieke wereldje van Amsterdam. Zijn ouderlijk huis stond in Oud-Zuid, tegenover de kort tevoren gebouwde Obrechtkerk. In die buurt verkeerde hij als zoon van de vice-president van het Amsterdamse gerechtshof in kringen van vooraanstaande katholieken als de families Brenninkmeijer en Dreesman, Hunkemöller en Kreymborg, Steenkamp, Wiegman, Witteman, en Goseling. Via de Obrechtskerk leerde hij de katholieke kunstenaars kennen die zich verzamelden in de in 1901 opgerichte kunstkring De Violier, zoals schilder Otto van Rees, beeldhouwer Mari Andriessen, edelsmid Ernst Voorhoeve, naaikunstenares Hidegard Michaëlis en architect A.J. van Moorsel. In 1908 ging Romme naar het Ignatiuscollege op de Herengracht. Bij de stichting in 1905 telde de school nog slechts 111 leerlingen. Vanwege de snelle groei moest zij echter spoedig verhuizen naar de Hobbemakade. Bij de jezuïeten leerde Romme dat heel het leven in het teken staat van God en volle inzet vraagt. ‘Niets ten halve, alles ten volle,‘ luidde het schooladagium.’ 

Alle wegen leiden niet naar Romme, maar naar Rome. Sinds ik mij verdiep in de oorlogsjaren en hun lange schaduw in het heden krijg ik wel eens de indruk dat die laatste woorden niet helemaal waar zijn. Alle wegen leiden naar het Ignatiuscollege, waar ik zelf in 1960 aan mijn middelbare schooltijd begon. De jaren vijftig lagen toen achter mij en de oorlog was in mijn beleving heel ver weg. Maar het was nog altijd de tijd dat God die alles zag. De tijd van van ‘Niets ten halve, alles ten volle’.

Het waren de jaren dat religie en theologie nog serieus werden genomen. Maar tegelijk constateerden theologen een gebrek aan authentieke innerlijke religiositeit en emotionele volwassenheid. Die diagnose sloot naadloos aan bij wat sociologen aanwezen als de verloren samenhang tussen cultuur en natuur in de snel opkomende industrialisering en verstedelijking. Het was de tijd van de ‘zelfverantwoordelijke zelfbepaling’, zoals de pedagoog Langeveld beweerde. De tijd van de menswetenschap en het opkomende maatschappelijk werk. ‘De arbeider moest wel een bloemetje op tafel hebben’ beweerde Marga Klompé. En toch, al die goedbedoelde volksopvoeding van sociaal bewogen politici en ‘deskundigen van de ziel’ had ook zijn keerzijde.

Die keerzijde komt in werk van Hermans tot pakweg 1966 in al zijn grimmigheid naar voren. Hermans liet zijn ‘geologische blik’ los op ‘een wereld waarin elke menselijke eigendunk, of deze zich nu hult in idealisme, religie of humanistische noties als “menselijke waardigheid”, restloos verdampt.’ Hermans hoorde bij de tijd van de wederopbouw toen de religie in Nederland nog hoogtij vierde. Dat was de als benauwend ervaren biotoop waarin hij kon gedijen als een vermeend tegengif. Het was de bittere waarheid van de ontgoocheling die de ervaring van de oorlog voor hem had opgeleverd, een ervaring die telkens weer moest worden herhaald, ook toen de biotoop waarin hij gedijen kon door de snelle secularisering van de jaren zestig al lang verdwenen was. 

Behalve mijn jaren op het Ignatiuscollege heb ik ook mijn lagere schooltijd in Amsterdam-Zuid beleefd. Dat was in de jaren vijftig, voor mij vooral een gelukkige tijd en allesbehalve ‘een gaskamer van verveling’. De oorlog is een stenen vloer die onder het warme tapijt van mijn jeugd ligt. De Peetersschool in de Richard Holstraat was een gemengde school, wat voor het katholiek onderwijs destijds nog niet zo gebruikelijk was. Bovendien hanteerde men een nieuw systeem: het Dalton-onderwijs. Het kwam erop neer dat voor ieder kind een eigen tempo werd aangehouden. Elk vak had taken die je zelf moest doen. Je moest ook je eigen resultaten bijhouden in grafieken die op het prikbord voor iedereen zichtbaar waren.

Zo werkte dit systeem op subtiele wijze toch een soort onderlinge concurrentie in de hand, maar daar had niemand last van, want de sfeer was heel relaxed. Het was een georganiseerde chaos en daar voelde ik me uitstekend in thuis. In de vierde klas zaten we in een dependance, want de school had met een ruimteprobleem te kampen. Zoals alle scholen in die tijd. De geboortegolf eiste zijn tol. Zo bivakkeerden we twee jaar lang in een houten noodgebouw, een type dat in de jaren vijftig veel werd toegepast, een zogenaamde Finse school. Deze bevond zich in de Breitnerstraat, een zijstraat van de Apollolaan.

Willem Frederik Hermans woonde van 1947 tot 1951 op het adres Apollolaan 129, helemaal bovenin, op de zolderverdieping. Ik ben daar als kind vaak langs gelopen op weg naar bus E, die een halte had op de hoek van de Apollolaan en de Beethovenstraat. Een paar huizen verderop was de dansschool van James Meier, een keurige dansschool die leerlingen trok uit heel Amsterdam en waar ook ik de eerste tango-passen heb geleerd. Voor ik met de bus naar huis ging, bleven we eerst nog voetballen – met een tennisbal – op het brede trottoir aan de overkant in de Breitnerstraat. Aan de achterkant van onze houten school was een complex van tennisbanen, dat begin jaren zestig plaats moest maken voor het Hiltonhotel.

Hoe meer ik over de oorlog lees, hoe absurder ik het vind dat dit nog zo kort geleden kon gebeuren in Europa, in Nederland, in de buurt waar ik ben opgegroeid. ‘Tussen de puinhopen voel ik mij prettig, ergens anders hoor ik niet thuis,’ zegt Arthur Muttah in De tranen der acacia’s. Die puinhopen werden na de oorlog heel snel opgeruimd. In de jaren vijftig was er geen mooiere buurt in Nederland dan Amsterdam-Zuid, waar ik al mijn schooljaren heb beleefd. De sporen van de oorlog waren daar nog wel aanwezig, maar we speelden er gewoon omheen, zoals we ook tikkertje speelden rond het monument voor de gefusilleerden op de Apollolaan. 

Reageer

Secularisatie en beeldvorming

Steeds meer word ik mij ervan bewust wat mij fascineert in de verhalen over de Tweede Wereldoorlog in het algemeen en Adolf Hitler in het bijzonder. Het is de fascinatie voor mijn eigen vruchtwater, de tijd waar ik zelf uit voortkom. Ik ben geboren op 1 december 1947 (inderdaad, morgen is dat 73 jaar geleden). Aan die tijd rond mijn geboorte, de eerste naoorlogse jaren, bewaar ik geen herinneringen. Toch moet die periode mij in belangrijke mate hebben gevormd, al was het maar door het bewustzijn van mijn ouders die deze periode, maar ook de oorlog, heel bewust hebben beleefd. Wat was de oorlog van de babyboomers?

Wat mij intrigeert is de verwerking van de oorlog. Dat wil zeggen: eerst de verdringing daarvan, dan de herinnering in zwart wit, vervolgens de ontmythologisering en uiteindelijk de verstarring tot een clichébeeld. Een bepalende factor in deze veranderende beeldvorming was de naoorlogse secularisatie die in de jaren zestig in een stroomversnelling kwam. De jaren zestig waren tegelijk ook de periode, waarin de beeldvorming van de oorlog opnieuw werd geijkt door nieuw onderzoek en publicaties, vooral van Jaques Presser en Lou de Jong. De laatste niet alleen met zijn Koninkrijk der Nederlanden, waarvan het eerste deel in 1969 verscheen, maar vooral ook door zijn televisie De Bezetting in het begin van de jaren zestig, waarvan ik als middelbare scholier destijds alle afleveringen heb gezien.

De veranderende beeldvorming van de Tweede Wereldoorlog is mijns ziens beïnvloed door de snelle secularisatie van Nederland. Omgekeerd is het niet ondenkbaar dat die veranderende beeldvorming destijds de doorbraak van het secularisatieproces heeft versneld. Of dat zo is, en zo ja hoe deze wisselwerking precies verlopen is, vraagt nader onderzoek. Dat laatste ga ik niet doen. Wat ik wel kan doen is de bestaande literatuur lezen en vooral bij mijzelf te rade gaan. Hoe is die veranderende beeldvorming bij mijzelf verlopen en wat kan ik daarvan nog terugvinden in mijn geheugen. 

Om te beginnen ben ik bestaande teksten van mijzelf gaan zoeken, die mogelijk iets met deze materie van doen hebben. Zo stuitte ik op een artikel dat ik in 2016 schreef voor de Moanne. Het is een boekbespreking, maar in feite is het een beschouwing over de invloed van de secularisatie op de beeldvorming van de oorlog. Aanleiding voor dit artikel was het boek van Henk van Osch: Kardinaal De Jong, heldhaftig en behoudend, Boom Uitgevers Amsterdam, 2016. Prijs 24,90, ISBN: 9789089539373.

En dit was het artikel: 

***

Kardinaal De Jong en het licht van de tijd

Hij lachte weinig, zijn gezicht weerspiegelde überhaupt weinig emotie. Hij straalde de rust uit van een man die wist wat hij moest doen. Op foto’s keek hij meestal strak voor zich uit, niet onvriendelijk maar onbewogen, alsof hij zich de lens niet bewust was. Het restant van een oude aangezichtsverlamming droeg bij aan een zekere verstarring.’

Met deze paar regels beschrijft Henk van Osch het gezicht van kardinaal De Jong (1885-1955), de van Ameland afkomstige Fries die tijdens de bezettingstijd uitgroeide tot een nationale figuur. Hij doet dat in de nabeschouwing van zijn biografie Kardinaal De Jong, heldhaftig en behoudend (2016). Als het waar is dat het aangezicht van een mens de spiegel is van zijn ziel, dan heeft een portret – gefotografeerd, geschilderd of getekend – iets wezenlijks met een biografie gemeen. Beide hebben tot doel de persoon in kwestie in de kern van zijn wezen weer te geven.

Het karakter van kardinaal de Jong valt moeilijk af te lezen van zijn gezicht zoals dat in foto’s van hem bekend is. Alleen zijn rotsvaste geloof zou je in de verstarde gelaatstrekken wellicht kunnen herkennen, maar zijn gevoeligheid en empathie, waarover al zijn biografen spreken, zie je er niet in terug. Zijn gezicht was niet voornaam, eerder grof en benig. Hij versprak zich vaak, hakkelde bij het spreken, verhaspelde woorden en soms zelfs hele zinnen, en gebruikte niet zelden storende stopwoordjes en stopgeluiden. Zelfs zijn stem klonk vaak onecht, met een hol soort echo. Zo moet ook zijn hele doen en laten zijn geweest, onhandig, houterig en krampachtig.

Zo’n man is een ramp voor een kunstenaar die een portret of een standbeeld van hem moet vervaardigen. Ton H.M. van Schaik constateerde dat al in zijn in 2008 verschenen beknopte biografie van kardinaal De Jong. Het standbeeld van de kardinaal, dat sinds 1982 in Nes op Ameland is te zien, werd vervaardigd door de Friese kunstenaar Frans Ram. Van Schaik noemt dit ‘het lelijkste standbeeld van Nederland’. Eerlijk gezegd heeft hij daar ook wel een beetje gelijk in. Frans Ram heeft de kardinaal weergegeven zoals men hem op het eiland graag zag, wandelend in zwart pak met halflange jas, de hoed in de ene en de wandelstok in de andere hand.

Frans Ram, Kardinaal de Jong, Nes Ameland, 1984, en Natasja Bennink, Titus Brandsma, Dokkum, 2004 (foto’s Keunstwurk)

Het schijnt überhaupt niet makkelijk te zijn om de twee roomse iconen uit de vorige eeuw, die – toevallig of niet – beiden uit Friesland afkomstig waren, in brons geloofwaardig weer te geven. Het waren ook twee uitersten in karakter: de standvastige aartsbisschop en de zachtmoedige mysticus. In de voorhof van de Bonifatiuskapel in Dokkum staat sinds 2004 een wanstaltig bronzen beeld van Titus Brandsma, van de hand van Natasja Bennink. Het is een soort bronzen Frankenstein met handen zo groot als kolenschoppen. Waar Frans Ram het realisme te ver heeft doorgevoerd, daar is Natasja Bennik doorgeschoten in de expressie. Bij de weergave van kardinaal De Jong lijkt het probleem structureel van aard. Wie ook de opdracht kreeg om hem te portretteren, niemand slaagde erin zijn gelaat treffend weer te geven. Het hoofd lijkt vaak op de schouders te zijn vastgeschroefd en het gezicht toont doorgaans geen enkele uitdrukking.

Zo ken ik de kardinaal ook van het bidprentje uit mijn roomse jeugd. Het kwam kort na zijn dood in 1955 in omloop en was voorzien van een – door Charles Eyck getekend – portret dat oogt als een tot eeuwig leven gewekt kubistisch dodenmasker. Dat prentje bleef jarenlang bewaard in het missaal dat ik cadeau kreeg bij mijn eerste heilige communie op 19 mei 1955. Vier maanden later, op 8 september 1955, zou kardinaal de Jong overlijden. Hij was toen op twee dagen na 70 jaar, fysiek stokoud en volledig opgebrand. Het naoorlogse verlangen naar doorbraak, ontzuiling en vernieuwing was aan hem voorbij gegaan. De zware oorlogsjaren hadden hun tol geëist.

In de oorlogsjaren was hij een rots in de branding geweest. Hij was de juiste man op de juiste plaats, onvermurwbaar tegenover de bezetter maar vaak ook worstelend met grote morele dilemma’s. Elk besluit, protest of weigering van hem kon immers mensenlevens kosten en dat is ook meerdere malen gebeurd. Toch heeft De Jong keer op keer zijn stem laten horen in brieven die werden voorgelezen in de kerken. Van anderen kon geen onmogelijke heldenmoed worden gevraagd. Toch vond de Jong dat zwijgen over de misdaden van de nazi’s geen optie was. Mede door de druk van deze uitzonderlijke omstandigheden werd hij al in 1942 getroffen door een beroerte, maar zijn houding bleef onverzettelijk.

Als je in de biografie van Henk van Osch leest hoe dat alles in zijn werk is gegaan, ontkom je niet aan een gevoel van bewondering. De biograaf van zo’n groot man kan de mythevorming bijna niet ontlopen, laat staan ontmantelen. Het probleem van de biograaf wordt dan vergelijkbaar met de beeldhouwer die een bronzen standbeeld van een icoon moet vervaardigen. Of je schiet door in de feitelijke of anekdotische weergave van de persoon zonder de ziel te treffen, of je laat je gaan in een drastische vorm van expressie waarbij het levensverhaal met de biograaf op de loop gaat.

Tussen die twee uitersten moest Henk van Osch zijn weg vinden. Daarbij stelde hij zich een tweeledig doel: een synthese van de bestaande literatuur en een uitgebreid nieuw onderzoek waarbij ook een tot dusver gesloten deel van het archief van het aartsbisdom kon worden betrokken. Onbeperkte toegang tot het archief van de periode 1900-1955 kreeg Van Osch overigens niet, wat meteen de vraag oproept wat het aartsbisdom na al die jaren nog te verbergen heeft.

Het ging Van Osch om – wat hij zelf noemt – ‘een verhalende biografie’, waarbij hij de persoon opnieuw wilde belichten in het veranderde licht van deze tijd. Om te beoordelen of Van Osch in zijn opzet is geslaagd ben ik meteen ook maar de biografieën van Aukes en Van Schaik gaan lezen. Hetzelfde had ik gedaan na het lezen van de biografie die Ton Crijnen in 2008 over Titus Brandsma publiceerde. Die biografie had als veelzeggende ondertitel: ‘De mens achter de mythe, de nieuwe biografie.’ Ook Crijnen had te maken met een gedateerde biografie van Aukes uit 1961 en bovendien met het rookgordijn naoorlogse mythevorming rond de figuur van Titus Brandsma. Daarnaast bestond er van Brandsma nog een meer spiritueel georiënteerde levensschets door Constant Dölle uit 2000.

Dat soort biografieën mogen dan niet meer van deze tijd zijn, wat mij interesseert is juist de reden waarom ze gedateerd zijn geraakt. Wat is er nu eigenlijk precies veranderd met dat ‘licht van de tijd’? Als ik mensen als Titus Brandsma en Kardinaal De Jong werkelijk wil begrijpen, dan doe ik dat toch het liefst in een levensbeschrijving vanuit een gedeelde ervaringshorizon. Het maakt nog al wat uit of je de geschiedenis ziet als ‘het door niemand zo bedoeld resultaat van talloze individuele bedoelingen die elkaar kruisen en zich met elkaar verstrengelen’, zoals Safranski beweert die door Van Osch wordt aangehaald, of als een heilsplan van de Voorzienigheid wiens wegen voor de mens ondoorgrondelijk zijn. Als die horizon van het godsgeloof wegvalt, dan verduistert niet alleen het licht van die tijd, maar ook een deel van het blikveld van de biograaf.

Zoals elke biograaf wil Van Osch doordringen tot de persoon zoals hij was en vooral weten wat hij dacht. Hij vermijdt daarbij elke romantisering en beperkt zich tot feiten en achtergronden. Hij kiest ook een duidelijk andere opzet dan zijn voorgangers. De eerste biografie van H.W.F. Aukes uit 1956 is zeer uitgebreid (567 pagina) en meer een hagiografie. Bovendien had Aukes zich bezondigd aan een hoofdzonde van een biograaf. Hij had een aantal feiten weggelaten die afbreuk konden doen aan het mythische imago dat de kardinaal in het eerste decennium na de oorlog verworven had. De tweede – hierboven al genoemde – biografie van Ton H.M. van Schaik uit 1996 leverde destijds een welkome aanvulling op Aukes en zelfs ook nieuwe feiten op, maar was zeer beknopt (106 pagina’s).

De biografie van Van Osch houdt qua omvang het midden tussen beide vorige (350 pagina’s). Het verschil met de biografieën van zijn voorgangers uit zich vooral in details. Hij kijkt ook met andere ogen naar de historische context. Hij schetst een indringend beeld van het benauwende isolement van het Rijke Roomse Leven van voor de oorlog. Dat was een cultuur van dor formalisme, eindeloze casuïstiek, een overvloed aan rituelen en een vernauwing van de moraal tot seksuele moraal. Die passages in zijn betoog vormen op zichzelf een fraai stukje mentaliteitsgeschiedenis.

Van Osch schrijft beknopt en boeiend, vooral ook over de politieke achtergronden van de tijd, waarbij hij kennelijk baat heeft gehad bij eerder opgedane kennis bij de biografieën die hij schreef over de politici jhr. D.J. de Geer, minister-president ten tijde van de Duitse inval, en Bram Peper. Ook put hij uit onverwachte bronnen, bijvoorbeeld de tafelgesprekken van Hitler. Daaruit valt op te maken dat Hitler na de Joden de katholieken in het vizier had. Zij zouden het volgende slachtoffer zijn, maar moesten eerst nog worden gedoogd.

Volgens Van Osch zou dat ook de reden zijn geweest waarom De Jong nooit is opgepakt, terwijl de Duitsers daar alle aanleiding toe hadden. Waarom trof Titus Brandsma dit droevig lot en De Jong niet? Na de arrestatie van Brandsma diende De Jong geen protest in bij de Duitse autoriteiten. Ton Crijnen spreekt daar in zijn Brandsma-biografie zijn verbazing over uit. Van Osch komt met een mogelijke verklaring die overigens in bedekte termen ook al door Aukes werd geopperd. De arrestatie van Brandsma zou bedoeld zijn geweest om De Jong in te tomen. Een reactie van hem was een signaal geweest dat de Duitsers in die opzet waren geslaagd en zou daarom een averechts effect hebben gehad.

Die verklaring lijkt mij discutabel, omdat we niet weten wat er gebeurd was als De Jong wèl geprotesteerd had. Bovendien – en dat vermeldt Van Osch niet – heeft De Jong in het laatste jaar van zijn leven aan Aukes laten weten dat hij achteraf spijt heeft gehad. Hij had Brandsma nooit moeten laten gaan in zijn rondreis langs de krantenredacties, die hem uiteindelijk fataal zou worden. Wat zich destijds tussen beide Friezen precies heeft afgespeeld blijft nog altijd schimmig, zeker in de beknopte weergave van Van Osch.

Maar mijn bewondering voor De Jong wordt daar niet minder om. Telkens weer moest hij het zwaarste ook het zwaarste laten wegen. Vijf jaar lang speelde hij een kat-en-muis-spel met de bezetters. Dat deed hij met veel inzicht, vasthoudendheid, moed en – wat volgens Van Osch niet onbelangrijk was – met veel historisch besef, waardoor hij tot het inzicht kwam dat de hoop nooit verloren was.

De meest saillante passage van deze biografie vond ik de beschrijving van het contact dat er moet zijn geweest tussen aartsbisschop De Jong en paus Pius XII. Ton van Schaik had al aannemelijk gemaakt dat De Jong in 1943 mede namens de bisschoppen een uitgebreid rapport over de Jodenvervolging aan Pius XII had gestuurd. Maar Van Osch schetst de context van dit gebeuren en roept daarbij nieuwe vragen op over het vreemde zwijgen van Pius XII over de vervolging van de Joden. Noch het nationaal-socialisme, noch de vervolging van de Joden werden ooit door deze paus in een veroordeling expliciet genoemd.

Toch was de vaak in positieve zin aangehaalde Encycliek Mit brennender Sorge uit 1937 van paus Pius XI destijds al grotendeels geschreven door de latere Pius XII, die toen nog als Eugenio Pacelli pauselijk nuntius in Duitsland was. Pius XII heeft tijdens de oorlog mogelijk met vergelijkbare morele dilemma’s geworsteld als De Jong. De geschiedenis heeft uiteindelijk over De Jong positief geoordeeld en over Pius XII op zijn zachtst gezegd een stuk minder. Als biograaf schetst Van Osch de grijstinten en de nuances en verstaat de kunst om nieuwe vragen op te roepen, ook als hij zelf geen antwoorden heeft.

Een verademing is ook dat hij duidelijk verantwoordt waar hij leunt op het bijeengebrachte materiaal van zijn voorgangers. Daar ontbreekt het nog als eens aan bij biografieën die ‘bij de tijd’ zijn gebracht. Informatief zijn ook de twee hoofdstukken waarin het wetenschappelijk werk van De Jong kritisch wordt besproken. Daarbij passeert niet alleen zijn standaardwerk over de kerkgeschiedenis de revue, maar ook een aantal theologische artikelen.

Minpunt is wel dat in deze hoofdstukken sprake lijkt van een stijlbreuk. De schrijfstijl is dan wat al te bondig en in zijn ijver om kritiek te leveren verwijst Van Osch soms naar filosofen die in deze context weinig ter zake doen. Het gaat niet aan om Spinoza op te voeren als de definitieve weerlegger van de mogelijkheid dat God ingrijpt in de natuurlijke orde, als het volgens de roomse orthodoxie juist de overschatting van de rede is geweest, waardoor de twijfelgeest is komen opzetten om – zoals Aukes het zo fraai verwoordt – ‘het christendom tot schijn en spinsel te ontluisteren’. Ook had bij de beschrijving van de tijdgeest van de jaren dertig de opkomst van het fascisme onder vooraanstaande Nederlandse katholieken wel wat meer aandacht mogen krijgen.

Na de razendsnelle secularisering van de jaren zestig lijkt er in Nederland iets onbenoembaars te zijn veranderd. Ik heb in dit verband eerder wel eens het woord ‘caissonziekte’ gebruikt. We lijken te snel te zijn ontstegen aan een religieus wereldbeeld. Dat levert vreemde bijverschijnselen op, onbegrip bijvoorbeeld voor religieuze gevoelens, maar vooral ook geheugenverlies. Nederland was ooit een theologisch volk, maar tegenwoordig heerst alom een theologisch analfabetisme.

In zijn dankwoord helemaal aan het eind van zijn biografie onthult Van Osch wat voor hem de belangrijkste aanleiding was om als biograaf juist voor kardinaal De Jong te kiezen. Hij werd erop gewezen dat juist deze figuur ‘een representant is van een leefwereld in de recente geschiedenis die vrijwel uit het zicht is verdwenen en dat mensen die in de tweede helft van de vorige eeuw zijn geboren, zich het klimaat van die tijd nauwelijks
meer kunnen voorstellen.’ Met deze nieuwe biografie heeft Henk van Osch dat probleem niet opgelost, maar hij heeft wel de kennis over deze bijzondere man op indringende wijze doorgegeven aan een volgende generatie.

Reageer