Schrijven op het slappe koord

Untitled

‘Voorbij alle tegenstellingen, aan het eind van de via mystica psychotica, ligt in de visie van de yoga zoals Eliade deze presenteert, niet een 
van de vier mystieke wanen, noch de coincidentia oppositorum, het Absolute of God, maar de paradox. Hierin kun je verlamd en verstrikt raken 
en eenzame kristalkastelen, of verwoed zoeken naar oplossingen in filosofisch doorwrochte geschriften (Schelling). Maar volgens deze oosterse visie kun je via de paradox ook bevrijd raken, verlicht worden en de gedaante van een magische mens-god 
aannemen. Het aardse leven is dan doorzien, doorlicht en vernietigd, het hemelse rijk te licht én te star, te tam én te dwingend bevonden. Wat 
rest ons anders dan evenwichtskunstenaars te worden, balancerend op een koord tussen niets en alles, ons verstoppend voorbij een ‘snijpunt’, spelend 
met dobbelstenen waar de onverlichten slechts de uitkomsten van zien.’

Aldus Wouter Kusters in Filosofie van de waanzin, (p. 499). Met een stelling die zichzelf in de 
staart bijt zou je kunnen beweren dat 
er twee categorieën van mensen 
bestaan: mensen die altijd alles in 
twee categorieën verdelen en mensen 
die dat niet doen. Psychotici behoren tot geen van beide categorieën. Zij menen namelijk dat zij tot beide categorieën tegelijk behoren en brengen dat in hun waanwereld letterlijk in de praktijk. Ze zijn door de spiegel heen gebroken en  beland in de wereld van de Kretenzer paradox. Deze zich doldraaiende tegenstelling berust op de uitspraak ‘Alle mensen liegen’, terwijl die uitspraak wordt gedaan door iemand die zelf uit Kreta afkomstig is. Voor een normaal mens gaat er dan iets rondtollen. De slang bijt in zijn eigen staart.

Een uitspraak kan niet tegelijkertijd op zichzelf en de spreker betrekking hebben. Volgens Wouter Kusters bevatten all zinnen, waarin ‘ik’ voorkomt in feite een paradox, omdat ‘ik’ altijd… ‘zowel uitdrukking (expressie van de spreker) is als beschrijving van een buitenwereld (referentie van een toestand in de wereld waarin de ‘spreker’ betrokken is).’ In die paradox lijkt de psychoticus verstrikt te zijn geraakt. Het is een Moebiaanse lus van zelf-referentie, die wonderlijk genoeg ook in het boek Filosofie van de waanzin als geheel zich manifesteert. Naarmate de finale nadert komt de ontknoping naderbij. De cirkel gaat zich sluiten. De schrijver lijkt met het schijven van dit boek het boek zelf in te gaan sluiten. Alsof hij incarneert in zijn eigen betoog. De kristalstructuur ‘ont-vouwt’ zich in de meest letterlijke zin van het woord. Het kristal gaat fonkelen. Het boek straalt.

Deze Moebiaanse structuur van het betoog heeft iets alchemistisch, alsof de waanzin niet alleen het object is van het betoog, maar ook het subject – de schrijver – de waanzin steeds meer incorporeert tijdens het schrijven. Het proces van het schrijven is een bezwering, een afweer, maar ook een proces van emanatie, een epifanie van de waanzin zelf.  Het schrijven van het boek Filosofie van de waanzin is niet geëindigd in een psychose van de auteur. Hij was vorige week nog op televisie te zien en sprak bijzonder heldere taal. Wat is dan die ontknoping waar het boek naar op weg is? Hoe zal het kristal gaan fonkelen? Gaat het betoog zichzelf in de staart bijten? Eindigt alles in een vorm van waanzin die tegelijk geen waanzin meer is: de ultieme paradox?

Wat betekent het proces van het schrijven voor een psychoticus of iemand die ooit eerder door een psychose is getroffen? Niet alle psychotici gaan schrijven, maar er zijn er die bevangen raken door een schrijfwoede, of sterker nog, die tijdens het schrijven een proces van ontremming ervaren en juist daardoor – of mede daardoor – in een psychose belanden, niet zelden door een gebrek aan slaap. In feite is mij dat overkomen in de tweede januari-week van het jaar 1966. Zeven dagen lang schreef ik vrijwel onafgebroken achter elkaar, dag en nacht. Mijn mede-auteurs van het boek Tegen de tijdgeest, terugzien in een psychose hebben ieder op eigen wijze zo’n schrijfwoede beleefd, direct voorafgaande of zelfs tijdens hun psychose-uitbraak. Wij schreven door tot we er letterlijk gek van werden. Eigenlijk ben ik dat altijd blijven doen. Zeker de laatste jaren op dit weblog.

Bloggen is voor mij: schrijven op weg naar het einde. Elke dag plaats ik een eindige tekst in een denkbeeldige ruimte zonder begin of eind. Ooit ben ik met bloggen begonnen, omdat in mijn brein de balans tussen de input en de output van woorden verstoord was geraakt. Het is een kwestie van spijsvertering. Wat erin komt moet er ook weer uit, zij het in een andere vorm. Zo niet, dan krijg je verstopping en dat moeten we niet hebben. Lang heb ik gedacht dat je iets op moet schrijven, als je het wilt onthouden. Veel mensen denken nog altijd dat dit zo is. Zo maken ze aantekeningen van alles en nog wat. Sommigen houden zelfs een dagboek bij om te voorkomen dat ze vergeten wat ze meegemaakt hebben.

Zelf heb ik ook jarenlang een dagboek bijgehouden, maar bij het teruglezen merkte ik dat ik vrijwel alles vergeten was, juist omdat ik het had opgeschreven. Ik durf dan ook met een gerust hart de stelling te poneren, dat mensen dingen niet opschrijven om te onthouden, maar om te vergeten. Zodra iets op papier staat, wordt de inhoud van het genoteerde uit het geheugen gewist. Schrijven is primair een ontlasting van het brein. Letterlijk zelfs. Wie schrijft is aan de schijterij. Door te schrijven worden de mentale ingewanden gereinigd. Wat resteert is het opgeluchte gevoel dat ook een goede stoelgang teweeg kan brengen.

Soms denk ik wel eens dat het schrijven door de mens is uitgevonden vanuit een behoefte om te vergeten. Het geheugen heeft zich niet geformeerd bij de geboorte van het schrift, maar omgekeerd: de eerste schrifttekens waren rituele markeringen die bedoeld waren om een geestelijke inhoud uit het brein te verdrijven. Het schrift is ontstaan uit een diep gevoelde drang om de ‘demonen van de geest’ uit te drijven. Het schrift is dus in wezen een excorcistisch ritueel. Deze magische oorsprong van het schrift lijkt door sommige antropologische ontdekkingen bevestigd te worden. De eerste tekens stonden in dienst van de tovenarij. Het teken zuigt iets van de geest in zich op om een ‘betekenis’ te kunnen worden en als zodanig aan het brein te ontsnappen.

Taal zit in ons brein. Het is een mentaal gebeuren. Dat wil zeggen, dat taal in onze cultuur verbonden met is met wat je ‘mentalisme’ zou kunnen noemen, een manier van denken die we hebben geërfd van de oude kerkvader Augustinus. Mentalisme houdt in dat alle uitdrukkingen van de taal een verwijzende functie hebben, maar tegelijk dat dit verwijzen een proces is dat zich afspeelt in de geest. Taal is voor een groot deel geestelijk. Of beter gezegd, onze geest is taal. Door de taal hebben we een binnenkant. Maar ook natuurlijk een buitenkant. Woorden staan voor dingen in de werkelijkheid. En als je woorden aan elkaar plakt krijg je volzinnen die staan voor situaties opgebouwd uit allerlei dingen uit de werkelijkheid.

Voordat het eerste teken kon gaan ‘betekenen’, moest er een brug geslagen worden tussen de binnenwereld van de mens en iets dat zich daarbuiten zou bevinden. Of beter gezegd, met iets dat door het betekenen van het teken een ‘buiten’ werd. Een teken slaat geen brug tussen de geest ‘binnen’ en het betekende ‘buiten’, maar de brug zelf is gedeeltelijk ook geest. Het proces van het betekenen is in oorsprong magisch. In het teken wordt iets van de geest naar buiten geworpen. De act van de taal is een ‘extasis’. Het teken steekt uit in de wereld. De geest komt uit de fles. Tekenen is betekenen, dat wil zeggen: het beheksen van de wereld met taal.

In dit licht bezien wordt elke gedachte die ik opschrijf een ontsnappings
poging uit mijn eigen brein. De binnenwereld van mijn brein is even werkelijk als de 
buitenwereld, maar toch blijven het twee gescheiden continenten die niet met woorden, die in de taal hun eigen werkelijkheid hebben, 
overbrugd kunnen worden. Alleen een gedachte, die in taal wordt verwoord, zou een brug te 
kunnen slaan, hoewel geen enkele gedachte tot nog toe de pijlers van die brug tussen binnen en buiten in beeld heeft kunnen brengen. Ook vandaag de dag weet niemand wat er 
werkelijk in ons brein gebeurt bij het verwoorden van een gedachte. Maar toch moet het te verwoorden zijn.

Ik verzamel dan ook gedachten, niet alleen van mezelf maar ook van anderen. Dit is een eindeloze, onzinnige onderneming die 
tegelijk zin en einde heeft. Immers de complete verzameling van alle 
gedachten is zelf een gedachte en kan dus nooit een 
complete verzameling zijn. Hier wringt iets. Er moet dus één gedachte zijn die niet past in de complete 
verzameling van alle gedachten. Alle 
gedachten zitten in potentie binnen in mijn brein. Maar waar zit die ene gedachte die niet past binnen die complete verzameling van alle gedachten? Binnen, buiten, in beide of geen van beide? Wellicht zou 
die ene gedachte de pijlers van de brug tussen binnen en buiten in beeld kunnen brengen. Onderwijl blijf ik voortbloggen als een koorddanser op het slappe koord

5 Reacties

In de waan van het niets

‘Zo fungeert op ieder terrein als het afvoerputje waardoor al het mogelijk 
leven vroeg of laat wegspoelt in het riool van het niets. In het domein van 
de natuur veronderstellen de meeste theorieën dat het universum zoals 
dat zich in tijd en ruimte uitstrekt eindig en beperkt is: ‘voorbij’ grenzen 
van tijd en ruimte is er ‘niets’. Sub specie aeternitatis is er over het geheel genomen zo goed als niets. Voor zover je zou neigen te stellen dat er wel 
iets is, vervalt dat iets bij nadere beschouwing rap tot niets. Maar ook indien tijd en ruimte onbegrensd en oneindig zijn, brengt dat geen soelaas. 
Oneindigheid impliceert nog niet dat ‘er iets is’. Om er te ‘zijn’, moet er meer zijn dan een rimpeling op de oceaan of een kreukel in het tapijt. Is
 dat iets-dat-is niet meer is dan een vonk, een zeepbel of een gelaat in het zand, dan is het eigenlijk niets. Alles verandert, alles stroomt, niets blijft. Het hart van de natuur is leeg.’

Aldus Wouter Kusters in zin boek Filosofie van de waanzin, in een hoofdstuk dat gewijd is aan de waan van het grote niets, de ‘Ø-waan’, die verbonden wordt met filosofische noties van voornamelijk Sartre en Heidegger. In de gewaarwording van het niets valt de ervaring van het zijn stil. Er is geen voortgang meer. De gewoonste dingen uit het leven van alledag verliezen opeens hun vanzelfsprekendheid. Het is een gevoel onder een glazen stolp te leven en dat niets meer er toe doet. Een gevoel dat zomaar kan ontstaan, bijvoorbeeld door een doodse blik van een vreemde. waarin de ultieme leegte zich toont als een gapend niets. Het is de aanblik van de kop van Medusa die elk gevoel van leven doodt. Wat hier zich openbaart is the black hole van de depressieve psychose, de ultieme singulariteit van de zijnservaring, die volgen Kusters raakt aan de het grote niets van de mystiek. Hier geen extase of hogere sferen, maar de de leegte en niets dan de leegte. Het is het niets dat geen ontkenning is van het iets, maar een eigen onpeilbare leegte onthult die zich bevindt aan de bron van de tijd. Wie ooit een depressie heeft gehad weet wellicht iets van dit grote niets.

Ikzelf heb begin jaren tachtig een diepe depressie gehad die twee jaar lang heeft geduurd. Niets hielp, zelfs de zwaarste antidepressiva niet. Ik heb toen geprobeerd om een tijdje een dagboek bij te houden, maar per dag kon ik niet meer dan twee, drie zinnen schrijven, zinnen waarin telkens weer het woordje ‘niets’ voorkwam. Er kwam gewoon niets in mijn hoofd op. Alsof mijn gedachtestroom volledig was stilgevallen. Leegte, alleen maar leegte. Dat gevoel begon ‘s ochtends al bij het opstaan en verdween pas als ik ‘s avond laat in slaap viel. Slapen was ook het enige wat verlichting bracht. Het leven was een tunnel geworden zonder licht aan het einde. Ik had geen ziel meer, zo dacht ik bij mezelf, en dat was ook het enige wat ik nog denken kon. Die gedachte draaide in een cirkel rond. Een cirkelgang waar geen eind aan kwam. De tijd zelf zat op slot, ook al kroop hij voort, dag na dag, week na week, maand na maand…

In de gedichten van Vasalis gaat het vaak over de tijd die stil staat, een beeld dat door de tijd heen breekt alsof er een gat in de dag valt. Soms levert die verstilde tijd een idyllisch beeld op, een ‘eeuwige’ herinnering aan een gelukkig moment in de jeugd, soms ook is het een afgrondelijke leegte. Alsof het geraamte van de tijd door de ribbenkast van het heden steekt. Een doodskop schemert door in het verglijden van de tijd. Het leven in de poëzie van Vasalis is het geboren worden van de dood. Maar wat is daarmee gezegd? De verschijning van het tijdloze – je zou het een epifanie kunnen noemen – is een illusie die haar poëzie teweegbrengt. Is die illusie niet eigen aan de tijd zelf?

Als we Rudy Kousbroek mogen geloven – in zijn essay Het Mössbauereffect in het boek Anathema’s 1 (1969) - hebben dichterlijke ontboezemingen over de tijd vaak iets belachelijks. “O temps suspends ton vol!‘ (O tijd, onderbreek uw vlucht!), dichtte Lamartine, waar Kousbroek laconiek de vraag aan toevoegde: ‘Voor hoe lang?’ Vasalis is volgens Kousbroek een dichter die de neiging heeft om het mysterie te verwarren met een denkfout. Alles wat zij in haar gedichten over tijd te melden heeft zou op een misverstand berusten. Haar gedichten zouden meer thuishoren in ‘het genre suikergoed en marsepein dan literatuur’. Maar wat valt er eigenlijk buiten de poëzie voor zinnigs over de tijd te zeggen? Onze blinde vlek is de tijd zelf.

Hoewel de taal de illusie wekt de werkelijkheid te weerspiegelen, is er in feite iets anders aan de hand. De taal is structureel door het verlangen geïmpregneerd. De taal opent onze blik, maar dekt de werkelijkheid tegelijk ook af. De taal is doorboord met afwezigheid, maar de taal beschermt ons ook voor het scherm-loze, het reële, het schrikwekkende niets dat we niet onder ogen kunnen zien. Het reële zou ons totaal verblinden als een flits van verschroeiende hitte, of juist de doodse kilte van de totale leegte. De taal is het koude- en hitteschild voor de ziel. De taal houdt voortdurend de schijn in stand dat er niet niets is. Zonder de symbolische orde van de taal zou elk brein hopeloos zijn overgeleverd aan de chaos van de totale paniek.

Vasalis was niet alleen dichter, maar ook kinderpsychiater. Haar gedichten gaan niet alleen over tijd, maar ook over een structureel gemis dat eigen is aan de tijd. Een gemis dat vooral in de moderne tijd aan het licht is getreden, als een gat in de ozonlaag dat zich ongemerkt heeft gevormd. De ziekte waar de moderne wereld aan lijdt is het verval van de verstilling, het beeld van de stil gezette tijd. In de poëzie van Vasalis openbaart zich de taal van het verdrongene. Er stijgt iets op dat zich verzet, zoals de ‘vreselijke vogel’ in haar het gedicht De vierde wereld. Die vreselijke vogel lijkt een beeld te zijn van een onbekende oerkracht de die van binnenuit de schaal van het bewustzijn is heen gebroken. In dit gedicht weet Vasalis als geen ander ‘de schermloze toestand’ van het psychotisch bewustzijn 
op te roepen. Een psychose is in dit gedicht in alle betekenissen van het woord: ‘een ziekte van de tijd’.

DE VIERDE WERELD

psychose

Ook zonder oorlog, honger of discriminatie
genoodzaakt om te bedelen, onvrij te zijn,
bevoogd te worden, krom te lopen van de angst, de pijn.
Om ´t allerlaatst het allerkleinste plaatsje in te nemen
niet ópziend, hopend niet gezien te worden.
Antwoorden, als ´t moet, met een heel zachte stem.
Zelfs door vernederingen nog te veel geëerd, te zeer aanwezig
en ´s avonds in het park in de verwarde mist
met tenen in de schoenen opgetrokken, voeten naar elkaar gekeerd
te wachten – er verandert niets, geen hulp kan komen -
buiten ´t bereik van de zo moederlijke bomen
te wachten tot de vreselijke vogel binnenin de schaal verbreekt
en uitkomt. En dan twee te zijn: de vreselijke vogel
de lege schaal – zonder verband, alleen een samengaan.
Dan leeg, onwezenlijk maar zeer behoeftig iedereen
die maar een vinger uitsteekt vast te pakken, te omhelzen
tot op het bot glimlachend, springend van
wanhoop tot wanhoop als Eliza op de schotsen.
Zelfs Jezus niet – die door zijn vader was verlaten, god,
aan ´t kruis en zo bescheiden klaagde toen hij hing
heeft deze eenzaamheid gekend, deze verbijstering.

M. Vasalis
uit: De oude kustlijn. Nagelaten gedichten
(Amsterdam, Van Oorschot: 2002)

Wonderlijk genoeg liep mijn depressie destijds vrij plotseling op zijn eind. Het moment waarop ik voor het eerst merkte dat er iets ten goede ging veranderen, kan ik me nog goed herinneren. Ik was in de keuken bezig met de afwas en hoorde muziek op de radio. Het was een onbeduidend liedje, dat begin jaren tachtig heel even een hit is geweest en sindsdien vrijwel nooit meer te horen is: January, February van Barbara Dickson. Het werkte bij mij als een blikseminslag. De tijd kwam weer in beweging. Er stroomde weer iets door mijn hoofd. Deze muziek klonk als water, sprankelend water. Daarna ging het elke dag een beetje beter, totdat ik weer helemaal was opgeknapt.

12 Reacties

Gödel, Escher, Kusters

Untitled

‘Voor wie dat inziet, bestaat de tijd niet langer als tikkende klok, of als 
tijd die de dingen verspreidt en isoleert. De tijd spiegelt de dingen aan en in 
elkaar. Via de tijd kun je overal komen. Zijn is tijd, God is tijd, de spiegel
 maakt van tweeën één. De tijd van de eeuwigheid houdt dingen bij elkaar. 
En overal waar je bent, is het goed zodra je dit inziet. Want er is maar één moment en dat is dit moment, bestaand uit de eeuwigheid. Alles gebeurt 
tegelijkertijd en je kunt nergens anders bestaan dan waar iedereen bestaat,
 hier in het heden, altijd. Terwijl ik aan het stuur draai, vinden er myriaden andere gebeurtenissen plaats, die allemaal verbonden zijn via de tentakels van de tijd. In de intensiteit van het ware zien smelten alle tijden samen. 
Ik vloekte nog steeds binnensmonds van blijdschap, maar hield deze vloek 
met opzet binnen, want anders zou ook deze vloek onderdeel van de wereld worden. Want wat door mij heen draaide, draaide ook in de wereld 
door.’

9789047706328  Aldus Wouter Kusters in zijn boek Filosofie van de waanzin (pagina 394). Het is een passage uit een intermezzo getiteld ‘Openbaring’, waarin hij onder meer zijn eigen openbaring beschrijft die hij ervaren heeft in zijn psychose in 2007. Tot nog toe vind ik deze autobiografische intermezzo’s de meest indrukwekkende passages in het boek. De puzzelstukjes lijken dan opeens in elkaar te vallen. Het hoog reikende filosofische betoog daalt dan neer op aarde, waar het meteen weer uitwaaiert in de waanzin, maar nu vanuit het persoonlijke perspectief van de auteur. Het boek heeft een uiterst gecompliceerde structuur die soms aan een fuga van Bach doet denken.

Nu heb ik niet zoveel verstand van Bach, maar ik weet wel dat hij op uiterst gecompliceerde wijze in een compositie vorm en inhoud in elkaar kon laten overgaan. Gevoel en verstand, muziek en religie, dat alles wist Bach op  magistrale wijze te verbinden. Zijn muziek is klank geworden mystiek met een haast wiskundige grondstructuur. In zijn boek Gödel, Escher, Bach (1979) heeft Douglas Hofstadter een verband gelegd tussen de composities van Bach, de zelf-referentiële structuren in de etsen van Escher en de onvolledigheidsstelling van Gödel. Ik heb eerder laten weten dat het boek Filosofie van de waanzin van Wouter Kusters mij doet denken aan de sferentrilogie van Peter Sloterdijk. Met evenveel recht zou je dit boek een plaats kunnen geven naast Gödel, Escher, Bach.

4 april, 1980(3)0001 De vier delen van Filosofie de waanzin die in het teken staan van respectievelijk aarde, water lucht en vuur, worden elk voorafgegaan door een vierluik van Escher, waarin een van de elementen is doorgedraaid in de vierhoek. De kristalstructuur als ‘compositie van de wereld’, waarnaar in het boek gezocht wordt, lijkt verbeeld te worden door de compositie van het boek zelf. Er zit een zelf-verwijzend element in het geheel, een motief dat telkens weer opklinkt. Het denken wordt zien en omgekeerd. Over deze verstrengeling van vorm en inhoud was in het voorwoord al het een en ander gezegd. Op pagina 395 schrijft Kusters:

‘De inhoud, structuur en gedachten van de openbaring toen zijn op een merkwaardige manier verweven met de theorie en gedachten van nu in 
*dit* boek. Het model in *dit* boek waarmee ik de waanzin begrijpelijk wil maken, is tevens het model dat me toen in de waanzin deed verzinken 
- wat overigens slechts een extra – Münchhauseniaanse én Moebiusiaanse – aanbeveling is voor dit model. Baron von Münchhausen trok zich aan zijn eigen haren uit het moeras. De arm die trok was de arm die getrokken 
werd, net zoals de tekst waarmee ik de waanzin bespreek de tekst is die 
de waanzin uitdrukt. De ring van Moebius laat 
zien hoe een vorm van omkering ten grondslag ligt aan het overspringen 
van objectniveau (de waanzin) naar subjectniveau (de filosofie) en omgekeerd.’

Gisteren las ik het hoofdstuk dat in derde deel is gewijd aan de ‘Oneindigheidsval: de  Ω -waan’. Wiskunde en mystiek convergeren hier in ervaringen en die ook in de psychotische waan kunnen optreden. In het betoog van Kusters komt de wiskundige Rudy Rucker uitgebreid aan bod, maar ook de verzamelingenleer van Cantor die ook in het boek in  Gödel, Escher, Bach een belangrijke rol speelt. Wiskunde ging van oudsher over getallen en ruimte. Dat was al zo sinds de oude Grieken. Maar gaandeweg bleek dat er allerlei soorten getallen zijn: natuurlijke, rationale, irrationele, negatieve en imaginaire en zelfs oneindige getallen. Het bleek dat er ook verschillende ruimten bestaan, en niet alleen de Euclidische ruimte. Maar toch, wiskunde bleef gaan over getallen en ruimte. En toen kwamen de verzamelingen. Cantor (1845-1918) ontdekte dat verzamelingen handig zijn bij de oplossing van allerlei problemen die betrekking hebben op het continuüm (de verzameling van alle reële getallen). Het waren de wilde jaren van de wiskunde, zo’n honderd jaar geleden, toen ook de mystiek, de esoterie en het spiritisme een bloeitijd beleefden.

Jaren geleden las ik het jeugdwerk van de Nederlandse wiskundige L.H. Brouwer, Leven, kunst en mystiek (1905). ‘Een machtig brouwsel’, zo noemde Frederik van Eeden dit wonderlijke geschrift. ‘Brouwsel’ is misschien ook wel de juiste benaming. Als je wiskunde als een vorm van mystiek gaat zien, dan lever je flink wat in als het gaat om helder denken. Wiskunde is geen mystiek, al heeft mystiek dan mogelijk iets met oneindigheid van doen. De kloof tussen de twee domeinen geest en werkelijkheid is niet te overbruggen door een brouwsel van getallen en gelijkenissen. De kracht van de wiskunde ligt juist in het expliciet maken van het ongelijke in het gelijke. De wiskundige lost een vergelijking op. Een mysticus laat zich meevoeren door gelijkenissen.

Het is een bekend feit dat de Brouwer op latere leeftijd Wittgenstein geholpen heeft om over een dood punt in zijn denken heen te komen. Wittgenstein woonde een lezing bij van Brouwer en heeft daarna zijn denkwerk weer opgevat, dat na zijn Tractatus was vastgelopen. Aan Brouwer hebben we dus eigenlijk de Filosofische onderzoekingen van Wittgenstein te danken.

Ooit schreef ik zelf een verhaal over de eigenaardigheden van het Oneindige. Ik ging uit van de  hypothese dat er zoiets zou bestaan als de oneindige verzameling van gedachten. Die hypothese heb ik als metafoor ingezet in een poging om de kloof tussen het eindige en het oneindige te overbruggen. Al kom je hierbij dicht in de buurt van het principe van de Moebius – het centrale thema ook van Escher – toch blijft het een metafoor. Een mysticus meent dat hij de kloof tussen het eindige en oneindige kan overbruggen, maar hij raakt in feite verstrikt in een proces van projectie en spiegeling. Een mysticus ziet zijn eigen spiegelbeeld zich oneindig verdubbelen in twee spiegels, de een voor hem, de ander achter hem. Zo meent hij het Oneindige in beeld te krijgen. Maar het is een illusie, evenals deze poging tot verklaring van mij niet meer is dan een metafoor, een gelijkenis dus, waarin het ongelijke niet expliciet is gemaakt.

Wouter Kusters lijkt gefascineerd door het idee van het Oneindige zoals dat door wiskundigen in kaart is gebracht. Hij verbindt dit wiskundige Oneindige met zijn eigen mystieke openbaring van oneindigheid, een openbaring  die hij tijdens zijn waan heeft ervaren. Daarmee duikt hij zo’n honderd jaar terug in de tijd. Wederom slaat hij een brug tussen het wiskundig Oneindige en iets wat zich ‘aan gene zijde’ zou moeten bevinden, hoewel het mij nog steeds niet helemaal duidelijk is of hij hiermee werkelijk een bovennatuurlijke transcendentie op het oog heeft. Of is het soms een platonische ‘achterwereld’? Maar wat heeft die ‘achterwereld’ dan precies mat mystiek of openbaring van doen?

Ook Gödel was een platonist. Veel wiskundigen zijn of waren dat, maar niet allemaal. Er zijn ook andere metafysische opvattingen mogelijk. De term ‘aan gene zijde’ ben ik tot nog toe slechts één keer tegengekomen in Filosofie van de waanzin. Dat was in een passage (op pagina 408), waar het betoog overgaat in een beschouwing over ‘de donkere spiegel’ in Paulus’ Korinthiërbrief. ‘Het christendom,’ zei Nietzsche,’ is platonisme voor het volk’. Is Wouter Kusters dan soms een elitair soort christen? Het type Griekse filosoof, waar Paulus tegen ten strijde trok?

Bovenstaand schema is ontleend aan het boek van Rudy Rucker: Oneindigheid. Filosofie en wetenschap van het oneindige (1986). Volgens Rudy Rucker zijn er twee opvattingen over de werkelijkheid. De werkelijkheid komt voort uit het Ene, zoals Plato beweerde. Of de werkelijkheid is een oneindige verzameling, anders gezegd: de werkelijkheid is het Vele. Als 
je een verzameling als N (bijvoorbeeld de verzameling van alle natuurlijke getallen) als 
één bepaald object beschouwt, dan heb je het in feite over een oneindige verzame
ling. Maar bestaat dat wel, een oneindige verzameling? Als wiskundige heb je twee mogelijkheden je bent een platonist of een formalist. Platonisten geloven in het objectieve bestaan van oneindige verzamelingen. Formalisten daarentegen geloven dat eindige beschrijvingen van wiskundige theorieën het enige is waarover we beschikken.

4 april, 1980(3)0001   Maar er is nog een middenweg tussen beide standpunten. Dat is het intuïtionisme, hoewel dat eigenlijk ook een beetje een verkapt formalisme is. Zowel de de intuïtionist als de formalist geloven dat alleen potentiële 
oneindigheid kan bestaan. Een feitelijke oneindigheid zou volgens hen onmogelijk zijn. In hun optiek behoort het feitelijke oneindige in feite tot het Ene. Want als je N (de verzameling van alle natuurlijke getallen) beschouwt als een ongrijpbare Vele, behandel je N als een potentieel oneindige, nooit te voltooien verzameling. Toch weet de intuïtionist een uitweg te vinden uit een gebied, waar zowel de platonist als de formalist op een doodlopende weg uitkomen: het axioma van de logica, het principe van de uitgesloten derde, tertium non datur. Over die ontsnappingsroute gaat dit verhaal. Het is een verhaal dat zich begeeft in het meest glibberige grensgebied van de wiskunde, het gebied van de verzameling van alle verzamelingen. Zoiets als Plato in het kwadraat.

***

Een gedachte-experiment. Stel dat alle boeken in de Provinciale Bibliotheek (Tresoar) te Leeuwarden een drukfout bevatten (1), en de dissertatie van L.E.J. Brouwer uit 1907 Over de grondslagen der wiskunde is een boek dat te vinden is in de bibliotheek (2). Dan volgt onontkoombaar de conclusie: het boek Over de grondslagen der wiskunde van L.E.J. Brouwer bevat een drukfout (3). Hier lijkt geen speld tussen te krijgen, maar toch zijn er mensen die de geldigheid van deze redenering in twijfel hebben getrokken. Wat gebeurt er eigenlijk? In de eerst plaats worden twee veronderstellingen van verschillende aard met elkaar gecombineerd: een zeer onwaarschijnlijke (1) en een voor het verloop van de redenering noodzakelijk ware (2). Deze veronderstellingen hebben beide betrekking op een verzameling objecten (A) en een eigenschap (E) van die objecten, namelijk het hebben van een drukfout. Al deze elementen zijn ondergebracht in een logische redenering met een bekend schema:

Als X de eigenschap E heeft (1)
En A behoort tot de verzameling X (2)
Dan heeft A de eigenschap E (3)

Tot zover is er niets aan de hand. Alle mensen zijn sterfelijk, Socrates is een mens, dus Socrates is sterfelijk. Maar laten we ons beperken tot de boeken in de Provinciale Bibliotheek. De redenering in dit voorbeeld gaat er vanuit dat alle boeken zonder drukfout niet in die bibliotheek te vinden zijn, geen onderdeel vormen van de verzameling, dus ook niet identiek kunnen zijn met het bepaald exemplaar uit die verzameling, namelijk het boek van Brouwer. Maar deze redenering is niet omkeerbaar. Als het boek van Brouwer een drukfout heeft, en dit boek is in de PB te vinden, dan volgt daar nog niet uit dat alle boeken zonder drukfout niet identiek kunnen zijn met het boek van Brouwer. Met andere woorden: dat een bepaald boek een drukfout heeft zegt nog niets over de identiteit ‘boek’ van een boek. Dit bepaalde boek met drukfout kan tegelijkertijd behoren tot een verzameling objecten met de identiteit ‘boek’ die wat groter is dan de PB en waarin ook exemplaren te vinden zijn zonder drukfout.

In ons voorbeeld wordt een veronderstelling gedaan over een eindige verzameling, namelijk een bibliotheek, en niet over een oneindige verzameling, bijvoorbeeld een getallenreeks. Ik zou alle boeken uit de PB stuk voor stuk kunnen opvragen en ze letter voor letter kunnen gaan naspellen. Bij het eerste boek zonder drukfout valt de hele redenering in duigen, want hij heeft dan geen realiteitswaarde meer. Dat wordt anders als je een bibliotheek in gedachten neemt met een oneindige omvang, van nu af te noemen de ‘Oneindige bibliotheek’, afgekort OB. Ten eerste kun je dan alle boeken niet stuk voor stuk opvragen, laat staan naspellen. Als je het toch gaat proberen en na tachtig jaar nog steeds geen boek zonder drukfout bent tegengekomen, dan kun je twee dingen doen. Of je zegt: ‘Ik geef het op en ga nu dood.’ Of je kunt alsnog de veronderstelling koesteren dat er ergens in de OB een boek moet uithangen zonder drukfout. Generaties trouwe volgelingen van de strenge wiskunde zouden je werk van vader op zoon kunnen voortzetten, en één zal het ooit vinden. Sterker nog, je kunt stellen, dat als je na tachtig jaar trouwe arbeid deze veronderstelling niet zou doen, blijkbaar alle boeken in de OB een drukfout hebben. En waarin verschilt de OB dan nog van de PB in ons voorbeeld?

Maar nu is er iets eigenaardigs gebeurd. De trouwe volgeling moet na tachtig jaar overgaan tot een bewijs uit het ongerijmde, de krampachtige poging om het bestaan aan te tonen van en bijzonder exemplaar van het verschijnsel boek, namelijk eentje zonder drukfout, om daarmee een dreigende tegenstrijdigheid te ontlopen: OB is PB. Maar wat lever deze daad van trouw hem op? Hij heeft een fantoom geconstrueerd, een boek zonder drukfout, om daarmee uit alle macht het grondbeginsel van zijn denken in stand te houden, namelijk dat er twee soorten boeken kunnen bestaan: boeken met en boeken zonder drukfout. Een derde soort bestaat niet. Dat zou een boek moeten zijn dat tegelijkertijd zowel een drukfout en geen drukfout bevat, en dat is absoluut onmogelijk. Tertium non datur, het principe van de uitgesloten derde kan niet worden verworpen. Sa is it en net oars.

Maar is dat wel zo? Laten we terugkeren naar ons voorbeeld. Het boek van Brouwer in de Provinciale Bibliotheek: ‘Over de grondslagen der wiskunde’. Het toeval wil dat dit boek daar inderdaad aanwezig is. In de alfabetische catalogus ergens tussen De gouden swipe van Abe Brouwer uit 1941 en Zondagsrust, een voordracht gehouden te Leeuwarden, door H. Brouwer op 3 december 1883 vond ik de titel van dit boek. Ik had nog nooit van L.E.J. Brouwer gehoord, maar ik kwam zijn naam ooit tegen in het dikke boek van Hofstadter Gödel, Esscher, Bach, een eeuwige gouden band In een van de vele langdradige conversaties tussen Achilles en de Schildpad, die in dit boek staan afgedrukt, geeft Achilles een raadsel op. Hij toont een gouden Aziatische asbak, waarop zes namen staan gegraveerd:

D e M o r g a n
A b e l
B o o l e
B r o u w e r
S i er p i n s k i
W e i e r s t r a s s

Deze reeks namen blijkt een fragment te zijn van de volledige lijst van alle grote wiskundigen, en op de achterkant van de asbak staat de zin: ‘Trek 1 af van de diagonaal om Bach in Leipzig te vinden.’ De oplossing van het raadsel wordt verderop vermeld. Als je de vette letters vervangt door de voorafgaande letters in het alfabet krijg je in plaats van DBOUPS de naam van een andere grote wiskundige CANTOR. ‘Frisia non cantat’ wordt weleens beweerd. Een wiskundige die als naam het Latijnse woord boor ZANGER draagt, daar moet iets bijzonders mee zijn. Cantor (1845-1918) blijkt de grondlegger te zijn van de Verzamelingenleer en creëerde de zogenaamde Tweede Getalklasse, getallen die ontstaan door van een ordetype als oneindig het naast hogere element te nemen, dus:

brouwer0001.jpg

Hofstadter gaat in zijn boek uitvoerig in op alles wat Cantor heeft bedacht, maar rept behalve in die ene naamsvermelding in het raadsel met geen woord over Brouwer.

Wie was L.E.J. Brouwer eigenlijk? Wikipedia vermeldt over hem onder meer het volgende:

Luitzen Egbertus Jan Brouwer (Overschie, 27 februari 1881 – Blaricum, 2 december 1966) was een Nederlandse wiskundige en filosoof. Hij is de grondlegger van de intuïtionistische wiskunde en van de moderne topologie. In 1907 promoveerde hij cum laude op een proefschrift getiteld ‘Over de grondslagen der wiskunde’. Brouwer verwierp het principe van de uitgesloten derde (tertium non datur) en daarmee ieder bewijs uit het ongerijmde. Van Wittgenstein wordt gezegd dat hij, geïnspireerd door Brouwer, weer aan filosofie ging doen. Wittgenstein vond eerder dat hij met zijn Tractatus alles al gezegd had wat er te zeggen viel.

Ik heb de dissertatie van Brouwer opgevraagd in de PB. het boek moest kennelijk van heel ver komen want pas na een half uur hoorde ik mijn naam omroepen. Een lichte teleurstelling. Een onooglijk bruin boekje, formaat octavo, harde kaft, goudstempel op de rug, en spochtvlekken op de titelpagina. Toen ik het opensloeg rook ik de geur van oud papier. Er viel een blad uit. De stellingen van Brouwer. Ik raapte het op en zag dat het twee bladen waren die met een verroest nietje aan elkaar zaten. Mijn oog viel op stelling dertien:

XIII
De tweede getalklasse van CANTOR bestaat niet

Dat is wat je noemt lef hebben. Zes en twintig jaar zijn en beweren dat een van de beroemdste wiskundigen van je tijd uit zijn nek staat te kletsen. Thuisgekomen ben ik het boek gaan spellen, van begin tot eind. waarbij ik alleen de formules heb overgeslagen. En verdomd, op het moment suprème, midden in de bewijsvoering van stelling dertien, op pagina 150, vierde regel van onderen, daar stond hij, rillend in zijn prille naaktheid: een drukfout. Er staat ‘ogisch’ in plaats van ‘logisch’.

Ik heb slechts een existentiebewijs geleverd van iets dat voorkomt in een eindige, aftelbare verzameling. Maar ik heb niets geconstrueerd. Brouwer construeerde zijn eigen logica door het principe van de uitgesloten derde te verwerpen. Wiskundige objecten zijn volgens hem constructies van de geest. Wiskunde is een vrije activiteit die niet afhankelijk is van de ervaring en die zich baseert op een oerinstinct. Wat het oplevert is een open plek die het denken kapt in het oerwoud. De waarheid ligt niet in vaste spelregels gedefinieerd. Het woord ‘bewijs’ dient dan ook zoveel mogelijk te worden vermeden, laat staan een bewijs uit het ongerijmde. Of zoals Brouwer het zelf placht te zeggen. ‘Men zegt toch ook niet dat Whinger in 1865 de ‘beklimbaarheid’ van de Matterhorn heeft bewezen, maar dat hij de Matterhorn heeft beklommen.’

image002

Op 2 december 1966 overleed Brouwer in Blaricum ten gevolge van een auto-ongeval. Zijn leerling Hans Freudenthal schreef in zijn in memoriam.

‘Brouwers stijl is die van een wiskundige die met zijn hoofd door een muur tracht te breken. Wonder boven wonder slaagde hij. Zijn goede genius wees hem de plaats waar de muur het zwakst was. Eén keer slaagde hij met zulk een brute methode en dat is één keer meer dan andere stervelingen beschoren is.’

4 Reacties

Het paradijs ontstaat bij het verlaten

Untppitled

Delmas Howe, Studie voor een verdrijving uit het paradijs. 2000

‘Soortgelijke overwegingen zijn ook van toepassing op de ‘godswaan’ of 
’godsdienstwaanzin’. De manier waarop deze beschreven worden wordt bepaald door ons eigen geloof of ongeloof. Gelovigen (of ‘plotinisten’) hebben 
overigens niet per se meer begrip voor godsdienstwaanzinnigen (of unowaners). Vaak wil men niet geassocieerd worden of ‘besmet’ raken met het narrige van de waanzin, en probeert men juist grenzen te trekken tussen 
godszin en godswaanzin (vgl. bijvoorbeeld Ypma, 2001, en Arends, 2013)  De zojuist geïntroduceerde ‘godswaan’ is hetzelfde als unowaan indien 
de naam God gebruikt wordt voor het plotinisch Ene. Zo eenvoudig is het 
zelden. Wel kan een godswaan in sommige opzichten op unowaan lijken 
als ‘de desbetreffende God net als het Ene als het allerheiligste, onbenoembare en onkenbare wordt beschouwd, met op een niveau lager de heilige
 drie-eenheid, in een verdere kring de engelen en daarbuiten de heiligen, 
mensen, de dieren, de dingen, enzovoorts. Godswaan verschilt vaak  van unowaan, net zoals Plotinus’ leer van het christendom verschilt. De unowaan is meer ‘conceptueel’ dan ‘beeldend’. Het Ene van Plotinus is
 abstracter en minder persoonlijk dan God. In de unowaan ‘denkt’ of ‘contempleert’ men de totale eenheid, zodat men voorbij alle verschillen en 
woorden geraakt, terwijl godswaan zich meer uitdrukt in afhankelijkheid, nederigheid en liefde ten opzichte van God. Indien een godswaan in plaats van 
met een mystiek van het Ene, meer overeenkomt met een (christelijke) mystiek van het zijn, de oneindigheid of het niets, dan behoort deze godswaan tot een van de andere drie wanen.’

Bent u er nog? Deze passage uit het boek Filosofie van de waanzin van Wouter Kusters (pagina 326-7) is niet de makkelijkste. Het is een passage waar ik tot nog toe het meeste moeite mee heb. Soms heb ik de indruk dat Kusters een nieuw soort religieuze ervaring wil destilleren uit de psychotische waan. Enerzijds wordt dat religieuze element in de psychotische ervaring scherp onderscheiden van de christelijke religie. Het is eerder een filosofisch mystieke c.q. waanzinnig mystieke ervaring. En anderzijds distantieert Kusters zich van de esthetisch-mystieke ervaring, die Aldous Huxley – op basis van mescaline-experimenten – heeft beschreven in zijn boek The Doors of Perception (1954).

200px-DoorsofPerception  Wat Huxley beschrijft is voor Kusters te esthetisch en te irrationeel. Kusters wijst in dit verband op een romantisch antimodernisme, waar ook Evelyn Underhill mee behept zou zijn. Hij wil ook niets weten van ‘the perrenial philosophy’ van Huxley en is het grotendeels eens met de kritiek van Zaehner op Huxley. Daarbij gaat hij uit van een onderscheid tussen enerzijds traditionele (moralistisch religieuze of christelijke) mystiek en anderzijds niet-traditionele vormen van mystiek. Mystiek hoeft volgens Kusters niet te leiden tot een betere moraal. Zo stelt hij:

‘Sommige adepten van de traditionele mystiek beweren dat juist mystiek, en niet andere geestelijke bezigheden, zou leiden tot een betere moraal. Maar dit geldt dan slechts voor de mystiek die strookt met de traditionele
 religie en gangbare moraal. De ultieme waarheid die je ontmoet in het hart 
van de mystiek is niet per se een ‘goede boodschap’, die als vanzelf leidt tot 
goede moraal. Mystieke ervaring transformeert je niet per definitie tot een 
’goed mens’ – nog afgezien van het feit dat er geen standaard is van wat een goed mens zou zijn.”

Nu is het zo, dat het christendom – niet alleen het katholicisme, maar zeker ook het protestantisme – altijd een gespannen verhouding heeft gehad met de mystiek in al zijn verschijningsvormen. De geloofsleer ligt vast in de openbaring (en de dogmatiek) en leent zich niet tot individuele ervaringen en interpretaties op basis van visionaire gewaarwordingen. Ik betwijfel dan ook ten zeerste of het onderscheid dat Kusters maakt tussen traditionele en niet-traditionele mystiek wel klopt. Over het algemeen geeft hij weinig achtergrondinformatie over het christendom, laat staan over het onderscheid tussen de christelijke en de gnostische traditie.

Vooral die laatste traditie is wat de mystiek betreft relevant, vooral ook gezien de opleving daarvan in de tijd van de Romantiek en ook in de jaren zestig. Huxley, die algemeen wordt beschouwd als een voorloper van the sixties, is niet te begrijpen zonder de mystieke ideeën van William Blake met zijn The Marriage of Heaven and Hell. De radicale ontkenning van het kwaad was niet alleen eigen aan de Romantiek – met Blake als beginpunt – maar ook een symptoom van de jaren zestig met hun optimistische en hedonistische cultuur van drugs en bewustzijnsverruiming. De mens was goed en het leven ‘te gek’, totdat de eerste drugsdoden vielen. Jim Morrisson, Janis Joplin en Jimmie Hendrix wierpen een slagschaduw over het mystieke paradijs dat even gloorde aan de horizon. Maar een paradijs is pas een paradijs als het verloren is gegaan, zoals Antoine Mooij, die de psychoanalytische ideeën van Lacan in Nederland introduceerde, ooit heeft beweerd.

Kusters vindt dat het bij de mystiek van Huxley ontbreekt aan de duisternis. Het is een soort universele goedheid die zich voor Huxley leek te manifesteren in de indringende ervaring van de dingen in zijn studeerkamer. Dat was een esthetische extase die zich goed laat rijmen met een pleidooi voor kunstzinnige vorming. Meer begrip voor de esthetische ervaring zou leiden tot een betere mens. Dat is een veel gehoorde gedachte die ook vandaag nog opgeld doet, bijvoorbeeld bij Martha Nussbaum. De mystieke waanzin (of waanmystiek) van Kusters zou niet behept zijn met die blinde vlek. Ook niet met de blinde vlek van de irrationaliteit, want hij pleit voor het filosofisch ‘doordenken’ van de waanmystiek.

Maar waar plaatst Kusters zichzelf in het historisch spectrum van ‘christendom- gnosticisme – zwarte romantiek’? Dat is voor mij nog steeds niet helemaal duidelijk. Hoe ziet hij zijn eigen drugsgebruik in relatie tot de kritiek die hij uit op Huxley? Er is geen religie of filosofische stroming die patent heeft op de ware mystieke ervaring. Ook de psychotische waan en de de drugs hebben dat patent niet. Maar er zijn wel basisonderscheidingen die gerelateerd zijn aan de christelijk c.q gnostische traditie. In mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering ben ik uitvoerig ingegaan op de gnostische en romantische wortels, niet alleen in de mystiek van Gerard Reve, maar ook in de tegencultuur van de jaren zestig. Bij Kusters mis ik een historische analyse, waarbij de christelijke traditie de aandacht krijgt die zij verdient. Hoe je het ook wendt of keert, die christelijke traditie heeft ons gemaakt tot wie ze zijn.

Untitled  Zo kun je het volgens mij niet maken om de dissertatie van Sytze Ypma in één regel af te doen als een studie uit het ‘traditioneel-mystieke’ kamp. De theoloog Sytze Ypma publiceerde in 2001 zijn boek Tussen God en gekte, een studie over zekerheid en symbolisering in psychose en geloven. Ik las dat boek zo’n tien jaar geleden en ik heb er veel uit geleerd als het gaat om het onderscheid tussen geloofservaring en de mystieke openbaringen die kunnen optreden in een psychose. Wat leert ons de bestudering van de psychose over de praktijk van het geloven? Dat is de vraag die Ypma zich heeft gesteld. Hij geeft daarbij een zeer heldere formulering voor wat een psychose in wezen is. Zo schrijft hij:

‘Een psychose staat niet op zichzelf. Zij is een dramatische uitkomst van een complex van factoren binnen een even complex relatienetwerk zowel op sociaal, psychologisch als op neurofysiologish niveau, zowel binnen als buiten het subject.’

Er is dus altijd een duidelijke relatie met de individuele achtergrond en de psychologische ontwikkeling van degene die in een psychose belandt. Juist daarover lees je bij Wouter Kusters heel weinig. Hij is uiterst spaarzaam met informatie over zijn persoonlijk leven, zijn jeugd, zijn drugsgebruik en de reden daartoe. ‘Nog nooit heb ik een autobiografisch boek gelezen waarin zo weinig over de persoon in kwestie wordt vermeld als in Pure waanzin over Wouter Kusters wordt geschreven.’ Dat schreef Egbert Tellegen in zijn bijdrage in Tegen de tijdgeest terugzien op en psychose (2011). Voor het boek Filosofie van de waanzin geldt die constatering eens temeer. Ook als het gaat om zijn tweede psychose uit 2007 krijgen we niet meer te horen dan dat deze veroorzaakt werd door liefdesverdriet en drugsgebruik. Het lijkt of Wouter Kusters niet alleen afkerig is van de neurofysiologische benadering van de psychose, maar ook van de psychoanalytische benadering weinig wil weten. En daar geeft Sytze Ypma in zijn boek nu juist een heel helder overzicht van. Niet alleen Freud en Lacan komen in deze studie uitgebreid aan bod, maar ook de Angelsaksische traditie van Melanie Klein en W.R. Bion.

De gedachte dat een psychose een dieptestoornis in de vorming van het ik, dat een psychose een oedipale dimensie heeft en alles te maken heeft met een verstoring van de symboliseringsprocessen die gerelateerd zijn aan de rol van de vader en de moeder, dat alles kom je bij Kusters niet of nauwelijks tegen. Ook niet dat de psychose vaak een intrinsieke relatie heeft met narcisme en auto-erotiek. Dat de waan een mislukte poging tot genezing zou zijn om de breuk met de werkelijkheid te herstellen. Dat de psychoticus ‘zijn lichaam niet bewoont’ en dat daar redenen voor te vinden zijn in zijn eigen ontwikkeling en levensloop. Aan dat alles gaat Kusters wellicht wat al te makkelijk voorbij.

Kusters wil de psychose wegrukken uit de klauwen van de medische wetenschap en teruggeven aan het domein van de menselijke ervaring. Dat is een nobel streven, maar dat mag in de praktijk niet inhouden dat je de psychoanalytische benadering, die niet in je straatje te pas komt, dan maar links laat liggen. De radicale verwerping van de realiteit, die in een psychose aan de dag treedt, heeft een relatie met de verstoorde symboliseringsprocessen die ook in de geloofservaring een rol kunnen spelen. Mijn psychose uit 1966 heeft geleid tot geloofsafval of werd daar wellicht mede door getriggerd. Maar het heimwee naar de mystieke ervaring bleef na de psychose bestaan. Ook voor mij ontstond het paradijs pas goed op het moment dat het verlaten werd. Wie het paradijs opzoekt, moet het verlaten. Zoals ook wie God zoekt, Hem zal moeten verlaten. Die les staat zelfs in het Evangelie te lezen: ‘De God die met ons is, is de God die ons verlaat.’ (Markus 15: 34)

Over de verschillen en overeenkomsten tussen de psychotische waan en de geloofservaring schrijft Ypma het volgende:

Een van de verschillen tussen de door geloofsvoorstellingen bemiddelde geloofs-
zekerheid en de zekerheid van de psychoticus over de betekenis van een waan is 
dat de eerste door bemiddeling van een symbolische identificatie ‘totstand komt 
en er bij de tweede een stoornis in het symboliseren optreedt. (…) Dat 
neemt niet weg dat er een beleving van afstand, marge of ruimte kan zijn tussen  het symbool en de ervaring, die het mogelijk maakt om de onmiddellijkheid te 
ervaren zoals voor de psychose kenmerkend wordt geacht zonder als gelovige ook 
psychotisch te zijn, zolang deze ervaring maar binnen de symbolische orde van 
een godsdienstige traditie betekend wordt en corrigeerbaar blijft. Men moet nu 
dus niet concluderen dat de door een onmiddellijke mystieke godservaring 
verkregen zekerheid, waarbij men zichzelf ervaart als geborgen in Gods handen, 
gelijk is aan die van de psychoticus, in geval die ook zou beweren, zich in Gods handen te bevinden. Want, hoewel de inhoud van deze geloofsvoorstelling gelijk 
is en de narcistische bezetting ook gelijk kan zijn, wordt de geloofsvoorstelling in 
tegenstelling tot een waanvariant niet als absoluut beleefd en weet men dat ze 
mogelijk is dankzij een transindividueel godsdienstig of religieus symboolsysteem. Tevens is de geloofsvoorstelling corrigeerbaar terwijl de waan idiosyncratisch is en zich niet makkelijk laat corrigeren.

Dat zijn onderscheidingen waar je iets mee kunt. Ik kon er iets mee in ieder geval. Over het verband tussen mijn eigen psychose, mystiek en mijn geloofsafval schreef ik in Tegen de tijdgeest terugzien een psychose (2011) het volgende:

Mijn plotselinge psychose destijds moet een wanhopige sprong zijn geweest naar het absolute, een poging om een finale samenhang te creëren in de chaos die ik om heen zag ontstaan. Het systeem van wanen, dat opeens in mijn hoofd bleek op te zwellen, moet iets van doen hebben gehad met de naderende teloorgang van het katholicisme. Mijn behandeling in Heiloo was er kennelijk op gericht mijn teveel aan bewustzijn weer onbewust te maken, met het gevolg dat ik achteraf nooit precies heb geweten wat er toen in mijn hoofd omging.

Woorden zitten vastgekleefd aan dingen in de wereld. Misschien zijn ze die dingen wel. Maar zijn de taalverbindingen van het gezond verstand niet even denkbeeldig als de nieuwe relaties die het bewustzijn creëert in een psychotische toestand? Evenals taal wordt geloof gedragen door de eerste verlangens die zich hechten aan de dingen. Het geloof is deels een herbeleving ook van het vroegste beeld dat het kind zich vormt van de ouderen om zich heen. Anderzijds zijn waan en geloof aan elkaar verwant, omdat beide systemen beelden creëren die niet met het gezonde verstand te rijmen zijn. Die verwarring tussen waan en werkelijkheid, tussen geloof en ongeloof, is voor mij nooit geheel verdwenen, zeker niet als het gaat om vreemde herinneringen aan mijn pubertijd.

Zoals een psychose een revolte kan zijn van de geest tegen de ultieme ontkenning van het lichaam, zo is mystiek vaak niet meer dan een oceanisch gevoel van heimwee naar de moederschoot. En toch, juist in Heiloo heb ik een onaards geluk gekend in de ervaring dat de grenzen tussen lichaam en geest volledig kunnen verdwijnen, dat de ziel door de wil bevolen kan worden en niet slechts door de drift. Maandenlang was er geen enkele gedachte aan seks in mijn hoofd. Ik leefde in het paradijs zoals dat door Augustinus wordt beschreven. Maar mijn vroege extase was een ervaring die geen bestaansrecht had. Mijn waan kwam niet voort uit een flits van de zon, maar uit gekoesterde verlatenheid op de drempel van een afscheid.

3 Reacties

De ontmaskering van de tijd

‘Het Ene bij Plotinus staat ‘buiten de aardse tijd’. Er is wel tijd ‘daarboven’, 
maar dat is de zuivere perfecte (non-)tijd van de eeuwigheid. Deze verstrijkt 
niet en kent geen uitgestrektheid. In dit domein van eeuwigheid staat alles 
stil’, maar alles is er ook ‘levend’. Contact met deze buitentijdse hogere 
wereld is mogelijk door zuiver te denken en te contempleren. In de eeuwigheid van het Ene en in de unowaan vindt geen voortgang of verandering 
plaats. Er is geen verleden, heden of toekomst. Wanneer het Ene in de unowaan meer wordt ‘ingevuld’, krijgt het een 
mythische structuur . De geschiedenissen en verhalen 
van ‘daarboven’ gaan nooit echt voorbij. Het Ene zit vast in een tijdloze loop. De eeuwige wederkeer van hetzelfde voltrekt zich in het niet-bestaan van het oneindig dunne maar eeuwige heden.’

Aldus Wouter Kusters in Filosofie van de waanzin. Hij schrijft dit in het derde deel van zijn boek, waarin hij verschillende typen van waanzin bespreekt, geordend in vier  – het Ene, het Zijn, Het Oneindige en het Niets. Ieder tyoe waanzin heeft eigen relatie et mystiek. Ook verschillende filosofen zijn met deze typen waanzin te verbinden. Bij de eerste staat Plotinus centraal. Wat mij vooral treft in het citaat hierboven is de laatste zin:

‘De eeuwige wederkeer van hetzelfde voltrekt zich in het niet-bestaan van het oneindig dunne maar eeuwige heden.’

Telkens weer lijkt het of Wouter Kusters op filosofische wijze de oerervaring van de psychotische waan wil reconstrueren en van daaruit een brug wil slaan naar de verschillende vormen van mystiek. Die oerervaring heeft voor Kusters zelf iets gemeen met de mystieke ervaring die Plotinus wellicht ooit heeft gehad, maar ook met wat Husserl heeft benoemd als de voorgeconstitueerde oergrond van het fenomenale tijdsbewustzijn. Die oergrond is tegelijk een grondeloosheid, het grote niets, waarin de tijd als ervaring van tijd oprijst in het bewustzijn. De ontdekking van die grondeloze grond van het bestaan voltrekt zich in de psychose als een ontmaskering van de tijd. De tijd komt bloot te liggen. De tijd verruimtelijkt. De tijd verdwijnt en neemt tegelijk alles in bezit. Er klopt iets niet. De tijd ‘ont-tijdt’ in het ‘ver-tijdelijken’. De lijn wordt een cirkel en de cirkel wordt een lijn. Punt. (RETURN)

Ik ben geboren in een tijd waarin men dacht dat alles nieuw en echt moest zijn. Sterker nog, het nieuwe viel samen met de tijd zelf. Het nieuwe was een voortdurend proces van presentatie. Met het postmodernisme kwam de grote ommekeer: het nieuwe werd opeens het besef dat juist de herhaling altijd weer iets nieuws oplevert. Het nieuwe werd dus voortaan de representatie. Evenals de Barok was het postmodernisme in diepste wezen een fase van rouw om een verdwenen samenhang, een eindeloos proces van recycling van fragmenten en brokstukken. De nostalgie, zo ontdekte men, is een ideale drijfveer om die brokstukken samen te voegen tot een nieuw verband, ook al is er niets veranderd. Ook het woord van Prediker krijgt voor mij dus een nieuwe betekenis: ‘Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.’ Die woorden betekenen voor mij zoiets als het volgende: Ruimte open laten voor een gevoel van verwondering dat er toch iets nieuws onder de zon is. Iets dat er altijd al was, maar juist in de herhaling voor een moment niet verklaard en nauwelijks beschreven kan worden.

Al lezende in het boek van Wouter Kusters realiseer ik mij dat ik ook vaak bezig ben geweest om op filosofische wijze de kernervaring van een psychose te reconstrueren. Je wilt weten wat het betekent als de tijd ontmaskerd is en bloot komt te liggen. Als de machinerie is ontspoord en je niet meer ‘waar’ je bent, noch in de tijd noch in de ruimte. Ooit heb ik iets die ervaring weer gehad, toen ik een foto zag waarop ik de beeltenis van mijzelf meende te zien. Het was geen déjà vu, maar iets anders. Ik was niet alleen ‘daar’, maar ook ‘hier’. Ik was ‘daar’ op een foto uit 1961. Maar ook ‘hier’, dertig jaar later: in 1991. In las in die tijd ik ingewikkelde over boeken over kwantummechanica en het differentie-denken van Derrida (volgens Derrida: differantie-denken) en ik probeerde mij te verdiepen in zulke ongrijpbare zaken als ‘zelf-referentie in taal en teken’ en ‘de onvolledigheidstelling van Gödel’. Ik dacht dat die twee iets met elkaar van doen hadden. En om het helemaal ingewikkeld te maken (want ik hield in die tijd van ingewikkelde dingen): Ik verkeerde in de veronderstelling dat bij het zoeken naar God de wiskunde meer zekerheid kan bieden dan welke religie dan ook. Maar laat ik bij het begin beginnen.

In 1991 nam ik deel aan een essay-prijsvraag die was uitgeschreven door het ECI. Het thema was: ‘De lezer tussen woord en beeld.’ Ik vond dat een intrigerend gegeven. Wat gebeurt als de lezer leest? Het lezen van een tekst kost een zekere tijd. De tijd verstrijkt, terwijl je leest. Terwijl u deze tekst leest, tikken de seconden weg. Elk woord is weer een fractie van een seconde en zo kruipt de tijd door de taal. Of beter gezegd, zonder de tijd zou de taal niet kunnen bestaan. De tijd is een uitbreiding van de geest, waardoor we de taal kunnen spreken en consumeren. Een tekst is daarom en loper van woorden, die in de tijd is uitgerold. Vanuit die gedachte begon ik een schema te tekenen voor mijn essay. De inzendtermijn was 15 januari 1991. Die datum kan ik me nog goed herinneren, omdat de dag daarop de Eerste Golfoorlog uitbrak. Het ultimatum aan Saddam Husssein om Koeweit te verlaten was verlopen en de eerste kruisraketten vlogen richting Bagdad. Er kwamen ook nog een paar Scud-raketten op Tel Aviv terecht, maar dat was uitstel van executie.

De weken daarvoor was ik druk aan het schrijven geweest. Ik had een nogal ingewikkeld verhaal op papier gezet, uitgaande van de gedachte dat alles er al is. Alle teksten, die je kunt bedenken, zijn al geschreven. Bovendien bestaat er niet zoiets als ‘tijd’. Tijd wordt door het bewustzijn zelf geconstitueerd en specifiek door toedoen van de representatieve functie die in ‘taal’ aanwezig is. Taal en tijd zijn dus intrinsiek met elkaar verweven. Daarover ging mijn verhaal. Ik wilde die verwevenheid zichtbaar maken en vervolgens elimineren. Kortom, ik wilde een tekst schrijven die zich verplaatst als een een golf in een reeds bestaand ‘taal-zwembad’. Dat wil zeggen: een vertoog zonder ‘uitstel’ en ‘verschil’, de basiskenmerken van de representatie. Een tekst ook zonder tijd en zonder ruimte. Een tekst die een leegte zichtbaar maakt. Een vertoog dat tegelijk analyseert en vertelt. Deze tekst zou moeten variëren op iets wat er al is, en tegelijk een herhaling zijn van iets wat er al was. Maakt u geen zorgen, als u dit alles niet begrijpt. Ik vraag me nu af, of ik het zelf destijds wel begreep.

Hoe dan ook, bij deze procedurele manier van schrijven kwamen de woorden als vanzelf. Malgré moi, zoals Rimbaud zou zeggen. Ik werd mij ervan bewust, dat er altijd een denkbeeldig oog is dat naar mij kijkt op het moment dat ik iets schrijf. Je zou dit ‘het oog van de cycloop’ kunnen noemen. Het verhaal ging over het ontstaan van het verhaal, en dat was het verhaal. Ik verzon een list om aan de cycloop te kunnen ontsnappen. Om aan de representatie te ontsnappen. Om te ontsnappen aan de tijd die in de taal zelf aanwezig is. Ik zocht naar ‘a concept of time that theoreticaly embraces the necessarily intrusion of representation.’ Ik weet niet meer van wie die zin is, maar ik denk dat ik hem gelezen had in The deconstruction of time. Dat boek was geschreven door een zekere David Wood. Ik kocht het in 1989 bij De Slegte voor 65 gulden. Dat was een heel bedrag voor een tweedehands boek. Maar het was niet tweedehands. Het was splinternieuw en nog ongelezen. Dat intrigeerde mij.

Ik weet ook de dag nog dat ik het kocht. Het was vrijdag 9 november 1989, de dag dat de Berlijnse muur viel, maar dat hoorde ik pas de dag daarop, toen ik weer terug was in Leeuwarden. ’s Avonds zag ik Freek de Jonge in Carré. Hij zong A perfect day van Lou Reed, niet wetend dat heel Berlijn op zijn kop stond. Het boek van David Wood heb ik vervolgens gelezen of beter gezegd gespeld. Het thema fascineerde mij: de de-constructie van de tijd. Het was een overzicht van het postmoderne denken over taal en tijd, voortkomend uit de fenomenologie van Husserl, het existentie denken van Heidegger en uitmondend in het deconstructie-denken van Derrida. Maar wat ik werkelijk gehoopt had, bleef uit. De auteur legde geen enkel verband tussen het denken van deze filosofen en de bevindingen over het fenomeen ‘tijd’ in de hedendaagse natuurkunde. Alle natuurkundige theorieën over tijd deed hij al in de inleiding af als zijnde irrelevant. Dat waren ‘verruimtelijkingen’ van de tijd. Tijd is geen ruimte, zo beweerde hij. Tijd is een proces van verschijnen en verdwijnen dat zich voortdurend in je bewustzijn voltrekt. Dat is het ware kenmerk van de tijd. Tijd zit dus tussen je oren.

Van daaruit begon ik te fantaseren. De tijd is een glijbaan naar de dood, zo bedacht ik bij mezelf. Taal is een vluchtpoging om aan die glijbaan te ontsnappen. De taal creëert een schijnbaar permanente ruimte van aanwezigheid door de werking van het teken dat het ‘nu’ herhaalbaar maakt. Taal stelt de dood telkens weer uit door het opschorten van een verdwijnende aanwezigheid. Zo ontstaat een voortdurende, ideale schijn-situatie, waarin de dood wordt ontkend. De aanwezigheid – de ‘ousia’ – is de grondtrek van het Zijn. Sinds Aristoteles is deze grondtrek van het Zijn gecorrumpeerd. In zijn denken over Zijn en tijd probeerde Heidegger de authenticiteit van het Zijn te redden door middel van de existentie, maar is het wel mogelijk om de representatie, die voortdurend in de taal werkzaam is, uit te sluiten. De late Heidegger vatte het Zijn op in termen van een gebeuren: ‘Es gibt Ereignis.’ Maar de taal is doorboord met afwezigheid, zo beweert Derrida. De tegenwoordigheid van het tegenwoordige komt voort uit een voortdurende herhaling – het verglijden van de tijd – en niet omgekeerd.

Tegenwoordigheid ontstaat bij de gratie van het voortdurend wegglijden in het verleden. De taal drukt uit en wijst aan, maar volgens Derrrida is er geen verschil tussen expressie en indicatie. Er is geen authentieke oorsprong in de taal. Geen ‘ik’ als zuivere bron, waar de zinnen uit opborrelen. Het ‘ik’ is een schijn-constructie. Het wordt voortdurend gegenereerd door de relatie tussen het uitstel – dat in het teken werkzaam is – en de dood. Het spoor, dat de tekens nalaten, is een effect zonder oorzaak. Derrida is voortdurend op zijn hoede om niet terug te vallen in de metafysica. De taal is in zijn optiek als een vloeistof zonder fles, maar je hebt wel een fles nodig om over de vloeistof te kunnen vatten. De metafysica is als een oplosmiddel dat ook de fles oplost, waar de vloeistof in zit. De grootse angst, die met een psychose gepaard gaat, wordt door de filosofie van Derrida bevestigd. Er is geen ‘ik’. Er is alleen ‘leegte’. Elke vorm van kennis is zoiets als het zien van je eigen voetsporen die je telkens weer tegenkomt als je in cirkels rondloopt.

Ik heb de ECI-prijs in 1991 niet gewonnen, omdat mijn inzending niet aan de criteria van de prijsvraag voldeed. Eigenlijk was het helemaal geen essay, dat ik geschreven had, maar iets tussen een verhaal en een beschouwing in. Daarna ben ik er opnieuw aan gaan schaven. Van de week vond ik een notitieboekje terug met allemaal schema’s die ik destijds getekend heb, voordat ik met schrijven begon. Het verhaal is uiteindelijk wèl gepubliceerd, zij het in een wat uitzonderlijk vorm, in het nulnummer van het periodiek Praktikabel, podium per post, dat in juli 1992 verscheen. De titel werd uiteindelijk De taalmachine van Tinquely. Gerard Groenewoud had de tekst vormgegeven op de wijze waarop Willem Sandberg dat zou hebben gedaan. Het werd afgedrukt op bruin pakpapier met een foto van de tentoonstelling Bewogen beweging op een transparant inlegvel.

Met het verschijnen van deze tekst was een traditie in gang gezet. Veel van mijn  teksten verschijnen sindsdien niet in de vorm waarvoor ze ooit zijn bedoeld. Zo schreef ik in 1995 op verzoek van het kunstenaarsinitiatief Hooghuis in Arnhem een tekst getiteld Homeward bound, De domesticatie van de kunst in de jaren tachtig. Zij weigerden de tekst te publiceren in hun jubileumbundel, maar hij verscheen in 1996 wel in het laatste nummer van het tijdschrift Kunst en Museumjournaal. In 1997 schreef ik op verzoek van Kees ‘t Hart een verhaal voor De Revisor met als titel Het was in Nevers. De redactie van De Revisor weigerde het te publiceren, maar het verscheen in 1999 wel in Trotwaer. Op verzoek van het Jaarboek van het Fries Genootschap schreef ik in 2001 een tekst over denkbeeldige werelden, getiteld Adieu/A Dieu. De redactie – en met name Goffe Jensma – weigerde deze tekst te publiceren, maar hij verscheen in februari 2002 wel in het laatste nummer van Praktikabel, podium per post.

Als een tekst in een ander medium – of zelfs in aan ander format of een ander lettertype verschijnt – dan kan er iets nieuws aan het licht komen, iets dat eerder niet in de tekst aanwezig was. De inhoud van een tekst is nooit statisch, maar altijd veranderlijk al naar gelang de veranderende context. Elke tekst evolueert in de tijd en keert telkens weer terug in een andere gedaante, in een ander laag van verbanden, waarin de wereld die er ooit was opeens een andere werkelijkheid wordt. Zo komt niet alleen in het proces van de herinnering, maar ook in dat van de artistieke creatie telkens weer een eenheid tot stand tussen binnen en buiten, heden en verleden. De creatio ex nihilo is een illusie. Elke scheppingsdaad komt voort uit een laag van herinneringen, waardoor voortdurend nieuwe interacties ontstaan, niet alleen tussen het brein en de werkelijkheid, maar ook tussen toen en nu, tussen toen en toen, tussen ooit en nooit. Tot op zekere hoogte is het schrijven nooit anders dan een proces van herinnering dat niet als herinneren wordt herkend. Scheppen is een vorm van cryptomnesie. De tekst die zich als nieuw aandient, was altijd al ergens aanwezig, anders kan het brein zich hem letterlijk niet ‘her-inneren’. Schrijven gaat ‘als vanzelf’. Schrijven is herschrijven, tot je er bij neervalt.

Zo verschijnen mijn teksten vaak opnieuw en soms ook in een andere vorm. Dat wordt dan een vorm waarvoor ze oorspronkelijk niet bedoeld waren. Ook deze tekst van vandaag is herschreven en zo ‘als vanzelf’ ontstaan. Ik draai in cirkels rond. Er gaat iets rondtollen, rondtollen, rondtollen….tollen…. ollen…..0….0….0…..Ω….Ω….Ω…. Nu ik me daarvan steeds meer bewust word, kom ik telkens weer terug bij af. Dat wil zeggen, bij de gedachte dat alles er al is. Ik wil niets meer publiceren, want alles is al gepubliceerd. Om iets nieuws te creëren hoef ik het bestaande alleen maar te herordenen door een golfbeweging in het water te laten ontstaan. Ik beweeg mijn vinger door het water en schrijf: ‘Ik beweeg mijn vinger door het water en schrijf.’ Het is zoals het is, dat wil zeggen: zoals het altijd al was. Inderdaad, er is niets nieuws onder de zon. En ook dat was al lang bekend.

‘De eeuwige wederkeer van hetzelfde voltrekt zich in het niet-bestaan van het oneindig dunne maar eeuwige heden.’

Zie ook mijn blog: Yesterday came suddenly

2 Reacties