2002

Het is juli 2002. Even uitblazen in de tuin met een glas campari. Dat deden Marijke en ik vaak in die tijd. Er lagen een paar bewogen maanden achter ons. Eind mei was ik met FRyXOS naar Toulouse afgereisd. Daar was een internationaal taalfestival: het Forum des Langues du Monde. FRyXOS (een contaminatie van Frysk en Fluxus) was een groep kunstenaars en dichters die we het jaar daarvoor hadden opgericht. We verbleven een week in Frankrijk en een dag na mijn thuiskomst  sprak ik op een landelijk symposium over kunst en landschap in kasteel Groeneveld in Baarn.

Daarna werd het een gekkenboel. Ik holde van het ene incident naar het andere. Om me heen werd er flink gekonkeld en aan de poten van mijn stoel gezaagd. Er is maar één uitweg, dacht ik: een vlucht vooruit. In de laatste weken voor de zomervakantie stond ik zowat dagelijks in de krant. Een ‘gruwelijke bustocht‘ langs lelijke gebouwen in Friesland, die ik samen met Peter Karstkarel organiseerde, haalde alle landelijke media, zelfs het NOS-Jouraal. Twee dagen daarna, 29 juni, overleed Sikke Doele. Toen ik het hoorde was ik met een bus vol Friese kunstenaars op weg naar de Documenta in Kassel. In het ziekenhuis had Marijke nog meerdere keren met Sikke gesproken… en gelachen, want die twee konden het goed met elkaar vinden. Sikke lag op de afdeling waar Marijke de bloemen en het fruit verzorgde.

Maar ook in de weken daarvoor gebeurde van alles. Twee dagen voordat Pim Fortuyn werd vermoord, op 4 mei, werd in het Fries Museum een tentoonstelling geopend over Franciscus. Kees ’t Hart had de tentoonstelling samengesteld. Emiel Ratelband sprak het openingswoord. Ik was er niet bij, want ik lag die dag op bed met een kaakontsteking. Mijn kaak begon dat weekend steeds dikker te worden. Maandag ben ik nog even naar mijn werk gegaan, maar het was geen gezicht. Mijn wang zag er uit als een opgeblazen ballon. ’s Middags ben ik maar weer naar bed gegaan, want de pijn werd ook steeds erger. De dag daarop had ik een afspraak bij de kaakchirurg van het MCL. Ik nam wat aspirientjes en viel in slaap.

Om ongeveer half zeven hoorde ik Jurriaan opeens de trap opstormen. ‘Ze hebben Fortuyn neergeschoten!’ riep hij. Ik ben uit mijn bed gestrompeld en heb vanaf dat moment verdoofd voor de beeldbuis gezeten. Het duurde nog ruim een uur voordat bekend was dat Pim Fortuyn was overleden. Het werd een rare avond. Heel onwezenlijk. De volgende dag was het opeens bloedheet weet ik nog wel. Ik fietste naar het MCL en werd geopereerd met plaatselijke verdoving. Een verstandskies die behoorlijk ontstoken was, moest eruit. Ik hoorde ze hakken in het bot. Dat was geen leuk gehoor. Onderwijl gingen mijn gedachten uit naar Fortuyn.

Op de voorpagina van de Volkskrant had die ochtend en verschrikkelijke foto gestaan. En zoals dat gaat met dat soort foto’s. Ik heb er een hele tijd verstijfd naar zitten kijken. Naar dat bloed dat door het verband heen drong. Ik verbeeldde mij hoe de gaten in de schedel eruit zagen. Waar de kogels erin waren gegaan en waar er weer uit.

Na de operatie ging ik per fiets naar huis. Of beter gezegd, ik fietste eerst naar de Verlengde Schrans. Daar was een condoleanceregister geopend in het hotel waar Pim Fortuyn die nacht geslapen zou hebben. Toen ik aankwam hing er een naargeestige sfeer. Er waren een paar mensen. Op een kleine bureautje stond een ingelijste portretfoto van Fortuyn. Ik tekende. Ik geloof niet dat ik er nog iets bijgeschreven heb. Schandelijk, dacht ik, schandelijk dat doet in Nederland heeft kunnen gebeuren. Naast verontwaardiging en woede, was het vooral schaamte wat ik voelde.

Die week ben ik in bed gebleven. Mijn wang nam langzaam weer normale proporties aan. De voorpagina van de Volkskrant – met die verschrikkelijke foto – heb ik bewaard. Ik heb hem nog altijd. Een paar weken daarna heb ik die foto ingelijst. Ik ging met vakantie en kocht alle boeken van Fortuyn. Ik wilde ze allemaal lezen. Dat heb ik in die vakantie ook gedaan.

Op 16 augustus belde Wiebe Pennewaard van de Leeuwarder Courant. Hij wilde mij interviewen voor de zaterdagbijlage. We spraken af bij café Wouters. Een van de eerste vragen ging over Pim Fortuyn. Waarom ik die foto in het Fries Museum had opgehangen. Ik heb de tekst van dat zowat paginagrote interview er nog eens bij gepakt. Dat prachtige, slappe Friesland. Huub Mous en de kunst om te verliezen. Zo luidde de kop. Het begint als volgt:

“Natuurlijk zou de LPF nooit zijn stem krijgen haast hij zich te verzekeren. Maar gek: de laatste tijd voelt Huub Mous een vreemde verwantschap met Pim Fortuyn. Ook babyboomer uit 1947, ook een Randstedelijke katholieke achtergrond, briljant maar miskend door zijn omgeving. De consulent kunstwerk vindt in de boeken veel terug over netwerken die als een sluier over de maatschappij liggen. Als dit ergens het geval is dan is dan is het in Friesland. Die prachtige provincie waar niemand durft te kiezen.”

En het interview eindigt als volgt:

Veel van zijn opvattingen over de samenleving, in het bijzonder de Friese, vindt hij deze dagen terug in de boeken van Pim Fortuyn. Dies visie op de verwevenheid van politieke en andere netwerken maakt een “vreemde bewondering, een vreemde verwantschap” in Mous los. “Als zou ik natuurlijk nooit op hem gestemd hebben. Op punten slaat Fortuin wellicht door, maar hij scoort voor Mous in het naar boven halen van maatschappelijke waarheden. Die weet hij op een heel ontroerende manier te verwoorden. Merkwaardig dat bij mij dit beeld zo uitkristalliseerde.” Fortuyn weerstand tegen gesubsidieerde Kunst, noemt Mous, toch opgegroeid met de Beeldende kunstenaarsregeling, “misschien een onontkoombare ontwikkeling.” Hij noemt feiten en omstandigheden op die zijn verwantschap met Fortuyn’s ideeën kunnen verklaren. Maar voelt Mous zich in eigen kring miskend, zoals hij van Fortuyn vaststelt? Hij zwijgt, schudt dan zijn hoofd, hij voelt zich thuis en happy in Friesland.

Toen ik het interview las in de krant, lag ik in het ziekenhuis. Er was al enige tijd fysiek iets mis met mij, wat ik te laat in de gaten kreeg. Ik had niet door dat ik met mijn krachten aan het smijten was. Twee dagen na het intervieuw kreeg ik plotseling geen lucht meer. Grote paniek. Voor het eerst van mijn leven heb ik toen ware doodsangst gekend. Ik scheet letterlijk in mijn broek.

Toen ik in het ziekenhuis tot bedaren kwam, dacht men even dat het een hartaanval was of een longembolie. Uiteindelijk bleek het een acute astma-aanval te zijn geweest. Marijke kwam twee keer per dag langs. Even nog had ik gehoopt dat ze ook bij mij fruit en bloemen zou komen verzorgen, maar ze werkte op een andere afdeling. Geen moment was zij in paniek geweest. Integendeel, bij hoge golven op zee was zij juist op haar best. Het leek of er dan iets van haar af viel.

Na twee weken was ik weer thuis. Daarna weer veel te gauw naar het werk, waar de sfeer overigens nog steeds niet gezond was. Ik begon me af te vragen of ik mijn pensioen nog wel zou halen, als het nog langer zo door zou gaan. Het nieuwe CBK, dat er moest komen, gaf alleen maar gedonder. Keunstwurk zou bovendien gaan fuseren met Theater Romein.

Eind december had ik er genoeg van en gooide de handdoek in de ring. ‘Laat mij maar naar Theater Romein gaan’, zo liet ik mijn directeur weten. Hij glunderde net iets te uitbundig. Later hoorde ik dat hij zich had laten ontvallen, dat het CBK er nooit zou komen, zolang ik niet met pensioen was. Kortom, mijn aanwezigheid op zich was voor anderen een probleem geworden.

Marijke bleef ondertussen de rust zelve. We begonnen alleen wat veel te drinken. Elke avond moest ik mijn verhaal kwijt over wat me nou weer was overkomen. Dat gedonder op mijn werk zou nog vijf jaar duren, zij het in steeds wisselende omstandigheden. In 2007 zou ik zestig worden en dan kon ik eindelijk met vervroegd pensioen. Vaak heb ik in die tijd gedacht om ermee te stoppen en me definitief ziek te melden. Maar Marijke sleepte me er telkens weer doorheen.

In het ziekenhuis had ik een televisie boven mijn bed. Daar zag ik een keer laat op de avond, met een zuurstofslang in mijn neus, een clip van Robbie Williams. Feel, zong hij.

I sit and talk to God
And he just laughs at my plans
My head speaks a language
I don’t understand

Of het nu door de prednison kwam of door mijn geschokt gemoed, opeens stroomden de tranen over mijn wangen. Ik doe iets verkeerd, dacht ik. Dit moet anders.

Reageer

2001

Het is eind september. Marijke zit op het terras van het strandpaviljoen nabij Hindeloopen. We waren  op de terugweg van de herdenking van de slag bij Warns.  Tussen alle vlaggen hing daar dat jaar ook een Friese vlag, waarvan de pompeblêden vervangen waren door het silhouet van Mickey Mouse. Dat was een idee van Marga Houtman in het kader van de manifestatie Freezing Mickey.

Ik kwam net terug van een busreis naar de Biënnale in Venetië. Die reis was bijna niet doorgegaan vanwege de aanslagen in Amerika. Twee vliegtuigen boorden zich in de Twin Towers. Ik had er dagenlang gefascineerd naar zitten kijken. En wie niet. Marijke ging niet mee naar Venetië maar bleef thuis bij de kinderen. Ze vertrouwde het niet. In de krant stonden berichten over een naderende atoomoorlog. De wereld stond even compleet op zijn kop. Nooit zou het meer worden als daarvoor, maar dat wist ik toen nog niet.

In de zomer had ik een essay Goddeloosheod in Utopia geschreven, op verzoek van het Fries Genootschap, maar die wilden het niet publiceren om redenen die mij nooit duidelijk zijn geworden. Ik begon met een dagboek op de dag na 11 september. ‘There’s someting rotten in the state of Denmark,’ zei ik tegen mezelf. Er werd druk gewerkt aan een nieuw Centrum voor Beeldende Kunst in de Infirmerie. Een paar mensen in mijn directe omgeving hadden een dubbele agenda. Maar ik had geen zin om de rol van Hamlet te spelen. Dat schrijven in een dagboek heb ik ruim twee jaar volgehouden. Toen heb ik alles weggegooid. Een mens kan zich zelf niet begrijpen. Hoe meer je dat probeert, hoe meer je jezelf voor de gek houdt.

Met 9/11 is dat precies zo. De betekenis van dit gebeuren is nog steeds niet in volle omvang duidelijk. Kort na de aanslagen werd ik door Piet Hemminga – mijn voormalig directeur bij de Fryske Kultuerried – gevraagd om een zogeheten Brekpuntlêzing te houden in It Aljemint van de Fryske Akademy. Dat verzoek had niets met de aanslagen in Amerika te maken. Brekpuntlêzingen vonden destijds elke maand plaats, tijdens de lunchpauze met een broodje met koffie achteraf.

Ik mocht mijn onderwerp zelf kiezen. Voor mij was meteen duidelijk dat ik het maar over één ding kon hebben: kunst na 11 september. Hoe moest het verder met de wereld – en vooral met de kunst – na deze verschrikkelijke terreuraanslagen. De kranten stonden er elke dag vol mee. Het was wat je noemt een hot item waarmee je bij voorbaat alle ogen op je gericht had. Mijn lezing vond plaats op 14 november en trok opmerkelijk veel belangstelling.

Het onderwerp ‘terrorisme en kunst’ bleef  me intrigeren. Ik gaf ook nog een lezing in Groningen en vanaf dat moment zou ik gastcolleges gaan geven op Academie Minerva op uitnodiging van Bartle Laverman. Elke week twee uur. Ik besteedde er veel aandacht aan en kreeg ook veel feedback van mijn studenten. Avonden lang zat ik voortaan begraven in de boeken en bereidde mijn powerpoint-presentatie voor. Later gaf ik dezelfde lezingen ook in de Infirmerie. Beter een goed leraar dan een slecht hoogleraar, zei ik wel eens tegen mezelf. Of zoals de Friezen zeggen: As it net kin sa’t it moat, dan moat it mar sa’t it kin.

Toen ik nog studeerde had ik een één ding voorgenomen: zorg dat je nooit voor de klas komt te staan. Maar nu, daar in dat fraaie auditorium in Groningen, genoot ik ervan. Het jaar 2001 was in menig opzicht een breukjaar. De verzakeling op mijn werk nam toe. Opeens moesten we uren gaan schrijven. De grens tussen werk en  gewoon doen wat je leuk vond had voor mij nooit bestaan. Die wilde ik ook niet kennen. Maar er kwam een nieuwe diersoort in de arena: de managers. Daar zou ik de komende jaren nog veel mee te stellen krijgen.

Marijke was ondertussen vrijwilligster geworden in het MCL. Ze verzorgde daar de bloemen en het fruit voor de patiënten. Zo leerde ze elke uithoek van dit ziekenhuis kennen, waarin ze in de jaren daarop nog menigmaal zou terugkeren. In de zomervakantie hebben we samen nog veel gefietst. We inspecteerden alle terrassen van de provincie op de kwaliteit van witbier.

Herman Brood sprong op 11 juli 2001 van het dak van het Hilton Hotel. Hij had nog een hit met een gouwe ouwe: My way.

Reageer

2000

Het is juli 2000. In het Simmer Café in Schouwburg De Harmonie werd Kolonel Sjaarda Hzn ondervraagd door Geart de Vries, destijds van Omrop Fryslân. Mijn hoofd is nog net op de achtergrond te zien. Marijke heeft deze foto genomen. Zij was toen van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat in De Harmonie aanwezig om daar de informatiestand van het Frysk Festival te bemannen. Ik draafde drie weken lang van hot naar her, maar Marijke was de rust zelve in het oog van de orkaan. Bij het Simmer Café was het elke avond feest. We aten en we dronken daar en iedereen kwam langs. Om vijf uur ging Marijke even als een speer naar huis om wat eten voor de kinderen in de magnetron te gooien.

Alles lijkt onder controle op deze foto, maar dat is schijn. Even later zou er een bom ontploffen. Tenminste, dat dacht iedereen die daar aanwezig was. Er volgde een harde knal en buiten was overal rook te zien. Zelfs het brandalarm ging af en in een mum van tijd stond er een brandweerwagen voor de deur. Kolonel Sjaarda verliet in allerijl het podium om de noodtoestand af te kondigen en zijn Friese leger in stelling te brengen om it heitelân te verdedigen tegen de terroristen.

Uiteraard was dit alles in scene gezet, maar dat wisten de aanwezigen toen nog niet. In 2000 kon je zoiets verzinnen. Het was nog een jaar voordat de aanslagen van 9/11 de wereld zouden opschrikken en haar onschuld definitief lieten verliezen. Theatermaakster Hilde Mulder, die samen met de kunstenaar Auke de Vries dit project had bedacht, had weken daarvoor het vuurwerk ingekocht bij S.E. Fireworks in Enschede, niet wetend dat de fabriek op 13 mei in de lucht zou vliegen bij de grote vuurwerkramp. Het was een explosief jaar, dat jaar van de milleniumwende.

Simmer 2000 was een grote manifestatie, waarbij alle Friezen uit de hele wereld werden uitgenodigd om terug te keren nar hun geboortegrond. It paad werom, dat was het motto. Friesland haalde drie weken lang alles uit de kast. Hoe is het te verklaren dat Friezen zo ontvankelijk zijn voor een plotseling gevoel van massale opwinding? Een collectieve ervaring van flow kan ineens de hele gemeenschap in bezit nemen zodra een verlossend codewoord is uitgesproken: ‘It giet oan’, ‘It sil heve’, ‘We geane los!’. In die uitzonderlijke toestand treedt een eigenaardig mechanisme aan het licht.

Het verscholen probleem van Simmer 2000 was echter de vraag hoe tijdens de millenniumwisseling collectief uiting kon worden gegeven aan een gevoel van vaderlandsliefde zonder te vervallen in uitgesproken nationalisme. Dit soort dubbel gecodeerde intenties hebben meestal een verlammend effect. Maar in Simmer 2000 kiepte dit mechanisme plotseling om in een massale explosie van euforie.

Alles wat nep is werd ineens echt. Wat zich aandiende was de Friese coming out van hedendaagse volkscultuur in het tijdperk van SBS6, een zich zelf genererende emotie van de massa. De meeste commotie tijdens deze manifestatie werd veroorzaakt door Kolonel Sjaarda Hzn en zijn Friese leger. De ironische verwijzing naar een militaristisch gegeven werd niet door iedereen gewaardeerd. Het bestuur van het Frysk Festival heeft dan ook lang geaarzeld om het groene licht voor dit project te geven. Ik moest praten als Brugman, maar uiteindelijk gingen ze dan toch overstag.

Het idee kwam er in essentie op neer, dat de aanwezigheid van het Friese leger tijdens de manifestatie als vanzelfsprekend werd beschouwd en de omvang ervan voornamelijk op suggestie zou berusten. Het bespelen van de media was dan ook een cruciaal aspect van het project. Verder werden allerlei situaties bedacht die uit theatraal oogpunt een duidelijke regie behoefden. Centraal stond de figuur van kolonel Sjaarda Hzn, een oude naam uit de Friese adel met een militaristisch verleden.

Zijn rol werd gespeeld door gelegenheidsacteur Oeds Westerhof, die destijds mijn directeur was bij Keunstwurk. Zijn kostuum, dat door Auke de Vries was ontworpen, had licht absurdistische trekken, maar dwong daarnaast ook duidelijk ontzag af voor de militaire autoriteit. Twee jaar geleden – in september 2015 – ben ik met Oeds Westerhof nog naar Den Haag afgereisd om daar Auke de Vries te verleiden om een standbeeld voor kolonel Sjaarda te ontwerpen, dat in het kader van CH2018 op het Oldehoofsterkerkhof in Leeuwarden zou worden onthuld. Het heeft niet zo mogen zijn. Auke de Vries zag het niet zitten.

Al met al 2000 werd een raar jaar met dat Simmergedoe. Gaandeweg begon het me steeds meer tegen te staan. Er ging ook van alles mis. John Körmeling kwam niet opdagen in de Ecokathedraal van Louis Le Roy. Ik kreeg ruzie met Rimmer Mulder, de hoofdredacteur van de LC,  die een interview met Kolonel Sjaarda uit de krant liet verwijderden toen de persen al zowat draaiden. Met die andere hoofdredacteur – Sybe van der Meulen – kreeg ik het ook aan de stok. Hij strooide nog wat zout in de wond door het project van kolonel Sjaarda compleet af te kraken in een hoofdredactioneel commentaar. Al die opgeklopte liefde voor it heitelân begon bedenkelijke trekjes te krijgen.

Simmer 2000 ontaardde uiteindelijk in een soort massapsychose. Bij het slotfeest in het FEC kreeg ik het Spaans benauwd. Op het laatst sprongen mensen op de tafels om uit volle borst Friese liederen te gaan zingen. Het deed me denken aan een bierhal in München waar ik ooit eens gillend ben weggelopen.

De coördinator van de Simmer, Jaap Castelein, maakte er het jaar erop een eind aan zijn leven. Zijn huwelijk was op de klippen gelopen. Hij was de gangmaker geweest op het verkeerde feest. In zijn ogen was ik dat misschien ook wel. Als artistiek leider van het Frysk Festival zat ik op de stoel die vóór 1993 van Jaap was geweest, die toen mijn adjunct-directeur was bij de Fryske Kultuerried. Tussen ons was de relatie altijd goed gebleven. Maar zijn zelfmoord in de herfst van 2001 zou een schaduw werpen op de herinnering aan deze historische manifestatie.

De Friezen om útens keerden voor één keer terug vanuit hun wrede paradijs. Bij de slotmanifestatie in het FEC zong Syb van De Kast vol overgave een Friese versie van Paradise by the Dashboard Light. Het dubbele gevoel, waar dit lied over gaat, herkende ik wel. Ik heb mijn liefde ook nooit geheel aan Fryslân willen geven. Let me sleep on it…. Let me sleep on it … .

Toch schreef ik in die zelfde zomer, toen de  Simmer al voorbij was, nog een groot artikel voor het jaarboek van het Fries Genootschap. De kleur van Friesland. Dat was de titel. Het zou het eerste hoofdstuk worden van mijn gelijknamige boek dat acht jaar later zou verschijnen.  ‘Verveel jij je niet in deze baan?’ vroeg Oeds Westerhof, toen hij dit artikel gelezen had.

Paradise by the Dashboard Light. Syb van De Kast zong dat lied  samen met musicalster Maaike Schuurmans, die op die laatste avond van Simmer 2000 haar navel aan de hele wereld liet zien. Dat deden alle Friezen in die zomer die volgens Piet Paulusma maar geen zomer wilde worden. Het lied eindigde met de profetische woorden:

It wie lang ferlyn… En it wie sa foarby… Mar it wie hiel wat better as hjoeddedei.

Reageer

1999

‘In ons brein schijnt een bijzonder gebied te bestaan dat je het poëtisch geheugen zou kunnen noemen en dat registreert wat ons heeft betoverd, ontroerd, wat ons leven mooi heeft gemaakt. ‘ Dat schrijft Milan Kundera in zijn boek De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. De tijd is zo met ons bewustzijn verweven, dat wij haar niet apart kunnen nemen. En toch is het dat laatste, wat we telkens weer proberen te doen als wij in gedachten terugkeren in het verleden. In een oververzadigde oplossing van herinneringen kan een kleine 
ingreep het effect teweegbrengen van een entkristal. 
Plotseling vormen zich de wonderlijke, kristallijnen figuren van de herinnering, dwars door de tijd en dwars door de ruimte.

Het is juni 1999. Marijke en ik worden gespot als we de loopplank oplopen van de havenrondvaart in Rotterdam. We waren daar op het personeelsreisje van Keunstwurk. Marijke mocht gewoon mee, want  als vrijwilliger was ze inmiddels bijna een fulltime medewerker geworden. Ze had haar eigen plek op het Fryslânhûs en ook een eigen nummer waarmee ze kon inloggen op de telefoon. ‘s Avonds liepen we in Rotterdam rond op De Parade en zagen een voorstelling van Loes Luca. We gingen een mooie zomer tegemoet, waarin ik overigens gewoon door zou werken.

In september ging immers de manifestatie In Verbelinge in Ooststellingwerf van start, waaraan ik anderhalf jaar had gewerkt en waarvoor ik vanuit Keunstwurk werd ingehuurd. Voor een kleine plattelandsgemeente met 25.000 inwoners was een kunstmanifestatie met een budget van ruim zeveneneenhalve ton (in guldens) en met deelname van kunstenaars van internationale naam geen alledaags gebeuren. Het was de grootste kunstmanifestatie die tot dan toe in Friesland was gehouden, schreef Karin de Mik in de NRC.  Voor mij was het een mooie tijd.

Misschien was het wel de mooiste tijd die ik hier in Friesland heb beleefd. Ik sloeg weinig acht op intriges en achterklap om me heen, want er broeide heel wat in die tijd. Ook het jaar 2000 stond voor de deur en sprak tot de verbeelding. Er waren mensen die dachten dat de wereld zou vergaan of alle computers stil zouden vallen. Anderen vonden dat het niet zo goed ging met de wereld, zoals de anti-globalisten die zich roerden bij de Battle of Seattle.

Alles was aan het veranderen en veel mensen gingen op zoek naar identiteit, naar iets wat houvast kon bieden in een tijd van verloren thuisgevoelens en mondiale stroomversnellingen. Transitie’ noemen ze dat tegenwoordig. Dat gaf ook kansen voor culturele vernieuwing, Jos Thie en ik vonden dat ook. Samen schreven we een vurig pleidooi daarvoor in de Leeuwarder Courant: ‘Verandering goudmijn voor Friese cultuur.’

Ik las in die tijd veel over rituelen en pelgrimage, want overal ter wereld maakten Friezen om útens zich op voor een grote bedevaart naar it heitelân. Het was het ‘Het Lourdesgevoel van Sinmer 2000’. Maria bleef me achtervolgen. Wat wil je ook, als je een vrouw hebt getrouwd die eigenlijk Maria heet. Vlak voor de Kerst kreeg ik via via een verzoek uit het Vaticaan. Het beeld van de Madonna van Sevenwolde in de Friezenkerk in Rome was nodig aan een nieuw kroontje toe. Of ik ook een Friese kunstenaar wist die zo’n zilveren kroontje voor de Heilige Maagd kon maken. Ik ben nooit wezen kijken of de operatie ook is gelukt.

Er gebeurden meer rare dingen dat jaar. Op 11 augustus werd het zelfs donker rond het middaguur. De maan kroop even tussen de zon en de aarde. Maximaal 143 seconden was er sprake van een totale zonsverduistering, een eclips zoals dat heet. In Nederland was een zonsverduistering te zien van ca. 95 procent. Maar het effect viel tegen. In grote delen van het land benamen de wolken het zicht op de zon. Of werd het minder schemerig dan velen verwachtten. Hoe dan ook, de hemel was even verduisterd dat jaar. Het hart soms ook, want er ging ook wel eens wat mis. De samenwerking tussen het Frysk Festival en Simmer 2000 verliep zeker in het begin niet altijd even soepel.

Kees ’t Hart zat als denktank in het bestuur van Simmer 2000. ‘Voor succes moet worden gevreesd,’ zo liet hij zich eens een keer ontvallen. Die woorden zouden school maken. Volgens mij heeft Kees nooit goed geweten of hij dit feest nou leuk vond of niet. Al sinds een paar jaar had hij de redactie van Praktikabel ingeruild voor die van het prestigieuze literaire tijdschrift De Revisor. Hij had mij zelfs gevraagd of ik een verhaal voor dat blad wilde schrijven. Voor het eerst dompelde ik mij helemaal onder in mijn orthodox-katholieke jeugd op zoek naar de kronkels die ik daarvan had overgehouden. Ook dat zou een goudmijn worden, zo ontdekte ik in de komende jaren. Het was in Nevers, zo luidde de titel van mijn verhaal.

De redactie van De Revisor vond het maar niks. Het ging ook over Albert Camus, en die zou pas na de aanslagen van 9/11 weer in de mode komen. Met Wim Bors, destijds druk in de weer als directeur van het Media Art Festival, ben ik nog bezig geweest om er een videofilm van te maken. Maar ook dat liep op niets uit. Mijn God wat heb ik allemaal niet ondernomen om eindelijk eens met mijn kruin boven dat Friese maaiveld uit te komen. Maar het wilde maar niet lukken. Uiteindelijk verscheen mijn verhaal alsnog, maar nu in het Friese Trotwaer. Soms voelde ik me hier een gestrande vogel met olie op zijn veren.  Maar zelfbeklag was iets wat Marijke er bij mij altijd uit heeft geramd.

Aan mijn mede-redactieleden van Praktikabel stelde ik voor om een aantal bekende Nederlanders uit te nodigen om een preek te schrijven voor een nieuw millennium. Een nieuwe toekomst, 2000 jaar na de geboorte van Christus. We stelden een lijst op en zo kwamen op namen als Mient Jan Faber, Bernard Delfgauw. Jan Foudraine, Lolle Nauta, Hessel Miedema, Prof. L A. Diepenhorst, Pierre Jansen, Roel van Duijn, Willem Aantjes, Prinses Irene, Simon Vinkenoog, Pater van Kilsdonk… en nog wat van dit soort  vogels van diverse pluimage.

Zeven van hen zijn destijds ook inderdaad per brief uitgenodigd om een preek te schrijven. Het project ging uiteindelijk niet door omdat er te weinig toezeggingen binnenkwamen. Pater van Kilsdonk, die ik nog kende uit mijn tijd op het Ignatiuscollege, antwoordde met een vriendelijke brief die ik nogal altijd heb bewaard. In mijn jonge jaren had ik hem ooit beticht van intellectuele prostitutie, maar dat alles was nu vergeven en vergeten. Hij overleed in 2008 op 90-jarige leeftijd. Als er een hemel zou bestaan, dan mocht deze ketterse jezuïet van Petrus zeker naar binnen, daar twijfel ik niet aan. Maar hij zou er al gauw weer terugverlangen naar dit tranendal beneden.

De hemel was ver weg in die tijd. Aan de dood dachten wij niet, laat staan aan wat ons daarna nog te wachten zou staan. Wat zou je daar trouwens moeten doen in die hemel? Je kunt er niemand begraven. Je kunt er geen troostende woorden spreken bij een graf. Niemand heeft verdriet in de hemel. Het moet daar dodelijk saai zijn. Je zou er misschien wel heimwee krijgen naar een gebroken hart. De hemel is zo troosteloos.

Reageer

1998

Ooit heb ik iemand horen beweren, dat in het verlangen om de eindigheid van het leven te overwinnen  de oorsprong ligt van de religie, de filosofie en de kunst. Dat mag dan zo zijn, maar de confrontatie met de dood activeert niet alleen het verlangen om de eindigheid van het leven te overwinnen, maar ook om het verleden op te roepen en opnieuw tot leven te wekken. Zonder geheugen zou de mens niet in staat zijn een narratieve samenhang in zijn leven aan te brengen. Die samenhang zit in de patronen die pas achteraf zichtbaar worden. De waarde en de betekenis van de dingen worden pas echt duidelijk als ze er niet meer zijn. In die zin heeft de eindigheid van het leven misschien ook wel een betekenis in zichzelf.

Het is juni 1998. Met een verrekijker in de hand staat Marijke op de vliegbasis in Leeuwarden naar stuntende straaljagers te kijken. We waren daar samen met duizenden andere mensen die op een grote vliegshow waren afgekomen. Ik was vijftig en Marijke nog altijd vier jaar jonger. We leken wel tot rust gekomen. Geen midlifecrisis in ieder geval, eerder was het de knagende melancholie van de middelbare leeftijd die ons soms parten speelde.

Maar andere zaken eisten de aandacht voor zich op. Friesland bestond 500 jaar. Tenminste, dat werd beweerd. Loek Hermans, destijds CdK in deze contreien, had bedacht dat er maar eens een feestje gevierd moest worden. Dat is goed voor de economie en de moraal, zo luidde de redenering. Andere tijden. Maar waren ze werkelijk zo anders dan nu, met 2018 voor de deur?

Hoe dan ook, een aantal historici werd de archieven in gestuurd om uit te zoeken in welke eeuw Friesland eigenlijk was begonnen ‘Friesland’ te zijn. En verdomd, laat dat nou precies vijf eeuwen daarvoor te zijn gebeurd. Anderen beweerden dat in 1498 precies het tegenovergestelde had plaatsgevonden. Friezen waren in dat jaar juist hun vrijheid en onafhankelijkheid kwijtgeraakt. Albrecht van Saksen maakte toen immers op brute wijze een eind aan jarenlange twisten tussen Schieringers en Vetkopers en stichtte een centraal gezag, en daar waren gezaghebbers als Loek Hermans wel gevoelig voor.

Het werd een merkwaardig feestje. Veel Friezen vonden het maar niks. Op een gegeven moment wapperde er zelfs een zwarte vlag op een Friese kerktoren. Loek Hermans reageerde steeds geïrriteerder. Hij had het hele Friese bedrijfsleven gemobiliseerd om geld op het kleed te brengen. Andries van Weperen van Bureau Noordplan werd ingehuurd om de captains of industry in ’t Heitelân de zakken leeg te schudden. ‘Loek schiet de deur open en ik trap hem in’, zo liet Andries zich eens een keer ontvallen. Dat was niet bepaald een onafhankelijke opstelling van het openbaar bestuur, maar die gulden regel wordt op het Provinciehuis in Leeuwarden wel eens meer met voeten getreden.

Toen ik hierover in de Leeuwarder Courant een kritische opmerking maakte, kreeg ik een boze brief van Andries van Weperen. Ik moest het allemaal anders zien. Het was zo goed bedoeld, deze sponsoractie. Hij bedoelde eigenlijk te zeggen: het was een feestje waar de Friezen dankbaar voor moesten zijn. Maar zo werkt het niet. Het is feest of het is niet feest. En het was geen feest, integendeel. Tijdens een plechtige bijeenkomst in de Grote Kerk kwamen alle Friese pommeranten bijeen om de historische gebeurtenis gezamenlijk te gedenken. De kerk moest worden ontruimd vanwege een bommelding. ‘Wij worden omringd door idioten!’, riep Loek Hermans uit. En Cornelis van der Wal groeide uit tot een nationale Friese held, ‘a hero just for one day’, de Friese Rinus van der Lubbe.

Die Loek Hermans was een wat rare man in zijn Friese jaren. Golden boy destijds, en later grote graaier. Van hem heb ik nooit een hoge pet op gehad. ‘Hermans wordt nooit een Kennedy,’ schreef ik op 1 juli in de LC. Toch gebeurden er ook leuke dingen die zomer. In de Groene Ster vond een prachtig popconcert plaats. Koos Dalstra liet een vliegtuigje over het middelpunt van Friesland vliegen om een foto te maken van honderden Friese jongeren met een gele paraplu die in het weiland waren opgesteld.

En Andries Veldman bracht een boekje uit, Hotel Fryslân genaamd, waarin import-Friezen beschreven hoe het is om in deze wonderschone regio te wonen en te werken. Ik schreef een tekst, geïnspireerd op Hotel California van de The Eagles. Elk woord klopt nog steeds als een zwerende vinger. Het was een moeilijk te benoemen, ongemakkelijke sfeer die in mijn leven hier in Friesland had wortel geschoten. ‘Uitboeken kan op elk moment, maar je komt hier nooit vandaan.’

Rijdend op de Afsluitdijk
Een windvlaag in de flank
Rook ik de geur van rotte vis
Een lucht van stank voor dank
Ver aan de horizon zag ik
Een licht dat op mij wacht
Mijn ogen vielen bijna dicht
‘k moest stoppen voor de nacht

Ze stond daar in de open deur
Ik hoorde al de bel
En dacht nog bij me zelf
De hemel of de hel
Er klonken stemmen op de gang
Ze zongen zacht in koor

Welkom in Hotel Fryslân
Een fijne plek, een fijne stek
Plaats zat in Hotel Fryslân
Wanneer je wilt, ’t is echt te gek.

Ze had een vuurrood kapsel
Een rode cabriolet
En rooie rakkers om haar heen
Haar vriendjes voor de pret
Ze dansten in de patio
In het zoete zomer zweten
Soms om een herinnering
Soms om te vergeten

Ik tikte een ober op de rug
En vroeg: breng mij een berenburg
Hij zei: we hadden deze spirit niet
Sinds veertienachtennegentig
Wat een feest, wat een sfeer
Het houdt je wakker in de nacht
Om ze te horen keer op keer

Welkom in Hotel Fryslân
Een fijne plek, een fijne stek
Plaats zat in Hotel Fryslân
Wanneer je wilt, ’t is echt te gek

Aan elk plafond een spiegel
En een kroonluchter van ijs
Ze zei: we zitten hier gevangen
In ons eigen droompaleis
In stijlkamer en kabinet
Is het elke nacht een feest
En ook al slijpen we het mes
We slachten nooit het beest

Het laatste wat nog bovenkwam
Ik rende naar de poort
Wilde de uitgang vinden
De weg naar waar je hoort
Kalm aan, zei zacht de nachtportier
Welkom heten is mijn baan
Uitboeken kan op elk moment
Maar je komt hier nooit vandaan

 

Reageer