Le Roy tuin 50 jaar

Schermafbeelding 2016-07-01 om 21.56.00

 Schermafqbeelding 2016-07-01 om 21.55.30

Reageer

Waar de profeten geen namen hebben

images

‘Wees voorzichtig, het is vandaag de geboortedag van de Verlosser. Bijna iedereen die je tegenkomt zal dronken zijn.’ Zo luidt de laatste zin in de roman The Genius and the Goddess (1955) van Aldous Huxley. Al kort na de oorlog onderzocht Huxley de effecten van LSD en mescaline en deed daar verslag van in zijn boek The Doors of Perception (1954). Huxley had de titel aan van zijn boek ontleend aan William Blake, die ook de door de generatie van de flower power opnieuw werd ontdekt. Blake schreef letterlijk: ‘Indien de poorten van de perceptie werden gelouterd, zou alles zich aan de mens vertonen zoals het is: Oneindig. Want de mens heeft zichzelf opgesloten, tot hij alle dingen ziet door de smalle spleet van zijn spelonk.’ Eind jaren zestig kwamen de geestverruimende middelen onder ieders bereik. Zo ging de seksuele revolutie gepaard met de euforie van een kunstmatige bewustzijnsverruiming. In die jaren vormden seks & drugs voor menigeen de enige mateloosheden in het leven die per definitie geen maat kenden. Om het doel en de zin van het leven te begrijpen moest men voor alles het leven zelf liefhebben, dat wil zeggen: totaal onderduiken in de draaikolk van de tijd.

Ik ben nooit zo’n drugsgebruiker geweest. Eigenlijk kon ik er niet zo goed tegen. Meestal ging ik als snel volledig uit mijn dak. Zo heb ik eens keer een pianoconcert gegeven op de schouw boven mijn kachel. Ik deed dat zo overtuigend, dat iedereen, die in de kamer aanwezig was, dacht dat de klanken echt uit de schoorsteen kwamen en niet uit de luidsprekers van mijn stereo-installatie. Ook zie ik me nog op de grond zitten op een feestje bij een vage bekende in de oudejaarsnacht van 1969, waarbij hij een stuk of wat stevige pornofilms werden gedraaid. Toen de hasj eenmaal van mond tot mond ging, verslapte de aandacht al gauw. Het vertoon van al die pompende en kreunende lichamen op het witte doek was een surrealistisch decor geworden, waar je geweldig op weg kon ‘blowen’. Mechanisch bewegende lijven werden de stoommachines van de lust, waar Marcel Duchamp ooit van gedroomd moet hebben. Seks is het vermengen van lichaamsvochten, blowen het vermengen van rook.

Mijn God, ik herinner ik mij zelfs de kerstnacht van 1970 in Paradiso, waar ook alleen maar pornofilms werden vertoond, met aan weerszijden een projectie van psychedelische vloeistofdia’s. In die tijd had je de voormalige ‘Vrije Gemeente’ (Paradiso), de ‘Vrijende Gemeente’ (het Barleusgymnasium, dat daar tegenover stond) en de ‘Onvrije gemeente’ (het Huis van Bewaring naast Paradiso). Maar in die memorabele kerstnacht, waarin het asfalt bezaaid lag met natte sneeuw, was Paradiso dat alles tegelijk. Op de top van een alp speelde een engel op een witte piano. Beneden hem gaapte een gigantische afgrond. Het lichaam scheidde zich af van de stroom van zijn gedachten. De geest verbrak de grens tussen huid en ruimte en nestelde zich aan gene zijde van de zintuigen, daar waar de profeten geen namen hebben. Ik hoorde flarden van muziek. Don’t you want somebody to love, zong Jefferson Airplaine. Opeens nam de stilte alles in bezit. Er trilde een snaar in het niets. ‘God is eenzaam,’ dacht ik. ‘Bewustzijn doet pijn.’…..’ Het is vandaag de geboortedag van de Verlosser. Bijna iedereen die je tegenkomt zal stoned zijn.‘

1 Reactie

Ca sent la bière de Londres à Berlin

index11

C’est plein de « Godferdomme »
C’est plein d’Amsterdam
C’est plein de mains d’hommes
Aux croupes des femmes
C’est plein de mémères
Qui ont depuis toujours
Un sein pour la bière
Un sein pour l’amour

Jacques Brel, La Bière

Reageer

Het groeiend taboe op de wij-vorm

Slide1

‘Overal in de lucht is de adelaar thuis. Op de hele aarde heeft de nobele mens zijn vaderland.’ Die woorden van Euripides lijken op de huid van de moderne mens geschreven. De hele aarde is onze woonplaats. We zijn kosmopoliet geworden in de tijden van Verlichting en moderniteit. Maar is dat ook zo? Het heimwee naar de geboortegrond blijft een mensenleven lang bestaan. Bloed en bodem blijven ons denken beheersen ondanks alle vooruitgang. Het negentiende-eeuwse nationalisme is nooit verdwenen, maar bloeit overal in Europa. Hoe meer globalisering, hoe meer chauvinisme en etnische waan. Een mens zal nooit een adelaar worden. In de kosmos of op de gehele aarde voelt niemand zich thuis. In onze diepste gedachten verlaten we nooit de geboortegrond. Sterker nog, we verlaten nooit echt de baarmoeder die in het verdere leven uiteraard groter wordt, andere vormen en andere proporties aanneemt, maar in wezen dezelfde trekken behoudt.’

Dit is een passage uit mijn boek De Fries die in de toekomst sprong. Van de week kreeg ik een mailtje van iemand die ik al jaren ken. Hij was boos geworden om een zin in deze passage: ’Bloed en bodem blijven ons denken beheersen ondanks alle vooruitgang.’ Deze boze lezer had als kind de oorlog meegemaakt. ‘Als iemand met herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog accepteer ik die constatering niet, ’ zo liet hij me weten.

Ik heb de passage nog eens gelezen en herlezen. Wat is het probleem? zo vroeg ik me af. Het enige wat je  op deze passage mogelijk zou kunnen aanmerken is dat ik de retorische vorm ‘wij’ hanteer. Dat is altijd lastig als je dat retorische ‘wij’ letterlijk als ‘wij’ (inclusief ‘ik’) gaat lezen. Maar voor iemand die werkelijk leest wat hier staat, kan dit toch geen misverstand opleveren. De boze lezer was boos omdat ik hem zou aanpraten dat hij zich nog steeds niet bevrijd had van bloed-en-bodem-denken.

Hij betrok deze tekst dus op zichzelf, terwijl ik hier in zijn algemeenheid schrijf over de huidig situatie in Europa. Ik vroeg hem of hij van de week naar het Journaal had gekeken of de krant had gelezen: Brexit, Marie Le Penn, Geert Wilders… Dat is allemaal ‘ons Europa’, om over Rusland maar te zwijgen….. Ik wilde met deze zin in de wij-vorm de lezers van mijn boek niets aanpraten, maar dit retorische ‘wij’ komt niet uit de lucht vallen. Het gaat over ‘iets’ in ‘ons Europa’ wat wel degelijk gaande is.

Het misverstand deed me denken aan wat me een paar jaar geleden is overkomen. Ik schreef een groot stuk in de Volkskrant met als pakkende titel: ‘Wij babyboomers zijn bij de eerste afslag het spoor al bijster geraakt.’ Het stuk leverde nogal wat reacties op, onder meer van Max Pam. Zijn artikel had als  kop ‘Spreek voor je zelf, zak!’ Zijn betoog begon met een uitvoerige uiteenzetting over de kwalijke aspecten van de wij-vorm. Omdat het relevant is voor het verwijt dat mij nu wordt gemaakt, citeer ik deze redenering van Max Pam in extenso:

Schermafbeelding 2016-06-30 om 12.57.40

Van de generatie van mijn ouders erfde ik een kapot Europa
Wat mij in het stuk van Huub Mous over babyboomers vooral opviel, is dat het is gesteld in de wij-vorm. Wij, babyboomers, zijn het spoor bijster geraakt en wij, babyboomers, kunnen daarom maar beter zwijgen. Enzovoort. Zodra de wij-vorm wordt gebruikt, is het verstandig na te gaan wie er eigenlijk met dat ‘wij’ wordt bedoeld. Zo is daar allereerst de pluralis majestatis, waarmee vorsten uitsluitend zichzelf aanduiden. Het wij is hier een super-ik, dat anderen juist uitsluit. Dus als majesteit zegt ‘en nu stappen wij in de Gouden Koets’, bent u beslist niet uitgenodigd om met haar in te stappen.

De wij-vorm
Een variant op deze pluralis majestatis is de pluralis modestiae, het zogenaamde bescheidenheidsmeervoud. Deze wij-vorm kan ook gebruikt worden door minder hooggeplaatste personen. In Annie M.G. Schmidts roemruchte radioprogramma De familie Doorsnee zei een stem altijd: ‘En nu verplaatsen wij de microfoon naar de huiskamer’. Ook journalisten en columnisten gebruiken vaak de wij-vorm als zij het ‘ik’ te egocentrisch of te aanmatigend vinden. Geschiedschrijver Loe de Jong (1914-2005), in oorsprong een journalist, doet dat regelmatig in zijn standaardwerk over de bezetting. Bijvoorbeeld wanneer hij schrijft: ‘Welnu, wij veronderstellen dat dit wel vaker gebeurde’.

Het omgekeerde komt eveneens voor: een wij dat juist niet verwijst naar zichzelf, maar uitsluitend naar anderen. Dit wij is door de schaker J.H. Donner het verpleegsters-wij genoemd. Dit naar aanleiding van de verpleegster die met een po aan zijn bed kwam staan en riep: ‘Zo mijnheer Donner, en nu gaan wij een plas doen!’ Van een gezamenlijke activiteit was hier uiteraard geen sprake.

De ander
De verpleegsters-wij wordt ook gebruikt door politieagenten, bijvoorbeeld wanneer u een kraak aan zetten bent en heterdaad wordt betrapt. In zo’n situatie pleegt menig agent te vragen: ‘Zo, waar zijn wij mee bezig?’ Ook de agent bedoelt juist niet zichzelf, maar de ander.

Ten slotte is er ook nog een wij dat zowel de spreker als de aangesprokenen omvat. Deze wij-vorm steekt vooral de kop op in de gedaante van een dominee die ons vanaf de kansel toespreekt en zegt dat ‘wij allemaal zondig zijn’. In de ogen van de Hoogste hebben ook allemaal schuld – ook degene die ons voorgaat en die het boetekleed aantrekt. Het dominees-wij kan zeer seculier van karakter zijn. Je komt hem tegen bij GroenLinks, bij Greenpeace of bij anti-globalisten die ons vertellen dat ‘wij’ door te veel te consumeren de ondergang van de wereld bespoedigen.

Dat het artikel van Huub Mous is geschreven is in de dominees-wij, zal duidelijk zijn. Wij, gemeente van babyboomers, zijn de weg kwijt, wij hebben gefaald, wij hebben een gespleten ziel, wij hebben alle kansen laten liggen en wij laten ook niets achter, daar helpt geen lieve moeder Maria aan. Vadertje lief, trouwens ook niet. Het enige dat ‘ons’ nog rest, aldus de eerwaarde, ‘is precies te vertellen hoe onze idealen schipbreuk leden’.

Moed
De meest primitieve, maar vaak ook meest effectieve houding ten opzichte van het dominees-wij is de tegenwerping: spreek voor jezelf, zak! Als jij vindt dat je zondig bent, laat anderen daar dan buiten. Voor jezelf spreken vergt trouwens enige moed, want wie in een kudde of in een gemeente uitsluitend voor zichzelf wenst te spreken, ziet zich snel geplaatst in een positie die uitloopt op afscheiding. Daarom eerst maar zinloos debatteren.

Lees verder:  hier

Het klonk allemaal erg stoer, dit betoog van Max Pam over wat hij noemt ‘het dominees-wij’. Vooral dat verweer: ‘Spreek voor je zelf zak!’ Persoonlijk had ik de voorkeur gegeven aan de volgende formulering: ‘Laten wij voor onszelf spreken, amice! ’ Het kan zijn dat de wij-vorm bij een lezer in het verkeerde keelgat schiet. Net zoals de lezer van mijn boek abusievelijk meent dat ik hem een bloed-en bodem-mentaliteit wil aanpraten door de wij-vorm te hanteren.

Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat lezers die mijn teksten in de wij-vorm zo interpreteren hinder ondervinden van de kwaal van de letterlijkheid (die overigens ook vaak voorkomt bij dominees). Natuurlijk ga ik er niet vanuit dat ik letterlijk namens alle babyboomers spreek, als ik zeg: ‘Wij babyboomers….’ Net zomin ga ik ervan uit dat iedere inwoner van Europa nog altijd behept is met bloed en bodem-denken, als ik schrijf… ’Bloed en bodem blijven ons denken beheersen ondanks alle vooruitgang.’

Als je zo gaat redeneren kun je niets meer beweren, in ieder geval niet in de wij-vorm. We leven in het ik-tijdperk, dus alles wat je beweert moet kennelijk ook in de ik-vorm gesteld worden. Dus voortaan niet meer: ‘Wij houden van Oranje!’ Maar: ‘Ik houd van Oranje!’ Niet: Wij houden van Zwarte Piet! Nee: ‘Ik houd van Zwarte Piet’. Niet: Wij Nederlanders zijn tegen een referendum over Nexit.’ Nee: Ik, Nederlander, ben tegen een referendum over Nexit.’ ‘Wij Nederlanders….’ kan trouwens al helemaal niet meer. ‘Wij mensen….’ straks ook niet. ‘Ik mens….’ blijft dan nog over. Tot uiteindelijk alleen nog ‘Ik….’ overblijft.

Eerlijk gezegd, vinden wij dat onzin.

Reageer

Heimwee

220px-Le_Far_West

Je devenais indien
Pourtant déjà certain
Que mes oncles repus
M’avaient volé le Far West

Aldus zong Jacques Brel in zijn beroemde chanson Mon Enfance. In mijn jeugd bestond er geen Far West. Wel Nieuw-West. Zo heetten de westelijke tuinsteden in Amsterdam. Als je er niet wezen moest, dan ging je er ook niet naar toe. Het was een ongenaakbaar gebied in wording, het toonbeeld van de wederopbouw, kaal en stenig met een oneindige ruimte tot aan de horizon. Jacques Brel groeide op in Brussel. Hij werd zijn leven lang verteerd door het verlangen om verre reizen te ondernemen, om te vluchten voor de burgerlijke beschaving van het oude Europa.

Brel droomde daarom van een eigen Far West. Hij verlangde intens terug naar het geluk van zijn vroege jeugd, maar droomde ook van verre kusten. Hij had evenals Slauerhoff een fascinatie voor verlaten eilanden in verre oceanen. Ik ben geen Brel en zal dat ook nooit worden. Toch heb ik mij altijd een beetje met hem verwant gevoeld. Ik begrijp zijn dromen, zijn idealen, maar vooral ook zijn intens verlangen naar zijn vroege jeugd. Het is een vreemd soort heimwee, want zo idyllisch waren mijn eerste levensjaren nu ook weer niet.

Mijn herinneringen aan mijn vroege jeugd zijn nauw verbonden met een pijnlijke bewustwording van mijn eigen lichaam. Met de ontdekking dat je een lichaam hebt dringt het besef door onderworpen te zijn aan de blik van de ander. Je eigen lichaam ervaar je van binnenuit, maar vooral ook van buiten af in de ogen van anderen. Voor mij is die eerste ervaring van mijn eigen lichamelijkheid gepaard gegaan met gevoelens van angst en schaamte. Als kind vond ik het heel vervelend zichtbaar te zijn. Ik schaamde me voor mijn eigen lichaam dat te klein was, te mager, nietig en kwetsbaar. Ik had spillepoten, een kippenborstje en wat het ergste was, geen spierballen, hoe vaak ik de spieren mijn bovenarm ook spande.

Wie niet sterk is moet slim zijn, maar dat wist ik toen nog niet. Ik fantaseerde dan ook vaak dat ik onzichtbaar was, dat ik kon ontsnappen aan die kooi van breekbare botten omhuld door een witte huid waarin ik mij gevangen voelde. Op mijn achtste jaar brak ik mijn rechter elleboog, maar onze huisarts heeft die breuk nooit goed herkend. Mijn hele bovenarm werd helemaal paars en als ik nu op mijn rechter arm steun, staat die nog altijd in een vreemde bocht. Het is een euvel waar heel goed mee te leven valt, maar destijds ervoer ik het als een bewijs temeer dat mijn lichaam kwetsbaar was. Als kind was ik een brekebeen. Mijn knieën waren altijd stuk. Er was geen broek waar ik niet een gat in viel. Hoe vaak heb ik niet een buil op mijn hoofd gehad. Pleisters waren niet aan te slepen. Mijn moeder werd er wel eens horendol van.

Voor mijn geboorte had ik geen eigen lichaam. Ik zwom veilig rond in het vruchtwater van de moederschoot. Niemand zag mij en zelf moet ik ook weinig gezien hebben. Wel gehoord. Laatst las ik dat het het binnen het embryo een kabaal van jewelste moet zijn, een walhalla van syncopen. Je hoort niet alleen het kloppen van je eigen hart, maar ook dat van je moeder, als twee ritmes die voortdurend asynchroon lopen. Toch was het juist het water dat mij als kind het meest beangstigde. Eind jaren zestig zag ik de documentaire De stem van het water van Bert Haanstra. Vooral de scene van het kleine jongetje met watervrees sneed mij dwars door de ziel. Ik zag mezelf in spiegel als klein kind. Ik was als de dood voor water. Het schoolzwemmen was voor mij een gruwel.

Jarenlang heb ik dat met grote weerzin moeten doen, niet alleen in het Zuiderbad, maar ook in het AMVJ. Zwemmen heb ik eigenlijk nooit goed geleerd. Ik had er een gruwelijk hekel aan, vooral omdat ik in mijn blootje helemaal een spiering was. Ik leerde het pas een beetje toen iemand mij uit balorigheid in het diepe duwde en ik zomaar weg zwom. Opeens zwom ik omdat ik niet anders kon. Mijn angst verdween bij toverslag op het moment dat ik er niet meer bij nadacht. Maar een waterrat ben ik nooit geworden.

De mens heeft de mogelijkheid neigingen die in wezen volstrekt tegenstrijdig zijn moeiteloos met elkaar te verenigen. Waarom koester ik het heimwee naar mijn vroege kinderjaren die toch vooral in het teken stonden van de angst? Ik heb altijd vermoed dat ik al sinds mijn geboorte in hevige mate met heimwee belast ben. Dat is ook niet zo verwonderlijk als je bedenkt, dat ik een maand te laat geboren ben. Mijn moeder was al vier weken overtijd toen de eerste weeën zich aandienden.

Mijn geboortetrauma moet dus immens zijn geweest. Of misschien juist niet. Misschien heeft mijn symbiose met het vruchtwater te lang geduurd en is er juist te weinig sprake geweest van een breuk. Voer voor psychologen wellicht, maar zelf zal ik er nooit achter komen. Bestaat er eigenlijk zoiets als een prenataal bewustzijn? Bewaar ik daar nog herinneringen aan? Kan ik diep in mijn geheugen terugkeren naar het vruchtwater, waarin ik ooit als foetus heb rondgedreven? Is er een weg die terug leidt naar die paradijselijke levenszee?

Heimwee is het verlies van het vroeger, het vruchtwater, de tijd die er ooit was toen alles nog wees naar het midden van de bol. Dat gevoel heeft iets mateloos. Als het zich eenmaal aandient verwijdt het zich zonder ophouden. Het spreidt zich uit als een druppel olie op de oceaan. Toen ik zo’n jaar of veertien was fantaseerde wel eens dat ik een oliedruppel was. Ik had ergens gelezen dat moleculaire structuur van olie zodanig was dat één druppel olie zich vrijwel eindeloos op het oppervlak van de zee kon uitspreiden. De moleculen onttakelden zich dan in hele lange ketens die zo een vliesdun olietapijt op het water konden vormen.

Dat leek me prachtig, mezelf als een oliedruppel uitspreiden over de oceaan. Later bedacht ik dat dit oceanisch verlangen een puberale, orgastische fantasie moet zijn geweest en tegelijk op een diep gevoeld heimwee moest duiden. Een basaal terugverlangen, niet alleen naar de prilste kindertijd, maar ook naar de zee. Mogelijk duidt het ook op een heimwee naar het embryo. De zee staat immers voor de moeder, maar de moeder staat ook voor de zee. Ooit is iets wat een mens zou worden uit de zee gekropen en opgekrabbeld op het strand. Voortaan leefde hij van de lucht. Water werd zuurstof en het laatste wat een mens ontdekt is het eerste water waarin hij zwom.

Ondanks mijn heimwee naar mijn jeugd kom ik telkens weer bij die pijnlijke waarheid terug: mijn eerste kinderjaren stonden in het teken van de angst. Ik was een bang kind. Bang voor water. Bang voor hoogte. Bang vooral ook voor andere kinderen.  Op mijn eerste kinderfoto’s heb ik ook een bijna panische blik in de ogen. ‘Waarom moet dit?’ zie je mij denken. Ik was liever binnen gebleven, veilig in de moederschoot, waar ik ook veel te lang ben achtergebleven.

Vaak heb ik me afgevraagd waar die telkens weer opduikende angst van mij uit voortkwam? Lag het in mijn aard besloten? Waren het mijn oudere zussen tussen wie ik mij als benjamin allerminst op mijn gemak voelde? Mijn oudste zus was zestien toen ik geboren werd, mijn jongste vier. En de twee daartussen: acht en twaalf. Dat is geen geruststellende omgeving als je de penisnijd, die Freud bij meisjes veronderstelde, als een serieus fenomeen opvat.

Mijn zussen hadden ook alle reden om jaloers op mij te zijn. Ik was immers de stamhouder. Eindelijk een jongen, na al die jaren vergeefs proberen. Ook al werd het bij hoog en bij laag door mijn ouders ontkend, het had er alle schijn van dat mijn vier zussen een misdruk waren geweest. Voor mijn moeder was ik de lang verwachte prins. Ze nam mij in bescherming bij de minste bedreiging van buitenaf. Ik kreeg als kleine jongen een status aparte, als een bedreigde schat in een wereld vol gevaar.

Zo werd ik natuurlijk strontverwend, en misschien daarom ook verlegen, schuw zelfs. Ik had nachtmerries, plaste nogal eens in mijn bed en werd soms midden in de nacht badend in het zweet wakker, omdat er in de hoek van de kamer een vreemde paal stond die er natuurlijk helemaal niet bleek te zijn toen het licht aanging. Nee, aan mijn eerste levensjaren bewaar ik geen tedere herinneringen.

Het bewustzijn waardoor ‘het niets’ in de wereld komt is een ‘val’ (‘une chute‘), heeft Sartre ooit beweerd. Waar het vandaan komt kan niemand zeggen. Opeens is het er. Je bent buiten de wereld en binnenin tegelijk. Vanaf dat moment ontstaat de angst voor de leegte. De angst voor het grote niets. Juist in de meest onschuldige beelden van mijn vroegste jeugd lijkt dat pas ontdekte ‘niets’ aanwezig te zijn. Het houdt zich schuil in de de lucht achter de huizen. Achter het bordkartonnen decor van lange gevelrijen die alleen waren opgetrokken om het grote niets, dat daarachter gaapte als een diepe afgrond, aan het oog te onttrekken. De wereld om me heen was niet echt. Hij bestond niet. En toch kon iedereen mij zien. Vreemd toch dat ik daar naar terug verlang.

Reageer