Het hellend vlak van Agamben

De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben heeft in zijn boek Homo sacer, de soevereine macht van het naakte leven (1995) het concentratiekamp het paradigma van de moderne tijd genoemd. In het oude Romeinse recht was de ‘homo sacer’ (de ‘heilige mens’) iemand die – zoals in het Romeinse recht – structureel van al zijn rechten was beroofd. ‘Heilig’ verschijnt in deze context in een andere betekenis dan gebruikelijk. ‘Heilig’ is het lichaam van de vogelvrije mens die door iedereen gedood mag worden. Het biologische lichaam als object van het naakte leven behoort in deze optiek niet meer tot het domein van de burgerrechten. Het is het kale leven dat als biologische grondstof gaat dienen voor een systeem, het heilige lichaam waarover de totalitaire staat vrijelijk kan beschikken.

In hun radicale vorm van biopolitiek waren de nazi’s in feite hypermodern. Zij waren hun tijd ver vooruit. Het lichaam is vanuit deze optiek bezien geen bezielde drager meer van de humaniteit (van de ooit vergoddelijkte mens), maar de grondstof van het kale leven (het lichaam van de onthoofde God). Of anders gezegd het moderne lichaam verschijnt letterlijk als de onthoofding van God. De gewelddadige splitsing van hoofd en lichaam als daad van terreur wordt de ultieme legitimatie van de macht. De guillotine was de voorloper van de gaskamer. Terreur lag aan de basis van de moderniteit en het nationaal-socialisme was de meest radicale exponent van diezelfde moderniteit.

Die onthoofding van God is een gedachte die terugkeert bij Agamben, zoåsl ook de continuïteit van die nazi-ideologie. Hitler stichtte een nieuwe staatsreligie zonder autonome bovennatuur, een religie die hij bijeensprokkelde uit obscure en occulte bronnen, uit Nietzsches Wil tot macht en de Parzival van Wagner, uit gedachten van Darwin en Gobineau en uit antisemitische schotschriften. Het was een duistere anti-kosmos die hij creëerde, een dualistisch, gnostisch universum met het kwaad als nieuwe tegenpool in Der Ewige Jude. De filosofie van Hitler was een warboel, maar het doel was glashelder. De hemel moest naar beneden. God moest worden onthoofd. 

De moderniteit heeft een ontheiligd mensbeeld gecreëerd, waarbij de mens één op één samenvalt met zijn biologische realiteit: het lichaam. Het lichaam is niet de meest individuele behuizing waarin het individu zich manifesteert. Nee, het lichaam is een naamloos en anoniem organisme geworden dat in wezen toebehoort aan de staat. Het levende lichaam is aan tal van regels gebonden. Je mag ze zelf niet zomaar pijnloos (laten) doden. Voor euthanasie gelden strakke regels. Je mag jezelf niet zomaar aborteren. Voor abortus gelden strakke procedures. Het lichaam is overgeleverd aan allerlei wetten en verplichtingen: je moet jezelf laten registreren, fotograferen, meten, je moet een handtekening afgeven als bewijs dat je bestaat. Je moet jezelf zo nodig laten inenten, want dat is wat ons te wachten staat. Je mag jezelf geen harddrugs toedienen. Nog even en je mag niet ongestraft ongezond leven, zoals jezelf ziek roken tot de kanker je longen verteert.

De cynische gedachten van Agamben bouwen voort op Sade, Nietzsche, Bataille en Foucault. Ze leggen een kerngedachte bloot in het nationaalsocialisme die nog niet overwonnen, maar in de hedendaagse globaliserende kapitalisme in een nieuwe gedaante juist de kop op steekt. Het is het kale leven dat niemand toehoort en daarmee een object wordt waarmee de staat mee doen kan wat het goeddunkt. Het is het zelfde kale leven, waar de terrorist zijn calculaties mee maakt. Slachtoffers van terreur zijn in feite ‘heilige lichamen’ in de zin van Agamben. Ze zijn een biopolitieke grondstof in het gevecht om de totalitaire wereldmacht. Datzelfde heilige lichaam dient zich aan in de comapatiënt, het slachtoffer van een onzorgvuldig uitgevoerde euthanasie of een al te snel afgebroken ongeboren leven. Maar ook in het afscheid van de pijn en lichamelijk lijden waarop de hedendaagse medische technologie zich richt. Het kale leven wordt een restproduct van de biopolitiek. Het nazisme leeft voort als een wolf in schaapskleren.

Je herkent het ‘naakte leven’ in de onmenselijkheid van Fort Europa, waar lichamen van vluchtelingen aanspoelen op zorgeloze toeristenstranden, of vluchtelingen en emigranten als ratten vastzitten op kleine eilanden waar vroeg of laat het inferno van het vuur om zich heen grijpt. Maar het ‘naakte leven’ dient zich ook aan in het COVID-19 virus, een minuscuul stukje vibrerende materie op de grens van leven en dood, dat het kale leven wereldwijd in zijn greep krijgt en het moderne lichaam uiteindelijk volledig uitlevert aan de staat. Biopolitiek is booming in deze tijden van corona.

Vanuit dit soort gedachten is het niet verwonderlijk dat Agamben met grote argwaan kijkt naar de wijze waarop hedendaags overheden maatregelen treffen tegen corona. In 2020 bracht hij een pamflet uit met als titel Waar zijn wij, epidemie als politiek, waarin hij voortborduurt op zijn gedachten over ‘het naakte leven’. De wet heeft zich losgezongen van het leven en het leven wordt steeds meer onderworpen aan de wet. Afroepen van uitzonderingstoestand is een structurele toestand aan het het worden. De coronamaatregelen die worden afgekondigd als uitzondering, zullen deels ook structureel worden, zoals dat ook na de ‘war on terror’  het geval was, getuige alleen al de structurele veranderingen die zijn ingevoerd op luchthavens, de videobewaking en nummerbord-herkenning op snelwegen. 

Zo biedt een uitzonderingssituatie het systeem telkens weer de mogelijkheid om nieuwe grenzen te stellen. Ook concentratiekampen hadden ooit de juridische legitimatie van een uitzonderingstoestand. Daarna werden zij een regulier fenomeen in Nazi-Duitsland. Politiek kan alleen maar daadwerkelijk beleid doorvoeren als het werkelijke leven in gevaar is. Wat we nu beleven in tijden van corona is in feite een verdere intensivering van een politiek die al langer zich richtte op de uitzonderingsstrategie. De uitvinding van het vaccin was in de ogen van Agamben paradigmatisch. Daarmee kon de uitzonderingspolitiek uiteindelijk structureel worden. In tijden van corona zijn er geen zieken meer. Iedereen wordt verondersteld ziek te zijn. De wet wordt het ultieme keurslijf, omdat het leven zonder wet onherroepelijk tot chaos leidt. 

Als met al is er sprake van een mystificatie van de nieuwe wereldorde, waar de democratie niet aan ontsnapt. Integendeel, ook de democratie heeft in de diepste wezen een hang naar het totalitaire. Het zorg willen dragen voor biologische gezondheid van de mens komt steeds meer als intentie naar voren, wat een totaliserende tendens inhoudt. Zo komt Agamben tot de treurige vaststelling dat gezondheid een nieuwe wettelijke verplichting is geworden waaraan iedereen moet voldoen of hij dat nu op prijs stelt of niet. We beleven opnieuw de hoogtijdagen van de regeringspropaganda die zich vrijelijk bedient van live uitgezonden persconferenties op alle televienetten. Telkens weer heeft de overheid er baat bij om de crisissituatie zo gevaarlijk mogelijk voor te stellen door een duidelijk vijandsbeeld naar voren te schuiven. Zo lijkt het virus de nieuwe ‘Jood’ geworden, zoals Hitler ooit dacht dat de ‘Jood’ als een ziektebacil van de samenleving ‘ausgerottet’ moest worden. 

Hier gaat er iets mis en schiet er een vergelijking uit de bocht. Mondkapjes worden zo Jodensterren, zoals Thierry Baudet beweert. Het nationaalsocialisme van Hitler was een wanhopig protestbeweging die twaalf jaar lang in Europa de wind in de zeilen kreeg. Maar met zo’n vergelijkinge tussen het huidige corona-beleid en Het Derde Rijk moet je oppassen. Daarmee valt de discussie in het slot. Hitler is nog steeds de nulgraad van de moraal, de ultieme maat voor onmenselijkheid. Zolang dit taboe bestaat blijven basale kwesties over de ethiek omtrent het heilige en het profane onbespreekbaar. Het is bekend dat de nazi’s een immorele – of beter gezegd a-morele – opvatting hadden over het menselijk leven. Dat is totaal iets anders dan het huidige corona-beleid. 

Dat neemt niet weg dat Agamben iets gezien heeft wat ongemerkt sinds Hitler is blijven voortbestaan. Het verlies van de – in de religie verankerde – morele waarden manifesteert zich tegenwoordig bij uitstek op het terrein van de medische ethiek. Voor de problemen die samenhangen met de grens van leven en dood gaat een visie op leven en dood vooraf. En juist daar schort het hem aan tegenwoordig. De hedendaagse medische biopolitiek overwin je niet met een verlichte vorm van politiek ten aanzien van euthanasie, maar alleen door een nieuwe metafysica. Na de dood van God is die nieuwe metafysica er nooit gekomen.

Anders gezegd, het ontstaan van de hedendaagse medische biopolitiek houdt rechtstreeks verband met het vacuüm dat na de dood van God is ontstaan. Je zou zeggen: het heilige is uit het leven verdwenen. Maar het tegendeel is waar. Het leven zelf is heilig verklaard. Ooit was het sterven een kunst. Voor wie deze ars moriendi in ere wil herstellen, heeft een grondige analyse nodig van de redenen van het verdwijnen ervan. Dat moet een analyse zijn die zich niet alleen richt op het verdwijnen van God, maar ook op de redenen waarom het leven en het lichaam na de dood van God heilig konden worden.

Zo bezien heeft Hitler 75 jaar na de zijn oorlog uiteindelijk toch gekregen wat hij wilde. De transcendentie is in de naoorlogse secularisatiegolf nagenoeg verdwenen. Alleen de kerken in de Bible-belt zitten nog vol, zelfs in tijden van corona. In zijn felle strijd tegen de transcendentie staat Hitler achteraf bezien aan de kant van de secularisatie. Maar tegen het corona-beleid. Als hij nu terug zou keren op aarde, zou hij zich als een wappie daar fel tegen verzetten. Niet omdat hij ertegen was, maar omgekeerd: het zou hem veel te soft zijn geweest. Nood breekt wetten. Om die reden had Hitler deze epedemie aangegrepen om nog veel grootscheepsere zuiveringen door te voeren. De schoorstenen in de verbrandingsovens zouden volop rook uitstoten. Het corona-virus zou de Holocaust alleen nog maar verder hebben aangewakkerd.

Reageer

De waarheid achter de wanen

Dus: er is een punt waar de complottheorieën de werkelijkheid raken. Dat is dat hyperkapitalisten een gevaar kunnen vormen voor de nationale staat. Toch zijn zij geen almachtige wereldheersers. Zij vormen evenmin als de Joodse Wijzen van Sion – die volgens de berichte ‘Protocollen’ de wereld bij de strot zouden grijpen – een kliek die een wereldstaatsgreep kan plegen. Maar laat wel duidelijk zijn voor de opeenvolging van complottheorieën dat het nepplot van de World Econimic Forum de erfgenaam is van het antisemitische ‘Protocollen van de Wijzen van Sion.’ 

Dat schrijft Roel van Duijn in zijn onlangs verschenen boek Het echte complot, de waarheid achter de wanen. Net als ik is Van Duyn geïnteresseerd geraakt in de opkomst van het hedendaagse waan- en complotdenken. En net als ik trekt hij vergelijkingen tussen nu en Nazi-Duitsland. Het boek is een weergave van Van Duyns teksten die van maart tot november 2021 op Facebook verschenen. Uiteindelijk werd Van Duyn zelfs benaderd door Thierry Baudet die deze teksten las. Zo raakten beiden in discussie over de complottheorieën van Baudet. Volgens Van Duyn voelt Baudet zich gevangen in en wereldcomplot, waarover Van Duyn eerst meelij voelt, maar dan afschuw en woede. Want degenen ‘die het net dichttrekken’ zijn volgens Baudet de Joden en hun vrienden.

Daarmee is de cirkel rond die de waanwereld van de nazi’s – via de de Illuminati, Trump en QAnon – verbindt met de hedendaagse complotdenkers en lijders aan viruswaan. Zoals ik dit verband eerder ook op dit op dit blog legde, ziet Van Duyn parallellen met de dualistische waanwereld van manicheeërs met hun strijd tussen het Rijk van het Licht en het Rijk van het Duister. Manicheeërs waren eeuwen geleden de complotdenkers bij uitstek die zich met hun ziel gevangen voelden in het het kwaad, het Rijk van de Duisternis. Tegenwoordig ziet zelfs Giorgio Agamben mondkapjes als de nieuwe Jodensterren. De waan neemt zelfs het brein van filosofen in beslag.

Daarmee lijkt de waan van het antisemitisme van de nazi’s terug te keren in tijden van corona. We gaan weer terug naar waan van de Protocollen van Zion. Wat waren dat? Als je op internet zoekt naar meer informatie dan kom je vooral hele foute filmpjes tegen. Er zijn zelfs gestoorde complotdenkers die menen dat de grote Joodse samenzwering om de wereldmacht in handen te krijgen nog altijd opgaat. Zelfs de aanslagen van 9/11 zouden te verklaren zijn vanuit de Protocollen van Zion. Zo wordt beweerd dat er in de Twin Towers geen enkele Jood is omgekomen. Het was dus een Joods complot. De paranoia kent geen grenzen vooral als het gaat om de oorsprong van het kwaad.

In zijn boek The psychopatic God, Adolf Hitler (1977) stelt Robert G.L. Waite dat de eerste versie van de Protocollen van Zion waarschijnlijk in 1899 geschreven is door onbekende auteurs in ‘de Ochrana’, de geheime politie van de Russische tsaar. Maar de naam van degene, die de frauduleuze protocollen samenstelde, is nooit achterhaald. De Protocollen werden in Rusland gebruikt om haat te zaaien tegen de Joden. Ze kwamen ook in Duitsland en later zelfs in Amerika terecht. Ook Adolf Hitler liet zich erdoor inspireren. In 1935 werden de Protocollen van Zion verplichte literatuur op alle scholen van Duitsland.

Het is een van die wonderlijke verhalen over de mogelijke bronnen van Hitlers antisemitisme. Vreemd genoeg besteedt Piet Fontaine in zijn boek De onbekende Hitler (1992) geen enkele aandacht aan de Protocollen van Zion, terwijl hij toch een hele reeks – al dan niet – occulte bronnen, die voor Hitler van belang zijn geweest, de revue laat passeren. Het is ook de vraag wat bij Hitler werkelijk de doorslag heeft gegeven. Zeker is dat het antisemitische klimaat in Wenen, waar Hitler van 1907 tot 1913 verbleef van invloed is geweest op zijn haat tegen de Joden. Zo rond de eeuwwisseling was Wenen een smeltkroes van duistere ideeën en troebele ideologieën.

Het is dan zaak om de eigen nepwereld in stand te houden door een radicale daad te stellen. Zoiets gebeurde ook bijna na Trumps oproep op Twitter die leidde tot de bestorming van het Capitool. Uiteindelijk liep het niet goed af met Trump. Dat is misschien de enige hoop die dit soort fenomenen te bieden heeft. Ze vallen uiteindelijk in hun eigen zwaard. De vraag is alleen, hoeveel er in de wereld vernietigd moet worden, voordat deze climax is bereikt.

Nepnieuws komt steeds meer in het nieuws. Sterker nog, de grenzen tussen nepnieuws en echt nieuws zijn aan het vervagen. Was de video met plasseks die de Russen in de hotelkamer van Donald Trump hadden gemaakt nu nieuws of nepnieuws? Eigenlijk doet dat er niet meer toe. Doordat het eventuele nepnieuws in het nieuws is gekomen, is de vraag of het waar of niet waar is niet meer relevant. Nepnieuws is wat de filosoof Baudrillard ooit een ‘simulacrum’ heeft genoemd. Dat is een kopie zonder origineel.

In het betoog van Van Duyn valt ook het woord pseudologia-phantastica. Er wordt wel eens beweerd dat dit zoiets is als pathologisch liegen, maar er is een duidelijk verschil. Hoewel ook de pathologisch leugenaar een onbedwingbare drang heeft tot liegen is hij zich er wel degelijk ervan bewust dat hij liegt, terwijl de pseudologia-phantastica-patiënt alle contact met de realiteit verloren lijkt te hebben verloren.

Op vergelijkbare manier kun je onderscheid maken tussen de waan die iemand zomaar lijkt ook te lopen, en een waan iemand wordt bijgebracht met de bedoeling om hem te misleiden. Het nepnieuws en de disinformatie die Rusland en China verspreiden kan mensen in een waan brengt, maar hier is sprake van een politiek oogmerk. Van Duyn is geneigd die politieke intenties telkens weer te overschatten. Zo stelt hij China en Thierry Baudet zelfs op één lijn, omdat ze allebei mensen manipuleren met complottheorieën. Van complottheorieën spreekt hij als er sprake is van het doelbewuste verspreiden van complotten die niet bestaan.

Het vreemde aan de hedendaagse waan-explosie is juist dat zelfs de manipulators van de waan vaak slachtoffer lijken te zijn van het complotdenken. Dat Thierry Baudet mensen manipuleert is duidelijk, maar ik zou mijn hand niet graag in het vuur willen steken voor de bewering dat Baudet zelf geheel vrij is van waandenken. Zijn intenties zijn fout, maar daarnaast lijkt hij mij allesbehalve geestelijk gezond, zoals ook veel mensen tegenwoordig die lijden aan wanen geestelijk niet helemaal gezond zijn. Van Duyn noemt die mensen ‘wanies’ zoals hij wel meer neologismen gebruikt, zoals ‘nep-plotten’.

Daarmee wil Van Duyn nieuwe onderscheidingen aanbrengen, maar het maakt de zaak er niet altijd helderder op. In het algemeen is hij geneigd om de psychiatrische kant van de zaak te onderschatten, en de politieke intenties te overschatten. Zijn betoog heeft gaandeweg steeds meer betrekking op politieke manipulatie. Zo beroept hij zicht onder meer op een brochure van de EU: Comparative Analysis of Conspiracy Theories. Daarbij gaat het om methoden om achterliggende zaken van een complottheorie te kunnen herkennen: de nieuwsorganisatie die het verspreidt, de geloofwaardigheid van het bericht, de al dan niet professionele stijl van het bericht en de politieke motivatie ervan, etc.

En dan komt hij tot zijn alomvattende conclusie: ‘Het echte complot is een kongsi van rechtse partijen in het Westen en dictatoriale staten in het Oosten, Rusland voorop.’ Zo’n conclusie is zo generaliserend en zelfs achterdochtig dat Van Duyn met zijn denken over complottheorieën zelf het slachtoffer lijkt te worden van een complottheorie. Hij ziet zelfs een Derde Wereldoorlog opdoemen waarin niet meer gevochten wordt met wapens, maar met digitale en psychologische wapens en valse vlag-operaties. Het zal volgens Van Duyn een even smerige oorlog worden als de vorige. Daarmee verliest hij niet alleen de juiste maat uit het oog, maar ook de redelijkheid.

Er is iets vreemds aan de hand tussen de wereld van de waan en die van de logica. Wat is nog logisch en wat niet? Wat ie redelijk en wat niet? In zijn boek Rationaliteit (2021) behandelt Steven Pinker allerlei vormen van irrationeel denken. We leven in een tijd van corona-kwakzalverij, klimaatontkenning en samenzweringstheorieën. Er wordt al gesproken over een ‘epistemologische crisis’ of zelfs het ‘post-waarheidstijdperk’. De meest bizarre geruchten doen de ronde. Zo ging in Amerika het bericht rond op sociale media dat Hillary Clinton vanuit de kelder van Pizzaria Comet Ping Pong in Washington een pedofielen-netwerk zou runnen. In februari 2020 voorspelde Donald Trump dat corona verdwijnt door malariabacillen, bleekmiddel-injecties en lichtsondes. 

Sociale media hebben volgens Pinker de verspreiding van nepnieuws versneld, maar hij waarschuwt ervoor om de oorzaak alleen daar te zoeken. De honger naar nep-nieuws en complottheorieën ligt diep verankerd in de menselijke natuur. De bizarre verhalen worden niet door algoritmen bedacht maar door mensen en het zijn mensen die ze leuk vinden. Bovendien hebben de platforms voor sociale media hun algoritmes inmiddels zodanig bijgesteld dat ze gevaarlijke onwaarheden niet langer  belonen, en daarnaast allerlei waarschuwende etiketten plaatsen waardoor de op hol geslagen dynamiek van nepnieuws getemperd kan worden. 

Pinker houdt een pleidooi voor het rationele denken en verzet zich tegen het vooroordeel dat logisch denkende mensen humorloos en benepen zijn. De fout zit hem volgens hem in het onvermogen om rationeel te kunnen denken. Mensen laten zich teveel leiden door overinterpretatie  van toevalligheden, het over-generaliseren op basis van anekdotes en de sprong van correlatie naar causaliteit. De menselijke soort is behept met structurele vooroordelen. We zijn niet alleen intuïtieve dualisten (we geloven in de scheiding van geest en lichaam), maar ook intuïtieve essentialisten (we denken dat levende wezens onzichtbare substanties hebben) en tenslotte zijn we ook nog eens intuïtieve teleologen (we denken dat complexe levende en niet-levende systemen een doel of een doelgerichtheid hebben). 

Pinker wijst ook op allerlei rationele zaken waar de menselijke intuïtie niet op berekend is. Een goed voorbeeld is exponentiële groei. Voor een statisticus is dat fenomeen glashelder, maar voor gewone mensen niet. In tijden van corona, met zijn exponentieel oplopende besmettingscurves, is dat voor menigeen een obstakel om tot een rationeel begrip van de situatie te kunnen komen. Pinker vindt dat het gevaar van nepnieuws en complottheorieën beslist niet moet worden onderschat. Samenzweringstheorieën roepen niet alleen op tot terrorisme, pogroms en volkerenmoord, maar leiden ook tot het afschaffen van maatstaven voor de waarheid, waardoor de democratie wordt ondermijnd en de weg wordt gebaand voor tirannie en totalitarisme. Rationaliteit is dan ook niet alleen een cognitieve, maar ook een morele deugd.

Om een dreigende rampspoed te voorkomen moeten volgens Pinker alle kaarten worden ingezet op verbetering van het onderwijs. Vanaf de basisschool tot de universiteit zouden onderwijsinstellingen in hun lesprogramma’s meer aandacht moeten besteden aan statistiek en kritisch denken. Logica, kansberekening en causale afleiding zijn onmisbare hulpmiddelen bij elke vorm van onderwijs en even belangrijk als lezen, schrijven en rekenen.

Het probleem met Pinker is dat hij nog al eens doordraaft en tot rationalistische riedels vervalt. Zodra hij werkelijk iets nieuws lijkt te gaan zeggen over de oorzaken van de hedendaagse golf van complottheorieën en nepniews neemt hij al gauw zijn toevlucht tot gemeenplaatsen over het helder redeneren. Het is ook nog maar de vraag of beter onderwijs de enige remedie is voor het soort kwalen als nepnieuws, complottheorieën en geruchtenmachines.

De kwaal zit mogelijk dieper en heeft mogelijk iets te maken met wat Baudrillard destijds de fatale strategieën heeft genoemd. We hebben te kampen met een fataal verlies van werkelijkheid. We leven steeds meer in een wereld waarin de kopie het origineel is gaan overtreffen. De kopie heeft zich geëvolueerd tot iets wat zelf geen origineel meer heeft en daarmee het origineel naar de kroon steekt. We leven een nep-wereld. In Nederland hebben we een nep-parlement en een nep-democratie. Wilders is een nep-politicus die ondertussen echter is dan echt. Ook Donald Trump was voor velen een nep-figuur totdat hij tot president van de Verenigde Staten werd gekozen.

Cruciaal in deze ontwikkeling is dat er een fake-versie van de maatschappij ontstaat. Je zou het een vorm van collectieve waan kunnen noemen. Iedereen maakt in zo’n intensieve mate deel uit van het waansysteem dat het onmogelijk is geworden om nog buiten dat systeem om te kunnen denken. Iedereen wordt gegijzeld door de waan. Nep wordt echt en omgekeerd. Het is dan zaak om hoe dan ook het systeem stabiel te houden om niet te vervallen in chaos. Daarvoor is alles geoorloofd, ook de leugen. Als het maar werkt. Dat adagium werd ontwikkeld door de nazi’s en wordt sindsdien gehanteerd door totalitaire leiders die leugens als waarheid te lanceren die door menigeen als zoete koek wordt aangenomen.

De mens is geen rationeel wezen, maar een grillig samenraapsel van idealisme en ratio, van verstand en gevoel, van ambitie en moraal, van sympathie en antipathie, van lust en onlust. De gedachte dat heel ons doen en laten tot rationele overwegingen te herleiden zou zijn – of herleid zou moeten worden – is een tragische misvatting. Niet voor niets volgde de Romantiek op het tijdperk van de Verlichting en leven we nog altijd in de spagaat van idealisme en positivisme. De waarheid is een resultante van een complex van tegenstrijdige strevingen in de menselijke aard. Bovendien is de waarheid zelden eenduidig.

Steven Pinker is met zijn denken over nep-nieuws en complottheorieën blijven steken in de Verlichting, in het tijdperk met zijn soms lachwekkende overschattingen van het menselijk verstand. Bestaan er eigenlijk wel absolute verschillen tussen waan en werkelijkheid? We hebben met ons allen ooit afgesproken dat het gezonde verstand overeenstemt met de wereld. Maar wie zegt dat een waanzinnige niet veel meer recht van spreken heeft? Waanzin kan soms een toevluchtsoord voor het bewustzijn vormen, een comfortabele binnenwereld die veruit te verkiezen is boven de dorre eenzaamheid van het alledaagse bestaan.

Ieder mens leeft in een burcht van illusies die we blijven koesteren uit angst dat iemand met één speldenprik aan alles een einde maakt. Je houdt jezelf voor gek ook al ben je allang geen gek meer. Misschien is juist dat wel de nog onbekende vorm van waan in tijden van corona en alles wat daar achter vandaan komt. Mensen gaan soms volledig op in een wereld van de ficties en complottheorieën, terwijl ze deepdown wellicht heel goed weten dat het onzin is. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, de NCTV, heeft inmiddels al gewaarschuwd voor complottheorieën en desinformatie over het corona-virus. Radicale complotdenkers bedreigen politici, journalisten en agenten en dat kan zomaar leiden tot geweld of terreur. Wat mensen denken wordt in tijden van corona vaak meteen waar. Het echte leven gaat zo steeds meer lijken op een permanente soap. 

Of Hitler in klinische zin de waanzin nabij is geweest, was volgens Rauschning, die hem vier keer persoonlijk ontmoette, niet te beoordelen. Maar wat hij in dit persoonlijk contact met Hitler wel ervaren had – en wat zijn kennissen hem ook bevestigden- was een ongeremdheid die tot een algehele desintegratie van de persoonlijkheid leidde. ‘Zijn getier’, zo stelde Rauschning, ‘zijn stampvoeten, de vele driftbuien en uitbarstingen van een ongezeglijk kind – het was grotesk en afschuwelijk, maar het was geen waanzin.’

Maar als het geen waan was waarin Hitler leefde, wat was het dan wel? Hoe kun je in leven blijven als je opeens tot de ontdekking komt dat je leeft in een waanzinnige soap, of anders gezegd, in een wereld die niet meer echt blijkt te zijn? Wie uit de virtuele wereld van het internet terugkeert in de werkelijkheid ervaart soms de werkelijkheid niet meer als echt. Er gaat iets schuiven dat te maken heeft met je primaire geloof hoe de wereld in elkaar zit. De grenzen het ik en de buitenwereld gaan dan vervagen. Tegen beter weten in houdt een mens dan de illusie in stand dat de werkelijkheid de normaalste zaak van de wereld is. Hij trekt een geruststellend decor overeind van een historische of existentiële identiteit, waarin hij zich niet alleen als individu, maar liefst ook in een groep, heel veilig kan wanen. Zo gaat veiligheid boven alles, zelfs als het een fictie is. In feite leeft de zich veilig wanende mens voort in een decor dat speciaal voor hem is opgetrokken om een waanwereld in stand te houden.

Zo bezien is de waan in gedroomde vorm van veiligheid. In een tijd van doorgeschoten individualisme is de mens zijn collectieve bufferzone van fictieve veiligheid kwijt, de luchtkussens die voorheen de waan van de religie ons nog kon bieden, maar ook een ideologie of een groot verhaal. Die luchtkussens van vermeende veiligheid zijn leeggelopen. We moeten voortleven op het kale beton van de naakte feiten. Zo zijn we overgeleverd aan de chaotische wildgroei van de privé-waan en het privé-geloof. De complot-theorie en het nep-nieuws zijn de religie in een nieuwe, gefragmenteerde gedaante. De wereldbeelden zijn in duigen gevallen en in de versplinterde waan jongleren we met de scherven van het oude geloof.

Reageer

Dood doet leven en beminnen

Leeuwarder Bos, gisterochtend

‘De schepping is een spectaculaire nachtmerrie 
die zich afspeelt op een planeet die honderden miljoenen jaren 
lang met het bloed van al zijn schepsels doordrenkt is. De nuchterste conclusie die we over wat er op deze planeet ongeveer 
drie miljard jaar lang eigenlijk is voorgevallen zouden kunnen 
trekken is dat die in een enorme mesthoop veranderd wordt. 
Maar de zon leidt onze aandacht af, droogt altijd het bloed op, 
laat van alles groeien en geeft met haar warmte de hoop die met 
de vertroosting en groeikracht van het organisme gepaard gaat. ‘
’Questo sol m’ arde, e questo m’ innamora”, zoals Michelangelo 
het heeft gesteld.’

‘Deze zon verteert me en maakt dat ik me overgeef aan de liefde,’ zo zou de woorden van Michelangelo kunnen vertalen. Het zijn woorden die Ernest Becker citeert aan het slot van een ijzingwekkende passage waarmee hij zijn boek De ontkenning van de dood (1973) afrondt. Ondank alle verschrikkingen blijft de mens houden van het leven. Sterker nog, de vernietigende kracht van de zon verleidt hem juist tot liefde. Dat is romantische paradox die eigen is aan het bestaan. Je kunt zo erg niet bedenken of de mens ziet er een reden in om lief te hebben. Het menselijk leven is pas mogelijk als de dood in zijn ware gedaante wordt ontkend. De dood doet leven en beminnen. Of zoals Nietzsche het verwoordde: ‘Was mich nicht umbringt, macht mich stärker.

Dat zou je de noodzakelijke neurose van de geestelijke gezondheid kunnen noemen. Zo geredeneerd is een neurose een gezonde uiting van de geest. De ontkenning van de dood wordt in een echte neurose alleen wat al te ver doorgevoerd, zodat je er zelf last van krijgt . Het leven wordt dan gecompartimenteerd is een aantal dwanghandelingen. Het geluk wordt overgedragen aan een schijnobject, een fetish. Geluk is het illusoire gevolg van een dwangmatige aanpassing aan de verschrikkingen van het leven. En het tegendeel van geluk is vertwijfeling. Dan zie je de dood in de ogen.

Vertwijfeling is de plotselinge gewaarwording dat de grond onder je voeten wegzakt. Waar je altijd op vertrouwd hebt is er plotseling niet meer. Het leven dreigt dan opeens te ontaarden in een nachtmerrie van zinloosheid. Maar is dat ook echt vertwijfeling? Volgens Kierkegaard, door wie Ernest Becker in zijn denken beïnvloed werd, dient de vertwijfeling zich niet aan als een ‘leven in schijn’ opeens schipbreuk lijdt. Dan was de vertwijfeling er al eerder, zonder dat hij bewust werd ervaren.

Aan de vlucht in de schijn – of dat nu geld is, maatschappelijke status of een ander paradijs van illusie  – gaat de ware vertwijfeling vooraf, dat wil zeggen: een basaal gevoel van twijfel over het leven zelf, een eindig leven dat leidt tot de dood en dat in wezen niet aanvaardt wordt. Het is een ervaring die niet zelden gepaard gaat met een plotselinge hang naar het absolute.

Na de dood van God moet de mens alle bestaansproblemen uit zich zelf oplossen. Ook het probleem van de dood en die vertwijfeling die dat kan oproepen. Als hij kunstenaar is dan schept hij zich misschien een privé-religie, maar dat is slechts weinigen gegeven. In het spoor van Kierkegaard laat Becker zien dat de beste existeniële analyse van het menselijk lot direct leidt naar de problemen rond God en het geloof. De vertwijfeling kan ook een katharsis zijn. Maar de grond van elke vertwijfeling is de koude steen op de bodem van de ziel, daar waar een ijzige wind blaast over de doodshoofden.

Zo kan er zelfs een vorm van vertwijfeling zich aandienen die erin bestaat dat men elke wil tot leven is kwijtgeraakt en niettemin bevangen blijft door een diepe angst voor de dood. In dat niemandsland tussen leven en dood is er zelfs voor de wanhoop geen uitweg meer. Het is een vorm van zijnsverlatenheid die in de moderne tijd is ontstaan. De moderne mens is gedesoriënteerd geraakt door het almaar verschuiven van grenzen. Er zit een lek in het ontologisch omhulsel dat van oudsher het bestaan heeft beschermd en behoed voor de uitbraak van een epidemische geestesziekte.

‘Ik ben gelukkig’, wil zeggen ik versta de kunst om mezelf een rad voor ogen te draaien. Als een terdoodveroordeelde vroeger naar het schavot werd geleid, was het een geestelijke die hem een bordje voor ogen hield, zodat hij zijn laatste slachtplaats niet zelf hoefde te zien. Dat bordje is er niet meer, maar wat bleef is de ontkenning van de dood die ons wordt bijgebracht bij het mens worden. Mens word je niet door geboorte. Mens word je pas door de dood niet te willen zien.

We leren blind te zijn voor de dood. Zelfs van nature verstaan we die kunst. De zon doet ons beminnen, hoewel zijn vuur het leven verteert. De ontkenning van de dood van Ernest Becker is een adembenemend boek. Niet in de laatste plaats omdat Becker hoop put uit het ogenschijnlijk hopeloze. Door zich opnieuw te verhouden tot het oneindige en de religieuze symbolen die daarbij horen, kan de mens de dood pas echt ontkennen. En juist dat is precies wat hem als mens te doen staat, juist in tijden van vertwijfeling.

De laatste tijd lees ik veel over vertwijfeling. De coronacrisis in combinatie met een wereldbeeld dat gekenmerkt wordt door de dreiging van economsiche en ecologische catastrofes, maakt dat de vertwijfeling van de ene op de andere dag je eigen leven kan overrompelen. Vertwijfeling is de plotselinge gewaarwording dat de grond onder je voeten wegzakt. Waar je altijd op vertrouwd hebt is er plotseling niet meer.

Het leven dreigt dan opeens te ontaarden in een nachtmerrie van zinloosheid. Maar is dat ook echt vertwijfeling? Volgens Kierkegaard dient de vertwijfeling zich niet aan als een ‘leven in schijn’ opeens schipbreuk lijdt. Dan was de vertwijfeling er al eerder, zonder dat hij bewust werd ervaren. Aan de vlucht in de schijn – of dat nu geld is, maatschappelijke status of een ander paradijs van illusie  – gaat de ware vertwijfeling vooraf, dat wil zeggen: een basaal gevoel van twijfel over het leven zelf, een eindig leven dat leidt tot de dood die in wezen niet aanvaard wordt. Maar zelfs de dood doet leven en beminnen. Hoe ging die smartlap ook al weer?

…. Menschen die sich lieben sterben nie… . 

Reageer

De rijkdom van het onvoltooide

Ik moest nodig naar de kapper, bedacht ik me vorige week. Dit periodieke gebeuren is een noodzakelijk kwaad, waar ik me altijd met enige gelatenheid aan overgeef. Bij de stationskappen ben ik al jaren een vaste klant. ‘Hoe wilt u geknipt worden,’ luidde de obligate openingszet van de verplichte conversatie. Ik heb dan altijd de neiging om te antwoorden: ‘Zonder gekwebbel’, maar ik hield me in. ‘Haal er maar flink wat af!’, zo liet ik weten. Met dat soort woorden maak je een kapper niet gelukkig. Ze miskennen het edele ambacht van de barbier. Een en ander had wel tot gevolg dat ik gedurende enige minuten van een betrekkelijke stilte kon genieten. Mijn woorden hadden kennelijk tot nadenken gestemd. Pas toen vrijwel al mijn grijze lokken op de vloer waren beland, kwam er een begin van een conversatie op gang.

‘Als kapper knip je het haar weg, maar de kunst is juist om het haar te laten zitten.’ Ik liet deze wijze woorden tot mij doordringen en vergeleek ze vervolgens met het spreekwoordelijke ‘half gevulde glas’ dat even goed ‘half leeg’ genoemd kan worden. Mijn kapper echter vond dat niet hetzelfde. ‘Knippen,’ zo verzekerde hij mij, ‘is een kunst. Het gaat om de wijze waarop je dat doet. Juist om die reden is het haar, dat je laat zitten, veel belangrijker dan het haar dat je wegknipt.’ Vervolgens liet hij mij weten, dat hij altijd een beetje een dwarsligger is geweest. ‘Als iemand wat beweert, dan ben ik het daar in eerste instantie niet mee eens.’

Ik kon me daar wel iets bij voorstellen en ik zocht naar gevleugeld woord om deze conclusie samen te vatten.
– ‘Zonder wrijving geen glans,’ zei ik.
– ‘Ja zo is het!’ riep hij en voegde er een tweede vergelijking aan toe:
– ‘Zonder spanning geen licht.’
Zo waren we beiden weer een wijsheid rijker. Opgelucht stapte ik naar buiten. Altijd weer verbaas ik mij erover hoe helder mijn gedachten zijn, als mijn haar is geknipt. Helaas is die ervaring slechts van korte duur.

Maar deze wijsheid die ik bij de kapper had opgedaan bleef nog dagen hangen in mijn hoofd. Het kwam mij voor dat elke uitspraak die je voor waar houdt ook anders opgevat kan worden. Een boodschap kan door de ontvanger zo geïnterpreteerd worden dat hij het tegendeel meent te verstaan van wat de boodschapper in feite heeft bedoeld. Hele godsdiensten zijn van start gegaan door een foutieve interpretatie die de volgelingen hebben gehecht aan de woorden van degene die de godsdienst had gesticht. Het christendom is daar een tragsich voorbeeld van. Maar laat ik daar niet verder over uitweiden en mij beperken tot het misverstand rond één boek. Dat boek is De man zonder eigenschappen van Robert Musil. Wat je noemt een klassieker, maar ook – zoals dat zo vaak gaat met klassiekers – een boek dat vrijwel niemand leest of gelezen heeft. Toch denkt iedereen te weten wat er in staat, en zeker ook wat de titel betekent: De man zonder eigenschappen.

‘Schreef Robert Musil eens over ‘Der Man ohne Eigenschaften’, zo zou je over de huidige Nederlandse architectuur kunnen spreken van een architectuur zonder bedoelingen, een triomfalistisch modernisme, totaal ongevaarlijk, van zijn tanden ontdaan, gesteriliseerd. Niemand zal er van wakker liggen en niemand zal er kwaad van worden.’

Zie daar – in de woorden van Rem Koolhaas – het misverstand in optima forma. ‘De man zonder eigenschappen’ is een metafoor geworden voor alles wat geen smaak of kraak heeft. Met het Musil’s boek in gedachten ging Koolhaas tekeer tegen de ‘nikserigheid’ van de moderne architectuur die tot leven komt als de talentloze braafheid hoogtij viert. Het is de architectuur van het eeuwige compromis, van het ingecalculeerde wisselgeld voor de welstandscommissie. Lelijkheid die je niet eens kunt aanwijzen is het ergste wat er is. Het is als een ziekte die je niet in het lichaam kunt lokaliseren, een onzichtbaar virus dat op den duur het hele lichaam in zijn greep krijgt. Het is ‘de architectuur zonder bedoelingen’ waar de roman van Musil model voor gestaan zou hebben, in ieder geval de titel van die roman. Maar niets is minder waar. Zo schrijft Jacques Kruithof in De rijkdom van het onvoltooide (1988) – een fraaie analyse van Musil’s roman – het volgende:

‘Afgezien van de misplaatste journalistieke toepassingen van de ‘man zonder eigenschappen’ zijn er meer misverstanden in omloop: dat Ulrich het lef niet heeft voor iets te staan, dat men – bij uitbreiding – er verstandig aan doet geen enkel standpunt van ganser harte in te nemen of, zoals Maurice Blanchot schrijft: De man zonder eigenschappen is niet enkel de vrije held die elke beperking weigert en die, de essentie weigerend, voorvoelt dat hij ook de existentie moet weigeren, en haar door de mogelijkheid moet vervangen. Hij is allereerst de verwisselbare mens van de grote stad, die niets is, nergens op lijkt, het alledaagse “men”’.’

Die interpretatie klopt dus niet volgens Kruithof. Het epitheton ‘zonder eigenschappen’ is in de roman van Musil afkomstig van Ulrich’s vriend Walter, die het cynisch bedoelt en er de – in zijn tijd – ‘moderne mens’ mee op het oog heeft: ‘een wezen dat alle overgeleverde eigenschappen of kwaliteiten ontbeerde.’ Maar wat veel lezers ontgaat is dat de benaming ‘man zonder eigenschappen’ in de roman feite als een geuzennaam fungeert voor iemand die zich juist niét wil schikken in de cliché’s van het negentiende-eeuwse Kakanië, de vermolmde wereld van de Hongaars-Oostenrijkse Dubbelmonarchie. Dat was de oude wereld die duizend verklaringen opleverde, maar waarvan geen verklaring meer deugdelijk was. De man zonder eigenschappen wilde juist niet meelopen met al die lieden die de waan van de dag vertolkten, die leuterden met hun meninkjes en hun ideetjes en weldra achter vaandels aan zouden lopen.

De hoofdfiguur Ulrich zou zich juist verzetten tegen wat Kruithof noemt ‘de zwendel met de grote woorden en ongefundeerde begrippen, tegen de lieden die de waarheid in pacht lijken te hebben en tegen hulpeloze en armzalige dweperij van hun volgelingen.’ De man zonder eigenschappen koos juist voor ‘het essayistische leven zonder laatste waarheid’ . Musil heeft tot op de dag van zijn dood op 15 april 1942 aan de roman gewerkt, zonder ooit een einde te vinden. Sterker nog een einde zou juist strijdig zijn met alles waar de roman voor staat. Het leven is niet te vatten in een verhaal, een narratieve ordening van gebeurtenissen. Als er een bottomline in deze bodemloze roman bestaat dan moet het zijn dat de taal tekortschiet om de wereld te representeren, laat staan te verklaren.

De woorden schieten heen en weer als apen tussen de takken van een boom, maar de ruimte daartussen blijft onaangeroerd. Het gaat erom de ondeugdelijkheid van de taal aan te tonen in een roman, zoals Schönberg de ondeugdelijkheid van de tonaliteit in de muziek aan de dag legde en Kandinsky de ondeugdelijkheid van de figuratie in de schilderkunst. Zo ontstond er ruimte voor een nieuw soort mystiek, want juist de mystiek is ‘een religie zonder eigenschappen’.

Meister Eckhardt sprak al over ‘het leven zonder eigenschap’. Dat zou een leven zijn zonder ‘de energie verslindende bindingen aan bezit, een voorwaarde om zich van de tranendal los te maken.’ Juist de mystiek laat als niets anders de ondeugdelijkheid van de taal zien. Mystiek is volgens Kruithof een ‘opheffing en ontlediging die impliceren dat er geen intact ik meer overblijft om van deze sensatie bericht over te brengen.’ Het zou Musil niet alleen gaan om een nieuw soort mystiek, maar ook om een nieuwe moraal in een versplinterde wereld. De moderne wereld waarin het verband tussen de woorden en de dingen verbroken was.

De roman De man zonder eigenschappen speelt zich af in in de geboortestad van zionisme en nazisme. Het Wenen van Wittgenstein. Het is ook het Wenen van Freud, de stad van de psychoanalyse, de stad ook waar Hitler ooit kunstenaar wilde worden. De stad van de atonale muziek van Schönberg en de functionele architectuur van Adolf Loos, gebouwen zonder enig ornament, want dat was een misdaad. Het Wenen dat door Karl Kraus ooit is bestempeld tot ‘het onderzoekslaboratorium voor wereldvernietiging’. Het Wenen van Otto Weininger, van antisemitisme, vrouwen- en mensenhaat.

Georg Steiner heeft in dit verband ooit gesproken over het ‘verbroken contract’ tussen de taal en de werkelijkheid, dat zijn repercussies had voor de ethiek. Dat contract zou juist hier zijn verbroken, in het Wenen van Wittgenstein. Deze gedachte komt in het werk van George Steiner telkens weer naar voren. Dat verbroken contract tussen het woord en wereld, dat in het denken van Wittgenstein zo duidelijk aan het licht treedt, is volgens Steiner wellicht de grootste geestelijke revolutie in de westerse geschiedenis, een revolutie die bepalend is geweest voor onze moderne tijd. De door Nietzsche vastgestelde dood van God werd gevolgd door het verbreken van het contract dat van oudsher tussen woord en wereld had bestaan.

Voor Wittgenstein was het niet meer vanzelfsprekend, dat woorden naar dingen in de werkelijkheid verwezen. Ze konden immers ook naar andere woorden verwijzen. Taal verwijst naar taal, en niet naar de wereld. De menselijke geest, zo stelde hij, was behekst door de taal. Daarmee verdween de uiteindelijke theologische aanwezigheid in het proces van betekenen. God zat van oudsher in de Logos, in het contract tussen woord en werkelijkheid, dat wel zeggen: in het betekende fluïdum dat de geest met de wereld verbindt. Maar hoe die verbinding tot stand komt is voor de taal zelf ontoegankelijk. De wijze waarop de woorden de dingen ‘afbeelden’, daar weten wij niets van. Wij weten dat een landkaart een gebied kan voorstellen, maar dat voorstellen op zichzelf, als een proces dat tussen onze oren plaatsgrijpt, daar weten we niets van. Zoals we ook niet lichtstralen zien: we zien alleen licht.

Aanvankelijk maakte Wittgenstein nog onderscheid tussen de taal als als afbeeldingsproces – de representatieve taaluiting – en taal als een bijverschijnsel van een handeling: de performatieve taaluiting. Maar in feite, zo ontdekte hij, is elke taaluiting ‘performatief’. Er voltrekt zich iets in elke taaluiting zelf. Anders gezegd, er wordt iets getoond. Maar hoe toont zich die betekenis? Nogmaals, dat weten we niet. Net zo min – en hier maakte hij de onomkeerbare  gedachtesprong – dat wij weten waarom iets moreel goed is of niet. Er zijn geen rationele criteria om het goede te kunnen onderscheiden. Het goede ‘toont’ zich, zoals de betekenis in de taal. De onzegbaarheid in het contract tussen taal en werkelijkheid is dus niet alleen een linguïstisch, maar ook een ethisch probleem.

Door die ontdekking, die aan de basis lag van de moderniteit, was opeens een gapende afgrond ontstaan tussen het goede en het ware. Die ontdekking werd gedaan in het Wenen van Wittgenstein, waar Karl Kraus al in 1909 had beweerd, dat er in Europa een tijd zou komen ‘waarin er handschoenen gemaakt zouden worden van mensenhuid’. Het was niet Wittgenstein, maar Hitler die deze uiterste conclusie zou trekken uit het verbroken contract tussen taal en werkelijkheid. Bij Hitler ging de taal als het ware rondtollen in zichzelf. Het verbroken contract maakte plaats voor een contract van de onmiddellijkheid, een contract waarin het woord als vanzelfsprekend als ‘waar’ wordt aangenomen.

Hitler overbrugde de breuk tussen de woorden en de dingen, door de woorden tot een onbetwijfelbare status te verheffen. Zo ontstond het nieuwe fascistische register van de taal, waar geen ‘waarom’ meer bestond, alleen een ‘daarom’: Befehl is Befehl. Symbolen werden iconen. Semantiek werd een nieuwe religie. De taal werd opnieuw heilig in het hier en nu, maar deze hernieuwde heiligheid was van een satanische makelij. Het geweten was immers uitgeschakeld door deze kortsluiting van de taal. Sterker nog de religie, die het menselijke geweten had ontdekt – Mozes, Jezus en Marx waren alle drie Joden geweest – moest als eerste worden vernietigd. De onmiddellijkheid van de nieuwe taal had immers geen boodschap aan het geweten.

In zijn boek Real Presences (1989) stelt George Steiner: ‘Wij moeten onszelf en de cultuur de vraag stellen of een seculier, in wezen positivistisch model van het begrijpen en van de ervaring, van betekenisvolle vorm (het esthetische) houdbaar is in het licht van, zo u wilt, in het duister van het nihilistisch alternatief.’ Dat besef drong bij Steiner nadat hij de Frankfurter stationsboekhandel een gedichtenbundel had gekocht van Paul Celan, en als door de bliksem werd getroffen door vrijwel de eerste regel die hij las, waarin Celan sprak van een taal die bestond ‘uit woorden ten noorden van de toekomst.’

Volgens Steiner was in Nazi-Duitsland het diabolische van de taal zelf aan het oppervlak van het bewustzijn gekomen. Hij wilde de wereld behoeden voor het verval van het woord, dat in onze moderne tijd steeds verder om zich heen grijpt. In de taal ligt immers onze unieke gave en het fundament van onze humaniteit. Al in zijn essaybundel Lanquage and Silence (1958) pleitte hij voor een nieuwe taalfilosofie, om daardoor zicht te krijgen op de oorzaken van de gedeeltelijke woestenij van onze cultuur.

‘Deze taalfilosofie,’ zo stelde hij, ‘zal de wijsbegeerte zien, zoals Wittgenstein haar geleerd heeft dat te doen, als taal in een conditie van uitzonderlijke afgewogenheid, waarin het woord weigert zichzelf zonder meer als 
waar aan te nemen.’ (..) ’Mijn eigen 
bewustzijn wordt beheerst door de uitbarsting van barbaarsheid in het 
huidige Europa; door de massamoord op de Joden en de vernietiging on
der Nazisme en Stalinisme van wat ik probeer 
te definiëren als de specifieke geest van het ‘Midden-Europese humanisme’.

En toch, het betoog van George Steiner heeft iets tegenstrijdigs. Wij weten nu, zoals hij telkens maar weer herhaalde, dat iemand die ‘s avonds Goethe en Rilke kon lezen, of Bach en Schubert kon spelen, ’s morgens weer doodgemoedereerd naar zijn dagelijks werk in Auschwitz kon gaan. Maar was er inderdaad sprake van een verband tussen enerzijds die zorgwekkende splitsing tussen de cultuur van het Midden-Europese humanisme en de gruweldaden van het Hitler-bewind en anderzijds het ‘verbroken contract tussen taal en werkelijkheid’, waarvan Wittgenstein vaak als de belangrijkste protagonist wordt beschouwd? Wat is de relatie tussen enerzijds het contract tussen de woorden en de dingen en anderzijds ‘een goed mens’? Bestaat er wel een basis voor de moraal in de ratio? Wat leert ons het verstand als het gaat om zaken van goed en kwaad? In hun boek Het Wenen van Wittgenstein (1973) komen Allen Janik en Stephen Toulmin tot een ongemakkelijke conclusie:

‘Wittgenstein was zich er terdege van bewust, evenals Kraus trouwens, dat de rede alleen een instrument van het goede is, wanneer het de rede van een goede man is. Het feit dat de goede man goed is is geen gevolg van zijn denkvermogen maar van de fantasie die hij bezit. Voor de goede man is ethiek een manier van leven, geen systeem van proposities.’

Met andere woorden, de wetenschap helpt ons geen spat verder als het gaat om de vraag hoe wij moeten leven. Maar dat had mijn kapper mij ook wel kunnen vertellen. Altijd weer verbaas ik mij erover hoe helder mijn gedachten zijn als mijn haar is geknipt. Helaas is die ervaring slechts van korte duur. Toen ik naar buiten liep stak ik de straat over bij het station en opeens bevond ik mij heel ergens anders, een een andere tijd ook. Ik waande mij in het Wenen van Wittgenstein.

Ik liep de Kohlmarkt af en kwam bij de Graben, de drukke hoofdstraat vol met wandelaars die flaneerden in het felle winterlicht. Vervolgens sloeg ik de Naglergasse in, maar weldra keerde ik op mijn schreden terug en wandelde over de Stephansplatz in de richting van de Bäckerstrasse, vlak achter de hoge Romaanse torens van de Stephanskirche. O Wenen, zo dacht ik mij mijzelf, waarom hebt gij ons verlaten? De rijke eeuw die jij in gedachten had is nog altijd onvoltooid. 

Reageer

Overal en nergens

De waan wordt niet veroorzaakt door een gebrek aan informatie, maar door een overload. Wat betekent dat? Het is niet een teveel aan input waardoor de geest ontspoort, maar door een gebrek aan samenhang in wat er op hem afkomt. Maar wat is dan het verband der dingen in wat er op hem afkomt? In zijn roman De man zonder eigenschappen begint Robert Musil het eerste hoofdstuk met een weerbericht ‘waarbij isothermen worden aangegeven, de vochtigheid wordt gemeten en de temperatuur van de stad wordt opgenomen.’ Zo moet het ook zijn met het verband dat altijd aanwezig is in een aaneenschakeling van ogenschijnlijk willekeurige gebeurtenissen.

Ons brein zit zo in elkaar, dat wij telkens weer verbanden gaan zien, ook als die er helemaal niet zijn. Tussen een vlinder die wegvliegt in een zomers park in Peking en een orkaan die opsteekt in het middenwesten van Amerika, ligt hoe dan ook altijd een verband. Er bestaat geen zinloze aaneenschakeling van toevallige gebeurtenissen. Alles maar dan ook alles kun je aan elkaar plakken met de lijm van oorzaak en gevolg, al is de logica van die lijm soms ver te zoeken.

In de afgelopen week heb ik in een dag in de trein gezeten en een dag in de auto. Ik heb Amsterdam en Arnhem gezien, twee boeken gelezen, kilometers gelopen en een groot aantal mensen gezien, vluchtige passanten wachtend op perrons of naast je zittend met een mondkapje op in een stiltecoupé. Nu ik weer terug ben maak ik de balans op. Wat ben ik wijzer geworden, zo vraag ik me af.

Als ik mijn aantekeningenboek doorkijk dat ik op reis altijd bij me heb, dan lees ik van alles. Ik leg verbanden tussen gebeurtenissen. Ik probeer oorzaken te zien en gevolgen. Ik trek lijnen in mijn eigen leven en maak aantekeningen over de overeenkomsten en de verschillen die ik zie tussen vroeger en nu. Maar wat is de zin van dit alles? Waarom ben ik altijd op zoek om een zin of een betekenis te vinden in een leven dat op de keeper beschouwd niet meer is dan een toevallige aaneenschakeling van gebeurtenissen. Het toeval van de werkelijkheid is de laatste eigenschap van de werkelijkheid die een mens wil aanvaarden. Altijd maar weer moet er sprake zijn van een verband, liefst een bezield verband.  

Maar het tegendeel is het geval. Alleen al het bewustzijn zelf is  een voortdurende windvlaag. Telkens weer sleurt het me mee in alle richtingen, maar hoe dan ook om naar buiten te gaan, om aan mezelf te ontsnappen. En dat terwijl ik heel goed weet dat ik de waarheid – zo hij bestaat – niet moet zoeken door naar buiten te gaan, maar naar binnen, in mijn diepste zelf. Niet in het hoofd, maar in het hart. Telkens weer wil ik weten hoe dingen gegaan zijn als ze gegaan zijn, maar telkens weer als ik denk me ergens aan vast te kunnen grijpen, glipt het weer tussen mijn vingers weg. Hoe meer ik beweeg, hoe minder ik ik grip heb op mezelf. En hoe meer ik stilsta, hoe meer ik alles zie bewegen in een draaikolk om me heen. Ik word gejaagd door de wind, maar de wind dat ben ikzelf.

Hoe ouder ik word, hoe meer mensen om me heen wegvallen. Het leven wordt leger. Tenminste, wat bekenden en geliefden betreft. Anderzijds wordt het reservoir met liefdevolle herinneringen steeds voller. Soms denk ik wel eens aan mijn eigen dood. Niet te lang, want denken aan de dood moet  je niet te veel doen. Het valt me op dat het denken over andermans dood mij makkelijk afgaat dan het denken over mijn eigen verdwijnen in de tijd. Wel heeft de corona-crisis mij andermaal doordrongen van de tijdelijkheid en de kwetsbaarheid van het leven. Het leven is een uitzondering in de natuur. Dood is van begin af aan de regel. En hoe ouder ik word, hoe meer ik mij van die levensregel bewust word. 

Op mijn laatste terugreis naar Leeuwarden tekende ik een schema van mijn leven. Ik tekende de toppen en de dalen, de stabiele periodes en de diepe depressies, de periodes van stagnatie en die van Sturm und Drang. Vooral aan die stormachtige periodes denk ik soms met enige weemoed terug. Het is de storm van de liefde waarvoor geen medicijn bestaat. Hoe zei Nietzsche het ook alweer? ‘Je moet chaos en razernij in je binnenste hebben om het leven te schenken aan een dansende ster.’

Maar wie de feiten uit het verleden wil ordenen in een chronologisch stramien stuit op een probleem. Er ontbreekt iets: het verband. Het weergeven van de geschiedenis ontkomt niet aan interpretatie, dat wil zeggen: weglaten, benadrukken, uitvergroten en  minimaliseren.  Wie het verhaal van zijn leven wil navertellen, vertelt een geschiedenis van feiten die in feite beschreven worden als fictie, en niet een exacte chronologie van de feiten, want dat zou niet te lezen zijn. De geschiedenis heeft een mythe nodig. De tijd bestaat niet in onze geest. Wij manipuleren voortdurend tijd door er een andere volgorde aan te geven. Schrijven is spelen met de tijd. 

Ook mijn dagelijks feuilleton op dit weblog is een tijdslaboratorium. Ik kan aan de knoppen draaien als het om de weergave van het verleden gaat. Dat betreft niet alleen de geschiedenis als geheel, maar vooral ook mijn persoonlijk verleden. Niet alleen de feiten in de buitenwereld, maar ook de ervaringen in de werkelijkheid van mijn eigen bewustzijn, mijn geheugen, mijn ziel. In dat opzicht heeft het verleden meer weg van een droom dan van een calendarium. De tijd keert zich voortdurend om als ik terugkijk in de tijd.

Onderwijl wordt mij het zicht ontnomen op de onomkeerbare tijd die er ooit in het heden is geweest. Dat was de tijd toen het panorama van de geschiedenis nog niet onttoverd was door de voortgang van de tijd, toen de hemel nog daarboven was en de aarde hier beneden, beide met elkaar verbonden in een verticale as, die even omkeerbaar was als de horizontale as van de tijd die almaar voortgaat en voortgaat… als een kraan die altijd openstaat…als een badkuip die langzaam leegloopt…

In de trein naar Leeuwarden tekende ik ook een schema van het gezin waarin ik opgroeide als jongste zoon tussen vier oudere zussen. Maar wederom zag ik het verband niet. Ik was overal en nergens en het enige wat ik zag waren de lijnen van een patroon zoals ook Robert Musil die tekende in het eerste hoofdstuk van zijn roman De man zonder eigenschappen: de lijnen van een weerbericht…. ‘waarbij isothermen worden aangegeven, de vochtigheid wordt gemeten en de temperatuur van de stad wordt opgenomen’.

Reageer