De demonen van de maaltijd

19041594

‘Hartstocht voor bepaalde dingen komt niet voort uit de goedheid of de zuivere schoonheid van die dingen, maar vooral uit het bederf dat zij bevatten. Men kan dolzinnig van een vrouw worden vanwege haar hoerigheid, haar kwaadaardige karakter, haar gemene hoofd, hart of zinnen; men kan overmatig verzot zijn op spijzen die sterk rieken, om niet te zeggen stinken. Wat in feite de hartstocht opwekt is de faisandage, het besterven van mensen en dingen.’

Deze woorden van de gebroeders Goncourt onthullen in een notendop een geheim verbond tussen schoonheid en bederf. Ze worden geciteerd door Mario Praz in zijn beroemde boek The Romantic Agony, waarin de lezer wordt rondgeleid door de literatuur van de negentiende eeuw. Dat was de tijd van de Romantiek, een stroming in de cultuur die aan de basis ligt van het modernisme, een periode ook waarin de klassieke wetten van smaak en schoonheid voorgoed zouden veranderen. Naast de schoonheid van het bederf zijn er meer moderne ontdekkingen die achteraf bezien tot de erfenis van de Romantiek kunnen worden gerekend. De schoonheid werd in die tijd in feite opnieuw gedefinieerd. Wat voorheen intrinsiek verbonden was met het goede en het ware, werd voortaan ook ervaren in de meest donkere schaduwzijden van het bestaan.

Romantische schoonheid raakte doordrongen van pijn, bederf en dood. En als het verval mooi wordt gevonden komt weldra de schittering van de decadentie in zicht. De Romantiek bracht ook een nieuw soort kunstenaars voort, ziekelijke geesten, soms levend op de rand van waanzin waar ook het genie werd gesitueerd. Een absolute vereenzelviging met de natuur bracht een drang aan het licht naar vernietiging en ontbinding, een duistere drift die in de tijd van de Verlichting aan de ketting was gelegd. De geestelijke nazaten van Markies de Sade zochten die troebele bronnen van de verbeelding juist op. Ze lieten zich inspireren door vampieren en fatale vrouwen, door hel en verdoemenis, het afzichtelijke en het wrede, kortom: door de bloemen van het kwaad.

In die eeuw van de Romantiek waarin het hemels baldakijn op instorten stond en God tenslotte zelfs dood werd verklaard leken alle middelen geoorloofd om de schoonheid van de ondergang te redden. De esthetische roes werd een verdovend middel om niet aan de waarheid te hoeven sterven. Alcohol en hasj werden stimulantia voor de verbeelding. De kunst werd faustisch, zoiets als een misdaad, een verzet tegen de klassieke canon van edele eenvoud en verstilde grandeur. Giftige recepten werden bedacht en nieuwe ingrediënten voor een kunstwerk beproefd. Zoals je suiker niet alleen uit suikerbieten kon winnen, zo kon alles voortaan als grondstof dienen voor poëzie. Baudelaire schreef zelfs over de smaak van hersenen van een pasgeboren baby. Sindsdien werd menig kunstenaar gedreven door een onweerstaanbare drang tot schennis.

Een drang ook naar het onbekende die kenmerkend zou worden voor de latere avant-garde. Het taboe was voor hen geen morele of esthetische richtlijn meer, eerder een grens die tot elke prijs overschreden moest worden om nieuwe schuilplaatsen van de schoonheid bloot te kunnen leggen. Achter angst en vertwijfeling lag de verleiding van een verboden extase. Doodsdrift werd een verlangen naar een ultieme ontknoping, naar het moment dat de machinerie uiteindelijk ontspoort en de totale chaos om zich heen grijpt, naar het inferno van moleculen dat een mens te  wachten zou staan als het leven uit zijn vlees is geweken.  Lust, dood en duivel vormen dan ook de patronen waarmee Mario Praz de ontdekkingen van een nieuwe, huiveringwekkende schoonheid voor het eerst in kaart heeft gebracht.

Esthetica is in wezen een kwestie van smaak. Alle geheimen van de kunst liggen dan ook in een goede maaltijd besloten. Het aardige in de woorden van de Goncourts is dat ze het verscholen verband tussen schoonheid en bederf terugvoeren naar een domein waar het altijd al had bestaan: het eten van voedsel. Dat domein is sinds mensenheugenis met taboes omgeven. Aan de gevaren van het eten dient immers paal en perk te worden gesteld. Niet voor niets bestaat er vandaag de dag een warenwet die voor handel en horeca als richtlijn dient. De mechanisering van de voedselproductie lijkt tegenwoordig zijn uiterste grenzen te hebben bereikt. In laboratoria worden dagelijks duizenden koeienkoppen doorkliefd om te hersenstam te onderzoeken op de ziektekiemen van Creutzfeldt-Jacobs.

In een tijd van toenemende besmetting van voedselketens biedt alleen de warenwet nog enige bescherming tegen de uitwassen van de bio-industrie. In die wet liggen ook de regels vast waarmee de gevaren van het natuurlijk bederf van voedsel aan banden worden gelegd. Bedorven vlees legt de zwakheid bloot van het levend organisme. De mens is immers geen machine, ook al hadden filosofen van de Verlichting het tegendeel beweerd. In levend vlees zou geen ziel kunnen zitten, zo luidde de redenering. De ziel is hooguit een soort Duracel-batterij die het mechaniek aan de praat houdt. Kijk maar naar het hart van de kikker, dat nog een uur doorklopt als je het uit het lichaam verwijdert. En wat te denken van de kalkoen, die je de kop hebt afgeslagen, en vervolgens nog met zijn vleugels fladdert, zelfs nog even doorloopt om dan pas om te vallen. Is dat niet het levend bewijs dat een dier slechts een machine is? Met de mens zou het niet anders zijn gesteld. Met de dood houdt immers alles op.

Maar zelfs het dode vlees produceert nog altijd de giften van het bederf. De ironie van de geschiedenis wil dat de filosoof die de mens voor het eerst tot machine had verklaard, Julien Offray de Lamettrie, zelf stierf door het eten van een bedorven paté. ‘Ten minste houdbaar tot’ zijn woorden die de moderne angsten voor het bederf in toom proberen te houden. En toch, juist de fosforescerende sfeer van verrotting, die in het voedsel in aanleg aanwezig is, blijkt de verscholen smaakmakers te bevatten die de hartstocht van een smulpaap op hol doen slaan. Zoals de gebroeders  Goncourt terecht opmerkten wordt die hartstocht gewekt door  faisandage, een term ontleend aan het franse woord voor fazant (faisan) die bekend staat om zijn exquise smaak. Bij deze wijze van bereiding wordt het vlees onderworpen aan de eerste stadia van bederf alvorens het wordt opgediend. Giftige bacterieën prikkelen de papillen. Tussen tong en cortex komt de vervoering tot stand die eigen is aan het bederf.

Zo kan voedsel de hoogste vormen van genot teweegbrengen, maar ook dodelijk zijn. Angst is dan ook intrinsiek met voedsel verbonden als een natuurlijk instinct dat gericht is op veiligheid van het organisme. Geuren en kleuren bevatten signalen voor het brein als onverhoopt onraad dreigt. Maar juist die dreiging verhult een verleiding. Was de verboden vrucht in het paradijs al onweerstaanbaar, sinds de mens zich aan het eten van vlees bezondigt lijkt de maaltijd door angst en lust te worden bepaald. De verdrijving uit het paradijs heeft de verleidingen van het vlees over de wereld doen verspreiden. Sindsdien heeft eten iets weg van seks. Beide zijn ervaringen van extreme intimiteit. Beide hebben ook iets griezeligs wat bij menigeen tot een hoogtepunt van wellust kan leiden. Is de penetratie van een penis al geen geruststellend gebeuren, het naar binnen werken in de maag van hele brokken vlees kan zelfs angstaanjagend zijn. Seks en eten hebben niet alleen angst en walging gemeen, maar ook lust en begeerte. En waar de lust verschijnt duikt niet zelden de duivel op. Een engelse zegswijze vat die wijsheid in één zin samen: ‘The flesh is a gift of God, but the devil cooked it!’

Mensenvlees is in de loop van het civilisatieproces uit het menu van de mens verdwenen. Toch bestaan er nog altijd soortgenoten die voor deze verboden lekkernij een moord zouden plegen Eten of gegeten worden is immers het motto van de natuur en niets menselijks is de mens vreemd. Aan kannibalistische praktijken ligt vaak een animistische gedachte ten grondslag. Als het waar is dat het lichaam bezield is, dan zou de kracht van de ziel overdraagbaar zijn in de maaltijd. Door te eten wordt wat dood is immers opnieuw tot leven gewekt. Van die magische overdracht van het vlees, die zijn oorsprong heeft in het koppensnellen, lijkt iets bewaard gebleven in de hedendaagse tafelmanieren die maatgevend worden geacht voor de mate van beschaving.

Maaltijdpraktijken hebben zich door de eeuwen heen ontwikkeld van brute offers voor de goden tot uitingen van de meest verfijnde cultuur. Gastronomie is een vorm van kunst, maar de rituelen van de maaltijd berusten nog altijd op taboes. Zo wordt het eten met de handen alom gezien als een uiting van primitieve lompheid die tot elke prijs vermeden moet worden. De maaltijd is het domein bij uitstek geworden van smetvrees en besmettingsangst die soms grenst aan paranoia. Toch is het taboe op het lijfelijk contact met het voedsel niet zozeer op hygiënische gronden gebaseerd, als wel op de herinnering aan het schaamteloze schransen bij het verslinden van een prooi. Alleen als jager of kannibaal is de begeerte van de mens ooit tot volle ontplooiing kunnen komen. Heimwee naar dat aardse paradijs van moord en doodslag moet bij een beschaafde maaltijd kennelijk met kracht worden uitgebannen.

Maar de listen van het kwaad zijn duister en ondoorgrondelijk. De beschaving mag dan met vork en mes pas echt zijn begonnen, daarmee is de diabolische gedachte aan een totale ontketening van de lust nog niet van tafel. Het vlees is immers zwak en het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Onze tafelmanieren zijn ten prooi gevallen aan driftverzaking en beschaafde stilering, maar achter de schone schijn van de etiquette ziet de duivel ons verbleken. Achter het masker van de beschaving schuilt nog altijd een panische angst. Een verfijnde maaltijd is misschien wel de meest gecultiveerde poging van de mens om die oudste angsten te overwinnen. Angsten die hem keer op keer herinneren aan zijn dierlijke oorspong, aan het eten en gegeten worden, aan de natuurlijke verbanden tussen pijn en genot. Die angsten voor seks, dood en duivel steken telkens opnieuw de kop op zodra er een tafel is gedekt en de kaarsen zijn ontstoken. Rond porseleinen schalen, kristallen glazen en het zilveren bestek dwalen ze nog altijd rond als de demonen van de maaltijd.

Reageer

Silvia is on her way

unnamed

Schermafbeelding 2015-02-26 om 16.57.08

Zie: HIER

Reageer

Friesland tussen mythe en utopie

Slide2

In de ontwikkeling van het modernisme in Friesland duikt iets op als ‘de mythische figuur’ die zich als een sublieme aanwezigheid manifesteert in het proces van weerspiegeling dat eigen is aan het denken over geschiedenis en vooruitgang. In het gevoel van saamhorigheid en lotsverbondenheid dat zich in een regio als Friesland – zelfs tot op de dag van vandaag – manifesteert, kan het verlangen ontluiken naar de mythische figuur in de representatie van ‘de bestemming’ door middel van beelden, symbolen en verhalen. Die duistere kant van het modernisme is niet alleen herkenbaar in Adorno’s filosofische beschouwingen over het nazisme, dat – in hegeliaanse zin – als een noodzakelijk product door de Verlichting zou zijn voortgebracht. Maar ook in de recente kritiek op de democratie die als een ideologisch eindpunt zich zou onttrekken aan de historische vooruitgang of dialectiek en als ‘non-ideologie’ een geheime bondgenoot zou zijn van het dominante neoliberalisme en neoconservatisme van tegenwoordig.

Met name Franse denkers als Jean-Luc Nancy en Philippe Lacoue-Labarthe hebben hierop gewezen. De terugtrekking van de mythische figuur zou een belangrijk winstpunt zijn van de moderne tijd die leidt tot een overwaardering van democratie en mensenrechten. Anderzijds schuilt er een nieuw soort totalitarisme in de zogeheten ‘terugtrekking uit de politiek’ die in de hedendaagse filosofie valt waar te nemen. Er ontstaat op mondiaal niveau zoiets als een ‘eco-techno-socio- cultureel complex’, waarin democratie en mensenrechten als verlichtingsideaal slechts een schijngestalte vervullen. In onze westerse cultuur daagt het besef dat 
elementaire waarden, die in in het geding in deze tijden van terreur, niet te verdedigen 
zijn met de principes waarop die waarden zijn gebaseerd. Een pluralistische democratie kan de waarden waarop zij stoelt, niet zelf democratisch funderen. In dat probleem ligt de bodemloosheid van onze moderne, westerse cultuur besloten. Het is het zogeheten Böckendörf-dilemma.

Onderwijl is politiek het domein geworden voor neoliberale technocraten. Brussel en de bankiers bepalen ons economisch beleid en de populistische retoriek bloeit als nooit te voren. De omvang van de wereld is gereduceerd tot het formaat van een breedbeeld-tv met zestig kanalen. Het woongevoel van het huis – de oikos – is ons denken gaan bepalen. ‘We are family’ klinkt het elke avond bij De wereld draait door. De digitale oikos is de kosmos geworden. De democratie heeft plaatsgemaakt voor een mediacratie en een dramademocratie. Drama, amusement, leisure en democratie worden functies van een en dezelfde, even onzichtbare als onbenoembare ‘moloch van de oikos’, het ‘eco-techno-socio-culturele complex’, zoals Frans van Peperstaten het noemt in zijn boek Sublieme Mimesis (2005). Ook in de huidige vorm van democratie wordt de figuur van een collectieve identiteit gefixeerd in een gestalte die in feite een mythische voorstelling is.

Wat hier speelt is in feite een kernprobleem van het modernisme. Dat is in wezen een tegenstelling tussen de sprong naar het radicale tegenover een diepe angst om weggevaagd te worden. Het is het ‘alles’ versus het ‘niets’. God of de nutteloosheid. Zo is het ideeëncomplex van ‘Gemeinschaft’, mienskip’ en ‘etnos’  in de twintigste eeuw verstrikt geraakt in een tegenstelling tussen goddeloos nihilisme en totalitaire ideologieën. Het nazisme stoelde op een seculier-religieus gemeenschapsideaal, dat mythisch van karakter was en waarbij er een soort implosie van de waarheid optrad. Niet de verbeelding maar de mythe kwam aan de macht. Het nihilisme daarentegen is in feite even absolutistisch, omdat elke zin van een moderne gemeenschap daarin a priori wordt ontkend. Tussen die twee uitersten schoot het Europese denken in de twintigste eeuw heen en weer, waarbij de democratie lang niet altijd een afdoende remedie bood. De kern van het probleem – de intrinsieke zinloosheid van de moderne gemeenschap (‘Gesellschaft’, ‘demos’) – wordt immers ook in de democratie niet opgelost.

De vorming van een nationaal identiteit is altijd een mimetisch proces. Zoals een kind bij de vorming van zijn identiteit zijn vader nabootst door zich met hem te identificeren, zo wordt door een volk of natie ook een ideaalbeeld nagebootst dat niet zelden in het verleden wordt herkend. Zo is ook het Duitse nationalisme ontstaan, door een identificatie met de Griekse stadstaat. De zogeheten ‘Duitse nood’ – het historisch gebrek aan nationale eenheid – viel samen met deze overgangstijd tussen Classicisme en Romanriek, de tijd waarin het originele en authentieke steeds meer waardering ondervond. Met wilde de Grieken nabootsen als de ideale ‘Heimat’, het ‘vaderland van Europa’. Dat betekende: Bildung, humaniteit, de mens in optima forma. Maar het ideaal van de Grieken was niet na te bootsen. Dat hadden de Romeinen al gedaan. Niet het Griekse model zouden de Duitsers dan ook gaan imiteren, maar het model-loze, het natuurlijke, het authentieke van de Grieken. Nagestreefd werd de imitatie van het geniale. ‘Maar het geniale als zodanig is per definitie niet te imiteren,’ zo stelt Frans van Peperstraten in zijn boek Sublieme Mimesis, ‘en in deze onmogelijkheid heeft Duitsland zich aan een psychotisch lot verbonden.’

Zo ontstaat een ‘double bind’, het imiteren van een ideaal in het verleden, en tegelijk de illusie koesteren dat er een model van dat ideaal zou bestaan dat originaliteit garandeert. Dan sluipt er iets onmogelijks binnen: ‘de mythe van het eigene’. Het eigene van de identiteit is immers het meest authentieke dat men zich denken kan, ook al weet men deep down dat het nep is. ‘Nep is echt’, dat is de illusie van het nationalisme.  Zo ontstaat de misvatting dat de identiteit van een volk iets natuurlijks zou zijn. Sterker nog, het meest natuurlijke dat men zich denken kan: een organon, het dynamische organiek waar alles uit voortkomt en alles als werkelijkheid verschijnt. Identiteit wordt dan een gebeuren. Iets wat moét, dwars tegen alle moderne en nihilistische tegenkrachten in. Identiteit wordt zo ongemerkt iets totalitairs, alsof het ‘ik’ van het individu een geheim verbond heeft gesloten met het lot van het volk, de bestemming, daar waar de geschiedenis als vanzelf naar toe gaat. Het volk wordt dan een ras. En het ras moet gezuiverd worden van vreemde smetten. Het principe van de uitsluiting is eigen aan het denken in termen van identiteit en bestemming.

Slide1   Wat betekent dit voor de Friese situatie? Ten eerste kun je constateren, dat het ideaal van de Friese Beweging van oudsher verbonden was met een ‘mienskip’ die voor een groot deel mythologisch bepaald was. Philippus Breuker publiceerde onlangs het boek Opkomst en bloei van het Friese nationalisme, 1740-1875. Het is een doortimmerde studie naar de historische wortels van het Friese nationalisme. Alleen blijf je als lezer na afloop zitten met de vraag waarom de historische lijn niet wordt doorgetrokken naar de dag van vandaag. Breuker vindt – zo ontdekte ik onlangs – dat het hedendaagse Friese ‘mienskip-denken’ zijn oorsprong heeft in de ideeën van Joast Halberstma (1789-1869): ‘Er zat een duidelijk utopische kant aan zijn ideeën. Het Friese volk werd voorgesteld als een idealistische gemeenschap naar Grieks model, of ook wel volgens de gemeenschap der eerste christenen.’ In een uitgebreide reactie op mijn log Mienskip, our gift to Europe! (geplaatst 5 januari 2015) schrijft Philipppus Breuker het volgende:

‘It Fryske mienskipstinken fan tsjintwurdich hat syn ûnûnderbrutsen oarsprong yn de ideeën fan Joast Halbertsma. (…) Halbertsma syn ideeën oer it Fryske folk wurde al sûnt 1840 oerdroegen. It begong mei de mannen fan it Selskip en mei Waling Dykstra. Gjin niget dat de Fryske Beweging der fan trochlutsen is. Der sit dúdlik in utopistyske kant oan dy ideeën. It Fryske folk wurdt foarsteld as in idealistyske mienskip neffens Gryks model of ek wol neffens de steat fan de oerkristenen. Stânsferskillen wienen der earder net, it Fryske folk bestie út frije Friezen, baas op eigen hoarnleger. De Bewegers, nee: de Friezen seagen it as har taak om dát Frysk en dát Fryske folk te rêden en troch te jaan oan in folgjend slachte. Dat wie wat kostbers út oerâlde tiden. In opdracht foar it libben!’

Breuker trekt dan een lijn van mythologisch oorsprong-denken, dat met het Friese ‘mienskip-denken’ verwant was, via figuren als Johan Winkler, mr. C Vosmaer, Tsjitse Jakobs de Boer, Boeles en belandt dan in de twintigste-eeuw bij achtereenvolgens: Douwe Kalma, ds. Wumkes, E.B. Folkertsma en Tony Feitsma.: ‘De ynfloed fan it tinken fan dizze fjouwer oer Fryslân en de Friezen is yn Fryslân noch altyd grut en dêrmei dus ek it tinken fan Halbertsma.

Achteraf bezien zijn veel opvattingen over het modernisme belast met een cultuurpessimistische erfenis uit het verleden. Het modernisme was in wezen een zuivering van alles wat vreemd is aan het eigen domein. Het grenzeloze, stateloze en kosmopolitische ideaal kende als keerzijde het onderdrukken van het verschil, het eigene en het eigenaardige. Alleen al om die reden was het modernisme niet zo geschikt als voertuig voor de regionalistische (c.q. nationalistische) tendensen in de uithoeken van Europa. In de regio zocht men zijn toevlucht niet in de Verlichting, maar richtte men zich in eerste instantie op de Romantiek met al zijn broeierige ideeën over de etnische verschillen van talen en volken.

Slide1   De Duitse filosoof Johann Gottfried Herder (1744-1803) heeft er als eerste op gewezen dat ieder volk een eigen ziel heeft die het meest zuiver tot uiting komt in zijn taal. Begrippen als Seele des Volkes en Geist der Nation zijn in oorsprong van hem afkomstig. De taal zou volgens Herder onmiddellijk het wezen van het volk uitdrukken. In feite is dat een moderne gedachte in zoverre er sprake is van onmiddellijkheid. De directe uitdrukking van de ‘ziel van het volk’ in eigen haar taal is geen zaak van representatie, maar van presentatie. De taal is niet alleen ‘het huis van de ziel’, zoals Heidegger later beweerde, maar de taal is ook de collectieve behuizing van de volksziel.

Het nationalisme schoot definitief wortel in de tijd van de Romantiek, nadat Napoleon van Europa een warboel had gemaakt, en de boven-wereldse ruimte van een God die alles naar zijn wetten geordend had, plaats maakte voor de immanente drijfveren van de geschiedenis, dat wil zeggen: het verlangen naar de verte, het verleden, het eigene en het authentieke.  Romantiek was ook de periode in de geschiedenis toen de verticale ruimte-as tussen God en wereld zich omkeerde in de horizontale tijd-as van het heimwee naar het verleden en de vlucht vooruit in de toekomst. ‘De hele natuur is een bewusteloos denken,’ stelde Schelling, en zo geredeneerd is het een kleine stap om het idee ‘God’ dan ook niet langer buiten of boven de wereld, maar in de kelder van het onbewuste een plaats te geven. Dat wil zeggen: daar waar de bodem van de menselijke ziel samenvalt met het bloed en de bodem van volk en vaderland. Zo werd de ziel van het volk een kracht van de natuur zelf. Romantiek was de tijd van de thuisloosheid en in de regio’s van Europa is het verlangen dat daarmee samenhangt in feite nooit verdwenen.

De opkomst van het Friese nationalisme vanaf het midden van de achttiende eeuw is van begin af aan nauw verbonden geweest met de emancipatie van de hogere burgerij. Philippus Breuker verwoordt die missie van de hogere burgerij in die periode als volgt: ‘Ze wenste in politiek en bestuur een plaats naast de aristocratie en ze deed dat door zich op te werpen als de behartigers van de ware belangen van het volk.’ Het bevorderen van mienskip en nationalisme werkte als een strategische vertraging in een doorgaans als noodzakelijk geacht proces van modernisering, industrialisering en vooruitgang.

Maar het tegendeel was evenzeer het geval. Anti-modernisme en modernisme waren van oudsher nauw met elkaar verbonden. Beide waren gefocust op eenzelfde doel: vooruitgang, maar dan wel in het juiste tempo. Dat belang was niet alleen typisch Fries, maar werd in het hele land in alle uithoeken gevoeld. Dat groeiend besef ging na de Tweede Wereldoorlog gepaard met de gestage vorming van een gewestelijke infrastructuur van instituties die zich bezig hielden met de cultuur uit de eigen regio, maar altijd in dienst van vernieuwing en modernisering in het juiste tempo. Mythe en utopie waren van oudsher dus onlosmakelijk met elkaar verweven in het Friese mienskip-denken. Het moderne zat in het anti-moderne ingebakken.

Het Friese ‘mienskip-denken’ ontstond eigenlijk pas goed in de negentiende eeuw, toen de periode van Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden’, voorgoed voorbij was. Dat waren die twee vergeten eeuwen geweest tot aan de Franse tijd, waarin Friesland een welvarende en redelijk zelfstandige regio was. Daarna kwam de mythevorming. Het Friese ‘mienskip-denken’ was in feite een bijproduct van een breed moderniseringsproces in de 19de eeuw, een proces dat tegelijk opging met een integratieproces van Friesland in de nationale staat Nederland. Dat proces was niet uniek voor Friesland, maar voltrok zich overal in Europa bij de opkomst van het nationalisme in tijden van industrialisering. Het lag ook ten grondslag aan de opkomst van de verzuiling die zich in heel Europa gelijkelijk aandiende.

Restanten van dat mythische en religieus-collectivistische denken zijn in Friesland tot op de dag van vandaag blijven voortbestaan, niet alleen in het huidige taal- en cultuurbeleid, maar ook in de wijze waarop door sommigen nog altijd wordt gezocht naar eigen een identiteit en een eigen traditie in de Friese literatuur. Dit voortwoekerende religieus-collectivisme was zelfs herkenbaar in de motivatie voor het Friese streven om culturele hoofdstad van Europa te worden. Een poging die uiteindelijk wonderwel zou slagen omdat op de valreep – als een deus ex machina – een synthese werd gevonden tussen het premoderne mienskip-denken en de moderne kosmopolitische geest die zich open stelt voor het Europa van de 21ste eeuw.

2 Reacties

Rembrandt als levende dode (2)

Schermafbeelding 2015-02-25 om 05.42.15

Lees verder: hier

1 Reactie

Still crazy after all these years

MOUSHUUBSchermafbeelding 2015-02-24 om 23.45.30

Broerenkerk Zwolle. Zie: hier

Reageer