Een metafoor voor samenhang

Carte_du_tendre

Onderstaande tekst verscheen voor het eerst in april 1986 in het tijdschrift ‘BOUD, architectuur en vormgeving in Friesland’, een tijdschrift dat vijf jaar heeft bestaan van 1984 tot 1989. De titel van het verhaal was toen:  De twee breinen van de architect. Ik las in de tijd boeken van Piet Vroon en Arthur Koestler. Zij brachten mij op het idee om verbanden te leggen tussen architectuur en poëzie, woord en beeld, en de twee hemisferen van het brein.  La Carte du Tendre (zie boven) vond ik in een boek over de geschiedenis van de Franse literatuur. Het is een allegorische landkaart uit de 17de eeuw, waarop de plaatsnamen verwijzen naar de ontwikkelingsgang van de liefde volgens de literaire doctrines van die tijd. Verder ben ik nog altijd een liefhebber van de regenboog als een ultieme metafoor van samenhang.

*

“Ik heb altijd benadrukt dat de 
kunstenaar en de beoefenaar van 
wetenschap niet ieder een apart 
universum bewonen, maar slechts 
vaag onderscheiden regionen van 
een continu spectrum – een 
regenboog die zich uitstrekt van het 
infrarood van de poëzie tot het 
ultraviolet van de fysica, met de vele 
gradaties daartussen: hybride 
disciplines als bijvoorbeeld 
architectuur … “

Arthur KoestIer, Janus, a summing up

U komt aan op het station in 
Leeuwarden en iemand vraagt U de 
weg naar het Provinciehuis. Hoewel U 
redelijk bekend bent in deze stad en U zich een goede voorstelling kunt 
maken van de plattegrond zal het U 
enige moeite kosten de kortste route in 
woorden duidelijk te maken: er zit een vertragingsmoment tussen beeld en 
taal. Een bode van het Provinciehuis 
vertelde mij laatst dat veel mensen die 
al jaren lang frequente bezoekers zijn 
nu als ze binnenkomen moeite hebben om de weg te vinden naar de 
1 ste, 2de of 3de sectiekamer. 
Nieuwkomers echter volgen blindelings zijn verbale instructies op 
en hebben geen last van de 
gewijzigde plattegrond na de 
verbouwing. Er zit een tweede 
vertragingsmoment tussen het 
topografisch geheugen en de 
plattegrond in het hoofd die mede 
gevormd wordt door directe 
waarnemingen. Ons 
oriëntatievermogen werkt met 
terugkoppelingen, vergelijkbaar met de 
ingebouwde radar van een kruisraket.

Een derde voorbeeld: in landen zoals 
Nederland waar een zeer uitvoerige 
bewegwijzering bestaat, blijken veel 
automobilisten zelfs van korte 
afstanden geen mentale plattegrond te 
hebben, omdat ze vaker dan bijvoorbeeld Italianen hun toevlucht 
kunnen nemen tot ‘geschreven’ 
plattegronden, de opeenvolging van 
plaatsnamen op richtingaanwijzers. Dit 
zijn drie verschijnselen waarbij zich 
splitsingen voordoen tussen beeld en 
taal, vertragingsmomenten die iets te 
maken schijnen te hebben met 
organisatiepatronen in ons brein, een 
geheel van twee gescheiden 
hemisferen. De mens heeft met veel dieren 
gemeen dat zijn lichaam een 
symmetrie-as heeft, wat gepaard gaat 
met een verdubbeling van het 
zenuwstelsel. Voor veel motorische 
functies geldt dat zij spiegelbeeldige 
verbindingen hebben in de twee 
hemisferen van ons brein: links 
bestuurt rechts en omgekeerd. Maar 
het zenuwstelsel is behalve een 
regelcircuit voor motorische functies 
ook een orgaan voor het opnemen en 
verwerken van informatie zowel in taal 
als in beeld.

Onderzoekers van het 
menselijk brein hebben geprobeerd 
visuele en verbale functies in verband 
te brengen met een zekere 
specialisatie van de twee hemisferen, 
een vermoeden dat voor de hand ligt 
bijvoorbeeld door verschijnselen die 
zich voordoen bij sommige  
hersenbeschadigingen. Het linkerbrein 
zou geheel in het teken staan van het taalcentrum. Het is de verbale helft 
waar informatie vooral in blokken 
achter elkaar wordt verwerkt, zoals tot 
uitdrukking komt in begrippen als 
temporeel, digitaal, analytisch, 
differentiërend en hiërarchisch. Het 
rechterbrein daarentegen bevat het 
preverbale of beeldend centrum. Hier 
wordt de informatie vooral in cirkels t
egelijk verwerkt, ruimtelijk in gehelen, zoals tot uitdrukking komt in begrippen 
ols, parallel, analoog, synthetisch, 
integrerend en holistisch. Elke 
hersenhelft functioneert min of meer 
op zichzelf als ware het een compleet 
brein.

Maar de situatie is ingewikkelder dan het lijkt. Er zijn 
talloze dwarsverbindingen en bij de 
meeste activiteiten worden zowel de 
linker als de rechterhelft intensief 
gebruikt, wat niet wegneemt dat een 
zekere specialisatie aantoonbaar blijft. 
Bij de ene functie is die specialisatie 
meer dominant dan bij de andere. De 
differentiaties die worden gevonden 
gelden niet altijd voor iedereen, en bij 
sommige mensen wordt zelfs een 
compleet spiegelbeeldig 
organisatiepatroon aangetroffen. Toch richt het hersenonderzoek van  
de laatste decennia zich in toenemende mate op het aantonen en 
begrijpen van ‘gescheiden verbanden’ 
in functies die onder andere gekoppeld zijn met taal en beeld, de 
domeinen van de linker en de rechter 
hemisfeer. Statistisch onderzoek heeft 
uitgewezen dat bij kunstenaars relatief 
meer linkshandigheid voorkomt dan 
gemiddeld en dat linkshandige 
studenten aan een kunstacademie relatief meer kans hebben 
om hun einddiploma te behalen dan 
rechtshandigen. (1)

De verklaring ligt 
voor de hand, dat wil zeggen de 
linkerhand is beter geëquipeerd om de ruimtelijke instructies van de rechter 
hemisfeer te vertolken dan de 
rechterhand, die een hotline heeft met 
de linker hemisfeer. Recente onderzoekingen richten zich 
tevens op de vraag hoe 
organisatiepatronen in de hersenen cultureel zijn bepaald. Dit 
onderzoek kan synchronisch van aard 
ïn bijvoorbeeld door vergelijking van 
verschijnselen die zich gelijktijdig 
voordoen in heel verschillende culturen. Het brein van een Japanner 
bijvoorbeeld zou anders in elkaar 
kunnen zitten, alleen al omdat hii – precies omgekeerd als wij – van 
onder naar boven schrijft en van rechts naar links. Een Eskimo heeft 
ongeveer veertig woorden voor wit en 
weet op een andere manier zijn weg 
naar huis te vinden dan een 
automobilist op een vierbaans snelweg.

Het oriëntatievermogen van 
het brein blijkt enerzijds in haar relatie 
tussen visuele en verbale functies 
culturele variabelen te vertonen en laat anderzijds binnen die variabelen 
wetmatigheden zien. 
Daarnaast kan er ook diachronisch 
naar verbanden worden gezocht door 
na te gaan hoe door de tijd heen 
binnen één cultuur bepaalde mentale 
structuren zijn ontstaan, of omgekeerd 
hoe die structuren de ontwikkeling van 
patronen in een cultuur hebben 
bevorderd of juist hebben afgeremd. 
Wat ging er om in het brein van de 
eerste Renaissance- architecten toen 
binnen enkele decennia de 
perspectivische ruimte werd ontdekt en 
tegelijk plattegronden van gebouwen 
een rationale ordening kregen? En wat 
ging er om in het brein van de eerste 
Renaissance- dichters toen vrijwel 
tegelijkertijd de taal als ‘leeg teken’ 
ontstond, woorden met betekenissen 
die losweekten van de werkelijkheid 
waarmee ze voorheen in grillige en 
irrationele ordeningen verbonden 
waren? En tenslotte, hoe hebben deze 
ontwikkelingen in wisselwerking met 
elkaar misschien organisatiepatronen 
in het brein veranderd zoals die 
verankerd liggen in de 
gespecialiseerde functies van de twee 
hemisferen?

Hemisferische specialisaties

images   Met dergelijke vragen komt een 
gebied in beeld dat op het grensvlak 
ligt van het biologische en het 
culturele. De breinen uit de tijd van de 
Renaissance bestaan niet meer en er 
wordt vanuit gegaan dat er termen 
bestaan waarmee zulke uiteenlopende 
zaken als de ‘traagheid van mentale 
structuren’ en ‘culturele patronen’ met 
elkaar zijn te verbinden. Toch spelen 
juist deze begrippen een centrale rol 
in de benaderingswijze van hedendaagse geschiedkundigen met 
name in Frankrijk die geschiedenis 
opvatten als’ mentaliteitsgeschiedenis’ en beweren dat het brein van de 
middeleeuwse mens wezenlijk anders in elkaar zat dan tegenwoordig. Zij 
beschouwen de geschiedenis als een 
gelaagdheid van collectieve 
voorstellingssystemen en 
gedragsmodellen die ieder hun eigen 
erfenis hebben en die de verspreiding 
van nieuwe baanbrekende ideeën 
kunnen vertragen. Vanuit deze nieuwe 
benadering wordt een minimale 
samenleving onderzocht in een 
bepaalde periode, bijvoorbeeld een 
dorp in de Pyreneeën, of een 
verschijnsel of een begrip dat als een 
rode draad door de geschiedenis loopt, bijvoorbeeld het kind, de geur of de dood.

De meest uiteenlopende 
cultuuruitingen komen hiermee op één 
lijn te liggen, waarbij zowel literaire als 
niet literaire bronnen relevant worden. 
Voor de recente geschiedenis kunnen 
zelfs alle media van beeld en taal als 
object van onderzoek dienen, zoals het chanson, de radio, de televisie, de 
film, de videoclip, de reclame en het 
stripverhaal. Architectuur en poëzie 
zouden in deze rij niet misstaan. 
Bovendien opent zich een wijds 
perspectief: in de onderlaag van de 
geschiedenis zou een zich langzaam 
wijzigend spectrum kunnen liggen dat 
de kleuren bepaalt van alle uitingen in 
een cultuur. En misschien ook ligt dit 
spectrum in het brein verankerd als 
een hologram waarvan een scherf 
een heel beeld kan weerspiegelen. (3)

Een mens bouwt huizen en gebouwen 
om in te wonen en te leven, maar 
architectuur is niet alleen functioneel 
bepaald. Zij kan ook worden opgevat 
als het vormgeven van ruimten die 
niet alleen belevingen van ruimten 
weerspiegelen, maar ook andere 
belevingen die cultureel zijn bepaald 
en ook elders tot uiting komen, 
bijvoorbeeld in taal. Of de mate 
waarin deze belevingen samengaan 
of uiteenlopen verband houdt met 
patronen in een cultuur en in laatste 
instantie met variabelen in 
hemisferische specialisaties in het 
brein, is een vraag die makkelijker is 
gesteld dan beantwoord. Zeker is dat 
binnen het terrein van onderzoek dat hierboven met een paar woorden is 
aangegeven, architectuur als hybride 
discipline en knooppunt van menselijke 
belevenissen, haast bij uitstek een 
terrein van onderzoek vormt. En om 
de tweesporigheid van het brein door te trekken, wat ligt er 
dan meer voor de hand om dit 
onderzoek tevens te richten op 
ontwikkelingen die zich tegelijkertijd 
voordoen in de ruimte van de taal: 
poëzie en literatuur.

Met een stelling die zichzelf in de 
staart bijt zou je kunnen beweren dat 
er twee categorieën van mensen 
bestaan: mensen die altijd alles in 
twee categorieën verdelen en mensen 
die dat niet doen. De gedachte is 
verleidelijk om voor de relaties tussen 
architectuur, poëzie en de hemisferen 
van het brein direct een pasklaar 
onderzoeksmodel te creëren dat als 
een mes aan twee kanten snijdt en 
waarin alle elementen geordend zijn 
in twee categorieën: links en rechts, 
taal en beeld, blokken en cirkels. Maar hiermee zou men ook meteen 
het spoor bijster raken. Poëzie, om te 
beginnen, bedient zich weliswaar van 
taal, maar is daarmee nog niet aan te 
duiden als een uiting van de linker 
hemisfeer. Integendeel, de verbanden, 
infrastructuren, symbolen en metaforen 
die juist poëzie kan oproepen behoren 
eerder tot de holistische termen van de rechter hemisfeer.

Ook poëzie 
heeft dus een hybride karakter: in haar uiterlijke verschijning is zij 
temporeel en differentiërend door het 
aaneenschakelen van woorden, terwijl 
zij in haar verwijzing eerder synthetisch en integrerend is door het 
leggen van beeldende verbanden. Aan de andere kant behoort 
architectuur niet zuiver en alleen tot de rechter hemisfeer. De ruimtelijke 
beleving van architectuur kan 
dubbelzinnigheden bevatten, 
bijvoorbeeld zoals een gotisch gewelf 
in een raadszaal tevens verwijst naar 
een kerk zo verwijzen zuilen in een schouwburg 
naar een Griekse tempel en een 
balcon aan een villa naar Romeo en 
Julia. Juist deze verwijzingen lopen via 
tekens en betekenissen die ook 
verankerd liggen in de taal die met 
haar aaneenschakeling van woorden 
thuishoort in de linker hemisfeer. De beleving van architectuur loopt dus via 
een boog van correspondenties 
waarin taal en beeld verweven zijn.

Als de relatie tussen architectuur en 
poëzie bij uitstek een onderzoeks
terrein vormt om de wisselwerking 
tussen cerebrale organisatiepatronen 
en culturele ontwikkelingen aan het 
licht te brengen, zal men de loper 
waarop deze patronen in de tijd 
zichtbaar worden naar het verleden 
toe moeten terug rollen. Bij een 
onderzoek met een dergelijke 
groothoeklens zullen spectaculaire 
resultaten niet voor het oprapen liggen 
en vertekeningen in het perspectief 
voorspelbaar zijn. Benaderingen vanuit 
meerdere disciplines zijn noodzakelijk, 
waarbij zowel een miniscuul gegeven 
als een gewaagde 
hypothese van belang kunnen zijn. Op het eerste gezicht lijkt deze 
choreografie van gedachtesprongen 
een aantal grove simplificaties te 
bevatten. De theorie van de twee 
hemisferen lijkt een holistisch model 
dat voor alles en nog wat toepasbaar 
kan zijn. Het gevaar van een 
cirkelredenering ligt levensgroot om de 
hoek als men er vanuit gaat dat het 
brein een microcosmos is dat grote 
verbanden kan weerspiegelen. Het 
resultaat lijkt vooraf verzekerd omdat 
het in de methode van denken 
besloten ligt: het benaderen van een 
object – een bouwwerk of een literaire 
tekst – niet in zijn eigen termen maar 
in termen van het geheel.

Bovendien maakt de verleiding om 
grote verbanden te kunnen leggen 
ieder holistisch model al gauw tot een 
broeinest van koortsige gedachten, 
aantrekkelijk voor wereldverbeteraars 
die vaak te lui zijn voor 
detailonderzoek, een loopje nemen 
met de feiten en gaan zien wat ze 
willen zien. Wanneer het echter als 
partituur wordt gebruikt voor de relatie 
tussen architectuur en poëzie, dient 
zich een motief aan dat eenmaal 
gehoord in het hoofd blijft hangen en 
zich in allerlei toonsoorten gaat 
herhalen. De tapijt waarop de patronen van 
architectuur en poëzie in beeld en 
taal zich ordenen laat teruggerold in 
de tijd onregelmatigheden zien tussen 
schering en inslag.

Blokken en blokkendozen

images   Aan het begin van de vorige eeuw heeft de lelijkheid van de 
neostijlen aanleiding gegeven tot een 
tegenbeweging bij architecten die 
gingen varen op het kompas van het 
modernisme. Architectuur wordt 
sindsdien vooral opgevat als een 
visuele kunst met functionele en 
formele zelfkritiek als methode en 
gebruikmakend van vormen die zich 
in hun ordening en proportionering 
met steeds minder middelen steeds 
méér van de benoembare 
werkelijkheid verwijderen. Wanneer in 
de jaren dertig in de literatuur het 
spookbeeld van een Brave New 
World ontstaat komen in de 
beschrijvingen van deze wereld 
karikaturen naar voren van de 
eigentijdse, moderne architectuur. In 
een passage uit ‘Blokken’ van 
Bordewijk wordt een oude architect 
opgevoerd die is opgesloten in een 
reservaat en nog eenmaal als 
amusement voor het publiek zijn 
aanklacht mag verwoorden:

“Wat hebt gij, zo zeide hij, uw steden 
opgebouwd tot blokkendozen, uw 
perken gelegd als vierkanten, uw 
straten als lijnen. Gij zijt verliefd, met 
de harde liefde van uw zielen, op de 
horde lijnen, figuren en vormen. Gij 
drijft de idee van het blok door in al 
haar excessen, ge ziit de kubisten van 
de praktijk. Ge zult u ten dode verwonden aan de scherpe kanten 
van uw levensstaat. Ik behoef maar mijn ronde schedel te 
betasten om te voelen dat wat 
daarbinnen ligt het volmaakte zoekt 
in cirkel, schijf en bol. 0, de 
heerlijkheid van de lijn zonder einde, 
het vlak zonder hoeken, het lichaam 
zonder vlakken! Het blok is uw god en toch kunt gij 
de natuur niet keren. Uw kinderen 
nemen in hun vierkante leerlokalen de kantige lessen van uw beginsel op 
met ronde ogen. Gijzelf, mannen, 
streelt in zingenot de rondingen uwer 
vrouwen. Hou zou het u te moede 
zijn wanneer de liefkozing uwer 
handen neerkwam op kubussen. Gij 
vergeet dat de aarde rond is, dat zij 
cirkelt om de zon wier kleuren breken in de regenboog als de ronde 
droppels vallen” (3)

Dit is een proeve van architectuur-
kritiek die meer is dan een boutade. 
Blokken, cirkels, schedel en regenboog 
worden opgevoerd in een krachtig 
akkoord dat een melodie van 
associaties in gang kan zetten binnen 
het toonstelsel van de twee 
hemisferen. De regenboog is van 
oudsher in poëzie en literatuur een 
geliefd beeld geweest als ultieme 
metafoor van samenhang, een bundel 
van vervlechtingen die objecten in de 
materiële wereld langs een boog van 
correspondenties met de wereld van 
de geest kan verbinden. Sinds de 
Romantiek echter is de regenboog 
ontaard in een cliché voor 
hemelbestormers, schlagerzangers en 
derderangs dichters. De eerste 
romantische dichters rond 1800 ervoeren een verwijdering tussen de 
poëzie en de exacte wetenschappen.

Woorden en beelden die door 
dichters en onderzoekers werden 
gehanteerd verloren hun verwante 
ordening die zij voorheen hadden 
gekend als op een vergelijkbare 
plattegrond. ‘La Carte du Tendre’ is 
een merkwaardige allegorische 
landkaart uit de zeventiende eeuw 
waarop de plaatsnamen bij de 
architectuur verwijzen naar de 
ontwikkelingsgang van de liefde 
volgens de literaire doctrines van die 
tijd. De indeling van het landschap 
vormt tegelijk een tegenhanger van de 
rationele ordening in de Franse 
landschapsarchitectuur met Versailles 
als prototype. Poëzie en architectuur 
hadden toen nog verwante registers, 
een harmonie van schering en inslag, 
woorden en beelden, blokken en 
cirkels. Later zou er een scheiding 
komen tussen analytische en 
synthetische denkvormen. Gevoel en 
verstand gingen uit de pas lopen en 
raakten elkaars echo kwijt. Het oog werd bestemd om te zien, het oor 
alleen om te horen. En de woorden 
van dichters gingen wandelen in een 
eigen taal ruimte waarin de regenboog 
alleen nog gekunstelde emoties kon 
oproepen, zoals het verlangen naar 
de verte, nostalgie en utopia. Keats 
had al beweerd dat Newton door het 
kleurenspectrum terug te brengen tot 
golflengten van het licht de regenboog aan de poëzie ontnomen 
heeft:

Do not all charms fly
At the mere touch of cold philosophy
There was on awfull rainbow once in 
heaven
We know her woof, her texture; 
she is given
In the dull cotologue of common 
things (4)

Nog vandaag de dag wordt op het terrein van de 
exacte wetenschappen poëzie nog maar al te vaak 
opgevat als een irrationeel, 
infantiel en narcistisch geknutsel. (5) 
Aan de andere kant, in ervaringen 
van architectuur zoals die in poëzie en literatuur tot uiting komen is juist het 
ontbreken van een gevoel van 
samenhang ook nu nog aanleiding om terug te grijpen naar het cliché 
van de regenboog. Paul Simon zingt 
over de onherkenbaarheid van zijn 
geboortestad in een tekst waarin alle 
elementen nog als metafoor aanwezig 
zijn:

And after it rains 
there’s a rainbow
And all of the colors are black
It’s not that the colors aren’t there
It’s just imagination they lack
Everything is the same
Back in my linie town (6)

Recente ontwikkelingen in de 
architectuur worden veelal gevat 
onder de grofmazige term 
postmodernisme. 
Opmerkelijk is dat het verschijnsel 
postmodernisme voor het eerst werd 
herkend in ontwikkelingen in de 
literatuur, met name de. opkomst van 
de ‘Nouveau Roman’. Gravity’s 
Rainbow, een in 1973 verschenen 
roman van de Amerikaan Thomas 
Pynchon wordt vanwege de bizarre 
complexiteit in de verhaalstructuur 
vaak als exemplarisch beschouwd 
voor het postmodernisme in de 
literatuur. Het belangrijkste kenmerk 
van deze romans is het ‘talige’ 
karakter van de tekst, waarbij bewuste 
verwijzingen naar het fictieve karakter 
van de intrige worden afgewisseld met 
parodieën op eerdere stijlvormen en 
technieken. De tekst wordt een 
gesloten systeem, een weefsel van 
woorden en beelden die gevangen 
zitten in hun eigen complexe 
werkelijkheid die even metaforisch is 
als het karakter van de taal zelf.

In 
Nederland wordt Gerrit Krol wel als 
postmodern auteur aangeduid. Zelf 
heeft hij het verschil alsvolgt ironisch 
samengevat: “In een moderne roman 
staan geen plaatjes, geen figuren, dat 
mag niet en bij postmoderne romans het mag dat wel.” (7) Aan de horizon van het 
postmodernisme wordt schuchter 
gezocht naar nieuwe verbanden, een 
regenboog waarin nieuwe 
verbindingen tussen beeld en taal 
mogelijk worden. De lelijkheid van 
voorsteden deden het besef groeien 
dat de pioniers van het moderne 
design te zeer gefascineerd waren 
door de esthetiek van de tekentafel 
met ruimtelijke concepties die van 
bovenaf opgelegd te weinig feedback 
kregen van de complexiteit van 
alledaagse ervaringen. In 
hedendaagse uitingen van poëzie en 
literatuur is het centrum van 
waarneming vaak verdwenen met als 
gevolg een fragmentatie van 
gezichtspunten en een gelaagdheid 
van betekenissen.

Architectuur en poëzie

width_300.height_334.mode_FillAreaWithCrop.pos_Default.color_White  Aan de andere kant 
worden in de architectuur steeds meer 
literaire procedé’s binnengehaald. 
Citaten, montage, démontage, 
dubbelzinnigheid, ironie, pastiche, 
metafoor en allegorie worden 
aangewend als ingrediënten voor 
nieuwe ruimtelijke concepties. De 
verloren samenhang in beeld en taal 
wordt vandaag de dag zowel in 
poëzie als architectuur expliciet 
gemaakt. In een betoog dat zwaar 
leunt op gedachten van Heidegger 
over Unheimlichkeit en waarin 
architectuurbeschouwing wordt 
opgevat als een problematisering van 
woongevoelens stelt Norberg-Schultz: ‘Architecture belongs to poetry and 
its purpose is help man to dwell. (8) 
Het recht om te dwalen werd een 
mens ontnomen in uniforme 
buitenwijken waarvan de plattegrond 
geen tegenhanger meer heeft in een 
poëtisch register uit een andere 
hemisfeer. ‘La Carte du Tendre’, 
waarop poëzie en architectuur nog 
verwante registers hadden, zou in 
onze tijd plaats kunnen maken voor 
een allegorische landkaart waarop de 
plaatsnamen bij de architectuur 
verwijzen naar de ontwikkelingsgang 
van het cynisme volgens de literaire 
doctrines van tegenwoordig. Er zijn dichters 
die het cynisme niet hebben 
geschuwd om de waarheid aan het 
licht te brengen. Voor wie oren heeft 
om te horen hebben zij talloze malen 
kritiek op de moderne architectuur verwoord, zoals bijvoorbeeld blijkt uit 
verwante teksten van Gerard den 
Brabander en Jacques Brel:

Blokken van steen en kou
Kookhoek en nachtkwartier
Klaar voor gekruidenier
Kanker en huwelijkstrouw (9)

Quand on n’a que l’amour
Pour meubler de merveilles
Et couvrir de soleil
La laideur des faubourgs (10)

Knutselen schijnt hét ware kenmerk te 
zijn van het wilde denken. Niet 
gehinderd door deskundigheid en op 
het gevaar af architectuur
beschouwing te reduceren tot een 
literaire blokkendoos, kom ik tot de 
volgende wilde hypothese. De 
architectuurgeschiedenis van deze 
eeuw zou herschreven kunnen worden als een optocht van zich 
herhalende tegenstellingen vanuit de 
gedachte dat er ergens een draad is 
geknapt in het weefgetouw van 
woorden en beelden. Het brein van 
een architect is een denkende 
weeffout geworden sinds het geen oor 
meer heeft voor het spoor van 
kritiek dat in teksten 
van poëzie en literatuur tot uiting komt. In een maatschappij die elke 
gerichtheid in haar ontwikkelingsgang 
verloren lijkt te hebben en waarin 
kunst te kampen heeft met een 
leegloop van collectieve voorstellings
systemen, kun je architecten uiteraard 
niet verantwoordelijk stellen voor alle 
kwalen.

Bovendien is nog niet alle 
hoop achter de horizon verdwenen. 
Architecten en dichters hebben 
wellicht bij uitstek een antenne voor 
het postmoderne levensgevoel wat dat 
dan ook moge zijn. Façades worden 
opgetrokken zonder enige verwijzing 
naar het interieur van een gebouw, 
zoals woorden uit hun samenhang 
losweken en gaan drijven aan het 
oppervlak van een roman of een 
gedicht. De taal is niet een labyrint 
van beelden dat in het brein 
verzonken ligt, moor een drijvend 
oppervlak van woorden even 
onwerkelijk als de werkelijkheid zelf. 
Soms loopt de fictionele werkelijkheid van de literatuur op de feiten vooruit.

Een tafereel dot Bordewiik niet had 
kunnen verzinnen werd in 1977 op de 
televisie vertoond: bij de begrafenis 
von Ernst Bloch, vaak de filosoof van 
de hoop genoemd, droeg een stoet 
van studenten spandoeken met 
regenbogen. In een optocht zonder 
woorden en platgeslagen tot een 
beeld leken zij voorop te lopen on the 
road to nowhere. De extase van de 
massacommunicatie reduceert alles 
wat nog rest aan metaforen tot een 
luchtspiegeling zonder illusie, een 
beeldscherm zonder diepte, waarbij 
woorden en beelden op één vlak 
komen te liggen, zichzelf herhalen en 
uiteindelijk gaan rondzingen. 
Verschijnselen die op het eerste 
gezicht geen enkele samenhang 
vertonen kunnen op afstand, vanuit 
een andere hoek bezien – als in een 
anamorfose – nieuwe figuren gaan 
vormen.

Achter de postmoderne ontwikkelingen 
in de architectuur vormt zich verder 
weg aan dezelfde horizon vagelijk een tweede regenboog van holistische 
denkvormen als ecologie, cybernetica, 
biochemie, genetische technologie, 
quantumfysica en psycholinguïstiek. Dit 
is een spectrum van nieuwe hybride 
disciplines die ons wereldbeeld nog 
nauwelijks hebben aangetast omdat zij 
worden geremd door de traagheid van onze mentale structuren die 
vastzitten aan elementaire opvattingen 
over causaliteit, hiërarchie en het 
primaat van de ratio. Als de 
opvattingen over de werkelijkheid die in deze nieuwe disciplines naar voren 
komen uiteindelijk gaan doordringen in de taal van alledag en onze wijze 
van zien, kunnen er verschuivingen 
komen in onze mentale structuren.

Misschien zelfs gaan er dan 
hologrammen in het brein verschijnen 
waarin nieuwe verbindingen tussen 
beeld en taal mogelijk worden. Media 
en technologie zijn onderhuids een 
radicale verandering in de cultuur 
teweeg aan het brengen die van 
invloed kan zijn op de scheiding tussen gevoel en intellect en de 
desintegratie van de zintuigen. Kortom, 
de synthetische en analytische 
hersenfuncties zullen zich misschien in 
nieuwe patronen gaan ordenen. Maar dat zijn de hoogdravende 
verwachtingen van het holistisch 
denken wanneer de kwadratuur van 
de cirkel op hol is geslagen. Als er 
nieuwe hologrammen in het brein 
ontstaan voor woorden en beelden 
dan zouden ze nu al afleesbaar 
moeten zijn in recente uitingen van 
poëzie en architectuur.

In dat geval 
zouden ze alleen onthuld kunnen 
worden door het slot van de 
brandkast afwisselend naar links en 
naar rechts te draaien. Deze 
ontcijfering van correspondenties zal 
het uiterste vergen van geduld en 
sensitiviteit, temeer als men vermoedt dat de ontsluiting onder handbereik ligt als een sleutelbos die schittert 
onder het wateroppervlak. Hoe dan 
ook architecten en dichters beginnen 
langzaam te beseffen dat zij het 
passe-partout in handen hebben dat 
toegang biedt tot twee maar al te 
vaak gescheiden hemisferen. Als 
goudvissen die nog kunnen zwemmen 
in de vijvers van Versailles hebben zij 
misschien als laatsten zicht op een 
vergeten kleurenspectrum, een 
regenboog die ooit als 
ontzagwekkende metafoor voor 
samenhang aan de hemel stond.

****

(1) Luciano Meccaci vermeldt dit gegeven dat 
naar voren kwam op grond van statistisch 
onderzoek. Ook bij beeldende kunstenaars 
wordt relatief meer linkshandigheid 
aangetroffen. Opmerkelijk is ook dat veel 
grote kunstenaars linkshandig waren, o.a. 
Leonardo da Vinci en Michelangelo. 
Meccaci, Signalement van het brein, 
Amsterdam 1985, p. 23
(2) De Franse historicus Michel Vovelle baseert 
zijn benadering van de geschiedenis onder 
meer op een veel geciteerde uitspraak van 
Marx waarin de in de maatschappij alom 
aanwezige samenhang tussen 
produktiekrachten en produktieverhoudingen 
wordt beschreven in een metafoor waarin 
kleur en licht een centrale rol spelen: “Zij is als 
een algemene belichting waarin alle kleuren 
warden gedompeld en waardoor hun eigen 
tonaliteit gewijzigd wordt. Zij is als een 
bijzondere atmosfeer die het soortelijk gewicht 
van alle bestaansvormen bepaalt die erin naar 
boven komen. Vovelle, 
Mentaliteitsgeschiedenis, Nijmegen, 1985, 
p.21
(3) Bordewijk, Blokken, ‘s Gravenhage, 1 931, 
p.17
(4) John Keats, Lamia, 1817, geciteerd in 
Abrams, ‘he mirror and the Lamp, Romantic 
theory and the criticaI tradition, Oxford 1953, 
p. 307. Een hoofdstuk in dit boek is gewijd aan 
de regenboogmetafoor onder de titel
‘Newton’s Rainbouw and the Poet’s’. Een 
uitvoerig iconografische studie over het gebruik 
van de regenboog in tekst en beeld vanaf de 
Middeleeuwen, tot nu is te vinden in 
’Regenbogen für eine bessere Welt’, 
Württembergischer Kunstverein, Stuttgart,
1977. Hierin wordt een bijna volledige 
opsomming gegeven van hedendaagse 
regenboogmetaforen in reclame, politieke 
propaganda en evergreens: “Will there be 
rainbouws day after day? Que sera, sera, what ever will be, will be” (Doris Day). 
Onvermeld blijven de regenbogen van C&A, 
Polaroid, De Evangelische Omroep, 
Greenpeace en het wereldkampioenschap 
wielrennen. Binnen dit hele spectrum komt de 
regenboog naar voren als een archetype, een 
collectief icoon van samenhang, melancholie, 
nostalgie, utopia, hoop en het sublieme.
(5) Een schaamteloze uiting van een dergelijk 
vooroordeel permitteert Whitehead zich in 
’Science and the modem world’, New York 
1925: “The poets are entirely mistaken. They 
should address their lyrics to themselves, and 
should turn them into odes of self 
congratulations on the excellency of the 
humon mind. Nature is a dull affair, soundless, 
scentless, colorless, merely the hurrying of 
material, endlessly, meaninglesly.”
Tegenwoordig is juist sprake van een osmose 
tussen poëzie en natuurkunde. Poëzie wordt 
voornamelijk gekenmerkt door metaforisch 
taalgebruik. In een recente studie onderzoekt 
Vroon het gebruik van metaforen in de 
psychologie, waarbij tevens wordt gewezen het belang van metaforen binnen de exacte 
wetenschappen: “Niettemin wordt de 
natuurkunde geïdealiseerd als we zouden 
volhouden dat metaforen geen rol in theorieën 
spelen. Van quarks wordt beweerd dat zij een 
’kleur’ hebben, ‘vreemd’ zijn en aan elkaar 
vastzitten met een ‘koord’.” Vroon en 
Draaisma, De mens als metafoor, Utrecht 
1985. p.79 .
(6) Paul Simon, My little town, Still crazy af ter 
all these years, CBS 86001, 1975 7) Gemt Krol, “De Abstracte Roman”, in 
Modernen Versus Postmodemen, Utrecht 
1985, p. 172
(8) Norberg-Schulz, Genius loci, Towards a 
phenomenology of architecture, London, 
1980, p.23
(9) Gerard den Brabander, Verzamelde 
werken, Amsterdam 1966
(10) Jacques Brel, Poètes d’ aujourd’hui, Parijs 
1964, p.66


2 Reacties

Lustmoorden in 1960

groenendaal0001

Voor mijn bijdrage aan het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011) heb ik mij proberen te verdiepen in de geschiedenis van de Sint Willbrordus-stichting in Heiloo. Ik bezocht deze inrichting in april 2009, en sprak toen met de geneesheer-directeur die mij inzage gaf in mijn eigen medisch dossier uit 1966. Hij wees me ook op het boek  Een bron van zorg en goede werken (2002), dat handelt over de geschiedenis van deze katholieke psychiatrische inrichting, die twee jaar geleden werd gesloten. In Heiloo is na de oorlog veel ervaring opgedaan bij de behandeling van seksuele stoornissen en psychiatrische delinquenten. Zo stuitte ik op het verhaal van een opmerkelijke lustmoord uit 1960, waarover ik vier jaar geleden verslag deed op dit weblog. Voor het relaas van de moord,  die kort daarvoor werd gepleegd en mogelijk met de tweede verband hield, raadpleegde ik het digitaal archief van de Leeuwarder Courant.

*

Dit is Joke van Groenendaal, een knap meisje van zestien jaar. Op 10 mei 196o werd haar lichaam gevonden langs de kant de weg in het bos bij Tegelen. Ze woonde in Venlo, waar ze werkte in een winkel. De moordenaar was een 24-jarige psychiatrische patiënt die kort tevoren was ontsnapt uit de Sint Willbrordus-stichting in Heiloo, die destijds nog een gesloten kliniek had voor psychopaten. De zaak trok destijds veel aandacht in de landelijke pers. Menigeen was geschokt, vooral op de wijze waarop deze moord had kunnen gebeuren.

De dader had zich voorgedaan als een fotograaf die voor een paar foto’s in een geïllustreerd damesblad een model nodig had. In een café in Venlo liet hij dit weten aan een serveerster. Die verwees hem door naar Joke van Groenendaal, die meteen inging op zijn verzoek. De moordenaar werd overigens gauw gevonden. Hij had aan de serveerster laten weten, dat hij een filmrolletje had weggebracht bij een plaatselijke fotohandel in Venlo. Deze man werd ‘s nachts nog uit zijn bed gebeld om de foto’s af te drukken. Zo vond de politie een zelfportret van de dader, want hij had zichzelf in een spiegel gefotografeerd. Deze foto stond in alle kranten en een paar dagen later kon de dader worden ingerekend. Hij kreeg eerst 20 jaar cel, maar die straf werd uiteindelijk – na veel juridisch geharrewar – omgezet in levenslang.

De strafmaat was toen kennelijk wat strenger dan nu. Jasper S. kreeg onlangs voor een vergelijkbare misdaad ‘slechts’ 18 jaar, terwijl hij niet in een inrichting zat en zelfs volledig toerekenisgvatbaar werd verklaard. Destijds richtte de publieke verontwaardiging zich niet alleen op het feit dat de betreffende psychopaat zomaar uit de inrichting in Heiloo had kunnen ontsnappen, maar ook op het slachtoffer dat kennelijk zo gefixeerd was geweest op haar mooie uiterlijk, dat ze zich heel makkelijk had laten meelokken. Er werd een bidprentje gedrukt met haar foto, dat in grote oplage werd verspreid. In hoofdredactionele commentaren werden vergelijkingen gemaakt met de persoonsverering van James Dean. Het was de tijd van de opkomende jeugdcultuur, die met zijn gerichtheid op de seksualiteit en lichamelijke schoonheid verontrusting wekte bij een oudere generatie. De moord in Venlo leek dit alles samen te vatten.

feenstra0001

Engelina Feenstra

Op 7 april 1960, een maand voordat de gruwelijke moord in Venlo plaatsvond, werd een 17-jarig meisje, dat uit Leeuwarden afkomstig was, gewurgd aangetroffen in de woning van een Amsterdamse hoofdinspecteur van politie. Het slachtoffer was Engelina Feenstra. Kort tevoren was ze naar Amsterdam vertrokken om daar bij de PTT te gaan werken. Het was een avontuurlijk meisje. Ze wilde graag naar Londen, maar haar vader vond dat niet goed. In Amsterdam woonde ze op kamers in een stille straat vlak bij het Muiderpoortstation. Ook deze zaak trok destijds veel aandacht, niet alleen in Leeuwarden, maar ook landelijk. Bij de begrafenis in Huizum-dorp waren ruim duizend mensen aanwezig. Drie weken lang verschenen er berichten in alle kranten over de voortgang van het het politieonderzoek. De hoofdinspecteur zelf werd al gauw van elke blaam gezuiverd, want zijn bloed kwam niet overeen met de bloedsporen die bij het slachtoffer gevonden waren.

Engelina Feenstra werd gewurgd met een snaar van een gitaar. Dat was een curieus gegeven dat tot allerlei speculaties leidde. De eerste verdenking ging uit naar een man die ze in een café aan de Middenweg had ontmoet. Ik kan me de zaak nog vaag herinneren. Ik was destijds twaalf jaar oud en ik woonde vlak bij de Middenweg. Uiteindelijk werd een man uit Kattenburg gearresteerd. Hij bekende al gauw de moord te hebben gepleegd. Hij was vader van vier kinderen en stond in de buurt bekend als voyeur. Door een tuimelraam was hij het huis van de politiecommissaris binnengegaan en zo was van het een het ander gekomen. Ook hij kreeg uiteindelijk levenslang.

Het zijn twee wonderlijke zaken die verder niets met elkaar van doen hebben. Toch werd door menigeen destijds gedacht dat ze met elkaar samenhingen. De dader in Venlo zou door de moord in Amsterdam op het idee zijn gebracht. Maar het verband is nooit bewezen. Deskundigen onderzochten of er soms verbanden waren met het toenemend geweld dat in films en op tv was te zien. Maar ook dat bewijs werd niet geleverd. De moord op Joke van Groenendaal bleef de gemoederen nog het langst bezig houden, ook omdat de slepende rechtszaak een paar jaar duurde. Zo werd vooral dit ‘meisje van zestien’ begin jaren zestig een symbool van alles wat mis was in de snel veranderende samenleving. Te snel, in de ogen van velen.

Ik stuitte op dit verhaal in het boek Een bron van zorg en goede werken (2002), waarin de geschiedenis wordt beschreven van de Sint Willbrordus-stichting in Heiloo. De commotie in deze zaak leidde ertoe dat de kliniek voor psychopaten, die hier in het Sint Pauluspaviljoen was ondergebracht, in 1960 werd gesloten. Kort daarop werd de Pompekliniek in Nijmegen geopend als alternatief. Beide moordzaken werden als schokkend ervaren, omdat ze het breukvlak leken te markeren van een nieuwe tijd: de jaren zestig die net begonnen waren. De wereld was opeens vol gevaar, maar de jeugd was niet meer te stoppen. Een meisje van zestien was in de publieke opinie het toppunt van kwetsbaarheid geworden. Het gelijknamige liedje van Boudewijn de Groot werd in 1965 niet zomaar een hit: ‘Arm kind, ach wat lig je hier stil…’ Alles hangt met alles samen, soms in een onvermoed verband.  Zoals het koren wuift in de wind en ‘stormwind speelt met een enkel blad’.

2 Reacties

De vroeggrijze generatie

image00013-244x300

Onderstaande tekst is een passage uit een groter verhaal dat ik vier jaar geleden heb voorgelezen op een poëzie-avond in De Bres in Leeuwarden. De avond werd gepresenteerd door Alie van der Mark, die wat moeite had om het rumoerige publiek stil te krijgen. Vooral Alfred H. Stucki was zeer luidruchtig aanwezig en probeerde mij door het plaatsen van ontregelende interrupties van de wijs te brengen, hetgeen jammerlijk mislukte. Het verhaal zelf is historisch en speelt zich af tijdens een symposium in het vormingscentrum in Kortehemmen op 30 mei 1985, de dag na het Heizeldrama in Brussel.

*

De schrijver Louis Borges heeft eens op het bestaan gewezen van een ‘Chinese encyclopedie’ waarin geschreven staat dat de ‘dieren kunnen worden verdeeld in: a) die de Keizer toebehoren, b) gebalsemde, c) tamme, d) speenvarkens, e) sirenen, f) fabeldieren, g) loslopende honden, h) die in deze indeling voorkomen, i) die in het rond slaan als gekken, j) ontelbare, k) die met een fijn kameelharen penseeltje getekend zijn, l) et cetera, m) die juist een kruik gebroken hebben, n) die uit de verte op vliegen lijken’.

Ik heb me altijd verbaasd over deze exotische vorm van taxonomie. De ordening van het dierenrijk volgt hier een geheel andere logica dan de onze. Een absurde logica zo te zien, maar wie zegt dat dat inderdaad zo is. Afgelopen raakte ik met iemand in gesprek over astrologie. Hij wist daar behoorlijk veel van af. Ik ben een varken, zo wist hij mij te vertellen, want ik ben in 1947 geboren, het jaar van het varken. De Chinese jaarkalender kent een ordening die ontleend is aan de dieren. Daarbij geldt een cyclus van 60 jaar.

De Chinese astrologie beschrijft trekken van de mens die onbekend zijn in de westerse astrologie, maar tegenwoordig laten westerse astrologen zich ook wel door de Chinese inspireren, zo liet ik me vertellen. Welnu, ik heb er niks met astrologie en met varkens al helemaal niet. Het idee dat mijn karakter bepaald zou door de symboliek van een dier of door de stand van de sterren op het moment dat mijn moeder op zondagochtend 1 december 1947 om 9.04 uur ‘s definitief ontsluiting kreeg, lijkt me absurd. Wat hebben de sterren met mijn genen te maken, laat staan met de loop der dingen?

Arthur Koestler heeft ooit een vergelijkbare stelling geponeerd. Hij beweerde dat een literaire tekst in schone vormen waarheden wil uitdrukken en daarin niet verschilt van wetenschap. Zowel een gedicht als een wetenschappelijke verhandeling willen verschijnselen uit de werkelijkheid plaatsen in een algemeen geldend verband. Een specifiek probleem, dat de schrijver – bewust of onbewust – stoort, blijkt niet zelden mentaal geworteld te zijn in een universele orde, een verborgen samenhang der dingen, die soms door een ogenschijnlijk toeval opeens aan het licht kan komen.

Hoe kom ik hierop? Gisteren sloeg ik de I-Tjing open, het boek van de veranderingen. Niet omdat ik benieuwd was hoe de loop der dingen voor mij in de nabije toekomst een nieuwe wending zal nemen, maar om een citaat op te zoeken. Peter Bastiaansen had een reactie op mijn weblog achtergelaten. Hij vroeg zich af of ik soms en beetje bezeten was van het schrijven, verslaafd aan de magie, aan het ritueel van het schrift. Ik had immers aangekondigd tot de kerst met mijn weblog te stoppen, maar een paar dagen geleden was ik toch weer begonnen. Bovendien had hij in de I-Tjing gelezen, dat ik mijn vorige werkzaamheden voortijdig had moeten beëindigen, vanwege onenigheid met derden. Maar die verklaring klopte dus niet, zo liet hij mij weten. Rara hoe kan dat?

Mijn antwoord was kort en duidelijk. Ik ben ooit met dit weblog begonnen, omdat de balans tussen de input en de output van woorden weer hersteld moest worden. Het is een kwestie van spijsvertering. Wat erin komt moet er ook weer uit, zij het in een andere vorm. Zo niet, dan krijg je verstopping en dat moeten we niet hebben. De I- Tjing is het ‘Boek van de Veranderingen’ en met verandering moet je altijd oppassen, al was het maar omdat hun belangrijkste eigenschap is – het woord zegt het al – dat ze veranderen. Het raadplegen van de I-Tjing moet daarom met een zekere prudentie geschieden. Wie niet open staat voor de verandering zal de verandering ook niet waarnemen, zelfs niet in de I -Tjing. Wat je in de I- Tjing leest zit uiteindelijk in je zelf. In die zin zijn de tekens van de I- Tjing niet anders dan alle andere tekens of woorden. Of zoals de I Tjing ons laat weten:

‘Kijk eerst de woorden aan
Bezin je , wat ze beduiden,
Dan komen de vaste regels aan het licht.
Doch ben je niet de rechte man,
Dan openbaart zich aan jou niet de zin.’

Maar het rare was  – en dat had ik niet vermeld – bij het openslaan van de I-Tjing viel er een foto uit, een polaroidfoto. Ik had hem daar heel lang geleden ingestopt en nooit meer terug gezien. Die foto is genomen op 30 mei 1985. Dat weet ik zo precies, omdat de dag daarvoor het drama in het Heizelstadion in Brussel had plaatsgevonden. De dag daarop nam ik deel aan een symposium in het vormingscentrum van de Woodbrookers in Kortehemmen. Waar dat over ging weet ik niet meer zo precies. Volgens mij ging het over kunst en cultuur in de toekomst, een nogal vaag onderwerp, waar destijds met grote stelligheid over gedebatteerd werd door allerlei mensen, die – net als ik – op het terrein van de kunst en cultuur werkzaam waren.

Ik herinner mij een professor met een punthoofd die met een wonderlijk project bezig was, waarin de toekomst werd gesimuleerd in een groot spel. Het was een virtuele wereld, die in een gigantisch rollenspel gegenereerd werd door echte mensen in het hier en nu. Zo verscheen er elke week een krant, waarin je kon lezen hoe de wereld er in de toekomst er voor zou staan. Op 25 september 2008 bijvoorbeeld. Vandaag dus. Ik begreep er destijds niet zoveel van. Wel weet ik dat wij een portretfoto op de muur moesten prikken, zodat iedereen kon zien wie je was.

Op de foto, die gisteren uit de I Tjing viel, ben ik zelf te zien. Ik kijk de toekomst in, maar dat weet ik op dat moment nog niet. Kennelijk heb ik mijn foto net van de muur geplukt, want achter me kun je de andere polaroidfoto’s nog zien hangen op een groot prikbord, met de naam van de betreffende congresganger eronder. Je ziet dus foto’s in een foto, maar terwijl ik dat schrijf bedenk ik mij dat deze veronderstelling niet klopt.

Als deze foto daar ook op het prikbord heeft gehangen, dan hadden die andere er niet opgestaan. Of is het misschien zo, dat deze foto bij binnenkomst is genomen en daarna naast de andere gehangen is? Ik neem niet aan dat van iedereen bij het weggaan nog een tweede foto is genomen die de betreffende persoon dan mee naar huis mocht nemen. Dat zou een beetje dubbel op zijn. Hij had immers al een foto. Die had hij immers net van het prikbord afgehaald.

En zo duizelde het  mij even voor ogen. Alle stukjes van de puzzel vielen opeens in elkaar volgens het patroon dat op de deksel van de doos stond afgebeeld. Zon maan en sterren zag ik rondwentelen een spiraal van zinloze feiten die zich lichtjaren ver van mij verwijderden om van daaruit telkens weer terug te keren in een ander verband. Wat mij vooral op viel op de foto, was de gigantisch grote bril die ik daar droeg, ver weg in het heelal. Grijs nog wel, net als die dat grijze kunstlederen colbert en de grijze leren stropdas.

Ook mijn haren worden voorzichtig grijs zo te zien. Mijn moeder was ook vroeg grijs, dus het zal wel in de genen zitten. Op de foto heb ik de echt grijze jaren nog voor de boeg, maar ik was al helemaal in de stemming. Ik was in die tijd helemaal weg van grijs. We hadden een grijze bank en al het houtwerk in ons huis was grijs geschilderd. Ik behoorde net niet meer tot ‘de vroeg grijze generatie’, waarover Frans Halsema ooit zo’n mooi liedje heeft gezongen. Maar als je deze foto ziet, dan zou je anders kunnen vermoeden.

De vroeg grijze generatie
Ruiten hemd en grijze das
Beetje bang van meditatie
Stickies, LSD en hasj
Op de dansvloer niet die vrijheid
In hun benen dixieland
Beetje rood of Roomse blijheid
Te luidruchtig op het end

2 Reacties

Het kompas van de kleuren

f43dff992322da01d9d62c05acca6b5a

Begin jaren negentig opende ik een tentoonstelling van Anke Kuypers en Henk van Gerner in de Lawei in Drachten. Henk van Gerner woonde destijds in Julianadorp, vlak onder Den Helder. ik zocht hem op en zo reed ik twee keer met de bus over de Afsluitdijk. Die ervaring inspireerde mij, vooral door het kleurrijke schouwspel van de ondergaande zon. De tentoonstelling had het fenomeen ‘kleur’ als thema. Aan het slot van mijn openingsverhaal werd ik overstemd door een blazersensemble dat – zo was het afgesproken – de zaal binnen marcheerde en uiteindelijk steeds harder om me heen begon te toeteren.

*

De dijk ligt tusschen ‘t land en ‘t water
Met palen en basalt
Hier ligt hij nu, hier ligt hij later
Totdat de aarde valt.

Na zo’n halve eeuw verdwaald te zijn geweest in een duistere uithoek van mijn brein 
kwamen deze woorden van de dichter Jan Engelman opeens bij mij boven toen ik op een grijze winternamiddag in januari in een blauw-groene Interliner 
terugreed naar Friesland. Rechts het IJsselmeer, links in gedachten de 
Waddenzee en in het midden – U raadt het al – als een streep de Afsluitdijk. Hier 
ligt hij nu, hier ligt hij later … Opeens hoorde ik die woorden weer zoals ze eens 
werden voorgedragen door een roodharige jongen wiens naam ik vergeten ben. 
We zaten in de tweede klas in het begin van de jaren zestig. Declameren van gedichten was toen nog heel gewoon. Peter heette hij of Piet, of verbeeld ik mij 
dat? In ieder geval zijn stem hoor ik nog alsof hij voor mij staat. Een beetje 
lijzig, want hij kwam uit de Zaanstreek en dat taaltje klonk wat vreemd in 
Amsterdam. Hij had – om voor mij nog altijd onverklaarbare redenen – voor dit wonderlijke gedicht gekozen om het woord voor woord uit het hoofd te leren en
 voor te dragen voor de klas. En dat deed hij met verve. Alle gebaren en mimiek, 
die de heroïsche lading van dit staaltje gezwollen vaderlandse natuurlyriek tot leven konden brengen, werden uit de kast gehaald. De spreker was een geboren 
acteur, alleen het gedicht had hij niet zo begrepen. Misschien was hij nog nooit d
e Afsluitdijk over geweest, misschien leidde zijn verste reis naar Krommenie of 
Koog aan de Zaan. Hoe het ook zij, de essentie van Engelmans woorden was 
hem jammerlijk ontgaan.

Al in de eerste strofe ging het mis. De zinnen ‘Hier ligt hij nu, Hier ligt hij later’, 
werden op theatrale wijze uitgebeeld met een gebaar van de rechterarm, eerst 
wijzend naar links en dan naar rechts, alsof de dijk met het verstrijken van de 
tijd van plaats zou gaan veranderen en niet juist het omgekeerde het geval was – waar de dichter ook op doelde – dat de dijk zou blijven liggen waar hij lag en 
nog wel tot aan het einde der tijden, in ieder geval tot de aarde valt. Wij als 
toehoorders in de klas konden het misverstand wel waarderen. Een genadeloze 
lachsalvo was het gevolg, een kabaal dat het de spreker niet makkelijker maakte 
om zich hij het vervolg van zijn tekst verstaanbaar te maken. Hij probeerde het wel, maar ons gelach wilde niet echt wijken. De stilte, die doorgaans onontbeerlijk is om poëzie enige vorm van bestaansrecht te geven, was voorgoed verbroken. De dichterlijke woorden gingen langzaam ten onder in een aanstekelijk puberaal gegiechel, dat allengs aanzwelde, om dan weer terug te
 vallen, tot een hoge uithaal op de achterste bank dit onstuitbare proces opnieuw 
in beweging bracht, kortom, het was een onderstroom van ingehouden slappe 
lach, die af en toe een noodzakelijke uitweg vond in een bevrijdend geschater. De spreker vocht voor wat hij waard was. Hij liet zich niet van de wijs brengen en vervolgde ogenschijnlijk onverstoorbaar zijn poëtische reis over de dijk. Hij 
sprak mooie woorden en sonore zinnen, over dit trotse monument van palen en 
basalt dat de zee het land ontstolen had, over de winden die langs zijn flanken 
gieren, over waaiers die die wind moest vouwen naar de wolken van zilt en glinsterend vocht. Wij hoorden hem aan, maar wij luisterden niet meer. Zijn 
woorden waaiden weg in andere geluiden. Zijn stem was fading away …..

rungekugel

Zoals gezegd, de herinnering aan dit tragikomisch voorval uit mijn jeugd kwam 
plotseling bij mij boven, toen ik onlangs terug naar Friesland reed. Achter me lag 
Julianadorp waar ik die middag een kunstenaar had ontmoet. De kleuren aan 
de hemel waren verdwenen, wat restte was een grijs-zwarte lucht in het licht van 
een wassende maan. De wegen van het geheugen zijn duister en 
ondoorgrondelijk, dacht ik bij mezelf. Vergeefs probeerde ik mij een voorstelling 
te maken van de vreemde kronkelwegen die de herinnering aan deze gebeurtenis 
in mijn brein moet hebben afgelegd, alvorens hij – na ruim vier en een half decennium 
- weer opdook om voor even met mij mee te reizen op deze lange, rechte weg op 
de dijk. Hier ligt hij nu, hier hij later. Ik moest een tekst gaan schrijven over
 kleuren, maar de woorden wilden niet komen. Ik moest nog naar een andere kunstenaar in 
Boelenslaan. Ik moest nog zoveel. De herinnering nam me mee in het gemijmer 
van een winteravond rijdend in een bus. Hoe zou het zijn vergaan met die 
roodharige jongen uit Koog aan de Zaan, of was het Krommenie? Hij bleef
 zitten, twee keer zelfs, en ging uiteindelijk van school af. Waar zou hij gebleven 
zijn? Misschien is hij inmiddels wel ergens een brug afgestapt, zoals Bavink deed in de Titaantjes van Nescio. Misschien ging hij naar Friesland, waar je kunt verdwijnen in vergetelheid, zoals Japie waar niemand ooit meer een woord van 
vernomen heeft. Ik zag het monument aan mij voorbij flitsen, vaal oplichtend in 
het maanlicht. Kleuren waren er niet meer. De hemel was zwart en in het 
spiegelbeeld van de ramen zag mijzelf naar buiten kijken ….

Waar zijn al die jaren gebleven? Zijn ze er nog, en zo ja waar liggen ze 
dan: links of rechts van de dijk? Hier ligt hij nu hier ligt hij later. Maar is dat wel zo? Had die jongen uit Koog aan de Zaan niet toch gelijk met zijn brede 
gebaren. Wie zegt dat de dijk zich niet verplaatst in de tijd, en in die zevenenveertig jaar een slingerend traject heeft afgelegd, onzichtbaar voor het oog en nog grilliger wellicht dan 
de dwaalwegen van mijn herinnering. De tijd verstrijkt als de bus rijdt. De dijk
 schiet onder de wielen door. Maar waarom zou het omgekeerde niet evengoed 
het geval kunnen zijn. De bus staat stil. Hier staat hij nu. Hier staat hij later. En 
de weg schiet alleen maar voorbij, terwijl de wielen draaien. De dijk verplaatst 
zich, de bus niet. De tijd staat stil, wij verplaatsen ons en alleen op een weg 
waarvan we menen dat hij recht is, onomkeerbaar, als een streep door de nacht 
van het heelal. We passeerden Breezand. Een vliegtuig knipperde boven het 
IJsselmeer. Ik moest over kleur gaan schrijven, maar er kwamen geen beelden in 
mijn hoofd. Ik zag allen maar een zwarte hemel en een witte maan. Mijn verbeelding schoot tekort. Denkend aan kleur zag ik een lange dijk traag door oneindig waterland gaan. Kun je eigenlijk wel met woorden iets zinnigs zeggen 
over kleuren? Zijn kleuren niet zoiets als klanken en woorden, alleen maar 
bordjes met namen, etiketten die wij ergens op plakken zodat wij menen iets waar te 
nemen, maar waar we eigenlijk heel weinig van weten? Kun je een 
kleur verbeelden, oproepen voor je geestesoog? Sterker nog, kun je een kleur 
bedenken die niet bestaat of die nog nooit is gezien? Of zoals Otto Runge ooit 
zei:

“Als iemand zich een blauwachtig oranje, een roodachtig groen, of een 
geelachtig violet wil voorstellen wordt hem te moede als bij een zuidwestelijke 
noordenwind. Zowel wit als zwart zijn beide ondoorzichtig of stoffelijk. Wit 
water dat helder is zal men zich niet kunnen voorstellen, net zo min als 
doorzichtige melk. “

Met andere woorden, kleuren hebben kennelijk hun eigen logica, een soort 
kompas, een windwijzer, een systeem in de ruimte met boven en onder, links en
 rechts, noord, zuid oost en west. Er is een denkbeeldige aardbol waar je ze op kunt uitzetten, variërend in toon, gradatie, helderheid, alles precies geordend volgens 
exacte coördinaten. Het geel hier, het blauw daar. Hier ligt het nu, hier ligt het 
later. Maar zitten de kleuren zo in elkaar? De woorden gaan hun eigen weg, de taal heeft zijn 
eigen systeem, om van het oog maar te zwijgen. Wat gebeurt er allemaal tussen netvlies en cortex? De bus
 rijdt van Zuidzuidwest naar Noordnoordoost en ik probeer me de kleuren aan 
de hemel voor te stellen die bij deze coördinaten horen. Kornwerderzand schiet 
voorbij en ik zie niets dan duisternis en een vale maan aan de hemel. De 
woorden gaan op reis en ik word overstemd door geluiden, tonen en ritmes die kleuren voorstellen. Ze schieten voorbij als klanken met een eigen coloriet, geluiden die mijn verhaal overspoelen, als golven die aanzwellen vanuit een
 hoek van de ruimte om allengs de overhand te nemen en mij voorgoed doen 
verdwijnen in de nacht, als kleuren die vervagen totdat de aarde valt, zwart, blauw, geel, okergeel, 
ultramarijn, titaniumwit, bordeauxrood, aubergine, cadmiumgeel, nachtblauw, 
korenblauw, oranje, oranje, azuur, rood, geel en blauw, paars, beige, rood, 
oranje, geel groen, blauw, violet, purper, scharlaken, kardinaalrood, pioenrood, 
tomaatrood, schaamrood, hagelwit, kastanjebruin, pimpelpaars, grijs, grijs, grijs, 
appelgroen, steenrood, bladgroen, goud, zilver, kalkwit, hemelsblauw, gifgroen, kastanjebruin, reebruin …..

5 Reacties

Onderweg in een overgangstijd

$(KGrHqZ,!lgFELN,mKorBRJTt1mTq!~~60_84

Onderstaande tekst verscheen aanvankelijk onder de kop Katholieke Illustratie.  In vier jaar tijd kreeg ik er 63 reacties op. Ik heb ze maar verwijderd, want anders dan veel mensen denken, ben ik geen verzamelaar van oude jaargangen van de Katholieke Illustratie. Mijn weblog is ook geen marktplaats. Het verhaal ging eigenlijk ook niet zozeer over de Katholieke Illustratie, als wel over de teloorgang van de katholieke media. 

*

Onlangs heb ik twee ingebonden jaargangen (1955, 1956) van De Katholieke Illustratie op de kop kunnen tikken. Ze waren niet goedkoop – 25 Euro per stuk – maar ik vond het ’t geld meer dan waard. Als ik in deze dikke boekwerken in gemarmerde kaften zit te bladeren, word ik bevangen door een gevoel van verwondering gemengd met melancholie. Vroeger thuis lazen wij de Katholieke Illustratie. Ik kan me nog goed herinneren dat ik als vijfjarig kind met een blauw kleurpotlood alle foto’s van de Watersnoodramp van 1953 heb ingekleurd, waarbij ik met mijn potlood niet altijd tussen de lijntjes van het beeld was gebleven. Ik vond dat zelf geen punt – het wassende water trad immers ook buiten zijn oevers – maar mijn oudste zus was zeer ontstemd, want ze had deze speciale ramp-editie haar leven lang willen bewaren. De Katholieke Illustratie werd bij ons thuis letterlijk stuk gelezen. Vooral de fotoreportages vonden veel aftrek. Het was een tijd dat in de krant in beeldend opzicht nog niet zoveel te bieden had, om over een tv-journaal maar te zwijgen.

De Katholieke Illustratie was zoiets als het Polygoonjournaal, maar dan bij op papier bij je thuis. Je miste alleen de stem van Philip Bloemendaal, maar die verzon je er als kind zelf wel bij. Je zag foto’s van de arme kindjes in Afrika, maar ook reportages over hoe het Witte Huis er uitzag of het Rode Plein in Moskou, of anders wel een beeldverslag van de zegenrijke vorderingen van de missie op Nieuw Guinea, waar nog koppensnellers waren en de missionarissen dus heel gevaarlijk werk deden. Elke zomer, als ik bij mijn drie ongetrouwde tantes logeerde, verdiepte ik mij in oude jaargangen van de Katholieke illustratie. Zij hadden alle jaargangen sinds 1938. Het was een groot Huis in het Gelderse Huissen, een klein, wat achterlijk dorp aan de rivier onder de rook van Arnhem. Boven op de grote zolder, waar ook de hele uitleen-inventaris van het  Wit-Gele Kruis stond opgeslagen – tante Door was de lokale wijkzuster – stond de kast met oude jaargangen. Daar in het halfduister kon ik als kind uren wegdromen. Plaatjes kijken is altijd mijn belangrijkste liefhebberij geweest. Later heb ik er zelfs mijn vak van gemaakt.

Eind jaren vijftig logeerde ik zelfs de hele grote vakantie in Huissen. Ik heb me wel eens afgevraagd hoe mijn ouders zoiets ooit hebben kunnen doen. Een kind tussen zijn tiende en twaalfde jaar laat je toch niet zes weken lang helemaal alleen logeren bij drie bejaarde dames in een verlaten dorp waar niets te beleven viel. Vorige week was mijn oudste zus op bezoek. Ze is zestien jaar ouder dan ik. Zij vertelde mij dat mijn gedwongen vakantie-verblijven destijds in the middle of nowhere een praktische reden hebben gehad. Mijn jongste zuster moest in 1958 en 1959 twee zware hersenoperaties ondergaan. Ik werd uit huis geplaatst, omdat mijn moeder in die tijd de handen vol had. Vreemd genoeg had ik dit verband zelf nooit gelegd. Ik heb me eigenlijk ook nooit verveeld daar in Huissen. Ik kon mezelf als kind altijd uitstekend vermaken. Bovendien bood de Katholieke Illustratie een prachtig hulpmiddel om elk schemerend gevoel van verveling in de kiem te smoren.

Onlangs vond ik op de uitgebreide boekenafdeling van de Leeuwarder Kringloopwinkel de jubileumuitgave van de Katholieke Illustratie. Dit extra-dikke nummer is verschenen op 10 december 1966. Het blad bestond toen maar liefst honderd jaar. De inhoud straalt een en al trots uit, alsof de katholieke emancipatie na een eeuw Rijk Rooms leven op zijn hoogtepunt was beland. Tal van kleurenfoto’s van bisschoppen en kardinalen passeren de revue. Zelfs Paus Paulus VI had een speciale felicitatie geschreven met een stempel van het Vaticaan. En verder artikelen van Godfried Bomans en Anton van Duinkerken, een reportage het veranderende Spanje in de nadagen van Franco, een reeks foto’s van Cape Kennedy en een groot artikel over het leven en sterven van Bisschop Bekkers van Den Bosch, die op 9 mei van dat jaar na een kort ziekbed was overleden. Ik kan me dat nog goed herinneren. omdat op de dag daarvoor, op 8 mei 1966, mijn vader overleed.

‘Onderweg in een overgangstijd’ zo heet het artikel. De titel had niet beter gekozen kunnen worden. Het was dan weliswaar een jubileumnummer, dat het eeuwfeest van dit roemruchte gezinsblad markeerde, maar de tijden waren snel aan het veranderen. Het jaar daarvoor had de Volkskrant het predicaat ‘rooms-katholiek’ van zijn voorpagina verwijderd. Niemand kon op dat moment vermoeden dat de Katholieke Illustratie het jaar na de zelfbewuste jubileumuitgave geheel van het toneel zou verdwijnen. In het Ten Geleide schreef hoofdredacteur Albert Welling onder de kop ‘Blik vooruit’ het volgende:

‘Het begint stiller te worden in het wereldje van bladen die zich uitdrukkelijk katholiek 
noemen. Het schijnt dat dit predikaat – ik heb er nog “herentoneel” voor gespeeld, omdat “gemengd” en “r.k.” niet samengingen – nauwelijks meer aan
spreekt. Sommigen voelen het zelfs als een last en dus wordt het – openlijk of 
tersluiks – weggelaten. De Katholieke Illustratie zal dit voorbeeld niet volgen. Ook na een eeuw menen 
wij dat de lezers recht hebben op een duidelijk herkenbaar kijkschrift, dat juist 
door die herkenbaarheid voor honderdduizenden katholieken van betekenis kan zijn. (..) Ik bedoel eigenlijk gewoon dat wij ons voor de toekomst zullen inspireren op paus Johannes XXIII. Een rustig man, die alle noden omvatte, die erover sprak op een wijze die ons door merg en been is 
gedrongen en die toch – ondanks de verwoestende last van zijn verantwoordelijkheid – nooit uit zijn ogen die twinkeling verloor, waarmee hij wellicht meer 
vrede heeft gesticht dan in tien encyclieken kan worden uitgeschreven.’

Het heeft allemaal niet zo mogen zijn. Het jaar daarop fuseerde de uitgever van de Katholieke Illustratie, De Spaarnestad, ook uitgever van het gezinsweekblad Panorama en Libelle, met de De Geïllustreerde Pers, die onder meer Margriet en Revu uitgaf. Beide uitgeverijen gingen later op in de VNU (bron: Wikipedia). Het katholieke karakter van de Katholieke illustratie was al op de achtergrond geraakt en in 1968 werd het blad definitief opgeheven. Het einde van de katholieke emancipatie was een feit in het jaar waarin de verzuiling in Nederland definitief ten grave werd gedragen. De overgang van Katholieke Illustratie naar Nieuwe Revu was kenmerkend voor het ingrijpend proces van secularisering dat ons land in zijn greep had gekregen.

Deze gebeurtenissen vielen samen met de snelle teloorgang van het katholicisme in Nederland. De progressieve geest van Bisschop Bekkers en paus Johannes XXIII had in de tweede helft van de jaren zestig definitief plaatsgemaakt voor het kille dictaat van twee uiterst reactionaire pauselijke encyclieken, in 1967 over het celibaat (Sacerdotalis Caelibatus ) en in 1968 over de geboorteregeling (Humanae Vitae). De kortstondige katholieke renaissance in Nederland ging hiermee ten onder. Een aantal omstreden Vaticaanse benoemingen van uiterst reactionaire bisschoppen in het begin van de jaren zeventig deed de rest. De katholieke kerken liepen leeg, er werden nauwelijks meer priesters gewijd, de seminaries kwijnden weg  en het ene na het andere klooster zou uiteindelijk worden verkocht.

Onlangs las ik het tweede deel van de autobiografie van Hans Küng Omstreden waarheid gelezen dat gaat over de periode na het Tweede Vaticaanse Concilie. Het is 690 pagina’s fascinerende lectuur. Eens temeer verbaasde ik mij over fascistoïde wijze waarop het Vaticaan alle hervormingen van Vaticanum II na 1965, in nog geen paar jaar tijd in heel Europa – maar vooral in Nederland – van bovenaf consequent heeft teruggedraaid. Het Kremlin was er niets bij, met dit verschil dat de dictatoriale macht van het Vaticaan nog altijd ongebroken is. De geharnaste massakerk, onfeilbaar vanuit Rome bestuurd, is een historisch fenomeen dat gelijk oploopt met de opkomst en de bloei van de totalitaire systemen van links en rechts. Dit machtsbolwerk van het Vaticaan, dat vanaf de Romantiek in de negentiende eeuw is opgetrokken als reactie op het oprukkende materialisme en het positivisme van de wetenschap, toont anno 2008 – in tegenstelling tot fascisme en communisme – nog geen enkel spoor van verval. ‘Pensiamo in secoli‘ (Wij denken in eeuwen), zo denkt men in Rome.

Via dit weblog kwam ik weer in contact met Paul Welling. Paul was een jaargenoot van mij op het Sint Ignatiuscollege van 1960 tot 1966. Zijn vader Albert Welling was de bovengenoemde laatste hoofdredacteur de Katholieke Illustratie (en de eerste van de Nieuwe Revu). Een andere jaargenoot van Paul en mij was Berendjan van den Boomen. Berandjan was de zoon van Gerard van den Boomen, destijds hoofdredacteur van de Nieuwe Linie, het andere katholieke weekblad dat nog tot in de jaren zeventig als links opinieblad is blijven voortbestaan. Paul en Berendjan voerden destijds wel eens een felle discussie over de vraag wiens vader het beste katholieke blad maakte, zo liet Paul mij weten: ‘Beide vaders hebben als journalist veel last gehad van de druk om hun blad economisch rendabel te maken. Ze wilden een goed blad maken, verkoopcijfers interesseerden ze niet te veel.’ Het was vechten tegen de bierkaai. Het Rijke Roomse Leven hield onder onze ogen plotseling op te bestaan.

1 Reactie