Onder water

Eja Siepman van den Berg, gisteren in Museum Voorlinden in Wassenaar.

Reageer

Gezicht op Leeuwarden

Gistermiddag, 16.15 uur

Reageer

Verdriet is liefde

Alicia Framis, Glijbaan, 1996 (foto: Stedelijk Museum)

‘De tijd is een glijbaan naar de dood. Taal is een vluchtpoging om aan die glijbaan te ontsnappen. De taal creëert een schijnbaar permanente ruimte van aanwezigheid, door de werking van het teken dat het ‘nu’ herhaalbaar maakt. Taal stelt de dood telkens weer uit door het permanent uitstellen van een verdwijnende aanwezigheid. Zo ontstaat een voortdurende, ideale schijnsituatie, waarin de dood wordt opgeschort en daarmee ontkend. De aanwezigheid – de ‘ousia’ – is de grondtrek van het Zijn.

Sinds Aristoteles is deze grondtrek van het Zijn gecorrumpeerd. In zijn denken over Zijn en Tijd probeerde Heidegger de authenticiteit van het Zijn te redden door middel van de existentie, maar is het wel mogelijk om de representatie, die voortdurend in de taal werkzaam is, volledig uit te sluiten. De late Heidegger vatte het Zijn op in termen van een gebeuren: ‘Es gibt Ereignis.’ Maar de taal is doorboord met afwezigheid, zo beweert Derrida. De tegenwoordigheid van het tegenwoordige komt voort uit een voortdurende herhaling, het verglijden van de tijd, en niet om omgekeerd.

Tegenwoordigheid ontstaat bij de gratie van het voortdurend wegglijden in het verleden. De taal drukt uit en wijst aan, maar volgens Derrida is er geen verschil tussen expressie en indicatie. Er is geen authentieke oorsprong in de taal. Geen ‘ik’ als zuivere bron, waar de zinnen uit opborrelen. Het ‘ik’ is een schijnconstructie. Het wordt voortdurend gegenereerd door de relatie tussen het uitstel – dat in het teken werkzaam is – en de dood. Het spoor dat de tekens nalaten is een effect zonder oorzaak.

Derrida is voortdurend op zijn hoede om niet terug te vallen in de metafysica. De taal is in zijn optiek als een vloeistof zonder fles, maar je hebt wel een fles nodig om over de vloeistof te kunnen vatten. De metafysica is als een oplosmiddel dat zelfs ook de fles oplost waar de vloeistof in zit. De grootse angst de met een psychose gepaard gaat wordt door de filosofie van Derrida bevestigd. Er is geen ‘ik’. Er is alleen ‘leegte’. Elke vorm van kennis is zoiets als het zien van je eigen voetsporen die telkens weer tegenkomt als je in cirkels rondloopt .’

Deze cryptische zinnen schreef ik ooit met potlood achter in het boek The deconstruction of time dat werd geschreven door de Britse filosoof David Wood. Ik kocht het boek in 1989 bij De Slegte in Amsterdam voor 65 gulden. Dat was een heel bedrag voor een tweedehandsboek. Maar het was niet tweedehands. Het was splinternieuw en dat intrigeerde mij. Ik weet ook de dag nog dat ik het kocht. Het was vrijdag 9 november, de dag dat de Berlijnse muur viel, maar dat hoorde ik pas de dag daarop, toen ik weer terug was in Leeuwarden. ’s Avonds zag ik Freek de Jonge in Carré. Hij zong What a perfect day van Lou Reed, niet wetend dat heel Berlijn op zijn kop stond.

Het boek van David Wood heb ik vervolgens gelezen of beter gezegd gespeld. Het thema fascineerde mij: de deconstructie van de tijd. Het was een overzicht van het postmoderne denken over taal en tijd in de filosofie van Husserl, Heidegger en Derrida. Maar wat ik werkelijk gehoopt had bleef uit. De auteur legde geen enkel verband tussen het denken van deze filosofen en de bevindingen in de hedendaagse natuurkunde. Alle natuurkundige gedachten over tijd deed hij al in de inleiding af als irrelevant. Dat waren ‘verruimtelijkingen’ van de tijd. Tijd is geen ruimte, zo beweerde hij. Tijd is een proces van verschijnen en verdwijnen dat zich in je bewustzijn voltrekt, of sterker nog, geconstrueerd wordt. Dat is het kenmerk van de tijd. Tijd zit tussen je oren.

Mooie gedachten allemaal, maar wat betekent dit in relatie tot de dood, de echte dood, het sterven en afscheid nemen van het leven, het afscheid van een geliefde? Men spreekt wel over de troost van de filosofie, maar wat heb je daaraan met de dood in de ogen? Het leven zaait dood en verderf, maar is er ook leven na de dood? Verdriet is liefde. Misschien is dat de enige troost. Op de glijbaan van het leven, die onherroepelijk naar beneden voert en eindigt in de dood, is de liefde het enige wat niet beweegt maar stilstaat. Is er dan toch iets wat blijft bestaan, iets wat eeuwig is?

Hoewel ik niet uit eigen ervaring kan spreken, wil ik de verhalen van mensen, die ooit zijn teruggekeerd uit een bijna-dood-ervaring, graag voor waar aannemen. Wie de dood letterlijk in de ogen heeft gehad schijnt niet alleen een tunnel te zien, die eindigt in een extreem helder en verblindend licht, maar ook zijn hele leven dat als een film in één enkel ogenblik aan zijn geestesoog voorbij glijdt. Het is een laatste glijbaan met licht in de tunnel, waar je dan in belandt. Een magistrale toegift van het tijdloos onbewuste aan het slot van de voorstelling die ‘temporeel bewustzijn’ heet.

Het kenmerk van een glijbaan is dat hij je de illusie geeft naar beneden te vallen, terwijl je weet dat je uiteindelijk goed terecht komt. Als het moment van het sterven inderdaad gepaard gaat met de gewaarwording van een ‘laatste glijbaan op weg naar het licht’, dan zou dat misschien de hoogste verschijningsvorm van de esthetische ervaring kunnen zijn. Alsof het leven zelf een lange film in een donkere tunnel is, een opeenvolging van beelden die steeds sneller gaan en uiteindelijk onontkoombaar uitmonden in één finaal slotbeeld, waarin al het voorafgaande – nog één keer – in zijn hoogste concentratie wordt samengevat.

In 1996 had de kunstenaar Alicia Framis in de hal van het Stedelijk Museum een glijbaan gebouwd. Je kon als bezoeker er voor kiezen om je in één keer de trap af naar beneden te laten glijden. Deze glijbaan leek me destijds het ideale substituut voor een heimelijk doodsverlangen dat wellicht aan de basis ligt van mijn extreme hoogtevrees die mij al kwelt sinds mij vroegste kinderjaren, een verlangen ook naar voltooiing dat misschien wel de voorwaarde vormt voor elke ervaring van schoonheid.

Het absolute karakter van die snelle afdaling die onontkoombaar moest uitmonden in een onbeweeglijk eindpunt op de grond, fascineerde mij mateloos. Zou ik het wél doen of niet? Die aarzeling leek heel even het toppunt van het sublieme. Hoewel op een bordje stond te lezen dat de directie van het museum het gebruik van dit kunstwerk geheel voor eigen risico van de gebruiker achtte, kon ik het niet laten. Ik heb me voor één keer laten gaan. Ik gooide mijn benen op de baan, zette mijzelf in beweging en gleed weg, steeds sneller en sneller verdwijnend in de peilloze diepte van het museale trappenhuis.

Niet dat ik in die duizelingwekkende vaart mijn leven als een film voorbij zag trekken. Eigenlijk zag ik niet eens zoveel, zeker geen beeld van Michelangelo of een jongeling die wegloopt in de zee. Nee, ik zag alleen de snel voorbijglijdende muren van een van de meest geheiligde kunsttempels die ons land rijk is. En toch, heel eventjes realiseerde ik mij dat achter de muren ook de kunst van een eeuw in een flits aan mij voorbijschoot: Van Gogh, Picasso, Kandinsky, Malevitsch, Karel Appel, Barnett Newman, Bruce Nauman, Baselitz…

Ik had geen tijd om al die namen tot mij door te laten dringen. De canon van de twintigste-eeuwse kunst werd samengeperst in één piekervaring, of beter gezegd, een bodemervaring, want ik was ook razendsnel weer beneden – met een wat pijnlijke kont, dat wel.. Of deze glijbaan nu een kunstwerk was of niet, de verleiding was groot om je over te geven, je te laten meeslepen tot op de bodem van de moderne esthetica, een bodem waar de dood ogenschijnlijk telkens weer opduikt om juist dan – nog één keer – een minieme ruimte te ontdekken voor het voortbestaan van de kunst.

Op het de meest verleidelijke dieptepunten van de banaliteit ontstaan telkens weer minieme ruimtes waar de esthetische ervaring kruipt waar ze niet gaan kan. Glijdend destijds van die trap in het Stedelijk, meende ik een flits van een nieuwe schoonheid te zien, bijna even opwindend en bevrijdend als mijn eerste ervaring op een glijbaan ergens in het begin van de jaren vijftig op het Mariotteplein in Amsterdam Oost, niet ver van mijn ouderlijk huis, niet ver ook van de straat waar Marijke later zou komen wonen – Marijke de liefde van mijn leven-, toen ik als klein kind voor het eerst mijn hoogtevrees overwon, de steile trap opklom en opeens over alles heen kon kijken.

Ik zag de klimkooi met de zandbak daarachter, de schommels, de draaimolen, de wip en zelfs het hele korfbalveld dat als een schoon laken lag uitgespreid in de zon. Op dat hoog verheven moment heb ik toen even geaarzeld, met dat glimmende ijzer van de glijbaan voor ogen – zou ik het wel doen of niet – alsof ik alles om me heen wilde stilzetten in één roerloos ogenblik, zomaar, terwijl mijn hele leven nog voor me lag, als een zee van een tijd aan het begin van de grote zomervakantie. Een wereld waarin ik mezelf volledig kon verliezen.

Geen reactie mogelijk

Van een Zeeman moet je het hebben

Out of the blue op twitter

Reageer

Kwaak !

(foto ingezonden door Freark van der Wal)

Reageer