Mijn Hoogeland

(foto: Johanna Brinkman)

Reageer

Shakespeare en de volgende decimaal

‘Een wiskundige (artikelserie Die Zeit) vertelde dat als je a=01, b-02, …., z=26 stelt, er in de decimalen van pi ooit,  ooit het volledig werk van Shakespeare zal te kunnen worden gelezen.

Deze mededeling trof ik gisteren aan in mijn mailbox. Jos Heitmann had het mij toegestuurd. Ik weet niet waarom. Misschien dacht hij: dit is wel iets voor jou. Of dat zo is, weet ik niet. Als ik hierover nadenk kom ik op de gedachte dat toeval niet bestaat. Aan de basis van alles in de natuur ligt een drang naar orde. Als je tijd op oneindig zet, ontstaat er vanzelf structuur, zelfs vanuit de grootse chaos. Tijd is uitgestrektheid. Dat wil niet zeggen dat tijd hetzelfde als ruimte is. Behalve onze ervaring van opeenvolging en uitgestrektheid is tijd een abstractie die wiskundig tot het uiterstse is op te rekken. Het ontstaan van het volledige werk van Shakespeare uit de opeenvolgende – met de letters van het alphabet gecodeerde – decimalen van het getal pi is zo bezien slechts een extrapolatie van de gedachte dat alles, maar dan ook alles kan ontstaan als de tijd tot in het oneindige zijn gang kan gaan.

Maar is dat wel zo?  Dat het volledige werk van Shakespeare zo zal ontstaan is een hypothese die moeilijk te bewijzen valt, lijkt mij. Bovendien ligt het in de rede te verwachten dat het universum al op zijn eind is gelopen voordat deze zeer uitzonderlijke  opeenvolging van decimalen in het getal Pi zich zal voordoen. Maar stel dat het zo is, dan zijn de gevolgen duizelingwekkend. Shakespeare had niet geboren hoeven worden, want zijn hele werk was al als mogelijkheid in het universum aanwezig. Alles wat geschreven is en nog geschreven zal worden – De Illias en Odyssee van Homerus, De Bijbel, de Divina Commedia van Dante, alle songteksten van Bob Dylan, maar ook de tekst van mijn eigen overlijdensadvertentie –  bestaan al als mogelijkheid in de decimalenreeks van het getal Pi. Je hoeft de decimalen alleen maar dubbel te coderen en de tijd op oneindig te zetten. De tijd  doet het werk vanzelf. Maar wat is de tijd?

Heeft de tijd eigenlijk wel iets te maken met die oneindigheid van de opeenvolging. Als dat zo is dan bestaat alles al. Maar dat niet alleen, alles wat geweest is bestaat nog steeds. Dat is een aantrekkelijke gedachte, maar in feite weten we niet wat tijd is. De natuurkunde heeft zo zijn theorieën over de tijd.  Dankzij de grote genieën van de natuurkunde kennen we de formules waarin de tijd voorkomt en in verband kan worden gebracht met fenomenen als licht, materie, zwaartekracht en snelheid. Maar is daarmee alles gezegd? De natuurkunde laat ons wetmatige relaties zien tussen de tijd en andere natuurkundige fenomenen, maar is daarmee ook het wezen van de tijd ontsluierd?

Nogmaals, wat is tijd?

Die vraag dringt zich nu onontkoombaar aan. ‘Als je het niet vraagt weet ik het, en als je het vraagt weet ik het niet.’ Dat schreef ooit Augustinus. Hij verbaasde zich over het gemak, waarmee wij tijd meten, alsof het een soort continue uitgestrektheid is, terwijl iedereen toch weet, dat de tijd telkens weer uiteenvalt in drie delen: heden verleden en toekomst. Hoe groot of hoe klein je de tijdspanne ook neemt, dat je meten wil – een eeuw, een decennium, een jaar, een maand, een week, een dag, een uur, een seconde of een fractie daarvan – telkens weer stuit je op die driedeling.

In welke uitgestrektheid zou je de tijd dan de maat moeten nemen? Het is een hopeloze onderneming, en toch doen we telkens weer alsof er niets aan de hand is. Ook onze beleving van tijd wordt voortdurend de maat genomen. We spreken over ‘de lange jaren vijftig’, ‘een dag die voorbij vliegt’, ‘de tijd die stil lijkt te staan’ of ‘een eeuwigheid lijkt te duren’. Hoe kan dat, als de tijd onmeetbaar is, omdat hij altijd in drieën uiteen valt?

Om het zichzelf wat makkelijker te maken, neemt Augustinus het voorbeeld van een lied, dat je uit het hoofd moet leren. Maar dan gaat het helemaal mis. Als je het lied vooraf bekijkt, kun je een inschatting maken van de tijd, die het gaat duren, als je het zingt. Maar als je bezig bent met zingen, dan gaat de verwachting aan wat nog komen moet voortdurend over in de herinnering aan wat voorbij is. Als je luistert naar de muziek, blijkt bovendien, dat je die drie delen – heden, verleden en toekomst – nooit helemaal los van elkaar kunt zien. In de muziek klinken de klanken, die al voorbij zijn gegaan, dóór in wat je hoort in het tegenwoordige. Sterker nog, die interactie tussen het voorbije en het actuele is juist het meest eigene van de muziek.

Het rare van muziek is, dat het zich voortdurend afspeelt in het heden, maar ondenkbaar is zonder de actuele herinnering aan klanken die zojuist geklonken hebben. Sterker nog, elke klank, die je hoort, roept tegelijk een verwachting op die – al dan niet –  in het heden gehonoreerd wordt. Muziek is in feite een functie van niet gehonoreerde verwachtingen, die bovendien voortdurend doorkruist worden door herinneringen aan voorbije klanken. Maar wat is dan het ‘nu-moment’ nog, waarin de muziek zich manifesteert? Dat ‘heden’ bestaat misschien niet eens. Misschien is het wel een illusie van ons brein, om te denken dat de tijd zich afspeelt in een eeuwig nu dat ondeelbaar is. Augustinus schrijft:

Zo ben ik gaan denken dat de tijd niets anders is dan uitgestrektheid. Maar waarvan, dat weet ik niet. Het zou me verbazen, als het geen uitgestrektheid is was van de geest en van hem alleen.

Die ene zin is de meest raadselachtige van het hele boek Belijdenissen. De tijd zou een uitgestrektheid zijn van de geest zelf. Als dat waar is, dan zijn wij het zelf, die de illusie van de tijd in stand houden. Het idee, dat tijd een uitgestrektheid is, komt voort uit een zinsbegoocheling. De geest zelf  genereert de illusie van de tijd. De muziek, die we horen, was er al, en alles wat komt is al geweest. Wij denken dat wij het zelf zijn, die voorbijgaan in een stroom, of dat de tijd door ons heen stroomt, terwijl wij stil staan. Maar geen van beide is het geval. De tijd is eeuwig en alomtegenwoordig, maar wij zijn gedoemd om de tijd te beleven als iets dat voorbijgaat. Dat is niet zo. De tijd, zoals wij die kennen, is een illusie.

Tijd, zo wordt wel beweerd, creëert de benodigde ruimte, zodat niet alles tegelijk gebeurt. We beleven de dingen achter elkaar en dat is maar goed ook, anders zouden we knettergek worden. De techniek echter dwingt ons om in toenemende mate dingen juist simultaan te laten beleven. De nieuwe media bevordert het multi-task denken en handelen. Wellicht ontwikkelt de zogeheten ‘Generatie Einstein’ andere competenties, die in de bedrading van hun zenuwstelsel van begin af aan wordt ingeprent. Ruimte en tijd schuiven in elkaar zodat er nieuwe vormen van procedureel denken ontstaan.

Ik merk dat ik daar zelf langzaamaan ook door wordt besmet. Als ik een artikel moet schrijven of een lezing moet voorbereiden, dan begin ik tegenwoordig vaak achteraan en niet van voren. Ik zet eerst allerlei zinnen achter elkaar zonder het verband dat ik pas later opeens zie ontstaan. Bij een powerpoint-presentatie maak ik eerst tientallen vensters zonder enige chronologie. Pas als alle vensters klaar zijn, zet ik ze in de juiste volgorde. Kortom, ik begin te denken in een andere structuur van tijd.

Zou het universum soms zo in elkaar zitten dat tijd eigenlijk niet bestaat. Tijd is iets wat ons bewustzijn eraan toevoegt. Eerlijk gezegd, heb ik  altijd al vermoed dat het zo in elkaar zit. Tijd is slechts een illusie. Dit vreemde fenomeen ontstaat door het structurele onvermogen van het brein om de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn. Wat Augustinus vermoedde is misschien ook werkelijk waar: tijd is een uitbreiding van de ziel. Misschien komt het omgekeerde zelfs nog dichter bij de waarheid: tijd is een beperking van de ziel. We kunnen het geheel niet zien door een mentaal gebrek. Daarom leven we in dat rare ‘nu’, dat telkens weer splijtende heden. Alles wat komen gaat is er al. Niets wat is geweest is voorbij. Het nu is slechts een vermeende rimpeling in een vijver van eeuwigheid.

Toen Einstein in 1954, ziek en verzwakt – nog geen jaar voordat hij zelf zou sterven – een condoleancebrief moest schrijven aan de weduwe van zijn oude vriend Michel Besso, kwamen er woorden in hem op die hij als natuurkundige nauwelijks verantwoorden kon. ‘De dood betekent niets’, zo schreef Einstein:

This signifies nothing, for us believing physicist the distinction between past, present, and future is only an illusion, even if a stubborn one.’

Met andere woorden: wees niet bedroefd, de tijd is slechts een illusie. Maar als de tijd een illusie is, dan is deze wereld dat ook. Het hele universum met zijn oerknal, lichtjaren en oneindige uitdijing in de tijdruimte zou dan een slechts illusie zijn van onze geest. Zo heelt de tijd niet alleen alle wonden, maar wist ook alles weg, als je maar lang genoeg wacht. Hoe heeft het ooit zover kunnen komen, dat alles na die oerknal als een puzzel in elkaar viel? Elders schrijft Einstein:

Als dit universum in zijn miljoenenvoudige orde en precisie het resultaat van een blind toeval zou zijn, dan is dat net zo geloofwaardig als wanneer  een drukkerij explodeert en alle druklettertjes weer op de grond terecht  komen in de voltooide en foutloze vorm van het woordenboek.

Als Einstein zoiets zegt, dan zal het wel waar zijn, denk je dan. Toch hebben deze woorden mij nooit echt overtuigd. Einstein mag dan geniaal zijn geweest, hij was ook behept met zijn eigen denkbarrières. Einstein was een Jood die in Jahweh geloofde of in de Tsimtsoem. De schepping was voor hem misschien wel het product van de afwezigheid van God. De verborgen God die zich terugtrekt, zodat in het ontstane vacuüm de materiële wereld kon ontstaan. Hoe dan ook, de schepping was in Einstein’s optiek een rationele noodzakelijkheid van een proces dat zich eenmalig voltrekt in de dubbelzinnige uitgestrektheid van ruimte en tijd. Maar is dat wel zo? Stel dat dit universum al talloze keren eerder geëxplodeerd is, of beter gezegd: geëxplodeerd is geweest.

Stel dat – voordat dit universum ontstond – talloze universa al eerder geëxplodeerd zijn en uiteindelijk weer uiteen zijn gevallen. Het geheel was een telkens opnieuw zich ontstekend vuurwerk van gigantische gasexplosies die keer op keer ontaardden in een chaos en uiteindelijk in de hittedood. Totdat op een gegeven moment – dat wil zeggen: het eerste moment van dit specifieke universum waarin wij leven – de knal eindelijk goed raak was. God dobbelt niet, maar hij heeft wel alle tijd van de wereld. Sterker nog, hij houdt zich waarschijnlijk ergens op buiten de tijd en buiten de ruimte, overal en nergens dus. Welnu, wat wil je dan nog meer? Om de juiste cijfercode voor de ultieme ontsteking te vinden was het gewoon zaak om steeds weer door te gaan met vuurwerk afsteken. Alsof een grammofoonplaat blijft hangen in een groef met het woord: ‘continuons!’.

Dit heelal is ontstaan uit het eindeloze geklooi van een domme, maar wel zeer vasthoudende God. ’We zullen doorgaan,’ moet hij altijd al gedacht hebben, ook toen hij nog alle tijd van de wereld had. Het gedachte-experiment van Einstein over de ontplofte drukkerij heeft meerdere varianten, zoals bijvoorbeeld het experiment van Borèl, waarbij je een aap op een oneindig aantal typemachines in het wilde weg teksten laat typen, net zo lang dat er het complete werk van Shakespeare uit de voorschijn komt. Wim T. Schippers heeft ooit een briefje uit een typemachine in de Bijenkorf weggehaald, waarop door de verkoper bij wijze van proef ‘at random’ regels waren getypt. Die tekst heeft hij gepubliceerd als een readymade-gedicht. Waarmee maar gezegd wil zijn, dat ook een tekst zonder enige bewuste ordening tot een kunstwerk kan worden verheven. Tenminste, zodra een kunstenaar dat wil.

Waarom zou het resultaat van een geëxplodeerde drukkerij niet op vergelijkbare wijze tot ‘schepping’ kunnen worden verheven, zodra de Schepper dat wil? Zoals het ontstaan van een kunstwerk louter een kwestie is van de wil van de kunstenaar, zo is een geordende schepping afhankelijk van de wil van God. Orde is orde, zodra het als zodanig wordt herkend. ‘RANG is alleen RANG als er RANG op staat.’ Voor orde is altijd meer nodig dan de dingen die een ordening maken. Een geëxplodeerde drukkerij, waarbij alle lettertjes op de grond terechtkomen in de foutloze ordening van een woordenboek, is pas een schepping als de Schepper in het wonderlijke patroon op de vloer ook daadwerkelijk de tekst van een woordenboek herkent. Als niemand die wonderlijke ordening ziet, dan valt de boel weer uit elkaar en verdwijnt alles uiteindelijk in het niets.

De geëxplodeerde drukkerij is zichzelf gaan zien en zo gaan ontdekken dat het misschien ooit een drukkerij is geweest. Misschien is de huidige staat van het universum een overgangsfase tussen chaos en orde, omdat de ordening nog niet in zijn volledigheid door het universum zelf herkend kan worden. De tekst, die op de vloer ligt, is nog in staat van wording. Nog niet alle druklettertjes hebben woorden gevormd. Er staan allerlei wonderlijke regels te lezen, alsof iemand zo maar op een schrijfmachine heeft zitten rammen.

Het verwerven van kennis is niets anders dan een vorm van herinnering die altijd wat traag op gang komt. De ‘theorie over alles’, waar wetenschappers zo naarstig naar zoeken, is geen substituut voor de Schepper, maar verwijst slechts naar die ene specifieke – uit oogpunt van noodzakelijkheid zeer onwaarschijnlijke – wijze, waarop de drukkerij ooit is ontploft, omdat de grondeloze God in zijn oneindige domheid bij zichzelf dacht: ‘We zullen doorgaan, we zullen doorgaan, we zullen doorgaan…’

Om het nog eens kort samen te vatten, ook als er geen Schepper is geweest, is het nodig dat de schepping zichzelf als zodanig herkent. Een schepping, die zich niet ‘terug-vouwt’ om in zichzelf een universum te herkennen, kan nooit een schepping zijn. In de neoplatonische filosofie was daar een mooi woord voor. Men noemde het de ‘toe-wending’, de ‘epistrophè’. De ontplofte drukkerij moest zich naar zichzelf ‘toewenden’ om zichzelf te kunnen zien. Alleen maar een ontploffing is niks. Dan weet immers niemand dat er ooit een drukkerij is geweest. Dan is er geen drama, geen ontzetting, geen huivering. Nee, dan is er zelfs geen schepping. God heeft de mens als ramptoerist nodig om het universum te laten bestaan.

Als er een God is, dan maakt hij deel uit van het universum. Niets kan buiten dit universum bestaan, dat wil zeggen: buiten de ruimte en de tijd hoe die twee ook met elkaar verweven zijn. God zit in alles wat er is, zoniet dan is er geen God. Hoe vaak heb ik dit niet horen beweren. Van Baruch de Spinoza tot Willem Frederik Hermans. Maar ook deze bewering overtuigt mij niet. This means nothing to me.

Hoe de verbinding tot stand komt tussen de woorden en de dingen is niet alleen voor de taal, maar ook voor de logica ontoegankelijk. Uiteindelijk zal dit raadsel ook niet ontsluierd woorden door een eindeloze reeks – met letters gocodeerde – decimalen in het getal Pi, als de tijd op oneindig wordt gezet. De wijze waarop de woorden de dingen ‘afbeelden’, daar weten wij niets van en we zullen het ook nooit weten. Wij weten dat een landkaart een gebied kan voorstellen, maar dat voorstellen op zichzelf, als een proces dat tussen onze oren plaatsgrijpt, daar weten we niets van.

Wij weten niet waar getallen naar verwijzen, zoals we ook lichtstralen niet zien. We zien alleen licht. Misschien houdt God zich schuil in de wijze waarop wij de woorden en getallen in de wereld werpen. Misschien sluimert Hij in de reeks van decimalen van Pi die elkaar opvolgen tot in het oneindige. Maar telkens weer vlucht Hij dan weg in het volgende getal….

Ooit heb ik Zijn stem horen fluisteren in de diepste afgrond van mijn ziel. Die stem zei:

‘Ik ben een gedachte op zoek naar woorden. Ik word gekenmerkt door een drievoudige afwezigheid. Afwezig is degene die me schreef. Afwezig is degene die me leest. Afwezig is datgene wat wordt opgeroepen in betekenis. Ik ben afwezig. Ik ben een vluchteling in woorden. Ik ijl voort in het eindeloos vlotten der tekens. Ik heb geen betekenis, ik beteken betekenis. Als ik naar voren kom, wijk ik naar achteren. Als ik verschijn, verdwijn ik. Ik ben het eindpunt van illusie, de blinde vlek van ‘ík’. De doorbraak van realiteit, de zombie in het schimmenrijk van taal. Berustend in de woorden die ik vind, overnacht ik in een slechte herberg. Ik ben de rochel in de poëzie, dode echolalie in een litanie van liefde.’

Reageer

De droomwereld die verleden heet

‘Dat Freud na al die jaren zijn liefde voor zijn dochter Sophie nog altijd koesterde en beslist niet wilde ‘loslaten’, was dus niet zo ongewoon. Met zijn gedachten over het ‘losweken’ van libidinale bindingen en het vrijkomen van libidinale energie had hij een mythe gecreëerd, waarvan hij de onjuistheid zelf aan den lijve moest ervaren.

Zo besloot ik op 10 augustus j.l. mijn blog De mythes rond het rouwen. Eergisteren ontving ik een mailtje van een vrouw die ik niet ken en die de voornaam draagt van een middeleeuwse mystica. Ze liet mij weten dat ze per toeval op mijn site was terechtgekomen toen ze op Google zocht naar ‘de mythes rond het rouwen’. Zo was ze op dit blog gestuit. Daarna heeft ze kennelijk ook mijn blog van donderdag j.l. gelezen dat ging over mijn moeder en als titel had Liefde die verdwijnt in de tijd. In haar mail stelde zij mij de volgende vraag:

‘Naar mijn idee is een liefde die verdwijnt wel een verloren liefde. Dat is toch de hele bedoeling van loslaten?’

Eerlijk gezegd moest ik even goed nadenken wat er mogelijk met deze vraag werd bedoeld. Was er sprake van een tegenstrijdigheid tussen wat ik beweerd had over de mythes rondom het rouwen en de wijze waarop ik terugdacht aan mijn moeder naar aanleiding van een foto die zich verwijdert in de tijd?
Ik heb haar het volgende geantwoord:

‘Mijn moeder overleed 29 jaar geleden.
Haar liefde heb ik losgelaten, maar hij is niet verloren..
Mijn vrouw overleed ruim een jaar geleden.
Haar liefde heb ik niet losgelaten, maar hij is wel verloren.
Ik mis haar nog elke dag.
Iets anders kan ik er niet van maken.

Nog dezelfde dag kreeg ik een reactie terug, waarin deze vrouw mij niet alleen bedankte voor dit antwoord, maar mij ook liet weten dat haar man is overleden:

’Ik ben dus meer van het idee van verloren, maar jij ook ook lees ik nu.’

Deze reactie deed mij even uit de ramen staren. Eens temeer realiseerde ik mij dat mijn blog dagelijks wordt gelezen door talloze mensen die ik niet ken en waarschijnlijk ook nooit in levende lijve zal ontmoeten. Toch deel ik lief en leed met hen. Ik schrijf niet zelden over mijn diepste zielenroerselen ervan uitgaande dat iedereen alles van mij weet. Maar dat is natuurlijk niet zo.

Een weblog is grotendeels een ontmoetingsplaats van toevallige passanten. Misschien is die ogenschijnlijk veilige anonimiteit voor mij ook wel de reden waarom ik zo openhartig over mijzelf kan schrijven. Mijn lezer en ik zijn slechts tijdelijk aan elkaar gebonden. Ik weet dat onze wegen weer gaan scheiden.

Het is alsof wij elkaar even ontmoeten op het achterdek van een oceaanstomer die zich snel verwijdert in de golven van de tijd. Straks aan wal gaat ieder weer zijns weegs en zien we elkaar nooit meer. Die kortstondigheid van de ontmoeting maakt dat ik wellicht meer van mijn hart durf prijs te geven dan ik in het normale leven ooit zou doen.

Op dit blog geef ik mezelf niet prijs, maar laat ik mezelf los als een persoon die ooit heeft bestaan maar nu buiten mij staat. Ik vertel verhalen en gooi een blok hout in de open haard. Elke dag ga ik aan boord van een droomwereld die verleden heet, niet om daar iemand te ontmoeten maar om mezelf erin achter te laten. Als de lucht grijs en laag is zoals de laatste dagen, dan buig ik mee met mijn gevoel.

Melancholie is een belangrijke drijfveer in al mijn doen en laten. Dat was altijd al zo, maar eens temeer sinds ik Marijke heb moeten laten gaan, ook al kan ik haar nog steeds niet loslaten. Dat wil niet zeggen dat ik pessimistisch ben geworden ten aanzien van de toekomst. Zoals rouw iets anders is dan een depressie, zo verschilt melancholie van pessimisme.

Ik vlucht niet weg in het verleden, maar koester het als een warme jas om zo de toekomst met gepast vertrouwen tegemoet te kunnen zien.

Reageer

De archeologie van een foto

‘De tijd is een uitbreiding van de ziel.’

Augustinus, Belijdenissen

Een foto uit 1954. Een weiland dat verandert in een bouwterrein, heipalen op de voorgrond en aan de horizon huizen die al eerder zijn gebouwd, architectuur van voor de oorlog. Het is de oprukkende bebouwing aan de rand van Amsterdam in de tijd van de wederopbouw. Het geluid van de heimachines was in die jaren even alledaags als de stem van Max van Praag op de radio: ‘Als ik tweemaal met de fietsbel bel…..‘  Bouwen was nog heel gewoon. De stad breidde zich uit met nieuwe buitenwijken die als jaarringen in een boomstam hun sporen nalieten in de architectuur. Het is een foto zoals er toen duizenden zijn gemaakt. Niets bijzonders, heel gewoon. Alleen ik kan er uren naar kijken, want het derde huis links van de verhoogde hoekgevel is mijn geboortehuis.

De tijd laat zijn sporen na in een foto. Gebouwen, die niet meer bestaan, zijn ooit voorgoed gekristalliseerd in zilverbromide en gebouwen, die nu bestaan, zijn op de foto nog niet zichtbaar. De populieren in het midden op de hoek van de Radioweg zijn nu bijna al twee keer zo hoog geworden en hebben er 64 jaarringen bij gekregen. De Martelaren van Gorkum-kerk op het Linneaushof steekt boven de daken uit. Met een vergrootglas zijn tegen de rand van de bebouwing stippen waar te nemen van toevallige passanten. Hun contouren zijn vervormd in het zwart-wit patroon van het raster. Daarbinnen wordt in een blow up van minimale stippen een gestalte zichtbaar, als bij een palimpsest van een perkamenten codex, waarin de oorspronkelijke tekst doorschemert. En misschien staat ergens in die stippen mijn eigen gestalte gefixeerd als zeven jarig jongetje dat als een spinnend elektron in een vacuüm van tijd zijn sporen heeft nagelaten.

De foto uit 1954, linksonder in het boek van J.H. Kruizinga, 350 jaar Watergraafsmeer  (1979)

De wereld van 1954 bestaat niet meer. De aarde heeft inmiddels 64 keer om de zon gedraaid en de zon heeft misschien een nog wonderlijker spiraal door het heelal afgelegd. Als ik met een gigantische telescoop van de aarde kon wegkijken naar de plek die op de foto staat afgebeeld, zou ik zien dat deze locatie zich met een duizelingwekkende snelheid van mij verwijdert. De coördinaten van ruimte en tijd van een dag in 1954 in de Johannes van der Waalsstraat zijn in een foto gevangen in een patroon van zwarte en witte stippen, zoals in mijn brein herinneringen staan gecodeerd van een zeven jarig jongetje. Kijkend naar deze foto ontstaat voor mij – uit interferentie van patronen – de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige, het moiré-effect van de herinnering.

Als de tijd een uitbreiding is van de ziel, zoals Augustinus heeft beweerd, kan een foto, met minimale sluitertijd genomen, deze verwijding zichtbaar maken. Foto’s creëren een ruimte in de tijd die geen enkele archeologische vondst kan evenaren. Het zijn geen scherven uit het verleden, maar astronomische waarnemingen van niet meer bestaande hemellichamen. Archeologen spreken van prehistorie en historie, waarbij de scheidslijn wordt gemarkeerd door het voorhanden zijn van geschreven documenten. Deze scheidslijn lijkt irrelevant te worden door het voorhanden zijn van een foto die de geschiedenis zonder foto’s tot een nieuwe prehistorie maakt. Een foto uit de Middeleeuwen zou heel wat historici de mogelijkheid ontnemen om een bestseller te schrijven. De mythe van het verleden verdwijnt in foto’s, omdat zij de naakte werkelijkheid onthullen. Maar tegelijk ontstaat een nieuwe bijna even mythologische nevel, omdat de beschouwer toegang krijgt tot een moment dat niet meer bestaat en de waan kan koesteren nog in een wereld rond te lopen die zich voorgoed verwijderd heeft.

Ondanks haar bijna tastbare illusie is een foto niet meer dan een botte afkorting van de werkelijkheid. Het zichtbare is slechts een fractie van alles wat aanwezig was: ruimte en diepte, beweging en duur, wind en regen, warmte en kou, geluiden en geuren en soms zelfs kleur. Wat overblijft is een verzameling zwarte en witte punten, een oneindige reeks van de cijfers nul en één die zich in miljarden configuraties kunnen samenvoegen. De tijd is één moment stilgezet in dat patroon van zwarte en witte punten. Het zijn aan en uit flitsende lampjes, waar de tijd doorheen trekt als de voorbijschuivende tekst op een lichtkrant die opeens stilstaat. Elke foto heeft een patroon, even uniek als een vingerafdruk en even simpel als de formule van een reeks, maar totaal onbelangrijk voor degene die ernaar kijkt. Het proces van waarneming verloopt immers volgens andere formules, waardoor niet alleen de zwarte en witte punten aaneen worden gesmeed, maar ook al het andere wat afwezig is wordt ingevuld.

Op de foto van 1954 hoor ik de klokken luiden van de Emmakerk, de bomen ruisen op de Radioweg. De laatste kikker kwaakt in de sloot. Ik ruik gras op het weiland en hoor zelfs achter mijn rug dat er een doelpunt is gescoord in het Ajax-stadion. Binnen de eindige reeks van de cijfers nul en één is het 1-0 geworden. Op het scorebord, dat nog niet elektrisch was, wordt een bordje verhangen.

1 0 0 0 1 0 0 0 1 0 0 0 1 0 0  1 0 0 1 1
1 1 0 1 1 0 0 1 0 1 0 0 1 0 0  1 0 1 0 0
1 0 1 0 1 0 1 0 0 0 1 0 1 0 0  1 0 0 1 0
1 0 0 0 1 0 0 1 0 1 0 0 1 0 1  1 0 0 0 1
1 0 0 0 1 0 0 0 1 0 0 0 0 1 0  1 0 1 1 0

Hierboven staat een patroon van honderd cijfers: 39 maal 1 en 64 maal 0. Wie de nullen met elkaar verbindt ziet niets. Wie de enen verbindt leest de letters van mijn naam. De reeks kent verder geen enkele regelmaat en is op zich een toevallige uitsnede binnen een oneindige en onregelmatige reeks van de cijfers 0 en 1. Kansberekening zou wellicht uitwijzen, dat pas lichtjaren verder in deze reeks een opeenvolging van honderd cijfers in deze volgorde zou terugkeren. Een kans die zeker kleiner is dan dat ik het ben, die als klein jongetje gevangen sta in de zwart-witte punten van de foto uit 1954. Een kans ook, die misschien even groot is als de kans, dat mijn naam op dit moment voorbij flikkert op een lichtreclame in Tokyo.

.

Een foto uit Tokio. Op een kruispunt in het centrum van de stad bewegen mensen en auto’s dwars door elkaar heen. Het is avond en aan de gevels flitsen talrijke lichtreclames aan en uit, hoewel de foto alleen laat zien dat ze aan of uit staan. Mij is niet bekend wanneer de foto is genomen, maar het bouwjaar van de auto’s doet vermoeden, dat er inmiddels meerdere decennia verstreken zijn. De gebouwen hebben misschien allang plaatsgemaakt voor wolkenkrabbers die tot in de hemel reiken. De auto’s wekken de illusie te bewegen, omdat hun contouren zijn vervaagd in de tijd dat de lens openstond.

Hoewel het een kakofonie van geluiden moet zijn en een vuurwerk van licht-flikkeringen, zie of hoor ik niets daarvan. Mijn ogen dwalen in een verstilde ruimte van een lege foto en vallen op de lichtreclame van SONY rechts bovenin. Daaronder staat in lampjes mijn naam opgelicht: MOUS TRANS . Het is een schok van herkenning, een archeologische vondst, woorden die als in een palimpsest doorschemeren in een verder onleesbare context. Maar de herkenning verdwijnt in het besef van de onwerkelijkheid die de foto laat zien. De lampjes, die branden, branden binnen het zwart-witte raster van een lichtkrant, waarin waarschijnlijk iets voorbijtrekt als FAMOUS TRANSISTORS.

Eén moment meende ik dat mijn naam elders in het heelal aanwezig was en sporen had nagelaten als een spinnend elektron. Maar hij gaat voorbij, onzichtbaar voor ieder en heeft alleen bestaan binnen de sluitertijd van een foto, als een afkorting van de werkelijkheid. Het nu, dat altijd voorbijtrekt, kan zich in een foto ontsluiten tot een duizelingwekkende ruimte van melancholie. Een foto is een monument van het vergankelijke, een bevroren rimpeling in een vijver van eeuwigheid.

(Dit verhaal verscheen eerder in het tijdschrift BOUD, architectuur en vormgeving in Friesland, december 1985)

Geen reactie mogelijk

Een liefde die zich verwijdert

Christina Maria Hendrika Mous-Sanders (1905-1989)

Als ik van een foto houd, als die iets in mij raakt, dan sta ik er bij 
stil. Wat doe ik, al die tijd dat ik er naar blijf kijken? Ik bekijk haar 
nauwkeurig, alsof ik meer aan de weet wil komen omtrent het 
voorwerp of de persoon die er op wordt weergegeven. Verloren in 
de verte in de Wintertuin, is mijn moeders gezicht vaag en 
verschoten. Mijn eerste reactie was die kreet: ‘Dat is ze! Dat is ze 
precies! Eindelijk!’ Nu wens ik te weten – en feilloos te kunnen zeggen – waarom, in welk opzicht zij het is. Ik verlang al peinzende 
het beminde gezicht te onderkennen, er het enig terrein van een 
intense beschouwing van te maken; ik verlang dat gezicht te 
vergroten om het beter te zien, beter te begrijpen, zijn waarheid te 
leren kennen (en soms ben ik naïef genoeg om die taak aan een 
laboratorium toe te vertrouwen). Ik geloof dat als ik de details 
’trapsgewijs’ laat vergroten (waarbij iedere afdruk kleinere details 
aan het licht brengt dan de vorige), ik eindelijk door zal dringen tot 
mijn moeders wezen.

Aldus Roland Barthes in zijn boek De lichtende kamer (1980). Hij schrijft over zijn moeder naar aanleiding van een foto. Het is de enige foto in dit boek die hij niét laat zien. Hij wil er in doordringen. Het wezen zien. Het beeld uitvergroten. Maar hij ziet dan alleen maar de korrels van het beeld. Het ‘wezen van zijn moeder’, dat hij zoekt, geeft zich niet prijs en toch ziet hij haar. Zit dat wezen soms in de foto? Zit het in zijn geheugen? Beeld en geheugen, hoe houden die twee met elkaar verband? Waar is het beeld verweven geraakt met het bewustzijn? Dat mysterie van de foto kan zelfs Barthes niet oplossen. Vandaar dat hij die ene foto van zijn moeder, zittend in de Wintertuin, niet lat zien. Hij kan hem niet laten zien om deze foto ons niets zou tonen van wat hij zelf voelt, als hij deze foto bekijkt. Zelfs bovenstaande foto van mijn eigen moeder kan die foto van Barths moeder niet vervangen. Het wezen van de foto is onzichtbaar voor ons. Alleen Barthes heeft een vermoeden van dit wezen, maar hij kan het niet vatten. Het raadsel dat hij wil oplossen wordt alleen maar groter. Het is raadsel van de dood, maar ok ban de schoonheid.

Als geen andere filosoof heeft Barthes nagedacht over het wonderlijke, haast romantische verband, dat in een foto aanwezig kan zijn tussen twee doorgaans ver uiteen liggende begrippen: de schoonheid en de dood. Een foto is een configuratie van schaduwen gevangen op de wand van een camera obscura. Ogenschijnlijk wordt de wereld ons getoond zoals hij is, 
maar dat is een illusie waarin 
we maar al te graag geloven. Elke foto 
herinnert ons onherroepelijk aan de 
vergankelijkheid van hetgeen in beeld in wordt gebracht. Een foto is niet alleen een bevroren moment, maar ook een 
memento mori. Het beeld is doorzeefd met afwezigheid. Er wordt vaak beweerd dat het eigenlijk de schilders zijn geweest die de fotografie hebben uitgevonden, omdat zij de zichtbare werkelijkheid voor het eerst  binnen een stilstaand kader hebben geplaatst. Met het perspectief van de renaissanceschilder zou in feite de fotografie al zijn ontdekt. Niet voor niets gebruikten deze schilders al de camera obscura als een hulpmiddel bij het op het doek projecteren van hun voorstellingen.

Roland Barthes is het niet eens met die bewering. Volgens hem waren het niet de schilders, maar de scheikundigen die de fotografie hebben uitgevonden. In een foto gebeurt wezenlijk iets anders dan een in een schilderij. Het besef dat wat je op een foto ziet er ooit echt is geweest, werd pas mogelijk met de ontdekking van de lichtgevoeligheid van chemicaliën. Daardoor kon het door de lens opgevangen licht een chemische afdruk achterlaten van de lichtstralen die – onder een bepaalde belichting – werden weerkaatst door het gefotografeerde object.

De foto is letterlijk de verschijning van een lichaam dat ooit daarginds was. De stralingen van dat lichaam zijn ooit vertrokken vanuit een specifiek punt in de tijd en in de ruimte, om uiteindelijk mij hier ter plaatse aan te komen raken. Hoe lang die tocht door de tijd in beslag neemt, doet er weinig toe. De foto van het verdwenen lichaam komt bij mij als de verlate stralen van een 
ster. Het is een navelstreng van licht, die mij verbindt het lichaam van wat ooit gefotografeerd werd. De fotografie verbindt het verdwenen lichaam met mijn blik. Het licht, dat die verbinding tot stand brengt, mag dan onstoffelijk zijn, zo schrijft Barthes, toch is hier wel degelijk sprake een vleselijk medium, een huid die ik deel met 
de gefotografeerde persoon.

Barthes kijkt naar de foto van zijn moeder alsof hijzelf een camera is. Het oog is ook een camera obsura en die gelijkenis doet Barthes voor even in de waan verkeren dat de foto daadwerkelijk zijn moeder is. Even meent hij dat het licht zich wederom heeft weerkaatst op haar huid. Dat hij via het licht de huid van zijn moeder kan voelen. Maar zijn moeder is er niet meer. Wat hij ziet is een schijngestalte. Hij is het ook niet die haar heeft gezien. Het was een camera die haar ooit heeft gezien. De geest denkt dat hij die camera is, maar een camera denkt niet. Tenminste, dat mag je aannemen. De camera zegt alleen maar ‘klik’.  Foto’s zijn producten van camera’s. Het zijn beelden die door machines zijn gemaakt. Die machine heeft een beperkt programma en binnen die beperking maakt de fotograaf zijn keuze. Een foto is één specifieke mogelijkheid uit talloze mogelijkheden die het apparaat in petto heeft.  In die zin is een beeld geen venster, spiegel, raam of een ander kader waar je doorhéén kunt zien. Een foto is een plat vlak met specifieke informatie, die door een apparaat is opgetild uit de stroom van de tijd. Meer is het niet.

Apparaten en machines zijn door de mens uitgevonden om functies van het lichaam en het brein overbodig te maken. Uiteindelijk maken machines en apparaten de mens zelf overbodig. Mensen worden functionarissen in dienst van apparaten. Functionarissen moeten apparaten aan de praat houden. Daar draait het systeem op. Die apparaten hebben programma’s waar de functionaris geen weet van heeft. Alles speelt zich af in de black box van het apparaat. De functionaris drukt alleen maar op de knop. Hij maakt een foto. Een functionaris is iemand die met apparaten speelt en in functie van apparaten handelt.

Het fototoestel is in feite het prototype van alle post-industriële apparaten, waarvan de computer de meest recente verschijning is. Ik speel met mijn computer. Ik ben dus een functionaris in dienst van dit apparaat.  Evenals fototoestellen vertalen computers de wereld in bits informatie. Beelden, die door apparaten worden voortgebracht, zijn de opvolgers van teksten, die ooit het magisch denken in beelden hebben vervangen. Foto’s zijn geordenden vlakken van informatie. De mens gaat steeds meer communiceren in beelden die een wereld op zich zelf zijn. Dat zijn beelden die naar binnen verwijzen en niet naar buiten. Beelden, die door apparaten zijn voorgebracht, zijn geen weerspiegeling van de wereld, maar door een geordend vlak vol van informatie.

Een foto is uiteindelijk een specifiek patroon van de getallen 1 en 0 dat geordend is op een vlak. Dat specifieke patroon kan van alles betekenen. Het kan zelfs iets betekenen dat helemaal niet op de foto te zien is. Het ‘wezen’ van mijn moeder is op bovenstaande foto alleen voor mij te zien. De foto is twee jaar voor haar dood genomen, in het huis van mijn zus Cornelie, waar ze verbleef toen haar geheugen  allengs schimmiger werd en haar verleden stilaan in de tijd verdween.

Toch kan ook ik, haar enige zoon, dat ‘wezen’ niet vatten. Het ontglipt mij, ook al komt het beeld steeds dichterbij. Juist in die toenadering in de uitvergroting lijkt het zich voorgoed van mij te verwijderen. Ik kan er niet bij. Ik zie iets wat onbevattelijk is. Het is er, en het is er niet. Het staat stil. En toch beweegt het in mij. Het apparaat heeft het opgetild uit de stroom van de tijd. Maar de tijd staat niet stil. Nooit. Altijd gaat hij weer verder. De tijd vertrekt, elk moment opnieuw als hij zich stilstaand aan mij vertoont. Zo is de cirkel weer rond, want hoever deze foto zich ook van mij verwijdert, toch is er iets wat blijft en wat niet beweegt.

Liefde die in de tijd verdwijnt is geen verloren liefde.

Geen reactie mogelijk