Made for walking

Linksboven: klompen in de tuin van Ids. Rechtsboven en onder: gisteren bij Museum Belvédère

‘Dat wilde ik eerst doen terwijl het museum gesloten was’, zegt Ids Willemsma, ‘om ze een hart onder de riem te steken.’ In overleg met directeur-conservator Han Steenbruggen werd besloten om het ‘Pad van Ids’ te bewaren voor de heropening. Er zullen vele soorten klompen gebruikt worden.

Willemsma maakt onderscheid tussen ‘gewone’ klompen, werkklompen (voor in het atelier) en zondagse klompen (die hij draagt bij exposities). Ze zijn gemaakt van wilgenhout, iepenhout of zelf gekapt essenhout. De klompenparen worden op anderhalve meter afstand van elkaar geplaatst, als verwijzing naar de coronatijd.

Bron: Persbericht Museum Belvédère

Reageer

Only the echoes of my mind

Gistermiddag, 14.00 uur

En dan kom ik aan de velden en de weidse gebouwen van het geheugen, waar zich de schatkamers bevinden met de talloze beelden, die daar van alle soorten waargenomen dingen binnen zijn gebracht. Daar ligt ook alles opgeborgen wat wij met vergrotingen of verkleiningen of onverschillig welke wijzigingen van de door onze waarneming aangeraakte dingen hebben gedacht, en ook alles wat er verder nog in bewaring is gegeven of neergelegd, voor zover het niet is opgezogen en bedolven door het vergeten.

Wanneer ik daar ben, beveel ik dat te voorschijn wordt gebracht wat ik maar verkies: bepaalde dingen komen dan onverwijld opdagen, terwijl naar andere langer wordt gezocht en deze om zo te zeggen uit verderweg gelegen bergplaatsen worden opgediept; er zijn er ook die in zwermen komen aanvliegen en die, terwijl er naar iets anders gevraagd en gezocht wordt, tussenbeide springen, alsof ze willen zeggen: ‘Zijn wij het soms niet?’ En met de hand van mijn hart blijf ik ze wegduwen van het aangezicht van mijn herinneren, net zolang totdat het gewenste doorbreekt en uit de verborgenheid voor mijn ogen treedt. Andere dingen bieden zich zonder moeilijkheden en in ongestoorde volgorde aan, juist zoals ze worden opgeroepen: het voorafgaande maakt plaats voor het volgende en wordt, terwijl het zo plaats maakt, opgeborgen om te voorschijn te komen, wanneer ik dat weer wens. Dit alles doet zich voor, wanneer ik uit mijn herinnering iets aan het vertellen ben. (…)

Groot is het vermogen, dat mijn geheugen is, geweldig groot, mijn God! Een weidse onbegrensde ruimte is het! Wie is er tot op de grond gekomen? En dit vermogen is een vermogen van mijn geest en behoort tot mijn natuur, en ik vat niet alles wat ik ben. De geest is dus te beperkt om zichzelf te vatten. Maar wat zou het dan zijn, datgene wat hij van zichzelf niet vat? Zou het dan soms buiten hem zijn en niet in hem? Hoe komt het dan dat hij het niet vat? Verbazing bevangt mij daarover, diepe verbazing; verbijstering grijpt mij aan.’

(Augustinus, Belijdenissen – vertaling Gerard Wijdeveld)
 

Reageer

De dag van de vurige tongen

Tussen 1945 tot 1959 is Maria 56 keer verschenen aan de Amsterdamse kantoormedewerkster Ida Peerdeman (1905-1996). Gerard Reve, die destijds bij Ida Peerdeman in de buurt woonde, was diep onder indruk van haar visioenen. Bij zijn huldiging in 1968 in de Allerheiligste Hartkerk kwam hij er zelfs rond voor uit:  ‘Ik ben erg voor de Vrouwe van alle Volkeren. En ik wil nog eens een keer meemaken dat een grote nachtelijke Mariaprocessie van 100.000 mensen over het Rokin trekt, maar dat zal ik niet meer meemaken.‘ Deze verschijningen zouden volgens de verklaring van bisschop Punt uit 2002 van bovennatuurlijke aard zijn geweest en daarmee negeerde hij het zeer negatieve oordeel van de onderzoekscommissie uit 1955.

Deze commissie adviseerde de bisschop om Ida Peerdeman nog eens extra grondig te laten onderzoeken door een psychiater. Dat laatste onderzoek werd uitgevoerd door dokter J. De Smet, die in 1954 geneesheer-directeur was geworden van de Sint- Willibrordus stichting in Heiloo, dat in die tijd een grote naam had opgebouwd met door behandelingstechniek van psychiatrische patiënten.

De psychiatrie was midden jaren vijftig volop in beweging, niet in de laatste plaats door de introductie van psychofarmaca, zoals largactil, of chloorpromazine, dat in 1955 in Heiloo voor het eerst op psychiatrische patiënten werd toepast. Dat antipsychoticum kwam onlangs nog in het centrum van de belangstelling te staan vanwege zijn antivirale eigenschappen die al in de jaren tachtig werden aangetoond. Eerder al bleken deze antivirale eigenschappen ook te werken bij SARS en MERS, en onlangs vond het Pasteur-instituut in Parijs het bewijs dat dit ook geldt voor covid-19, corona dus.  

Overigens zou De Smet tot 1968 als geneesheer-directeur aanblijven in het psychiatrisch ziekenhuis Heiloo. Hij stond bekend als een verlicht psychiater met progressieve ideeën. Zo wilde het gesticht verlossen uit haar isolement en weer in het centrum van de maatschappij terugplaatsen. Ook het oordeel van De Smet over Ida Peerdeman was negatief: haar openbaringen hadden geen bovennatuurlijke oorsprong.

Ikzelf heb De Smet nog meegemaakt als directeur van de Sint- Willibrordus stichting in Heiloo, de inrichting waar ik in 1966 zelf als psychiatrisch patiënt terecht kwam, na mijn visionaire ervaringen in het benedictijnenklooster De Slangenburg in Doetinchem, die tot een acute psychose hadden geleid. Maar ik heb De Smet nooit persoonlijk ontmoet. Hij heeft me ook nooit onderzocht, voor zover ik weet. Wel werd ik mede behandeld door de psychiater, die De Smet in 1968 als geneesheer-directeur zou opvolgen, Dr. A.J.A.M. Wijffels, die naam verwierf met zijn castratiepraktijken bij seksueel ontspoorde priesters en seksuele psychopaten.

Ida Peerdeman werd ook nog eens onderzocht door de psychiater professor Carp, die ook een negatief oordeel velde over de bovennatuurlijke aard van haar verschijningen. Deze gang van zaken is wellicht typerend voor wat er na de oorlog met het katholicisme in Nederland is gebeurd. Onder invloed van de menswetenschappen en de ‘nieuwe theologie’ voltrok zich aanvankelijk een spectaculaire ontwikkeling van snel toenemende modernisering. Visioenen  en verschijningen werden gezien als aberraties van de psyche.

Na het Tweede Vaticaanse Concilie (1961-1965) sloeg deze ontwikkeling echter om in een tegenbeweging die haar dieptepunt nog altijd niet heeft bereikt. Een verschijning kan dus weer van bovenatuurlijke origine zijn. De katholieke kerk in Nederland – of wat er nog wat over is – heeft zich volledig teruggetrokken achter de conservatieve bolwerken van vóór het Concilie, en haar standpunten worden in het openbaar alleen nog verkondigd door tv-priesters – zoals Antoine Bodar – met witte boorden en een hoog folkloregehalte.

Achteraf bezien vormen de verschijningen in Amsterdam het sluitstuk van een lange reeks van Mariaverschijningen die in het begin van de negentiende eeuw een aanvang namen: Paris (1830), La Salette (1846), Lourdes (1858) Pontmain (1871), Pellevoin (1876), Fatima (1917, Beauraing (1932), Banneux (1933), Tre Fonte (1947), Syracuse (1953). Robert Lemm bespreekt ze allemaal in zijn boek De Vrouwe van Alle volkeren. Amsterdamse verschijningen van bovennatuurlijke oorsprong (2003).

Evenals bisschop Punt is ook Lemm van mening dat deze verschijningen inderdaad van bovennatuurlijke oorsprong zijn geweest. Hij verzet zich fel tegen het katholieke modernisme dat de Mariacultus op de schroothoop van de geschiedenis wilde gooien. Het katholicisme zou al in negentiende de greep zijn geraakt van het filosofisch idealisme van Immanuel Kant en zijn navolgers en daardoor de oorsprong van de religie steeds meer binnen de menselijk geest hebben gelegd. Zelfs Paus Benedictus XVI, die eergisteren aftrad, zou volgens Lemm met deze moderne denkbarrière zijn behept.

Maar er is iets anders dat hij onvermeld laat. De periode van de Mariaverschijningen viel juist samen met het modernisme in de theologie. In de negentiende eeuw werd het idee van de homo religiosus direct gekoppeld aan de homo psychologicus. De opkomst van de godsdienstpsychologie was in feite een modern fenomeen, dat niet alleen zijn repercussies had op de wijze waarop de religie voortaan werd opgevat, maar zelf ook een symptoom is van een ingrijpende verandering in de religie zelf. Kan het niet zo zijn, dat deze Mariaverschijningen op zich zelf een reactie waren op een ‘psychisch-theologisch conflict’, een archetypische kortsluiting in het brein die zich bij wankele figuren zoals jongens en meisjes in de puberteit gemakkelijk aandient?

Ontwikkelingen in de Maria-dogmatiek lopen opvallend parallel met historisch fenomeen van deze Mariaverschijningen. Het dogma van de Maria Onbevlekte Ontvangenis vond zijn weerklank in Lourdes, en in zekere zin liepen de Amsterdamse Mariaverschijningen van Ida Peerdeman parallel met de afkondiging van het dogma van Maria-ten-Hemelopneming in 1950, en zelfs het nog niet afgekondigde dogma van Maria als Vierde Persoon Gods, waar Rome nog niet rijp voor zou zijn, maar dat in de jaren vijftig al werd voorspeld door Carl Gustav Jung.

Ik vraag me af wat er gebeurd was als Ida Peerdeman in 1955 psychiatrisch onderzocht zou zijn door Jung. Zo’n gekke gedachte is dat niet, want Jung stond in de jaren vijftig hoog aangeschreven, ook bij katholieken. In zijn boeken Aion (1951) en Antwoord op Job (1952) had hij ruime aandacht besteed aan de katholieke dogmageschiedenis, maar ook aan de overeenkomsten tussen de waanwereld van zijn patiënten en de katholieke dogmatiek. Katholieken waren volgens hem  doorgaans geestelijk gezonder dan protestanten, die in veel mindere mate konden beschikken over de bescherming van christelijke symbolen die als hitteschilden voor het sacrale in de dogma’s van de Kerk waren vastgelegd.

Voor de protestanten gold alleen bij de openbaring in de Heilige Schrift – sola scriptura. Zij  hadden daardoor een nogal kille en verarmde religie overgehouden, die teveel nadruk legde op de rationele en onbarmhartige Vader en geen oog had voor de moederfiguur van Maria, die ‘alles bewaarde in haar hart’ en daarom uit dieptepsychologisch oogpunt zo belangrijk was voor de geestelijke gezondheid van de gelovige. De archetypische structuur van de katholieke dogmatiek bewees volgens Jung dat het katholicisme heel goed aansloot bij de aard van de menselijke ziel, zoals hij die zelf aan het ontleden was. Anima naturaliter christiana: ‘de menselijke ziel is van nature christelijk’, had de kerkvader Tertullianus al beweerd.

In de katholieke dogmatiek waren volgens Jung archetypische beelden te herkennen. Jung spreekt over compenserende dromen die hij aantrof bij zijn christelijke patiënten. Hoe christelijker het bewustzijn is, hoe heidenser gedraagt het onbewuste zich, zo stelde Jung. Maar hij wees er ook op dat veel beelden uit de katholieke geloofsleer waren voortgekomen uit visioenen, waanbeelden, hallucinaties en verschijningen, kortom verschijnselen die allesbehalve duiden op een evenwichtige geest.

Sterker nog, zelfs Jezus van Nazareth had visioenen gehad in de woestijn, waar hij geworsteld had met Satan. Hij had de Satan uit de hemel zien vallen, maar kennelijk had hij deze tsunami van beelden die losbrak uit zijn onbeschutte zelf weten te overmeesteren. Hij integreerde deze waanwereld binnen zijn eigen psyche en creëerde zo een nieuwe geloofsleer, die met zijn nadruk op de liefde zich afzette tegen het wettische Jodendom, een leer waarin waarin hij zelf de Messias en de Godmens was.

Ook de meest geliefde discipel van Jezus, de evangelist Johannes, die zelf ook de liefde hoog in het vaandel had, werd op het eind van zijn leven overspoeld door een stroom van beelden die veel weg hadden van een psychotische waan, maar door hun consistente onderlinge samenhang verschilden die beelden ook  weer van de chaotische beeldenstroom van een psychoticus. Johannes schreef zijn Apocalyps, een ijzingwekkend visioen waarin God wederom zijn diepste wreedheid toonde, die schaduwzijde in het christendom die ten onrechte door de mantel der liefde was toegedekt.

De nieuwe liefdesleer van Christus, die zelfs gepredikt had dat de mens zijn vijand lief moest hebben, sloeg in dit apocalyptische visioen door in zijn tegendeel. Er was een duizendjarig rijk op komst. De schaduw van Satan werd voor duizend jaar in de onderwereld opgesloten. Johannes zag de komst van de Antichrist, wiens komst volgens Jung op astrologische gronden voorspeld kan worden.

In de Apocalyps van Johannes komen beelden voor die elke psychiater zal herkennen uit de wanen van zijn patiënten. Zo zag Johannes de vier ruiters van de Apocalyps, de zonnevrouw met de maan onder haar voeten en een kroon van twaalf sterren. Het met zeven zetels gesloten boek van Het Lam. Zeven engelen met de schaal van gramschap die ze uitgoten over de wereld. Jung herkende in de Apocalyps de aankondiging van het einde van het christelijke Aion van de Vissen.

Dat einde  leek zo kort na de Tweede Wereldoorlog snel te zullen naderen. Een dreigende atoomoorlog stond immers al voor de deur. Jung wees zelfs op het tragisch lot waartoe onze moderne kunst gekomen is. Vanuit zijn diep gewortelde cultuurpessimisme, waarin de ondergang van het Avondland een haast religieuze dimensie kreeg, herinnerde hij andermaal aan de ondergang van de schoonheid en de levensvreugde.

Het had er alle schijn van dat de Apocalyps zich weldra zou gaan voltrekken. In ieder geval  was er sprake van een geweldige enantiodromie, de radicale omslag in het tegendeel. Het tijdperk van Aquarius was nakende. En ondanks zijn ondergangsstemming kondigde een nieuwe mens zich aan. Door de werking van de Heilige Geest moest God opnieuw mens worden, maar nu letterlijk mens, dat wil zeggen zondig en zonder valse hoop op een verlossing en een verrijzenis.

Wie God na de oorlog nog zocht, zag zich genoodzaakt God te verlaten. De nieuwe incarnatie van God in de mens zou zich voltrekken in de zondaars, de onruststokers, de scheef geborenen, de verworpenen, de rebellen en de afvalligen, kortom al diegenen die niets meer moesten hebben van de Kerk als een verkalkt instituut van Farizeeërs en Schriftgeleerden, van pausen met purperen gewaden en rode Prada-schoentjes. Zij – en zij alleen – konden het heilige vuur nog doorgeven en brandend houden. Zij zouden gaan spreken in vurige tongen. Zij zouden gaan handelen als de linkerhand van God. De Heilige Geest is de Derde persoon van de Ene God, naast de Vader en de Zoon, zo geloven christenen.Het is een mysterie, zo beweren zij, maar het is ook een reële werkelijkheid.

Maar is dat wel zo? Misschien is de Heilige Geest wel iets wat we allemaal heel goed kennen, maar nooit goed kunnen benoemen. Het wonder van het moment, de bevlogenheid, de vervoering, de inspiratie…. Hoe het ook zij, de Heilige Geest is eerder een onruststoker, dan een vredestichter. De Heilige Geest doorbreekt altijd de gevestigde orde. Hij houdt zich op aan de kant van de gekte en de waanzin. Aan de kant van de rebel. Hij houdt ook van mystici en epileptici. De Heilige Geest houdt van ketters en vrijdenkers, van kunstenaars en bevlogen dichters.

De Heilige Geest is misschien wel de eeuwige inspiratie. Wie weet is hij de ziel die je wordt ingeblazen, als je eigen brein op iets nieuws stuit. De Heilige Geest is altijd iets nieuws onder de zon. Iets dat er voorheen niet was. Iets dat de wereld verandert. De Heilige Geest was het die de Manichaeërs in vervoering bracht. Hij deed de gnostici verlangen naar de goddelijke vonk in zichzelf. Hij deed de Katharen uitzwermen in de bergen en heuvels rond Agen, Albi en Carcassonne. De Heilige Geest brak de De Vinci Code. Hij bezegelt niet, hij verbreekt altijd weer elke belofte.

Als de koning dood is wordt hij een levende God. Hij sluimert in ons bewustzijn en kan elk moment worden wakker gekust. Hij slaapt in de zoete vervoering van de mystici. Hij huist in het binnenste binnen en in het buitenste buiten. Hij heeft de macht over alle talen. Hij brengt ons telkens weer in trance. Shakespeare deed hij verzen schrijven. Hij kan met woorden werelden scheppen. Hij vliegt waarheen hij wil op woorden van papier. Hij is de duif die langs de wolken scheert. Hij is het bevlogen denken. Hij is het denken zelf, voor altijd op de vlucht.

De Heilige Geest is het tegendeel van het gezonde verstand. Het tegendeel ook van het hygiënische denken. Wie zijn code weet te kraken ziet het christendom in een ander licht. De Heilige Geest is het eeuwige NEE tegen de mislukte schepping. De Heilige Geest is de eeuwige opstand tegen de schandelijke beunhaas die de stroom van de tijd ooit uit de eeuwige bron heeft laten ontsnappen. De Heilige Geest is de mens in opstand. Hij is de vogel die hoog in de boom zit en de wereld uitfluit.

Maar bovenal is de Heilige Geest de eenvoud van het hart. De Heilige Geest wacht op het Ware Derde Rijk, dat ons nog altijd te wachten staat. De Heilige Geest wacht op die ene generatie die het eeuwige koninkrijk op aarde zal stichten. De Heilige Geest is de virtuoze vlucht uit de wereld van banaliteiten. De Heilige Geest wil slechts één ding, namelijk dit: dat hij niets wil. De Heilige Geest heeft slechts één doel: de doelloosheid. De Heilige Geest is de eeuwige stilte die het geluid van dit moment – hier en nu – omgeeft. De Heilige Geest doet wat hij wil en laat zich niet vangen. De Heilige Geest huist in het eeuwig gespleten heden. De Heilige Geest is voor eeuwig afwezig, overal waar hij verschijnt.

Vanuit zijn opvatting dat de religie als een zelfstandige functie binnen de menselijke psyche, ontleedde Jung het visioen van Johannes in godsdienstpsychologische termen. Maar hij ging nog een stap verder en kondigde zelf nieuwe dogma’s aan. Daarmee ging hij als godsdienstpsycholoog buiten zijn boekje en begaf hij zich op het terrein van de theoloog.

Dat is ook wat de jezuïet R. Hostie Jung verweet. Jungs methodiek was niet zuiver en ook niet consequent. Zijn theorieën waren op zich zelf een historisch fenomeen. Zoals de psychoanalyse van Freud met zijn sterke nadruk op de seksualiteit een reactie was geweest op het preutse victoriaanse tijdperk, zo was Jung de spreekbuis geworden van een moderne geesteshouding die typerend was voor de eerste helft van de twintigste eeuw: ‘Langzaam doch zeker,’ zo stelde Hostie, ‘vond ze de waardering voor het religieuze en bet sacrale terug in een gezonde reactie tegen het verre
gaand rationalisme.

Maar die reactie legde zodanig de nadruk op 
het gevoel en op bet irrationele, dat ieder redelijk en verstandelijk 
element daaruit werd gebannen. Niettegenstaande zijn herhaalde 
synthese-poging kwam Jung ook op dit punt niet verder dan tot 
een compromis tussen de religieuze functie en het dogma. Anders gezegd, voor wie waarlijk in het dogma gelooft, bestaat er geen compromis in de psychologie.

Jung voorspelde in het spoor van Johannes een nieuw tijdperk, waarin het christendom zou gaan terugtreden. Christus was geen onvoorwaardelijke overwinnaar geweest, en daarmee liep de Apocalyps van Johannes vooruit op de middeleeuwse alchemisten, en ook op Jacob 
Boehme. De geboorte van God in de mens was immers al letterlijk beproefd door de 
alchemisten, maar was ook een vermoeden geweest, dat mystici als Meester Eckhart en Angelus Silesius hadden gekoesterd.

Het is vandaag de dag van de vurige tongen. De dag van de nederdaling van de Heilige Geest. Wij zijn overgeleverd aan een stompzinnige en minuscule virale entiteit op de grens van het organische en het anorganische, een entiteit die ons bewust maakt van het gegeven dat ieder mens deel uitmaakt van een stroom van vibrerende materie. In dat besef worden begrippen als ‘mens’, ‘leven’ en ‘geest’ slechts ficties, dat wil zeggen: emergente fenomenen van één oerstroom, waaruit niet te ontsnappen valt, zelfs niet door de dood. 

Misschien wordt dit een dag van nieuwe, ecologische inzichten. Al mogen dat hopelijk niet de ondergangsvisioenen zijn waardoor Jung in al zijn holistische vergezichten werd gekweld. In grote lijnen had Jung het programma geschetst voor het hele tijdperk Aquarius met haar dramatische enantiodromie en haar duistere einde, dat we nog niet 
hebben beleefd, een einde met waarlijk en niet overdreven apocalyptische mogelijkheden waarvoor de mensheid huivert. ‘Lucifer vires accendit Aquarius acres’, zo vat Hostie de apocalyptische analyses van Jung samen:

‘Aquarius doet de 
wilde krachten van Lucifer ontbranden. Wie zou in ernst willen, 
beweren, dat Johannes tenminste de mogelijkheden die in de eindtijd van het christelijke tijdperk onze wereld rechtstreeks 
bedreigen, niet juist heeft voorzien? Hij weet ook, dat in het 
goddelijk pleroma het vuur, waarin de duivel gepijnigd wordt, 
voor eeuwig bestaat. God heeft een vreselijk dubbelaspect: een 
zee van genade stuit op een groeiende vuurzee, en het licht der 
liefde overstraalt een duistere gloed, waarvan gezegd wordt : 
ardet non lucet – ze brandt, maar straalt geen licht uit. Dàt is 
het eeuwige evangelie (in tegenstelling tot het tijdelijke): men kan God liefhebben en moet hem vrezen.’

Reageer

Herinneringen aan Rouen

Slide1

Ik wilde een kruisje slaan bij vieze woorden. Ik wilde heidense overblijfselen in het dorpsritueel toelaten, in tegenspraak tot de Curie. Ik wilde in geheime onroerende goederen doen, de agent van een nooit verouderende, anonieme miljardair. Ik wilde veel goeds over de joden schrijven. Ik wilde gefusilleerd worden te midden van de Basken, omdat ik het Lichaam tegen Franco op het slagveld had meegedragen. Ik wilde over het huwelijk prediken vanaf het ontastbare spreekgestoelte van de maagdelijkheid en naar de zwarte haren op de benen van bruidjes kijken. Ik wilde in uiterst simpel Engels een verhandeling schrijven over de geboortebeperking, een schotschrift dat in de foyer verkocht zou worden, geïllustreerd met twee-kleuren tekeningen van vallende sterren en de eeuwigheid.’

Deze passage uit de roman Glorieuze verliezers (Beautiful Losers) van Leonard Cohen roept een vreemd gevoel bij me op. Ik herken iets heel in de verte, maar ik weet niet precies wat. De verhandeling over de geboortebeperking is wellicht de ‘trigger’ in dit ogenschijnlijk absurde betoog, dat deel uitmaakt van een grotendeels onbegrijpelijke roman. Hoofdfiguur is het zeventiende eeuwse indiaanse meisje Catherina Telkakwitha, dat op 13-jarige leeftijd voor een leven van uitputting en gebed koos en op 24-jarige leeftijd door lichamelijke uitputting en zelfkastijding stierf. Leonard Cohen was gefascineerd door haar. In zijn roman verplaatst hij de wonderlijke geschiedenis van deze historische figuur in het heden. Een vergelijkbare fascinatie heeft Cohen gehad voor Bernadette Soubirous, die ook visioenen kreeg, maar dan van de Maagd Maria in Lourdes. Alsook voor Jeanne d’Arc, die stemmen hoorde en stierf op de brandstapel in Rouen.

In de vroege zomer van 1969 heb ik een hoorspel geschreven. Het heette Herinneringen aan Rouen. Eigenlijk was het geen hoorspel, maar een kort verhaal. Ik heb het hardop gelezen en opgenomen op geluidsband, afgewisseld met allerlei muziekfragmenten die ik voornamelijk ontleende aan grammofoonplaat Miles at Berlin, een liveconcert van Miles Davis in Berlijn. Het was de enige jazzplaat die ik had destijds.

Eigenlijk hou ik helemaal niet van jazz, maar in een onbewaakt moment had ook me laten overhalen om deze plaat te kopen, die ik overigens niet meer in mijn bezit heb. De muziek paste wonderwel bij de tekst. De meeste effecten waren op toeval gebaseerd, maar vaak leek het of de geluiden letterlijk de woorden illustreerden. Zo hoorde je soms een tram rijden als dat in het verhaal ook inderdaad aan de orde was. Of een klok slaan precies op het juiste moment. Jazzmuziek kan soms veel meer suggereren dat het daadwerkelijk laat horen.

In die tijd heb ik ook een gedichtenbundel geschreven: Dithyramben in hifi stereo. Ik studeerde Nederlands, maar dat interesseerde mij niet meer. Het was een roerige tijd en Amsterdam bruiste. John en Yoko bleven een week lang op bed in het Hilton-hotel en het Maagdenhuis werd bezet. Elke dag ging ik dwalen door de stad en schreef ik mijn verzen in kantines, bibliotheken en kroegen. Het waren geen treurige gedichten, integendeel. Eerder een soort lofzangen op de stad die ik zag als een heidens labyrint waarin ik gevangen zat. Het is nooit wat geworden met die bundel. Ik kreeg hem steeds weer teruggestuurd met een vriendelijk briefje van de uitgeverij.

Maar terug naar het hoorspel. Het ging over een herinnering aan een reis, waarvan ik verslag deed aan een jongen in een café dichtbij de haven van Amsterdam. Het was op een ochtend in de vroege zomer. Ik had die nacht gedwaald door de stad. Bij het eerste licht van de opkomende zon had ik brood gekocht bij een bakker in de binnenstad die al open was. De stad ontwaakte. Het was een beetje de sfeer van Paris s’éveille van Jacques Dutronc, maar dan verplaatst naar Amsterdam. Het decor van zeelui die terugkwamen van de hoeren en de kroegen aan de Zeedijk, maar ook over een krant die ik zomaar kreeg van een voorbijfietsende krantenjongen. Op de voorpagina stond het nieuws van Jane Mansfield. Zij was verongelukt bij een auto-ongeval. Op 29 juni 1967 botste haar limousine op een tractor. Het gerucht ging dat Jayne Mansfield bij dat ongeluk onthoofd zou zijn. Het verhaal speelde zich dus af in juni 1967, de maand van mijn eindexamen op het Ignatiuscollege.

crash

De crash van Jane Mansfield, 27 juni 1967 (bron: Berichten uit het verleden)

In het gesprek dat zich ontvouwt in het café, vertel ik over een bezoek aan Rouen, waar ik verliefd werd op een jonge vrouw. Ze heette – hoe kan het ook anders – Jeanne. We slenteren door de stad, en terwijl we beiden herinneringen ophalen aan onze jeugd, komt langzaam het verhaal van Jeanne d’Arc tot leven. De brandstapel, de stank die nog in de straten hangt, de klokken van de Tour de Beurre. Alles vermengt zich in bijna filmische beelden waarin heden en verleden, waan en werkelijkheid door elkaar heen gaan lopen.

Wat is de bron van dit verhaal? In 1962 won ik een declamatiewedstrijd op het Ignatiuscollege met het gedicht Rouen van Liane Bruylants. Ik ben jaren op zoek geweest naar dat gedicht, maar ik kon het nergens vinden. Liane Bruylants is kennelijk een vergeten dichteres. In hedendaagse handboeken en verzamelbundels kom je haar naam niet meer tegen. Een paar jaar terug stuitte ik bij toeval op de schoolbundel  Carillon, waarin het gedicht is opgenomen in de rubriek ‘Verzen in verband met de dood.’ Het moet destijds veel indruk op mij hebben gemaakt, en ook op de toehoorders, met name vanwege de lang aangehouden stiltes, die telkens weer doorbroken werden door de dramatische regel… ‘Hier werd een vrouw verbrand…’

4 april, 1980(3)0001

ROUEN

Hier werd en vrouw verbrand; de huizen zijn zeer oud,
en somber ook, gesloten als de lucht.
Een stad, die men gelijk een dief ontvlucht
bij schemering, in angst en kwetsbaar tot de dood,
Schrikkend bij elk gewoon, bekend gerucht.

Hier werd een vrouw verbrand; maar wat raakt mij dat vuur?
Wat raakt het mij, die vlammen in de wind
waarvan ik droom, verbijsterd en verblind,
starende op de smalle, zwartgebrande muur,
waarlangs de vlam spookachtig herbegint?

Hier werd een vrouw verbrand; het huiverende woord
klinkt als de echo, als de luide kreet
van helse pijn, die door haar lichaam sneed;
o God, o God! en allen die haar hebt gehoord,
verleent mij, dat ik haar vandaag vergeet!

Hier werd een vrouw verbrand; de huizen zijn zeer oud,
en als een dief ben ik de stad ontvlucht,
die ruikt naar bloed en vuur heeft in haar lucht:
o Sint Jeann d’Arc de hemel is zeer groot,
maar nog waart om dit plein uw fluisterende zucht…

 *

Na afloop van de declamatiewedstrijd werd ik door mijn klasgenoten op de schouders genomen en in triomf rondgedragen op de cour. Het was alsof we de Europacup hadden gewonnen. Het was een ultieme triomf die mij compleet had verrast. Opeens  was ik iemand. Hijn ego werd op het schild gehesen. Het beeld van Jeanne d’Arc op de brandstapel moet zich die dag diep in mijn onderbewustzijn hebben vastgezet. Ik ben zelf nooit in Rouen geweest. Wel in Domrémy, het dorp waar ze geboren is. Ik was daar in augustus 1963, samen met mijn ouders. We kwamen daar op de tweede dag van onze rondreis door Frankrijk, na eerst overnacht te hebben in de camping van St. Mihiel.

4 april, 1980(3)0001

Domrémy en Vaucouleurs op mijn wegenkaart van 1963

IMAGE00012-289x300

Op de camping van St. Mihiel, 5 augustus 1963

Twee-en-een-half jaar later, in januari 1966, begon ik net als Jeanne d’Arc plotseling stemmen te horen. Van de een op de andere dag. Net als zij was ik 18 jaar oud. Ik meende dat ik een opdracht van haar te horen kreeg die ik binnen een jaar vervullen moest. Ik moest ten strijde trekken. Het werd oorlog. Welke oorlog? Het had iets van doen met anticonceptie en de paus, dat is zeker. Hoe dan ook, ik voegde de daad bij het woord en ging dwalen door de stad.

Ik had een zwaard bij me, dat ik in de zomer daarvoor gekocht had in het Spaanse Toledo. Daarnaast had ik een boekje op zak: Dans un mois, dans un an van Françoise Sagan. Binnen een jaar immers moest het gebeuren.’s Nachts schreef ik urenlang achter elkaar door. Zo heb ik een week lang vrijwel niet geslapen. Jeanne d’Arc had me geroepen en ik volgde haar. Ik wilde mij aansluiten bij haar strijdkrachten. Sterven voor haar ideaal. Ik was uitverkoren. Ik hoorde haar stem. Ik was hopeloos verliefd op haar.

$(KGrHqR,!ooE8dDg5BCjBPQn3PzYSg~~60_35

Onderwijl was ik bezig met een nieuwe taal te bedenken, een nieuwe religie wellicht. Ik voelde mij opstijgen in een andere werkelijkheid en langzaam één worden met alles. Eén met het universum, met alle sterren en planeten, de stroom die de atomen verbindt met het heelal, maar vooral één met de echte hemel die de sterren te boven gaat. En terwijl mijn verbeelding zo opklom naar hogere sferen, voorbij het lichaam zelfs, belandde ik in de ijle regionen van de waanzin. Op deze wijze schreef ik dagen en nachten, uren achter elkaar, associërend, hallucinerend en profeterend in een steeds sneller voort ijlende vlucht. De woorden kwamen als vanzelf. Malgré moi, zoals Rimbaud had beweerd. Comme Jeanne d’Arc! was ook zijn credo geweest.

Ik heb mijn boodschap aan de mensheid op schrift gesteld in een staat van genade, schrijvend op bevel van God. De tekst moest ook zo snel mogelijk aan de paus worden overgedragen. Mijn weg naar Rome volgde het pad van Jeanne d’Arc, over Vaucouleurs, Reims, Parijs, Orleans en uiteindelijk via Rouen. Mijn Franse leraar was mijn gezant op weg naar het Vaticaan. Het kruis van Lotharingen, waarover hij gesproken had, was een eigen leven gaan leiden.

Dat kruis, zo herinner ik mij nu, heb ik ook getekend op de eerste bladzijde van mijn manuscript. Als een ware Hubertus, die tijdens de jacht tot inkeer kwam, zo tekende ik dit kruis in het gewei van een hert. Tekenen was zién geworden en de taal werd een orakel. Ik schreef niet, ik werd geschreven. Ik schreef tot God, maar God schreef ook in mij. ‘Groot zijt Gij Heer en ten zeerste lovenswaardig! Groot is uw macht en uw wijsheid heeft geen getal!’ Dat waren ook de woorden, waarmee Augustinus begonnen was aan zijn Belijdenissen.

Mijn boek zou daar een eigentijdse vertaling van worden, geen letterlijke omzetting van de oorspronkelijke tekst, maar een nieuwe belijdenis, een nieuwe catechismus ook, een tekst die ik op de huid van de tijd zou schrijven, hallucinerend in het hier en nu. Al schrijvend zag ik mijn hele leven voorbijtrekken met alle betekenislagen die daarin verborgen lagen. Ik zat in de machinekamer van mijn eigen verbeelding en liet gebeuren wat gebeuren moest. Het absolute had bezit genomen van mijn geest en maakte aan elke twijfel een einde. Eindelijk was ik bevrijd. Ik had het syndroom van Jeanne d’Arc. Ik hoorde geen stemmen, maar diep in mijzelf was iets als vanzelf gaan schrijven. God zelf daalde neer in mijn taal. Zijn woord was vlees geworden en ging in mijn lichaam wonen.

Opeens zag ik mijzelf als de redder van mijn vaderland: het Heilige Roomse Rijk dat in Rome zelf bevochten moest worden. Hannibal en Jeanne d’Arc verschilden ook niet zo veel van elkaar. Het leven van Hannibal, zo las ik later, staat model voor de zoon die op brute wijze wraak neemt voor het leed van zijn vader, die zijn zoon ooit voor zijn huisaltaar had laten zweren, dat hij zich op de Romeinen zou wreken. Wie weet was mijn plan om de Alpen over te trekken ook terug te voeren op een diep gevoelde behoefte aan wraak.

Mijn psychose is niet alleen een ontsnapping geweest uit een onmogelijk dilemma, maar ook een wanhopige poging tot wraak op alles wat mijn vader was aangedaan, de vernietiging van zijn wereld, de ontheiliging van het katholicisme. Dat alles vloeide ineen in het geslachtloze ideaaltype van de Maagd van Orleans die in opstand kwam door een harnas aan te doen en het zwaard te trekken.

Jeanne d’Arc als roomse Antigone, vermalen tussen recht en onrecht, tussen de Kerk en haar vaderland. Jeanne d’Arc, arc en ciel, Vaucouleurs, klinkers in kleur, Albert Hall, Hannibal, Honi soit qui mal y pense, wat je zegt dat ben je zelf…. Zo is de taal wellicht met mij aan de haal gegaan in een echolalie van klanken. De notities volgden elkaar op in een kortademige staccatostijl, maar ook lyrisch en bloemrijk, nu eens stilstaand  bij het beeld van witte piano op de top van de Mont Blanc, en dan weer uitweidend over de lichamelijkheid van de taal, waarin het woord vlees kan worden en omgekeerd.

Het woord dat opeens kon samenvallen met het lichaam van Jeanne d’Arc, terwijl mijn eigen lichaam uit alle macht ontkend moest worden, hier en nu, op weg naar de hemel, in de bijna erotische nabijheid van deze strijdende Maagd die op het punt stond zich opnieuw te openbaren aan alle heerscharen op aarde. DOOR HAAR TOT HEM! Ik was klaar voor de strijd om het koninkrijk van God. ‘Heel mijn koninkrijk is van deze aarde’, schreef Camus, en ik nam die  woorden letterlijk over. Als een omkering van de woorden van Christus, wiens koninkrijk aanstaande was.

*

Nog altijd krijg ik bij het horen of lezen van de naam Jeanne d’ Arc een vreemd déjà vu dat ik niet goed thuis kan brengen. Vooral enkele songs van Leonard Cohen – Joan of Arc en Last year’s men – laten mij niet onberoerd. Het het hoorspel Herinneringen aan Rouen is nog altijd in mijn bezit. Dat wil zeggen, ik heb niet de tekst, maar wel de geluidsband. Ik kan hem alleen niet afspelen. Daarvoor is een twee-sporen bandrecorder nodig. Zo een heb ik wel, maar hij is stuk. Vorig jaar heb ik opnieuw een tweedehands exemplaar op de kop kunnen tikken, een Gründich net als destijds, maar hij bleek het opeens niet meer te doen. Ik laat het maar zo. Alleen de herinnering aan Jeanne d’Arc is voor mij blijven bestaan. De glorieuze verliezer, de beautiful loser.

Je zou Jeanne d’Arc als een voorloper kunnen zien van de hedendaagse terroristen. Ook zij claimen vaak te handelen in opdracht van God. Jeanne d’Arc meende letterlijk dat zij een instrument van God was. Haar stemmen waren echt. Juist om die reden moest zij en plein public ontmaskerd worden in een proces dat eindigde op de brandstapel. Zij was de christelijke jihadstrijder van de late Middeleeuwen en tegelijk was zij verwikkeld in een intense liefdesaffaire met God. Het bewaren van haar maagdelijkheid was de enige manier om God te beminnen. Ze was absoluut en ongenaakbaar in al haar  doen en laten. En daarom fascinerend voor iemand zoals ik destijds die het contact met de werkelijkheid verloren had.

****

Bovenstaande tekst verscheen vijf jaar geleden op mijn blog. Daarna reageerde Jelle Breuker (die in 2016 overleed) als volgt:

Een vraag die voortdurend, steeds kort en niet knagend, bij mij opkomt is waarom Mous zich regelmatig met God bezighoudt en ik niet. Ik neem dat hij die ene, de christelijke god bedoelt en niet een van de vele goden. Een voorbeeld: anders dan Mous heb ik het geboortehuis van Jeanne d’Arc wellicht tien keer bezocht en waarschijnlijk kom ik er dit jaar opnieuw. Niet meer uit bijvoorbeeld architectonische of religieuze nieuwsgierigheid, maar als een poging uit te vinden hoe het mogelijk is dat een boerenmeisje gedurende enkele jaren de Franse koning, zijn edelen en strijdmakkers kon overvleugelen in hun strijd tegen de Engelsen. Hoe heeft zij velen kunnen bezielen? Het is daarom dat ik haar zegeroute in Frankrijk volg en steeds probeer bordjes aan huizen te vinden waarop staat dat Jeanne d’Arc hier op die en die datum was. De jongste ontdekking is het bord aan de voorgevel van de markthal van Saint Florentin (Yonne). Toch is haar geboortehuis langzamerhand een afgeleide geworden van mijn begeestering om het gesloten kasteel van Vaucouleurs (zie het kaartje van Mous) binnen te dringen. Waar is een opening in de dichte, vijandige bosschages en in het hek? Welke madame Corbie – Corby? – herbergt het? Over deze voor mij bestaande, maar lijfelijk onbekende vrouw wellicht later.

Denk ik aan de maagd, haar geboortehuis en geboorteplaats, dan dient zich meteen ook de basiliek tussen Domrémy en Vaucouleurs aan. De familie Mous zal hem hebben bezocht. Hoe kan het bestaan dat in de chambre d’hôtes, op een paar honderd meter van de basiliek mijn (duurste) broek werd gestolen? Straalt de basiliek geen bijbelse moraal uit? En steeds weer die anderev vraag: welke religieus chauvinistische bezetenheid is het geweest om deze onwerkelijk grote en dure basiliek in dit lege land te bouwen? Moest het katholicisme gloriëren, zoals ik uiteindelijk denk dat het ook het geval is met de nog immensere basiliek van Lisieux? Is het onversneden religieuze glorie of een poging het afbrokkelende katholicisme te keren? Hoe zit het met de nieuwe kerk aan de Place du Vieux Marché in Rouen, direct naast de plaats waar Jeanne d’Arc werd verbrand? Is de bootvormige architectuur van de kerk het symbool van de schepen op de nabijgelegen Seine of juist van het middel dat de ziel van de maagd naar zijn eeuwige bestemming heeft vervoerd? Veel ontwikkelde Fransen hebben het mij niet kunnen zeggen.

Ik antwoordde als volgt:

Waren de stemmen die Jeanne d’Arc hoorde afkomstig van God of van de duivel? Anders gezegd: was zij een heks of niet? Die vraag stond centraal in het proces dat in 1431 tegen haar werd gevoerd. Tegenwoordig lijkt het antwoord op die vraag niet meer zo interessant. Er is een ander probleem dat niet alleen historici, maar ook psychiaters bezighoudt: waren de stemmen van Jeanne het symptoom van een geestesziekte of was er iets anders aan de hand? Menig onderzoeker heeft geprobeerd de stemmen van Jeanne d’Arc te verklaren in psychiatrische of neurologische termen, zonder daarbij veel acht te slaan op de historische context.

Zo is gewezen op epilepsie, migraine, tuberculose en schizofrenie als mogelijke verklaring. Maar er bestaat geen consensus over deze kwestie. Hoewel hallucinaties en extreme religieuze gedrevenheid als symptoom kunnen gelden van allerlei psychiatrische ziektebeelden, zijn er toch ook andere aspecten van het leven van Jeanne d’Arc die daar strijdig mee zijn. Het zijn niet zozeer de gewijzigde opvattingen over geestelijke gezondheid, als wel haar uitzonderlijke militaire prestaties die de blokkade vormen om haar geestestoestand in eigentijdse psychiatrische termen te definiëren.

Maar als dit zo is, dan rijst vervolgens de vraag: kan iemand ook vandaag de dag een gedragspatroon laten zien dat overduidelijk pathologische trekken vertoont en tegelijk toch daden verrichten die de geschiedenis een andere wending geven? Hoe relevant zijn de diagnoses van psychiaters eigenlijk als het gaat om uitzonderlijke omstandigheden? Wordt de loop de geschiedenis juist niet bepaald door afwijkend gedrag? Moeten we de gekte niet koesteren? Of moeten we ons er juist voor hoeden? Is het voortbestaan of de ondergang van de beschaving juist niet afhankelijk van mensen met een borderline syndroom? In hoeverre leek Jeanne d’Arc op Hitler of Osama Bin Laden? Of je nu daadwerkelijk stemmen hoort of niet, als je direct gehoor geeft aan de stem van God of andere demonen beland je in het gekkenhuis of op het slagveld. In het laatste geval kunnen sommige mensen in extreem afwijkende mentale condities het kennelijk heel ver schoppen.

Op de vensterbank van mijn werkkamer staat tegenwoordig een beeldje van Jeanne d’Arc. Links daarvan het wapen van Jeanne d’Arc, dat Jelle Breuker voor mij kocht in Rouen. Rechts een rubberen duivel die ooit heeft toebehoord aan Gerard Reve en die ik vorig jaar cadeau kreeg van Hans Kraan die in september j.l. overleed.

Lees de rest van deze post »

Reageer

Open wond

Acrylverf op paneel, 40 x 30 cm. 1972

Reageer