Pauze

Reageer

De komst van de tijd

Mijn vader op de camping van Lourdes, juli 1965

De komst van de tijd, zo luidt de titel van de Nederlandse vertaling van het boek Miette (1995) van de Franse schrijver Pierre Bergounioux (1949). In het boek wordt de levensloop geschetst van vier kinderen uit één boerengezin die terechtkomen in de stroomversnelling van de tijd. Het is het proces dat zich overal in Europa voltrok in de jaren na de oorlog en vooral in de jaren zestig toen de Europese landbouwpolitiek een einde maakte aan een eeuwenlange agrarische cultuur. De tijdsbeleving in het agrarische dorp was van oudsher cyclisch en daarmee pre-modern. Alles keert terug met de wisseling van de seizoenen. Elke dag heeft zijn eigen kringloop die gelijk loopt met de opkomst en de ondergang van de zon. Deze ervaring van tijd brengt een statisch wereldbeeld voort, waarin waarheden nog intrinsiek verbonden zijn met de ervaring van de eeuwige essenties van het leven. Dat wereldbeeld is out of date. Het is een vluchtoord uit de moderniteit, wat overigens niet kan weerleggen dat veel mensen nog altijd een verlangen koesteren om de moderniteit met zijn lineaire tijd te ontvluchten. Het is het romantisch verlangen naar een hedendaags arcadia, waarin God en goden nog niet verdwenen zijn.

De schaalvergroting van Sicco Mansholt heeft niet alleen het agrarische Friesland de nek omgedraaid. Daarmee werd een boerensamenleving die eeuwenlang had bestaan in een paar jaar tijd ontregeld. Natuurlijk was het een complex van factoren die deze teloorgang teweeg heeft gebracht: de toenemende mobilisering, de komst van de massamedia, de industrialisering en urbanisering en niet te vergeten het verdwijnen van de religie als bindmiddel voor de samenleving. In de jaren zestig verdween God niet alleen uit Jorwerd, maar uit heel wat regio’s in West-Europa. Friesland was het pars pro toto voor ingrijpend proces dat menigeen vervulde met melancholie en heimwee naar een tijd die snel, te snel achter de horizon verdween.

De Engelse kunstcriticus John Berger is wellicht de eerste geweest die de teloorgang van het Europese dorp heeft willen mythologiseren. Begin jaren zeventig – de tijd van small is beautifull – verhuisde hij naar een dorp in Frankrijk. Daar wijdde hij zich aan het schrijven van een trilogie: Into Their Labours (Pig Earth, Once in Europa, Lilac and Flag.) die begin jaren tachtig verscheen. Deze boeken vormden tien jaar later de inspiratiebron voor Geert Mak met zijn Hoe God verdween uit Jorwerd (1996). Alles is heimwee, maar vooral het heimwee naar de dorpscultuur van weleer is universeel. Het is een anti-modern archetype dat is ingedaald in ons, uit de traditie ontwortelde brein. De agrarische poëzie die uit dat gevoel van heimwee kan voortkomen heeft een klassieke dimensie. Het is een tijdloze elegie die iedereen kan navoelen, ook als versta je de taal en de woorden niet. Het is de toon in de stem van Tsjêbbe Hettinga, de rochel in de litanie van de teloorgang van het platteland. In wezen is het een Europees verdriet, de laatste traan die schoonheid voortbrengt bij het scheiden van de markt.

Het heimwee naar het Friese dorp is een verlangen dat eindeloos gekopieerd kan worden in steeds nieuwe varianten op hetzelfde grondpatroon. Zoals de ouden zongen piepen de jongen. Met het heengaan van de bakker, de slachter en de dorpsgek verdween uiteindelijk ook God. Het muziekje van het heimwee naar het dorp kent geen tijd. Zoals Wim Sonneveld nog altijd zingend loopt langs Slagerij J. van der Van en het tuinpad van zijn vader, zo dichtte Obe Postma over de ‘libbensmienskip fan it doarp. Dat er it bûthús koe de skoarre, de tún en de greide’. Het is een universele mythe die sluimert in het collectieve geheugen, als een verbleekt Sneeuwwitje die door elke prins van de poëzie zomaar kan worden wakker gekust. Friesland is de laatste slaapplaats voor dit Sneeuwwitje, de laatste schuilhoek voor het steeds groter wordende verlangen naar het kleine dorp. We zitten hier gevangen in ons eigen droompaleis. Friesland wordt ‘Hotel Heimwee’ en daar werken we allemaal aan mee.

Ergens in die late negentiende eeuw moet het ideaalbeeld van het kleine Friese dorp zijn ontstaan. Al het kwaad werd opeens in de grote stad gesitueerd. ‘It lytse doarp’ werd heilig verklaard. De constructie van deze mythe ging in feite gelijk op met het ontstaan van het verdriet van Friesland. Je kunt iets van die intense emotie nog altijd ontwaren in de geschilderde landschappen en dorpsgezichten van Cor Reisma, Johan Elsinga en Gerrit Benner. Zij schilderden als geen ander de beelden van het gekwelde verlangen naar de ongeschonden horizon. Ingetogen en hartstochtelijk. Het waren zuivere, kernachtige, ongerepte dorpsgezichten, zonder witte schimmel en zenuwziekte verwekkende windturbines. Friesland werd het land van de vochtige melancholie,  het land van de achterblijvers. De pioniers trokken weg. Maar het beloofde land werd ‘een wreed paradijs’.

Niet voor niets gebruikt Hylke Speerstra deze oudtestamentische metafoor voor het drama van de Friese emigrant. Met duizenden tegelijk trokken ze weg in de jaren dertig en vijftig, naar Canada, Amerika en Australië. Maar nog dramatischer was de uittocht tijdens de grote landbouwcrisis aan het eind van de vorige eeuw. In zijn boek Het rode tasje van Salverda meldt Goffe Jansma dat tussen 1860 en 1920 naar schatting 150.000 Friezen hun geboortegrond verlieten. Deze droge cijfers laten een glimp zien van de massale leegloop van Friesland, die zich decennialang moet hebben voltrokken. In Friesland was geen droog brood te verdienen. Bij de eerste naoorlogse volkstelling bleek in de categorie 68 jaar en ouder maar liefs 7 % van de Amsterdamse bevolking in Friesland geboren te zijn. Voor veel kinderen van ontheemde Friezen stond de wieg dan ook in hoofdstad. Zo ook de mijne in 1947.

oiuytr

Schrift van mijn vader uit het begin van de jaren ’20 met aantekeningen over elektrotechniek

Mijn vader werd in 1897 geboren in een Fries dorp. Hij was gefascineerd door elektronica en heeft van jongs af aan alles wat telecommunicatie betreft met eigen ogen zien ontstaan. Sterker nog, eind jaren tien zat hij in Bakhuizen al te klooien met primitieve kristal-ontvangertjes, zoals zoveel nieuwsgierige jonge mensen in Friesland in die tijd. Hij verdiepte zich in begrippen als ‘frequentie-modulatie’ en ‘amplitude-modulatie’. Kortom, hij werd zendamateur. Later bouwde hij een eigen zender, waarmee hij met mensen over de hele wereld kon praten. Zo kon het gebeuren dat ik als kind hem wel eens hoorde spreken met iemand uit Australië of Canada. Dat was in het begin van de jaren vijftig. Ik vond dat een magisch gebeurtenis als ik hem zo zag praten in het niets. Soms fantaseerde ik wel eens wat ik zou doen als ik later zelf zo’n zender had. Het stoorde me vooral dat mijn vader er eigenlijk zo weinig mee deed. Het bouwen van de zender was voor hem de kick. Maar toen dat ding begon terug te praten vond hij er eigenlijk niks meer aan.

Jarenlang heeft die zender op de slaapkamer boven staan te verstoffen. Wat moet je ook zeggen tegen iemand uit Australië die je helemaal niet kent. Bovendien zei mijn vader toch al niet veel. Van een computer zou hij ook weinig plezier hebben gehad. Er zitten geen buizen in en geen zekeringetjes. Je kunt niet eens solderen. Een computer is een black box waar je blindelings op moet vertrouwen. Onzichtbare techniek die je bewustzijn verandert zonder dat je het merkt. We leven in een tijd van de media die de wereld omvormen tot één groot dorp: the global village. De televisie bestaat in Nederland inmiddels al meer dan een halve eeuw. Nieuwe media, zoals internet en mobiele telefoon, maken de aardbol elke dag nog kleiner dan hij al was. Barrières vallen weg en alles krijgt met alles te maken. De geboorte van de wereldburger valt samen met de terugkeer van het tribale. Tijd en ruimte schuiven steeds meer ineen, maar in het elektronische werelddorp sluipen niet alleen heimwee en nostalgie naar binnen, maar ook het verlangen naar de verdwijnende horizon.

4 april, 1980(3)0001

Radiotoestel van mijn vader, jaren twintig

In een artikel dat in 1997 verscheen in De Gids heeft Goffe Jensma het beeld dat Geert Mak had geschetst van het Friese platteland fel bekritiseerd. De plattelandscultuur die Mak beschreef was volgens Jensma primair een burgerlijke cultuur, een stedelijk exportartikel:

‘Hooguit kan men zeggen dat het platteland de geïmporteerde burgerlijke deugden en waarden – het harde werken, het plichtsbesef, het gemeenschapsgevoel – langer vasthield (en vasthoudt) dan de stad. Maar ook dan liggen deze beide niet onoverbrugbaar ver uit elkaar. Ze verhouden zich niet als ‘oertijd’ en ‘toekomst’, maar als ‘toen’ en ‘nu’. In de spiegel van het platteland kan de stedeling zich herkennen zoals een kind zich in zijn ouders herkent. Hij ziet hoe hij vijfentwintig of vijftig jaar geleden was – hoe deugdzaam en hoe zuiver – en het platteland herinnert hem er zo tevens aan hoe alles voorbijgaat. Zo wordt het platteland in zijn bewustzijn tot oorsprong en tot schuilplaats van poëzie.’

Jensma zag in het beeld van Geert Mak  een negentiende-eeuwse constructie die… ‘functioneerde (en functioneert) door zijn sentimentele werking bij uitstek binnen een stedelijk-intellectuele context.’ Friesland zou zich vanaf de negentiende eeuw het sterkst van alle Nederlandse gewesten als platteland hebben geprofileerd., Het zou geen kwestie zijn van traditie, maar van traditionalisering, als een reactie op de modernisering. Daarmee kwam Jensma met zijn bekende theorie van ‘the invention of tradition’ op de proppen, die hij op Friesland van de negentiende eeuw heeft toegepast in al ereder genoemde boek Het rode tasje van Salverda (1998). dat een jaar na zijn Gids-artiklel zou verschijen. Het is een theorie die Jensma op zijn beurt weer ontleend had aan de Engelse historicus Hobsbawm.Van alle Nederlandse provincies zou Friesland in de negentiende eeuw het grootste transformatieproces ondergaan hebben. ‘Van een soevereine, welvarende kustprovincie in de Republiek ‘moderniseerde’ het tot een perifeer gelegen agrarische provincie binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Friese notabelen-elites codificeerden toen het beeld van hun provincie als een plattelandscultuur, die oeroude rechten kon doen gelden.’

Zo heeft Geert Mak het beeld van het agrarische Friesland proberen te mythologiseren. Goffe Jensma daarentegen probeerde dit mythische beeld vooral te deconstrueren. Beide ondernemingen waren een tijdsgebonden product van de jaren negentig, toen de moderniteit opnieuw tegen het licht werd gehouden, wat zowel tot een nostalgische verheerlijking als een kritsiche deconstructie van het beeld van het agrarische verleden heeft geleid. Maar wat gebeurde er nu werkelijk? De historische realiteit van deze regio sneeuwde onder in een dikke laag van sentiment en ideologie. Maar wat er met Friesland in de twintigste eeuw is gebeurd zullen we wellicht nooit meer precies te weten komen. Om die historische werkelijkheid terug te vinden is een nieuw perspectief nodig, een nieuwe blik op het recente verleden waarbij niet nostalgie of nostalgiekritiek centraal staat, maar een onbevangen benadering van moderniseringsprocessen die zich in Friesland – evenals elders in Europa – hebben voorgedaan, met name op het terrein van de techniek en de media en de daarmee samenhangende veranderingen in de ervaring van ruimte en tijd.

Als het gaat om de ontwikkeling van de media is er in het Friesland van de vorige eeuw heel wat gebeurd. Het was het Friesland van mijn vader. In het dorp Weidum is het allemaal begonnen. De oorsprong van The global village ligt in Friesland. Hier immers stond de wieg van radiopionier Hanso Henricus Schotanus à Steringa Idzerda. Op 6 november 1919 verzorgde hij de eerste geprogrammeerde radio-uitzending ter wereld, niet in Wedum overigens maar in Den Haag. Precies vijftig jaar na dato werd in Weidum ter ere van hem een monument onthuld. Het was een bijzondere dag, die zesde november in 1969. Tout le monde was erbij. De baas van de NOS bijvoorbeeld, de heer Schüttenhelm, die tevens voorzitter was van het ‘comité vijftig jaar omroep’.

De Commissaris van de Koningin sprak plechtige woorden over de ‘geestelijke betekenis van deze gebeurtenis die niet beperkt blijft tot vernuft en apparaten’. Na hem hoed de heer Swierstra hield een boeiende rede over Idzerda. Zo werd verteld dat hij in eigenlijk niet in Weidum, maar in Mantgum geboren was, niet ver van de pastorie, waar Idzerda op de zolder experimenteerde. ‘De radio-pionier heeft indertijd wel grote triomfen gevierd,’ zo stelde hij, ‘maar raakte later helemaal in het vergeetboek, vooral doordat het hem zakelijk niet goed ging. Ford heeft van Edison gezegd, dat die de grootste uitvinder en tegelijk de slechtste zakenman van alle tijden was.’ ‘De heer Swierstra vond Idzerda op één lijn staan met Edison, maar de uitvinding van Idzerda noemde hij verstrekkender. De inleider kon tal van bijzonderheden over de radiopionier vertellen,’ zo stond de volgende dag te lezen in de Leeuwarder Courant.

Alle kranten stonden er vol mee er vol van. De Friezen waren trots. Heel even was het dorp Weidum het centrum van de wereld. Aan het monument zelf werden overigens maar weinig woorden gewijd. Ten onrechte. Het beeld mocht er zijn. Het was het eerste abstracte kunstwerk in het naoorlogse Friesland. Wat je noemt een ‘modern beeld’, gemaakt door de toen nog pas 32-jarige Harmen Abma. Het is een mijlpaal in de modernisering van de Friese cultuur die in de decennia daarop zijn beslag zou krijgen, deze stapeling van geometrische vormen gemaakt van roestvrij staal. De geometrie van strakke lijnen en altijd weer terugkerende horizontalen die in het Friese landschap zo overvloedig te vinden zijn, schakelen zich hier aaneen in een poging om ook de verticale as van het luchtruim te beheersen. De strakke horizon werd doorbroken in een vlucht naar boven. De mediatisering van de wereld had de Friese ruimte immers opengebroken naar de lucht, in een nieuw geometrie

De tegenstelling ‘agrarisch dorp’ versus ‘global village’ wordt zelden meegenomen in de beschouwingen over de teloorgang van het dorpsleven van weleer. Toch is de eenparig versnelde ontwikkeling van de media voor een groot deel de oorzaak van een veranderde beleving van identiteit. Door de radio kwam er geen modern, kosmopolitisch bewustzijn, maar een benauwd omroepbestel waardoor definitief de loograven voor de verzuiling gegraven konden worden als laatste buffer tegen de moderniteit. Radio bracht de fantasie in werking, maar versterkte vooral ook het thuisgevoel en zelfs het nationalisme. Ieder zijn eigen nest, geloof en wereldbeschouwing in de knusse ruimte van radio in de hoek van huiskamer. Moeders wil is wet. Negen heit de klok. De gesproken brief van Albert Milhado en Arbeisvitaminen. De wereld werd er niet echt groter op. En eigenlijk is dat sindsdien ook nooit anders gegaan. Nieuwe media openen een venster op de wereld dat vervolgens meteen weer gesloten wordt.

Telefoon, radio, tv en internet hebben de grote wereld kleiner gemaakt in een centripetaal gericht proces met een exponentiële versnelling. Omgekeerd versterken de regionale media steeds meer het thuisgevoel in een thuisloze wereld. Daarnaast zijn er de imagined communities die juist de nieuwe media aan het creëren zijn op twitter, facebook, linkedin, noem maar op. De gemediatiseerde wereld van vandaag doet de ervaring van identiteit steeds sterker fragmenteren, en toch blijkt de regio – in de ouderwetse zin van het woord – nog altijd de ideale cultureel-geografische grootheid te zijn om het gevoel te behouden dat de wereld nog ergens een eenheid vormt. Dat is in wezen een romantisch gevoel. Het is de gebroken eierschaal die de nieuwe wereld – als een kuiken dat lang geboren is – als een oude beschutting nog op de rug mee torst. Het is de gekoesterde miskenning in het levensgevoel van Calimero: ‘Zij zijn groot en ik ben klein’. Hoe meer grenzen wegvallen, hoe groter het minderwaardigheidsgevoel. ‘Vooruit, mensen, achteruit!’ is het adagium van de moderniteit.

Nostalgie is een onbewust verzet tegen een te snel verlopen verandering die allang heeft plaats gevonden. De tijd werd een lijn in plaats van een cirkel. Met die schok in het bewustzijn is alles opnieuw begonnen. Met de komst van de tijd. Alles verdwijnt als de tijd ophoudt in cirkels te lopen. Ook de liefde kent geen tijd in de zin van een voortgang of een vooruitgang. De liefde is gestolen tijd sinds de komst van de tijd.

1 Reactie

Denkend aan Ed van Westerloo

Gisteren las ik het bericht dat Ed van Westerloo is overleden. Ik herinner hem vooral als het gezicht van het progressieve actualiteitenprogramma Brandpunt van de KRO. Dit bericht wierp mij terug in de tijd, naar het jaar 1969 toen ik even met Ed van Westerloo te maken heb gehad. Hieronder volgt het verhaal dat ik in 2016 eerder publiceerde. Andere tijden. Waar blijft de tijd...
Slide1

 

Afgelopen zaterdag was het eerste deel van de VPRO-serie Ondersteboven over het Nederland van de jaren zestig te zien. Voor mij was het een feest van herkenning, hoewel ik ook en ongemakkelijk gevoel kreeg door de opeenhoping van clichés. Zaterdag a.s. zal het tweede deel gewijd zijn aan de ontwikkelingen in het onderwijs en het studentenprotest in die jaren. Dan zullen wellicht ook beelden van de Maagdenhuisbezetting van mei 1969 worden getoond.

Daar ben ik wel benieuwd naar. Op  de Polygoon-filmopnamen, die van de Maagdenhuisbezetting zijn gemaakt, kom ik zelf heel even vluchtig in beeld. Bovenstaande iconische foto verscheen in de Volkskrant van 8 oktober 2011. Ook daarop ben ik te zien samen met Hans Kraan die naast mij onder de paraplu zit. Ik droeg een zwarte bril met getinte glazen en had een plastic regenjas aan. De foto is genomen op de hoek van het Spui en de NZ Voorburgwal.

Het is 15 mei 1969. Een overvalwagen met waterkanon reed over het Spui. Even later zou het Maagdenhuis worden bezet. Hans en ik hebben de eerste nacht ook in het Maagdenhuis doorgebracht. Hans bleef. Ik ging daarna naar huis. Hans werd later ook gearresteerd en veroordeeld tot 200 gulden boete. Die boete werd later betaald door professor Hemelsoet, die Gerard Reve in 1966 het colloquium doctum heeft afgelegd, voordat Reve werd gedoopt.

Mede naar aanleiding van deze bijzondere foto schreef ik een paginagroot artikel in De Volkskrant met als provocerende titel ‘Wij babyboomers zijn bij de eerste afslag het spoor al bijster geraakt.’ Dat artikel leverde een aantal furieuze reacties op onder meer van Max Pam (’Wij babyboomers hebben gefaald? Spreek voor jezelf, zak! ) en Marcel van Dam (‘De generaties na de babyboomers zijn niet slechter af‘). Ik had de poppen aan het dansen. Wat ik geschreven had was heiligschennis. De kroonjuwelen van de babyboomers waren in het geding. Het artikel hangt nog altijd ingelijst bij mij op de wc.

Schermafbeelding 2016-03-23 om 14.53.02

Ik begon mijn betoog met een opsomming van retorische vragen:

‘Waar zijn de idealen van de jaren zestig en zeventig gebleven? Waar is het vergezicht op een andere samenleving? De spreiding van kennis macht en inkomen? Waar is de vergaande democratisering die ons, babyboomers, voor ogen stond? Waar is de groene aarde met schoon water en schone lucht? Waar zijn de Kabouters met hun onbespoten groente? Waar zijn de kunstenaars die voor hun kunst de straat op gingen en niets van galeries en musea moesten hebben? Waar zijn de nieuwe samenlevingsvormen?

Waar zijn de krakers? Waar zijn de communes? Waar is de gelijkheid van minderheden? Waar is de afschaffing van oorlog en geweld? Waar is de minachting voor geld en rijkdom? Waar is het respect voor creativiteit? Waarom is de verbeelding nooit aan de macht gekomen? Waar is de bevlogenheid, de bezieling? Waar is de droom van Martin Luther King? Waar zijn de opstandige jongeren? Waar zijn de dropouts? Waar is het paradijs op aarde dat heel even in aantocht leek?’

.. …en kwam toen zelf met met een venijnig antwoord:

‘Geert Wilders heeft de wind in de zeilen door de eurocrisis. Ik denk dat heel wat babyboomers met een eigen huis, een dubbele hypotheek, een alimentatie en een waardevast pensioen het diep in hun hart eens zijn met het standpunt van de PVV over Griekenland: ‘Geen cent meer in die bodemloze put.’ First things first and Wilders for president!’

…om te besluiten met een verzuchting:

‘Wij babyboomers waren even op weg naar dat beloofde land, maar bij de eerste afslag al zijn we het spoor bijster geraakt. Het is aan een nieuwe generatie dat spoor terug te vinden. Misschien slaagt ze daarin, maar beslist niet door te rade te gaan bij degenen die de weg zijn kwijtgeraakt. De babyboomers hebben hun kans gehad. Het enige dat ons nog rest, is om precies te vertellen hoe onze idealen schipbreuk leden. Misschien heeft iemand daar nog wat aan. Zoals Boudewijn de Groot over de idealen van zijn generatie in zijn Testament: ‘Wie ze hebben wil, die mag ze komen halen, vooral jonge mensen vinden ze nog fijn’.

Zo keerde sfeer van de Maagdenhuisbezetting heel even terug in het heden. Ik had het imago van ‘de rebellerende babyboomer’ letterlijk ondersteboven gezet, de geest van mijn generatie indachtig. Maar babyboomers willen dit soort rebelse geluiden tegenwoordig niet meer horen. Ze zwijmelen liever weg in nostalgie. ‘Ondersteboven‘, zoals de VPRO-serie heet, is een begrip uit het verleden waar je een goed gevoel van krijgt, vooral als er van die rebelse muziek uit the sixties als smaakmaker wordt onder gezet. Nostalgie maakt alles mooi. En wat is er mooier om jezelf als ouwe zak nog altijd een rebel en een provo te wanen. Iedereen was provo in the sixties, vooral met terugwerkende kracht.

De jaren 1965-1970 vormen een hectische periode in mijn leven, waarvan ik zelf totaal geen foto’s heb. Het heden eiste destijds kennelijk alle aandacht op. En toen verscheen ineens die foto van Hans en mij onder de paraplu, compleet out of the blue. Ook ik was weer even die ouwe zak die dacht dat hij nog altijd een provo was. Het was een waanzinnige tijd, dat wel. In 2009 schreef ik een brief aan mijn psychiater Dr. A.F.C. Overing, bij wie ik destijds in behandeling was en die inmiddels is overleden. Ik kreeg een brief terug die als volgt begon:

‘Om een voor mij onduidelijke reden denk ik bij Uw naam Mous altijd Uw voornaam Huub erbij. Fragmentarisch kwam Uw naam wel eens naar
boven als in een of ander medium de bezetting van het Maagdenhuis om een of andere reden werd genoemd. De meest duidelijke herinnering aan U die bij mij boven komt is het feit dat U meedeed met 
de bezetting van het Maagdenhuis op het Spui. Ik vond dat toen
 niet zo prettig, omdat ik twijfelde aan Uw integratieve mogelijkheden bij de warrigheden die bij zo’n bezetting allemaal meespelen. Ik geloof dat alles goed is gegaan.

Onderstaande tekst publiceerde ik eerder op mijn weblog van 1 mei 2007. Alleen het slot heb ik iets veranderd. In het boek De Maagdenhuisbezetting ’69, dat in 2009 verscheen naar aanleiding van een fototentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum, is een citaat van mij opgenomen, dat afkomstig is uit onderstaand verhaal.

photoq-bookshop-de-maagdenhuisbezetting-69-paul-van-riel-669x672

***

Ik mag de oorlog dan niet hebben meegemaakt, de jaren zestig heb ik redelijk intensief beleefd. Sterker nog, die jaren zitten als dikke ringen in de boomstam van mijn leven. Eigenlijk is dat roerige decennium niet alleen het keerpunt geweest voor mijn generatie. Het is achteraf bezien ook een soort lakmoesproef om te testen of je wel deugt. ‘Wat deed jij in de oorlog, papa?’, vroegen wij babyboomers aan onze vaders? Wat deden wij in de jaren zestig, dat zouden wij onszelf moeten afvragen. Het decennium waarin alles op zijn kop kwam te staan. Het was, zoals Bob Dylan zei, alsof ergens een vliegende schotel was geland. Niet dat mijn bijdrage aan de revolutie van destijds zo opzienbarend is geweest, maar ik hoef in ieder geval niet te zeggen, dat ik mijn kop in het zand heb gestoken. Maar ach, wat stelt het allemaal voor. Jongens waren we, maar aardige jongens.

Eind jaren zestig raakte ik bij toeval betrokken bij een aantal historische gebeurtenissen. Zo heb ik de nadagen van de mei-revolutie van 1968 in Parijs als ooggetuige kunnen meebeleven. In mei 1969 raakte ik me min of meer per ongeluk verzeild in de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam, waarvan ik de eerste nacht heb meegemaakt. Maandagavond 16 mei 1969 hoorde ik dat het Maagdenhuis bestormd zou worden. Inzet van de strijd was het medebeslissingsrecht op alle niveaus in het bestuur van de universiteit (one men, one vote). Eenmaal ter plekke zag ik Ton Regtien aan de voorkant een raam forceren en naar binnen kruipen. Naast hem stond Paul Verheij, de zoon van de toenmalige CPN-wethouder van Amsterdam: Harry Verhey. Het generatieconflict in een notendop. De politie stond erbij en keek er naar. Professor Belinfante, de rector magnificus, probeerde de bezetters nog met een megafoon van gedachten te doen veranderen. Vergeefs.

Ik ben mee naar binnen gegaan. Dat deed iedereen trouwens die daar bij was. ‘s Nachts was het een dolle boel binnen. Er werd gezongen (‘we shall overcome’) en urenlang gediscussieerd. De volgende ochtend ben ik weer naar huis gegaan om wat te eten. Toen ik terugkwam kon je nog via een loopbrug aan de achterkant het Maagdenhuis binnenkomen. Het was een grote puinhoop inmiddels. Iedereen liep in en uit en je kon alles zomaar meenemen. Ik weet nog dat ik mijn voormalige leraar Latijn van het Ignatiuscollege – pater Bremer SJ tegenkwam die inmiddels aan de universiteit doceerde. Hij was diep geschokt, vooral ook omdat hij zag dat ik meedeed aan dit barbaars gebeuren. (‘Et tu Brutus?’, maar dat zei hij niet). Iedereen jatte van alles mee. Ik heb nog altijd een nummer van Scientific American, dat ik toen uit een leeszaal heb meegenomen. Het was de tijd van het proletarisch winkelen, dus daar deed je niet moeilijk over.

Ik ben niet lang meer gebleven en toen ik terugkwam was het pand hermetisch afgesloten door een cordon ME-ers. Op een van de opnamen van het Polygoonjournaal, die van de bezetting zijn gemaakt, ben ik nog te zien, staande achter dit cordon. Achteraf mag ik van geluk spreken, dat ik uiteindelijk niet in het belegerde Maagdenhuis ben beland. Mijn gedrag was in die tijd nogal onvoorspelbaar. Ik slikte veel medicijnen (o.a. Trilafon, een antipsychotisch middel) en ik weet niet hoe het was afgelopen, als ik de redelijk gewelddadige ontruiming had moeten meebeleven. Een enorme politiemacht maakte op 21 mei een einde aan de bezetting. Ik ben dus ook niet veroordeeld in het latere proces. Dat heb ik altijd wat jammer gevonden, want het was destijds een eer als je de Maagdenhuisbezetting op je strafblad had.

Minder onschuldig was mijn bemoeienis met de bezetting van mijn parochiekerk, de Martelaren van Gorkum in Amsterdam Watergraafsmeer. Die vond een maand eerder plaats in de Paasnacht op 6 april 1969. Samen met studiegenoot, de marxist Hans Kraan (die later wel veroordeeld zou worden voor de Maagdenhuisbezetting) was ik het brein van deze actie. We waren met zijn vijven dacht ik: Hans Kraan, Herman Klink, Jan Roos, Jet Tocila en ik. Na afloop van de Mis ben ik de preekstoel op geklommen. Ik heb toen alle kerkgangers uitgenodigd om naar de sacristie te komen, die door ons was bezet en waar gediscussieerd zou worden over de rol van de kerk in Zuid-Amerika.

De koster draaide al snel het geluid weg. Ongeveer tien mensen kwamen naar de sacristie, waar we ongeveer een half uur gediscussieerd hebben. Toen vond de koster het welletjes en belde de politie. Die heeft ons – geweldloos – uit de kerk verwijderd. Ik weigerde om zo maar weg te gaan en eiste een proces verbaal. Zo kwam het, dat ik als enige nog eventjes heb vastgezeten op het politiebureau in de Linnaeusstraat. Het politierapport leidde er toe, dat onze actie de volgende dag de krant heeft gehaald. Ik werd als enige met initialen genoemd. Na afloop hebben we nog de hele nacht bij mij thuis verder gediscussieerd. Die discussie heb ik op band opgenomen, maar ik heb hem al jaren al niet meer gehoord, want mijn oude bandrecorder is stuk.

De volgende ochtend zijn we teruggegaan naar de kerk en hebben we grote pamfletten op de kerkdeuren geplakt. Deze hebben er niet lang gehangen. Een en ander heeft er wel toe geleid dat er enige weken later (ik dacht op 10 juni 1969) een discussieavond is gehouden in de kerk over de problematiek in Zuid Amerika. Deze discussie stond onder leiding van Ed van Westerloo en werd voorbereid door de actievoerders in nauwe samenwerking met de parochieraad. In 1979 heeft de jeugdsociëteit Omega, nog een reünie gehouden in de kelder onder het koor van de kerk.

Die kelder van Omega werd in 1971 verbouwd. Omega week toen een tijdje uit naar de Christus Koning kerk. In dat jaar heb ik ook mijn latere vrouw Marijke ontmoet. Wij trouwden in 1974 in de Martelaren van Gorkum. Bij de huwelijksmis, geleid door pastoor De Reus was popmuziek te horen, wat in die tijd nog niet zo gebruikelijk was. Marijke en ik vertrokken in 1977 naar Leeuwarden. Hans Kraan woonde jaren in Maastricht en tegenwoordig weer in Amsterdam. Herman Klink is in maart 2011 overleden.

Reageer

Vervreemding

Gisteren voor het eerst gewerkt aan mijn verhaal voor het symposium Stranger in the city dat eind augustus in Rotterdam plaats zal vinden. Onderwerp van dit symposium is (en ik citeer): ‘The cicular relationship between alianation and psychose and the healing power of human reconnection.’ Vervreemding als oorzaak van psychose dus. Vreemd om daar andermaal mee bezig te zijn. Ik moet daar spreken over ‘Jihad en psychose’, een onderwerp dat mij een jaar lang intensief heeft bezig gehouden. Die fascinatie heeft geleid tot mijn boek Jihad of verstandsverbijstering. ‘Een boek is een huis, waar je een tijd lag in hebt gewoond.’ Dat heb ik Oek de Jong ooit horen zeggen. Dat is ook zo, maar ik woon inmiddels in een ander huis. Ik moet spreken over vervreemding, maar dat is een onderwerp dat inmiddels voor mijzelf vreemd is geworden. Was’nt it a strange way down?

Zie ook: hier

Reageer

Zomeravond

Gisteravond, 19.30 uur

Reageer