De ecologische wijsheid van Le Roy
Achteraf beschouwd zijn de jaren zestig in veel punten een keerpunt geweest in de moderniteit. Het vooruitgangsgeloof beleefde zijn laatste fase. Juist in dit decennium beleefde West-Europa de overgang van een op werk georiënteerde maatschappij naar en samenleving die voortaan op vrije tijd was gericht. Vrije tijd werd dan ook het ware revolutionaire probleem. Niet alleen in het Nieuw Babylon van Constant, maar ook bij maatschappijkritische filosofen. De linkse maatschappijkritiek draaide in die jaren op volle toeren en richtte zijn pijlen op deze elementaire verandering. De ‘leisure oriented society’ leverde lusteloze mensen op. De onmogelijkheid van een authentiek leven in de tijd werd gezien als een elementair gebrek van het maatschappelijk systeem. Zo verschenen in tien jaar tijd achtereenvolgens de volgende boeken: Hans Magnus Enzenberger, Bewustseinsindustrie (1962), Herbert Marcuse, One dimensional man (1964), Raoul Vaneigem, Traité de savoir vivre à l’usage des jeunes générations (1967), Guy Debord, La société du spectacle ( 1967), Theodore Roszak The rise of the counterculture (1968) en Jean Baudrillard, ‘La société du consommation (1970).
Het boek Natuur uitschakelen, natuur inschakelen (1973) van Louis G. Le Roy vormt in feite de afsluiting van deze maatschappijkritische reeks. Het bevat een ultieme kritiek op het modernistisch vooruitgangsgeloof, terwijl het denken van Le Roy – paradoxaal genoeg – geheel in het teken staat van een dialectische, en zelfs eschatologische geschiedopvatting. Het begrip ‘tegencultuur’ komt bij Le Roy ook voor het eerst in dit boek naar voren. Voor een goed begrip van wat Le Roy destijds met de term ‘tegencultuur’ bedoelde, is het goed te beginnen met een wat lang citaat. Hierin geeft Le Roy antwoord op de vraag of het in de huidige cultuursituatie - een monocultuur waarin de mens als ‘creator’ wordt uitgesloten – nog zin heeft om te filosoferen over denkbeelden van Messéqué. Ta-Chai, Tsembaga en anderen, die in het voorafgaande betoog uitgebreid aan bod waren gekomen. Le Roy stelt dan letterlijk het volgende:
‘ Beantwoording van deze vraag is mogelijk, als de begrippen ‘cultuur’ en ‘tegencultuur’ op de juiste wijze worden geïnterpreteerd. Onjuist is de zienswijze, waarbij vormen van tegencultuur als bedreiging van bestaande cultuurvormen worden gezien. Juist is de zienswijze, dat de ene vorm van cultuur een andere toekomstige vorm van cultuur a.h.w. oproept en bepaalt. De ene cultuurvorm dankt zijn bestaan aan een voorafgaande cultuur. De een is tegencultuur ten opzichte van de ander. Toynbee stelt – hetgeen op hetzelfde neerkomt dat de afwisselende perioden in de cultuurgeschiedenis hun ontstaan te danken hebben aan twee elementen, namelijk: uitdaging en antwoord.
De eindeloos (circa 4000 jaar) durende priestercultuur van de Egyptenaren (monocultuur) was tenslotte de aanleiding (uitdaging), dat een tegencultuur zich zou gaan vormen (antwoord). Deze tegencultuur werd bepaald door elementen, die door het bestaande regime noodzakelijkerwijs werden bestreden (omwille van handhaving van orde en rust en handhaving van de staande cultuurvorm). In Egypte werd een vorm van tegencultuur geïntroduceerd door Echnaton (circa 1400 voor Christus) , die een meer menselijk beleid voorstond, in tegenstelling tot het strakke regime van de priesters. Na de dood van Echnaton werd alles in het werk gesteld om zijn invloed weer ongedaan te maken. Mogelijkerwijs was de geschiedenis van Egypte anders verlopen, als men meer begrip had getoond voor het verschijnsel ‘tegencultuur’.
Tijdens de Romeinse cultuurperiode vindt een dergelijke ontwikkeling plaats. Zo er één cultuur werkelijk als ‘underground’ is begonnen, dan is het wel de christelijke cultuur geweest! In de ondergrondse catacomben vindt de geboorte van deze tegencultuur plaats. Het valt niet te verwonderen, dat juist de uiterst materialistische cultuur van de Romeinen een tegencultuur oproept, die de liefde als hoogste waarde propageert.
Mogelijk is binnen deze gedachtegang van culturen en tegenculturen te begrijpen dat de huidige technocratische maatschappij een tegencultuur laat ontstaan met als motto. ‘all we need is love’. En evenmin als men vroeger in staat bleek, de tegencultuur reële ontwikkelingsmogelijkheden te geven binnen de bestaande cultuur, evenmin zal men in onze tijd in staat blijken dat te kunnen doen. De harde les die de geschiedenis ons leert, is dat de tegencultuur pas dan gelegenheid heeft zich ten volle te ontplooien, als de bestaande cultuur heeft opgehouden te bestaan. In feite ligt hier de oorzaak van de angst van cultuurdragers, angst voor de opkomst van iedere vorm van tegencultuur, zij zien de ‘halfzachten van de tegencultuur als hun doodgravers. ‘
Wat mij intrigeert in deze passage is niet het tijdgebonden karakter, dat tot uiting komt in de verwijzing naar een song van de Beatles, maar het volgende. Hoe is het mogelijk dat Le Roy, die toch bekend staat als een denker die – in het spoor van Henry Bergson – de tijd primair als ‘duur’ heeft opgevat, zich tegelijk beroept op een lineair, dialectisch model van de geschiedenis, waarin door een altijd weer terugkerende wisselwerking van cultuur en tegencultuur de lijnen van de tijd voor eeuwig vast lijken te liggen? Anders gezegd, hoe is deze tweespalt te verklaren tussen de tijd als ding en de tijd als duur?
Onder de ‘tijd als ding’ versta ik de tijd die wordt gezien als een vast en onveranderlijk gegeven. Dat proces van ‘verdinglijking’ (reïficatie) kan op twee manieren plaatsvinden. Je kunt de tijd opvatten als een abstract begrip (een klok, een tijdbalk, een groeimodel) en hem daarmee verplaatsen naar een andere categorie dan de beleefde tijd (de duur). Maar de ‘verdinglijking’ van de tijd kan ook deel gaan uitmaken van de beleving van de tijd zelf. Anders gezegd: de duur kan zelf ook een ding worden. De beleefde tijd wordt dan de tijd van het vervalste of vervreemde bewustzijn, een soort eeuwig nu zonder besef van verleden, traditie, groei en toekomst.
Is de wereld een organisch universum, waar zelfs de geschiedenis deel van uitmaakt, of is de mens tot objectieve kennis en beheersing van de wereld in staat? Het probleem heeft van doen met de natura naturans van Spinoza, als oergrond van de wordende de scheppende natuur zonder doel of eind, tegenover de natura naturata als de reeds geworden of gecreëerde natuur in de modificaties van wat we om ons heen zien als de veranderlijke dingen. Van de scholastiek tot de Romantiek hebben filosofen geworsteld met dit probleem, dat niet alleen de kern raakt van de werkelijkheid, maar ook de relatie tussen het subject en de wereld. In onze tijd van de techniek, die de wereld niet alleen ‘maakbaar’ maakt. maar ook het bewustzijn van de mens onomkeerbaar verandert, komt het denken over de tijd in een ander licht te staan. Als een soort voortdurende frictie tussen vrijheid en verstarring komt het probleem van de tijd in het denken van Le Roy naar voren. Ook dit conflict ontwikkelt zich bij hem letterlijk in de tijd, naarmate zijn gedachten over natuur en tijd, samenleving en geschiedenis zich verder uitkristalliseren.
De tijd als duur is per definitie beweging, zo stelde Bergson. De duur is niet iets wat deelbaar is, maar een zich voortstuwend psychisch proces. Het is geen ding maar een voortgang. De duur is zelfs de grondstof, waaruit niet alleen het bewustzijn is gemaakt, maar ook de alom waar te nemen levenskracht (élan vital) die de oorzaak is van een eeuwig worden van telkens iets anders, iets nieuws. De duur was voor Bergson ook de grondvoorwaarde voor alle creatieve processen (l’évolution creatice). Bergson was dan ook primair de filosoof van de verandering, de beweging, het eeuwige gebeuren, het onvoorspelbare. De theorie van de menselijke kennis was voor hem onlosmakelijk verbonden met de theorie van het leven.
Met instinct, intuïtie en verstand borduurt de mens voort op de eeuwig wordende ondergrond van de natuur. De ratio is dan ook niet een domein op zich, maar dient altijd teruggeplaatst te worden in een algemene theorie van het leven zelf en daarmee in de stroom van de tijd. Kennistheorie en levenstheorie zijn voor Bergson dan ook onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het biologische en het historische vloeien ineen. Als in een cirkelgang moeten ze elkaar blijven voortstuwen, maar die cirkelgang heeft geen plan, richting of doel. De levensfilosofie van Bergson kent geen determinisme.
Bergson wilde de tijd als duur redden uit de klauwen van een materialistische opvatting van de werkelijkheid die de tijd objectiveert en als meetbaar wil zien. Die meetbare tijd herhaalt zich voortdurend. maar de tijd als duur is per definitie niet herhaalbaar’. Dat spanningsveld tussen de ‘meetbare tijd’ en ‘tijd als duur’ zit ook in het denken van Le Roy. Het is het spanningsveld tussen de dogmatische profeet en de ludieke goeroe, twee beelden die Le Roy op wonderlijke wijze gezamenlijk personifieert. Maar zelf ziet hij het anders. Dit is voor hem geen spagaat, maar een wezenlijk aspect van zijn denken, misschien wel de motor daarvan. Wat dat betreft was Le Roy – als geen ander – een kind van zijn tijd.
Met één been stond hij immers nog in de wereld van het gestolde, vooroorlogse essententie-denken met zijn fascinatie voor de wetmatigheid van cultuurontwikkelingen. en met het andere been in de tijd van de opkomende tegencultuur, de jaren zestig en zeventig, waarin alle zekerheden omtrent cultuur, tijd en geschiedenis juist leken te ontdooien. Juist in die roerige jaren werd alom geprobeerd om de tijd van zijn ‘verdinglijking’ te ontdoen, niet alleen in het denken, maar ook in de praktijk van het maatschappelijk activisme en zelfs in de kunst. In dat veranderingsproces in de tijd neemt het gedachtegoed van Le Roy een uniek plaats in. Alles wat hij vloeibaar maakt in de tijd, lijkt tegelijk weer te stollen in het dogma van de geschiedenis, en omgekeerd.
In 1973 wist Le Roy zijn gedachten over tegencultuur als een eigentijdse Maarten Luther kort en bondig samen te vatten in een beperkt aantal stellingen, die vooral op de praktijk waren gericht. Van groot belang daarbij is de intrinsieke samenhang tussen tijd en ruimte in het voortdurend proces van worden. Natuur was voor Le Roy nooit een bevroren verschijningsvorm in het hier en nu, maar een dynamisch systeem van voortdurende ontwikkeling, dat wil zeggen: een uiterst complex geheel van processen die zich voltrekken in de tijd. En wat voor de natuur opgaat, geldt ook voor de cultuur en samenleving. De natuur heeft geen vooropgezet plan, maar er is wel een voortdurend proces van verandering, waaraan alles – maar dan ook alles – onderworpen is.
Het is de dynamiek van de tijd, waaraan alles en iedereen deel aan moet hebben. Inschakelen dus en niet uitschakelen. De historische ontwikkeling in natuur- en cultuurpatronen werden door Le Roy radicaal op één lijn gezet. Dat is de lijn van de continue ontwikkeling die beslist niet doorbroken mag worden. Het is de beweging van de tijd als continuïteit, als ondeelbare duur, kortom de erfenis van Bergson die Le Roy in zijn denken en doen verweven heeft.
De Stellingen van Le Roy
1. De mens is het product van cultuur en natuur.
2. Monocultuur, in welke vorm dan ook, vormt een uitdaging aan de natuur en wordt als zodanig fel bestreden (ziektebeeld).
3. De historische ontwikkeling in natuur- en cultuurvormen dient als continuïteit te worden opgevat en het verbreken van deze samenhang in ruimte en tijd kan worden opgevat als calamiteit.
4. Arbeid met vegetatiemateriaal dient zodanig gericht te zijn dat het streven van de natuur wordt gevolgd en gestimuleerd (climaxvorming).
5. Overgangsvorm tussen stad en land kan worden gevormd door bossen (milieuverbetering).
6. De stad dient een oase-functie te vervullen (contrast).
7. De ontwikkeling op gebied van recreatieterreinen is in die zin onjuist te noemen dat hier de mens zelf meer zal moeten worden ingeschakeld (homo ludens) en dat de aanleg op basis van economie geheel achterwege dient te blijven (tot minimum beperken).
8. Milieuverontreiniging waar deze niet wordt veroorzaakt door industrie of landbouw, kan volledig worden tegengegaan.
9. Insecten dienen niet steeds als vijanden te worden beschouwd. Ruimere voorlichting gericht op begrip van totaliteit der levensvormen (ecologie) is zeer gewenst.
10. Insecticiden gebruikt men alleen indien volstrekt nodig en beperkt tot een absoluut minimum – gebruik door amateurs dient te worden verboden (beperkt tot de minst schadelijke soorten).
11. Zoet water dient zo lang mogelijk op het land te worden gehouden.
12. Grondarbeid dient tot een minimum te worden beperkt.

Wiersma
20 juli 2012 op 03:37
Ja, die Leroy is me der eentje. Eigenlijk zouden we met zijn stellingen 120 jaar terug in de tijd moeten gaan en DAN de wereld vorm geven. Want nu zijn we behoorlijk van het padje geraakt, en moeten we alles terugdraaien. En we denken dat we daarmee vooruitgang boeken, maar het is meer zoiets als : oops, verkeerde afslag, we moeten terug. Eigenlijk GAAN we ook helemaal niet vooruit, 0,1% van de bevolking is hooguit tot inzicht gekomen dat we de verkeerde afslag hebben genomen.
Soort Titanic maar dan anders.
En het feit DAT we dat verkeerde pad zijn ingeslagen zijn er een paar slimmerikken geweest die dachten: god, wat een sukkels, ZIEN ze nou niet dat ze allang op het verkeerde pad zaten? Zien ze die ijsberg niet? Nee? Ha! Als ze ZO stom zijn, weten wij ook nog wel wat! Hier met dat roer.
Aldus geschiedde en mogen we straks tot ons 67ste doorwerken om de rente van de bankiers te kunnen aflossen terwijl er tegen die tijd helemaal geen werk meer is. Nog afgezien dat er geen geld meer is voor zorg kun je tegen die tijd lekker lijden en doodcreperen. Maar goed, een koe die geen melk meer geeft slachten we ook. Misschien zijn koeien straks wel beter af dan mensen.
Maar dan. LR maakt een grote denkfout: “De natuur heeft geen vooropgezet plan”.
- Oh zeker wel! Er zijn er organisch gezien zelfs drie: leven, overleven en voortplanten!
Anorganisch – simpel voorgesteld- één: aantrekkingskracht. (elk atoom heeft een aantrekkingskracht op elk ander atoom in het universum kwadratisch afnemend met de afstand. Zonder aantrekkinskracht geen universum, geen planeten, geen zonnen, geen sterren, geen energie, geen leven, niks. Stardust.)
En die krachten zijn OERSTERK! Tot op (individueel) celniveau.
Zonder die enorme drive zou geen leven mogelijk geweest zijn: het is alles of niet. Je bent ook nooit een beetje zwanger.
Een kiempje kan een kracht van maar liefst 400!! BAR genereren om door asfalt heen te breken. Ter info: in uw autoband zit circa 3 BAR.
En kanker is niks meer of minder dan te lang zuurstof gebrek en dan schieten cellen in de anorganische oer-overlevingsmodus van fermenteren om energie te genereren. Hoewel dan weliswaar imbeciel geworden: overleven zullen ze.
“maar er is wel een voortdurend proces van verandering, waaraan alles – maar dan ook alles – onderworpen is.”
- Uiteraard! De natuur denkt continu: als het niet linksom kan, dan maar rechtsom. Of het nou een brandnetel is, een muis of dinosaurus, zuurstof of niet: zal de natuur een worst wezen, ALS het maar leeft!
Maar alles wat leeft heeft energie- en dus voedsel nodig.
De een moet zich opofferen voor de ander, maar op een dusdanige manier dat beide soorten toch overleven. Heb je`m weer: symbiose/fusie.
Die drie wetten bepalen ook dat we uiteindelijk dood gaan. De natuur denkt in soorten, niet in individuen.
God zogenaamd wel: u bent héél-vréselijk-verschrikkelijk-speciaal. God denkt élke dag aan u, als u maar aan God denkt- en vooral schenkt. Yeah right.
New offspring wordt verondersteld slimmer en beter bestand te zijn tegen veranderende situaties. Daarom moeten we dood. Zit ingebakken in DNA. Waarbij klimaatverandering een heersende rol speelt: warm/koud/nat/droog etc.
Zie Darwin.
Maar geloof gerust in God, die gaat u na uw aardse bestaan een herverherbeterd leven geven met allemaal engeltjes, mooie bloemetjes en het is er altijd mooi weer, en u gaat nooit weer dood 2.0. Want eigenlijk bent u dat al maar toch ook weer niet. Als u van hengelen hield: u mag straks 4 triljard jaar vissen in het eeuwige leven. ELKE DAG. Lastige is: de vissen bijten niet want zijn ook schepselen van God. En in haak bijten is zielig en doen we dus niet. In de hemel zijn we allemaal liev voor elkaar.
Engeltjes hebben ook geen vagina want dat zou maar tot polarisatie leiden. En dat moeten we niet willen met zijn allen.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
De Stellingen van Le Roy
1. De mens is het product van cultuur en natuur.
- Ik denk eerder andersom. Je krijgt toch echt meer kinderen van neuqen dan van het schilderen van – laten we zeggen een waddenzicht of het lezen van een filosofisch boek of deze website.
2. Monocultuur, in welke vorm dan ook, vormt een uitdaging aan de natuur en wordt als zodanig fel bestreden (ziektebeeld).
- Geheel mee eens! Monocultuur: da`s pas hardhandig fout ingrijpen in de natuur! (zie Monsanto)
3. De historische ontwikkeling in natuur- en cultuurvormen dient als continuïteit te worden opgevat en het verbreken van deze samenhang in ruimte en tijd kan worden opgevat als calamiteit.
- De natuur is zélf een reis.. waarbij het einddoel wel bekend is maar de tussenstations niet. En voor het zelfde geld heeft de gemeente net de weg opengebroken en is er een omleiding. Of had een meteoriet bedacht in te slaan. Maar de natuur heeft geen haast want het IS er immers al. In elk atoom, in elk molecuul, in elk DNA, in elk melkwegstelsel.
4. Arbeid met vegetatiemateriaal dient zodanig gericht te zijn dat het streven van de natuur wordt gevolgd en gestimuleerd (climaxvorming).
- Juist. KIJK naar wat de natuur doet. WELKE planten groeien er nog meer. Wij mensen hebben bepaalde planten ‘onkruid’ genoemd. Omdat we ze in onze hedonistisch denkbeeld niet geil genoeg vinden of zo. Of dat de polletiek had bedacht dat bepaalde planten evil waren zoals hennep. Tis dat je niet stoned kan worden van bamboe, anders hadden ze dat ook verboden. Maar de natuur denkt niet in goed/kwaad/mooi/lelijk. ALLES in de natuur heeft waarde ook al zien wij dat anders.
Tientriljoentriljard insecten houden van poep. Hebben zij allen ongelijk?
5. Overgangsvorm tussen stad en land kan worden gevormd door bossen (milieuverbetering).
- Yep. Planten en bomen maken zuurstof en da’s heel er goed voor ons. Hou je adem maar eens vijf minuten in en beweer dan maar eens het tegendeel. Verder zijn er heel veel bosdieren die ook van bomen houden.
6. De stad dient een oase-functie te vervullen (contrast).
-De stad is er vooral voor de mens, maar ook bepaalde dieren kunnen daar best goed gedijen. Meeuwen, ratten, muizen, huismussen: whatever. De natuur is erg sterk en denkt niet in goed of slecht. Voor de natuur is alles een uitdaging, ook een ecocathedraal. Als het niet laag kan, dan maar hoog.
Daarbij groeien planten vooral van lucht (C uit CO2), en niet van bodem. Dus ze hebben weinig nodig om toch te bestaan. (briljant concept, werkelijk briljant, petje af)
7. De ontwikkeling op gebied van recreatieterreinen is in die zin onjuist te noemen dat hier de mens zelf meer zal moeten worden ingeschakeld (homo ludens) en dat de aanleg op basis van economie geheel achterwege dient te blijven (tot minimum beperken).
- Deze begrijp ik niet helemaal goed.. maar menselijk ingrijpen in de natuur MAG. De natuur doet dat namelijk zelf ook. De natuur is sadist en masochist tegelijk. Dat maakt het leven het leven.
En recreatie terreinen genereren ook weer nieuw ander leven.
Homo’s zonder ludens bijvoorbeeld. Of de geel-groen-gestipte aambei die kan groeien zonder fotosynthese.
8. Milieuverontreiniging waar deze niet wordt veroorzaakt door industrie of landbouw, kan volledig worden tegengegaan.
- Huh? Zelfs vulkaan uitbarstingen en bosbranden hebben een functie! Zwavel, CO2 en new life! Nogmaals: de natuur kent geen goed of kwaad, dus ‘natuurlijke milieu vervuiling’ bestaat niet!
Lava: super vruchtbare grond! (door de zwavel) En onze celwandstofwisseling wordt bepaald door… zwavel!
Dus… we hoeven niks te bestrijden!
9. Insecten dienen niet steeds als vijanden te worden beschouwd. Ruimere voorlichting gericht op begrip van totaliteit der levensvormen (ecologie) is zeer gewenst.
- Geheel mee eens. Toevallig gisteren op blog WE een link geplaats naar
http://www.lowtechmagazine.be/2011/10/insectenvlees-alternatief-vegetarisme.html
En wat te denken van de bijensterfte? Ramp! (zie Monsanto)
Geen bijtjes? Geen sex voor planten. Is geen voortplanting, is geen voedsel. Is geen mooie bloemetjes. Of spruitjes.
10. Insecticiden gebruikt men alleen indien volstrekt nodig en beperkt tot een absoluut minimum – gebruik door amateurs dient te worden verboden (beperkt tot de minst schadelijke soorten).
- Wat mij betreft gebruiken we helemaal geen insecticiden meer.
Roeien we eerder evils companies als Monsanto uit dan insecten.
Niet alleen dobbelt God niet, maar de natuur ook niet. Er zijn supermilieu vriendelijke oplossingen als actieve zuurstof.
Insecticiden belanden eerst in ons voedsel en uiteindelijk ook eens in ons drinkwater. Superfoute boel.
11. Zoet water dient zo lang mogelijk op het land te worden gehouden.
Dit is een typisch gedateerde stelling aangezien weer- en regen modificatie op grote schaal al wordt toegepast. Uiteraard ontwikkeld door militairen, want ja, als zij natregenen en doodvriezen bij min 20 en jij zit lekker droog bij plus 20 schiet jij hun lekker lek.
- Was de film Waterworld toen al uit?
Overigens heb ik een regenton. En hemelwater van dak gaat naar de tuin en niet naar riool. Met als gevolg véél te grote bomen die over de hele straat hangen, mijn fundering opvreten en bij de buren het licht en zicht ontnemen. Maar goed: ik doe aan zoetwateropslag, vang zoveel mogelijk CO2 af, en scheid zoveel mogelijk zuurstof uit. Nou ja, mijn bomen dan.
Mijn omgeving is derhalve dan ook kerngezond: appel roze wangetjes en ze houden allemaal van bier drinken onder die grote bomen, dat dan weer wel. Om te bespreken hoe we die bomen moeten snoeien of kappen.
12. Grondarbeid dient tot een minimum te worden beperkt.
-Hahaha! En dat zegt iemand die dertig jaar lang tienmiljoenmiljard ton stenen heeft lopen stapelen en versjouwen!!!
Geen idee of Lely het hier mee eens zou zijn?
Helaas was LeRoy er niet die keren toen ik in Mildam was. Had me wel erg leuk geleken.
Mannen met een missie.
Daar kan je wat mee, daar heb je wat aan.
Die doen er toe, die schoppen kont.
Maar weet je? Volgens mij maakt het niet zoveel uit in welke tijd je leeft. Als je een sterke geest hebt ram je, net als een kiempje van 1 gram, met 400 BAR dwars door beton of asfalt heen.
Geloof in jezelf is het begin.
J.A. Heitmann
20 juli 2012 op 13:55
De kunstenaar L. Le Roy lijkt me toch een amateur, academicus Mous maakt hem wetenschappelijk.
Huub Mous
20 juli 2012 op 14:11
Le Roy was als wetenschapper een autodidact. Maar zijn zelf verworven kennis was zeer groot en bestreek meerdere terreinen van wetenschap. Hij werd niet voor niets professor honoris causa. Overigens ligt zijn verdienste niet op het terrein van de wetenschap. Hij was een visionair kunstenaar. Een bouwmeester in ruimte en tijd.
Zie ook: http://www.huubmous.nl/2011/03/06/toynbee-en-de-tegencultuur/
tegencultuurbarbaar
20 juli 2012 op 14:52
zeer klein wordt nog eens zeer groot