‘Als ik Thierry Baudet tekeer hoor gaan tegen de kartelvorming van de politieke elite en de ziekelijke drang naar vervreemding en ontworteling in het streven naar de eenwording van Europa, dan denk ik: wat moet ik met die man? Maar nu ik zijn boek heb gelezen, moet ik tot mijn schrik erkennen, dat ik het op veel punten met hem eens ben. Er zit een vreemde parallel tussen Baudets boek ‘Oikofobie’ en mijn boek ‘De Fries die in de toekomst sprong‘. Wat moeten wij zo nodig met Europa? Wat moeten wij met die al maar uitdijende supranationale bureaucratische autoriteit die voorschriften uitschrijft voor de kromming van komkommers of het maximale geluid dat grasmaaiers mogen maken?’
Dat schreef ik zeven jaar geleden in mijn blog Baudet en de angst voor het eigene. Twee jaar eerder al had ik een blog geschreven naar aanleiding van zijn boek De aanval op de natiestaat. Inmiddels is de wereld behoorlijk veranderd. Wat mij tegenwoordig in Thierry Baudet fascineert, is de verandering die zich in zijn denken lijkt te hebben voltrokken. Rond 2015 trad hij naar voren als een intellectuele polemist die de gevestigde orde uitdaagde. Hij schreef over Europa, democratie, cultuur en identiteit en deed dat met een intellectuele bravoure die hem onderscheidde van de doorsnee politicus. Hij citeerde filosofen en schrijvers, bewoog zich gemakkelijk tussen geschiedenis en actualiteit en presenteerde zichzelf als iemand die achter de façade van het dagelijks politieke bedrijf de werkelijke mechanismen van de macht wilde blootleggen.
Dat alles maakte hem aanvankelijk interessant, ook voor wie het volstrekt niet met hem eens was. Hij stelde vragen die in het politieke midden soms te gemakkelijk werden afgedaan als onfatsoenlijk of irrelevant. Maar juist daarin lag ook het begin van een ontwikkeling die later een andere richting zou nemen. De kritische buitenstaander die vraagt of de werkelijkheid wel is zoals zij wordt voorgesteld, kan uiteindelijk terechtkomen in een wereld waarin vrijwel niets meer is wat het lijkt.mAanvankelijk was zijn kritiek vooral gericht op wat hij de politieke en culturele elite noemde. Daar is op zichzelf niets merkwaardigs aan. Iedere democratie heeft behoefte aan mensen die de vanzelfsprekendheden van de macht ter discussie stellen.
Het verschil ontstaat wanneer kritiek op een elite langzaam verandert in een verklaring van de werkelijkheid waarin die elite niet alleen verkeerde beslissingen neemt, maar bewust een verborgen agenda uitvoert. Dan verschuift het accent van politiek naar complot. Een bestuurder kan zich vergissen, een institutie kan bureaucratisch zijn en een journalist kan bevooroordeeld zijn. Maar in een complotmatig wereldbeeld worden zulke afzonderlijke tekortkomingen steeds meer onderdelen van één onderliggende structuur. Wat eerst nog verschillende problemen waren, blijken plotseling met elkaar samen te hangen. De Europese Unie, de media, de wetenschap, immigratie, klimaatbeleid, financiële instellingen en internationale organisaties worden dan niet meer afzonderlijk beoordeeld, maar verschijnen als uitingen van één en hetzelfde systeem.
In 2022 werd die ontwikkeling bij Baudet wel heel zichtbaar. In een interview sprak hij over een wereld die zou worden geregeerd door een ‘wereldwijde samenzwering van kwaadaardige reptielen’. Later verklaarde hij dat ‘reptielen’ als metafoor bedoeld waren, maar de uitspraak markeerde wel een moment waarop zijn denken voor velen duidelijk het karakter van complotdenken had gekregen. Het ging inmiddels niet meer alleen om kritiek op concrete machtsstructuren, maar om een veelomvattend verhaal waarin achter de zichtbare werkelijkheid een verborgen macht werkzaam zou zijn. Filosoof Cees Zweistra heeft erop gewezen dat zulke steeds radicalere uitspraken ook begrepen kunnen worden vanuit een politiek medialandschap waarin radicalisering zelf aandacht genereert. Wie steeds verder gaat, krijgt immers steeds meer aandacht. Het radicale standpunt wordt zo niet alleen een overtuiging, maar ook een communicatiestrategie.
In Het algoritme van de waan heb ik geprobeerd te begrijpen hoe een dergelijke gesloten betekeniswereld kan ontstaan. Een waan is daarbij niet simpelweg een verzameling onjuiste gedachten. Het bijzondere ervan is juist dat afzonderlijke ervaringen zich gaan voegen naar een patroon. Het ene verschijnsel bevestigt het andere en vervolgens wordt het geheel sterker dan ieder afzonderlijk onderdeel. Wat buitenstaanders ervaren als tegenbewijs, kan binnen het systeem juist als bevestiging functioneren. Dat mechanisme is ook in het politieke complotdenken herkenbaar. Wanneer de media een bewering van Baudet bestrijden, kan dat voor zijn aanhangers een reden zijn om de media nog minder te vertrouwen. Wanneer wetenschappers zijn opvattingen weerspreken, kan dat worden uitgelegd als bewijs dat de wetenschap onderdeel van het probleem is. En wanneer politieke tegenstanders hem aanvallen, kan hun aanval worden opgevat als bewijs dat hij iets heeft geraakt wat zij verborgen willen houden. Het systeem heeft daarmee een merkwaardige eigenschap gekregen: het kan vrijwel iedere gebeurtenis in zijn eigen voordeel interpreteren.
De coronacrisis heeft die ontwikkeling sterk versneld. Wat aanvankelijk nog een politiek conflict over maatregelen, vrijheid en volksgezondheid was, werd bij Baudet onderdeel van een veel groter verhaal over macht en manipulatie. Begrippen als de Great Reset en het World Economic Forum kregen daarin een centrale plaats. Achter de zichtbare gebeurtenissen zou een verborgen machtsstructuur werkzaam zijn die de samenleving fundamenteel wilde veranderen. Daarmee ontstond een verklaringsmodel waarin zeer uiteenlopende gebeurtenissen konden worden samengebracht. De pandemie was niet langer alleen een medische crisis, maar een symptoom van een wereldwijde machtsstrijd. Het interessante is dat zo’n model psychologisch aantrekkelijk kan worden doordat het complexiteit reduceert. De wereld wordt niet eenvoudiger omdat er minder gebeurtenissen zijn, maar omdat al die gebeurtenissen één onderliggende betekenis krijgen. De toevalligheid verdwijnt. Alles lijkt ergens bij te horen.
Daarmee verandert ook de positie van degene die het verhaal vertelt. De criticus wordt ziener. Hij is niet langer iemand die een andere politieke mening heeft, maar iemand die beweert te zien wat anderen niet kunnen of willen zien. Dat is een subtiele maar ingrijpende verandering. Wie zichzelf beschouwt als iemand die door de oppervlakte heen kijkt, krijgt een bijzondere verhouding tot zijn omgeving. Wie hem tegenspreekt, kan immers niet alleen ongelijk hebben, maar ook onderdeel zijn van de werkelijkheid die hij probeert te ontmaskeren. Zo ontstaat een onderscheid tussen degenen die ‘wakker’ zijn en degenen die nog slapen. Dat onderscheid is niet uitsluitend politiek. Het wordt bijna existentieel. De aanhanger krijgt het gevoel dat hij behoort tot een minderheid die de werkelijkheid werkelijk begrijpt, terwijl de meerderheid gevangen blijft in een kunstmatig beeld dat haar door media, politiek en onderwijs wordt aangereikt.
Op dat moment wordt de politieke beweging iets anders dan een gewone partij. Zij wordt een gemeenschap die niet alleen bepaalde politieke standpunten deelt, maar ook een eigen manier ontwikkelt om te bepalen wat waar is. Dat is misschien wel de belangrijkste stap in de ontwikkeling van Baudet. Het gaat niet langer alleen om de inhoud van afzonderlijke overtuigingen, maar om de vraag welke bronnen men nog vertrouwt. De gevestigde media worden onbetrouwbaar, officiële statistieken verdacht, wetenschappelijke instituten bevooroordeeld en politieke tegenstanders onderdeel van hetzelfde systeem. Daartegenover ontstaat een eigen informatiewereld met websites, podcasts, boeken, sprekers en sociale media. De groep wordt daardoor steeds minder afhankelijk van correcties die van buitenaf komen. Het wereldbeeld sluit zich als het ware om zichzelf heen.
Ook de persoon van Baudet raakt vervolgens steeds sterker met dat wereldbeeld verweven. Hij is niet alleen de politicus die een programma vertegenwoordigt, maar wordt zelf onderdeel van het verhaal dat hij vertelt. Zijn conflicten, aanvallen en controverses krijgen betekenis binnen de grotere strijd tussen waarheid en leugen. Dat geeft een charismatische leider een bijzondere positie. Wanneer hij wordt bekritiseerd, kan hij zich presenteren als slachtoffer van het systeem. Wanneer hij wordt uitgesloten, kan die uitsluiting worden geïnterpreteerd als bewijs van zijn gevaar voor de gevestigde orde. Wanneer hij verkiezingsnederlagen lijdt, hoeft dat niet noodzakelijk te betekenen dat zijn analyse heeft gefaald; het kan betekenen dat de bevolking nog niet wakker is geworden. Zo ontstaat een systeem waarin zelfs mislukking kan worden omgezet in bevestiging. De leider hoeft daardoor steeds minder rekening te houden met de mogelijkheid dat de werkelijkheid zijn eigen verhaal weerspreekt.
Daarin zit voor mij een opmerkelijke parallel met het verschijnsel dat ik in Het algoritme van de waan heb proberen te beschrijven. Het woord ‘algoritme’ gebruik ik daar niet alleen in de technische betekenis van een computerprogramma. Het staat ook voor een mechanisme dat uit een beperkt aantal uitgangspunten steeds opnieuw dezelfde soort uitkomsten produceert. Wanneer bepaalde aannames eenmaal zijn vastgezet, worden nieuwe ervaringen niet meer onbevangen onderzocht. Ze worden door het bestaande schema heen geïnterpreteerd. De werkelijkheid levert vervolgens precies datgene op wat het algoritme verwachtte. Niet omdat de werkelijkheid zich werkelijk zo gedraagt, maar omdat iedere waarneming volgens dezelfde regels wordt geselecteerd en verbonden. Het resultaat is een werkelijkheid die zichzelf bevestigt.
Ik denk het fenomeen Baudet daarom niet in de eerste plaats begrepen moet worden als iemand die ‘gekke dingen’ is gaan geloven. Dat oordeel is te gemakkelijk en bovendien weinig verhelderend. Interessanter is de vraag hoe een intelligent mens terecht kan komen in een systeem waarin intelligentie uiteindelijk tegen zichzelf wordt gebruikt. Want juist een scherpzinnige geest kan buitengewoon goed worden in het leggen van verbanden. Het gevaar ontstaat wanneer het vermogen om verbanden te zien niet langer wordt gecorrigeerd door het vermogen om verbanden weer los te laten. Dan wordt ieder detail betekenisvol. Het toeval verdwijnt. Tegenstrijdigheden worden verklaard. Uitzonderingen worden opgenomen in de regel. En uiteindelijk kan de hoeveelheid verbanden zo groot worden dat het onmogelijk wordt om nog te bepalen waar interpretatie ophoudt en werkelijkheid begint.
Dat verklaart misschien ook waarom Baudet zich de laatste jaren minder lijkt te gedragen als een gewone parlementaire politicus. Als de werkelijke macht volgens hem niet in de Tweede Kamer ligt, maar in een veel groter netwerk van media, onderwijs, cultuur, economie en internationale instellingen, dan is het logisch dat de politieke partij slechts één instrument wordt binnen een veel bredere beweging. Het doel wordt dan niet meer alleen verkiezingswinst. Er moet een alternatieve infrastructuur worden opgebouwd: eigen media, eigen onderwijs, eigen culturele instellingen, eigen economische netwerken en een eigen intellectuele omgeving. De beweging moet als het ware haar eigen wereld gaan produceren. De stap van oppositie naar afzonderlijke werkelijkheid is daarmee bijna voltooid.
In dat licht is ook zijn tijdelijk terugtreden als Kamerlid interessant. Er zijn geen deugdelijke aanwijzingen dat dit besluit het gevolg was van een psychiatrisch probleem, en het zou speculatief zijn om achteraf een psychiatrische diagnose op zijn politieke gedrag te plakken. Er zijn wel sterke aanwijzingen voor een langdurige radicalisering van zijn wereldbeeld, een toenemende complotachtige manier van denken en een verschuiving van de rol van politicus als publiek gezicht naar die van ideoloog en organisator achter de schermen.
In maart 2026 constateerde Nieuwsuur bijvoorbeeld dat Baudet, ondanks de komst van Lidewij de Vos als nieuw gezicht, achter de schermen nog steeds grote invloed op Forum voor Democratie uitoefende. Als partijvoorzitter heeft hij bovendien invloed op de kandidatenlijsten. Hoe radicaler het wereldbeeld wordt, hoe minder belangrijk het dagelijkse parlementaire handwerk kan worden. Het parlement wordt dan bijna een toneel waarop de strijd zichtbaar wordt, terwijl de werkelijke strijd volgens de ideoloog elders plaatsvindt. Overigens is Baudet op 19 augustus j.l. officieel weer benoemd als Tweede Kamerlid voor Forum voor Democratie.
Al met al zou het te eenvoudig zijn om dit alles uitsluitend als een verhaal van ontsporing te vertellen. De aantrekkingskracht van complotdenken ligt ook in iets wat aan de normale werkelijkheid ontbreekt: samenhang. De moderne wereld is complex, versnipperd en vaak ondoorzichtig. Macht is verdeeld over instituties die niemand volledig kan overzien. Beslissingen worden genomen door mensen die elkaar nauwelijks kennen en toch invloed op elkaar uitoefenen. In zo’n wereld is de verleiding groot om achter de toevallige veelheid een verborgen orde te zoeken. Het complot biedt dan een soort metafysische troost. Het zegt: er is iemand die het geheel overziet. Er is een plan. Er is een bedoeling. Niets gebeurt zomaar.
Juist daarom is de overgang van intellectuele kritiek naar complotdenken zo moeilijk te markeren. Het begint niet noodzakelijk met een irrationele gedachte. Het kan beginnen met een terechte vraag: wie heeft hier belang bij? Welke machtsverhoudingen spelen een rol? Welke informatie ontbreekt? Welke belangen worden onvoldoende benoemd? Dat zijn gezonde vragen. Maar wanneer de antwoorden zich steeds in dezelfde richting gaan bewegen, ontstaat een gesloten systeem. De vraag verandert dan ongemerkt in een vooronderstelling. Niet langer wordt gevraagd óf er een verborgen verband bestaat, maar alleen nog hóé dat verband precies werkt. De werkelijkheid is dan niet langer het vertrekpunt van het denken; zij is het materiaal waaruit het bestaande verhaal telkens opnieuw wordt opgebouwd.
Dat is dat uiteindelijk de conclusie die Baudet mij – bezien vanuit mijn boek Het algoritme van de waan – heeft geleerd. De waan begint niet noodzakelijk waar de werkelijkheid verdwijnt. Zij kan beginnen waar de werkelijkheid te veel betekenis krijgt. Waar ieder detail iets zegt, iedere tegenstander een functie heeft, iedere toevalligheid een aanwijzing wordt en iedere tegenspraak een bewijs van het tegendeel. Het probleem is dan niet een gebrek aan rationaliteit, maar een teveel aan samenhang. De wereld wordt een tekst waarin alles gelezen kan worden en waarin niets meer betekenisloos mag blijven.
Daarom zou ik Baudet vandaag niet simpelweg willen typeren als de intellectueel die in een complotdenker is veranderd. Interessanter is het proces zelf: hoe de kritische buitenstaander langzaam de wereld waarin hij leeft gaat vervangen door een wereld die zijn eigen kritiek voortdurend bevestigt. Van de polemist die vroeg: ‘Klopt het verhaal wel?’, ontstaat uiteindelijk de ideoloog die denkt te weten waarom iedereen die het verhaal tegenspreekt ongelijk moet hebben. De werkelijkheid is dan niet verdwenen. Zij is opgenomen in een groter verhaal dat zichzelf steeds opnieuw verklaart.
Maar dat is ook precies wat het algoritme van de waan doet: het maakt van de werkelijkheid een spiegel waarin je uiteindelijk telkens weer je eigen schaduw terugziet. Dat is een gestaag verlopend proces dat het gevaar in zich draagt zomaar te kunnen uitmonden in de waanziekte van de maan.
