De eeuwige omweg van Nooteboom

Het literaire recept van Cees Nooteboom (1933-2026) is eigenlijk verbluffend eenvoudig. Men neme een schrijver, een landschap, een oude kathedraal, een goed glas wijn en vooral een bestemming waar men vooral niet moet aankomen. Vervolgens laat men de schrijver vertrekken. Hij rijdt, wandelt, kijkt, leest, associeert, citeert, filosofeert en maakt onderweg zoveel zijwegen dat de oorspronkelijke bestemming allang uit het zicht verdwenen is. Dat is geen bezwaar. Integendeel. De omweg ís de bestemming. Bij Nooteboom wordt schrijven dwalen en dwalen schrijven. De tijd verandert in ruimte en de ruimte verandert in tijd. Een reis door Spanje kan daardoor moeiteloos een reis door de middeleeuwen worden, terwijl een herinnering uit zijn jeugd ineens ergens achter een Spaanse bergkam opduikt. Wie denkt dat hij een reisboek leest, vergist zich. Hij zit in een voertuig dat al jaren geleden vertrokken is en waarvan niemand precies weet waar het heen gaat.

Misschien verklaart dat ook mijn merkwaardige verhouding tot Nooteboom. Ik heb iets tegen zijn proza juist omdat het zo goed geschreven is. Dat is een onaangename vorm van irritatie. Bij een slechte schrijver kun je tenminste rustig verder lezen. Je weet dat je niet veel mist. Bij Nooteboom is dat onmogelijk. Elke zin is zorgvuldig opgepoetst, alsof hij eerst door een literaire wasstraat is gereden. Er staat bijna altijd iets iets erudiets, iets dat je eigenlijk zou moeten onderstrepen. En precies daardoor ontstaat een merkwaardige verdenking: dat de schrijver voortdurend bezig is je eraan te herinneren dat hij een schrijver is. Nooteboom schrijft niet alleen over een landschap; hij schrijft over het feit dat hij naar een landschap kijkt. Hij kijkt naar een kerk, kijkt naar zichzelf terwijl hij naar die kerk kijkt en kijkt vervolgens naar de schrijver die hij geworden is doordat hij naar die kerk kijkt. Tegen de tijd dat je eindelijk bij de kerk bent aangekomen, is de kerk alweer een metafoor geworden.

Zijn roman Philip en de anderen vormt in dat opzicht een merkwaardige uitzondering. Daarin zit nog iets onbeholpens, iets jongensachtigs, iets van iemand die werkelijk onderweg is en nog niet precies weet wat hij onderweg moet vinden. Misschien is dat waarom het boek mij beter bevalt. De hoofdpersoon heeft nog niet de volledige beschikking over het arsenaal waarmee de volwassen Nooteboom later ieder landschap zal annexeren: geschiedenis, kunstgeschiedenis, mythologie, filosofie, literatuur, architectuur en een licht melancholische blik die suggereert dat achter ieder zichtbaar object een onzichtbare betekenis schuilgaat. In Philip en de anderen bestaat nog het wonder van het reizen zelf. Er is zelfs die prachtige droom van de bus, waarin de hoofdpersoon ’s nachts wil rijden zonder precies te weten waarheen. Dat beeld lijkt achteraf bijna profetisch. Nooteboom heeft van die bus zijn hele literaire leven gemaakt. Alleen is de bus bij hem nooit een gewone bus geworden. Het is een rijdende bibliotheek.

Een bus is natuurlijk een prachtige metafoor voor het leven. Je zit erin, je bent onderweg, maar je bestuurt hem niet zelf. Het landschap glijdt voorbij en ondertussen kun je denken aan alles wat niet voorbijgaat. Vasalis wist dat al toen zij in De Afsluitdijk dat wonderlijk gespleten lange heden beschreef. In een bus kan de tijd even ophouden terwijl de ruimte doorgaat. Je zit stil en beweegt toch. Dat is precies de paradox waarin Nooteboom zich thuis voelt. Zijn reizen zijn ruimtelijke bewegingen die voortdurend in historische tijd uiteenvallen. Een landschap is bij hem nooit alleen een landschap. Onder de grond liggen Romeinen, boven de grond lopen Habsburgers, ergens in een kerk hangt een middeleeuwse Christus en in de verte rijdt een hedendaagse auto: een Citroën DX, dat wel Alles is tegelijkertijd aanwezig. De reiziger beweegt door de ruimte, maar de ruimte beweegt ook door de tijd. Het heden blijkt slechts een dun laagje vernis op een oneindige archeologische gelaagdheid van tijden.

Dat klinkt prachtig allemaal, maar dat is juist het probleem. Want Nooteboom heeft een bijna onmenselijk talent om van alles iets moois te maken. Een ruïne wordt een meditatie over vergankelijkheid en een lunch in een parador krijgt de ernst van een kleine metafysische gebeurtenis. Ergens ligt altijd een glas donkerrode wijn te wachten, en ergens in de verte staat een klok die de reiziger erop wijst dat de tijd bestaat. Je zou bijna wensen dat iemand hem onderweg eens een plastic koffiebekertje aanreikt. Gewoon om te zien of hij daar ook een beschouwing van twaalf pagina’s over kan schrijven. Waarschijnlijk wel. Het koffiebekertje zou hem herinneren aan de vergankelijkheid van de consumptiemaatschappij, aan Duchamp, aan de pelgrim als consument en uiteindelijk aan de beker van Christus bij het Laatste Avondmaal. Het vermogen tot associëren had bij Nooteboom haast een kosmische dimensie. Het houdt nooit op….

Dat is ook mijn bezwaar tegen De omweg naar Santiago. Het boek is in zekere zin het perfecte Nooteboomboek, omdat het precies doet wat de titel belooft. Het neemt je mee naar Santiago, maar vooral niet langs de kortste route. De lezer wordt van Extremadura naar Galicië gestuurd, van Castilië naar Andalusië, van de Guadalquivir naar de Ebro, en ondertussen komen koningen, kaliefen, inquisitoren, schilders, heiligen en burgeroorlogen voorbij. Het is alsof je een taxi hebt genomen waarvan de chauffeur bij iedere kruising zegt: ‘Wacht even, hier moet ik u iets over vertellen.’ Na een paar uur weet je alles over de geschiedenis van Spanje, behalve waar je eigenlijk heen ging. Een kaart ontbreekt, wat misschien wel de meest consequente beslissing van de hele onderneming is. Een kaart zou immers kunnen suggereren dat er zoiets als een route bestaat.

Nooteboom heeft niets tegen verdwalen. Integendeel, hij heeft het verdwalen verheven tot een literaire deugd. Maar er bestaat een verschil tussen verdwalen en voortdurend laten zien dat je verdwaald bent. Bij Nooteboom weet de lezer soms niet meer of hij naar Spanje kijkt of naar Nooteboom die naar Spanje kijkt. Het land wordt een decor voor het bewustzijn van de reiziger. De reisverhalen gaan daardoor uiteindelijk minder over Spanje dan over het fenomeen Nooteboom. Eerst is er Nooteboom, vervolgens Spanje, daarna de geschiedenis van Spanje, vervolgens de betekenis van het reizen door Spanje en tenslotte weer Nooteboom, die zich afvraagt waarom hij eigenlijk naar Spanje is gegaan. Het land zelf heeft ondertussen alle gelegenheid gehad om onopgemerkt tussen de regels te verdwijnen.

Achter de onbegernsde eruditie van Nooteboom gaat een vorm van melancholie schuil die hij nooit helemaal expliciet maakt. Zijn fascinatie voor Spanje heeft iets van een religieuze archeologie. Hij kijkt naar kerken, heiligenbeelden, altaren en rituelen binnen het kader van een een cultuur waarin die dingen ooit werkelijk betekenis hadden. Nu zijn ze kunstobject geworden. Het geloof is verdwenen, maar de schoonheid is gebleven. En daar zit ook iets pijnlijks in. De toerist staat voor het altaar en kijkt naar wat ooit voor de gelovige iets anders was dan een kunstwerk. Hij ziet de vorm, maar vermoedt een betekenis die hij zelf niet werkelijk meer kan bevatten. Het is alsof hij voor een gesloten deur staat waarvan hij de sleutel ergens in zijn jeugd verloren heeft.

Misschien ligt daar de werkelijke motor van zijn eeuwige omweg. Nooteboom reist niet alleen door landen, maar vooral door verdwenen staketsels van betekenis. Hij zoekt niet zozeer een plaats als wel een toestand waarin heden en verleden nog met elkaar verbonden waren. Het middeleeuwse Spanje is dan niet alleen Spanje, maar een verloren wereld waarin religie, kunst, geschiedenis en dagelijks leven nog één geheel vormden. De moderne reiziger kan die eenheid alleen nog reconstrueren uit toeristische restanten. Hij kan erover schrijven, maar hij kan de oerbetekenis niet terugvinden. En dus moet hij verder, altihd maar verder. Achter de volgende heuvel ligt misschien het antwoord. En anders wel achter de volgende kathedraal of de volgende alinea…

Daarom is Nooteboom minder een schrijver van het reizen dan een schrijver van het uitstel. Hij stelt de aankomst voortdurend uit, omdat aankomst het einde van de mogelijkheden van het dwalen zou betekenen. Zolang je onderweg bent, kan alles nog een betekenis krijgen. Zodra je aankomt, blijkt het gewoon een plaats te zijn. Santiago is dan uiteindelijk aleen maar Santiago. Een kerk is een kerk. Een landschap houdt op een landschap te zijn zodra je er middenin staat. De literatuur heeft daarom belang bij de aanhoudende afstand die wordt bewerkstelligd door de eeuwige omweg. Nooteboom moet tussen zichzelf en de werkelijkheid telekns weer een dunne laagje literatuur aanbrengen, anders zou de werkelijkheid gevaarlijk dichtbij komen. Zijn proza is een beschermende verpakking rond het leven. Dwalen wordt zo ontsnappen aan het zijn.

Daarin verschilt hij op subtiele wijze van de reiziger in de bus uit mijn droom. Ook die bus kwam nooit aan. De zon ging onder, de bergen werden donker, de hemel werd paars en ergens in de verte stond een vuurtoren. Het merkwaardige was dat ik mij daar niet druk over maakte. Er was geen bestemming meer en juist daardoor werd de reis voor de lezer draaglijk. In wezen is dat wel de zuiverste Nooteboom-situatie: onderweg zijn zonder aankomst en tegelijk herinneren zonder terugkeer. De bus wordt zo een binnenkamer waarin de wereld buiten voorbijschuift en de gedachten binnen hun eigen imaginaire reis beginnen. Ruimte en bewustzijn gaan stilaan samenvalen. De reiziger hoeft niets te bereiken. Hij hoeft alleen maar te blijven rijden in het eeuwig gespleten heden.

Bij Nooteboom ontstond op den duur een tegendraadse vorm van ironie. Want als iedere omweg betekenisvol is, wordt uiteindelijk iedere weg een omweg. Als iedere plek een aanleiding is voor een historische of filosofische excursie, bestaat er geen onbelangrijke plek meer. Als ieder landschap een metafoor wordt, mag een landschap dan nog gewoon landschap zijn? Nootebooms grote talent dreigde daardoor steeds meer zijn eigen vijand te worden. Hij kon de werkelijkheid zo overtuigend betekenis geven dat alles uiteindelijk onder een betekenissen verdwijnt. De wereld wordt een boek en het boek wordt vervolgens een wereld waarin de oorspronkelijke wereld nauwelijks nog zichtbaar is. Je zou bijna zeggen: Nooteboom reist om te voorkomen dat hij ergens aankomt waar niets meer over te schrijven valt.

Dat verklaart wellicht ook zijn bewondering in Duitsland. De Duitse lezer heeft vermoedelijk geen bezwaar tegen een schrijver die onderweg bij iedere steen aan een kleine cultuurgeschiedenis begint. Integendeel. Er is iets diep Europees aan deze manier van reizen: men reist niet door Europa, men reist door het geheugen van Europa. Italië is Dante, Spanje is Cervantes, Duitsland is Goethe, Frankrijk is Proust. De toerist neemt zo zijn culturele bagage mee en ziet onderweg vooral wat hij al wist. Nooteboom is daar de ideale gids voor. Hij laat je precies die dingen zien waarvan je nog niet wist dat je ze moest zien. Het is de ultieme vorm van literair toerisme: je komt thuis met een hoofd vol kennis maar tegelijk met het onbehaaglijke gevoel dat je nergens werkelijk bent geweest.

En toch zou het te gemakkelijk zijn om hem alleen maar als een erudiete toerist met een schrijfmachine weg te zetten. Daarvoor is zijn beste werk te mooi en zijn intuïtie vaak te raak. Hij begrijpt iets wat veel rechtlijniger schrijvers missen: dat het leven zich niet netjes van A naar B beweegt. Herinneringen lopen door plaatsen heen, plaatsen roepen herinneringen op, het heden wordt voortdurend door het verleden bewoond en iedere bestemming blijkt achteraf een tussenstation. Schrijven is daarom misschien inderdaad een vorm van dwalen. Alleen is Nooteboom geleidelijk aan zo goed in het dwalen geworden dat hij er een consistent systeem van heeft gemaakt. Zijn omwegen zijn zo prachtig uitgezet dat je soms verlangt naar een verdwaalde schrijver die gewoon niet weet waar hij al dwalend beland is, en dat ook eerlijk laat weten.

Daarom zou ik Nooteboom uiteindelijk toch het liefst in een bus lezen, zoals ik ook de enige keer dat ik naar Santiago de Compstella ben gereisd, dat met een bus heb gedaan. In die bus zou ik Nooteboom ook bij voorkeur ’s nachts willen lezen. Geen routekaart bij de hand en geen bibliotheek binnen handbereik. Alleen het donkere raam van de bus en al die half slapende passagiers om me heen. De literatuur van Nooteboom zou daar uiteindelijk niets aan toe te voegen hebben. De bus rijdt, de wereld draait onder mij weg, maar de tijd staat ogenschijnlijk voor eeuwig stil. En wanneer niemand dan meer precies zou weten waar we zijn, zou de schrijver die ik lees voor één keer werkelijk aankomen. Niet in het verleden, maar in dat wonderlijke heden van de bus die ogenschijnlijk nergens heen hoeft. Ooit ben ik dan vertrokken, maar ik lijk ook nooit vertrokken te zijn.

De eeuwige omweg van Nooteboom is een kunstmatig in stand gehouden hypnose. Het is de eeuwige drang om te vertrekken, en tegelijk de altijd terugkerende huiver om ooit voorgoed ergens aan te komen. Kortom, het is pure illusie. Maar wel een illusie die mooie zinnen oplevert voor in de bus.