De essentie negen jaar later

Het nihilistisch online ecosysteem is de laatste jaren sterk gegroeid. Binnen dit ecosysteem ontbreekt vaak een duidelijk te identificeren ideologische component of rechtvaardiging in relatie tot het gebruikte geweld. Vaak is er helemaal geen sprake van ideologie en extremisme en gaat het om geweld omwille van het geweld, zoals bij puur sadisme. Van nihilistisch extremisme is sprake als er geweld plaatsvindt gemotiveerd vanuit een negatief mensbeeld (misantropie), waarbij wordt gestreefd naar de vernietiging van mens en maatschappij.

Dit las ik gisteren op de site van de  Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding. Van zo’n bericht word je niet vrolijk, om het maar zacht te zeggen. In de zomer van 2017 verscheen mijn boek Jihad of verstandsverbijstering. Kort daarvoor vroegen de kunstenaars Martin en Inge Riebeek of ik mee wilde doen aan het project The Essential dat later in het Fries Museum en ook in De Pont in Tilburg was te zien. Ik aarzelde, want ik had roerige maanden achter de rug na het overlijden van mijn eerste vrouw. Het schrijven aan mijn boek over terrorisme – in al zijn verschijningsvormen – was voor mij een vreemd soort escape geweest uit een periode van rouw. Uit mijn verdriet groeide wonderlijk genoeg een fascinatie voor terroristisch geweld al dan niet voortkomend uit psychische ontsporingen. Ik heb meegedaan aan het project, al ging het met moeite. Als ik er nu op terugkijk wordt het een omzien in verwondering dat ik geprobeerd heb als volgt te verwoorden.

*

Negen jaar geleden stond ik op een ochtend in de Lange Marktstraat in Leeuwarden voor een camera. Ik moest een tekst uit mijn hoofd voordragen. “Mijn naam is Huub Mous. Ik ben geboren en getogen in Amsterdam en woon sinds veertig jaar in Friesland.” Zo begon mijn verhaal. Destijds leek het een tamelijk eenvoudige opdracht: jezelf voorstellen en vertellen welke gebeurtenis in je leven allesbepalend was geweest. Toch bleek het veel ingewikkelder dan ik had gedacht. Ik moest niet alleen foutloos spreken, maar vooral overtuigend. Ik moest mijzelf spelen. Niet zomaar mezelf, maar de versie van mezelf die geloofwaardig genoeg was om door de camera als echt te worden geregistreerd. De regisseur sprak steeds opnieuw hetzelfde woord uit: authentiek. Ik moest van binnenuit spreken. Echter dan echt.

Achteraf bezien was die ochtend veel meer dan een opname voor een videoproject. Ze bleek een vooraankondiging van een tijdperk waarin iedereen voortdurend zichzelf zou moeten spelen voor een camera, een scherm of een algoritme. Wat toen nog een artistiek experiment leek, is inmiddels een alledaagse werkelijkheid geworden. We leven in een wereld waarin identiteit voortdurend wordt geproduceerd, gecorrigeerd en vermarkt. Niet alleen door onszelf, maar steeds vaker ook door kunstmatige intelligentie. Het onderscheid tussen de mens en zijn digitale dubbelganger vervaagt. Iedereen laat sporen achter die door machines worden verzameld, geanalyseerd en opnieuw samengesteld. De mens wordt langzaam een dataset van zichzelf.

Het videoproject waarvoor ik werd gefilmd heette The Essential. De kunstenaars Martin en Inge Riebeek vroegen mensen over de hele wereld naar de essentie van hun leven. Welke gebeurtenis had hen gevormd? Mijn antwoord had alles te maken met de psychose die mij als adolescent overviel. Die ervaring heeft mij nooit meer losgelaten. Niet omdat ik haar voortdurend wil herbeleven, maar omdat zij mij voorgoed gevoelig heeft gemaakt voor de dunne scheidslijn tussen werkelijkheid en verbeelding. Een psychose is geen filosofie en geen levensbeschouwing. Zij is een ontregeling van het bewustzijn. Maar juist daardoor laat zij zien hoe kwetsbaar onze vanzelfsprekende verhouding tot de werkelijkheid eigenlijk is.

Destijds hield ik mij vooral bezig met de vraag hoe psychotische ontsporingen zich soms konden vermengen met processen van radicalisering. De aanslagen van IS waren lagen nog vers in het geheugen. Regelmatig bleek dat daders niet alleen ideologisch gedreven waren, maar ook leden aan ernstige psychiatrische stoornissen. Ik vroeg mij af of het klassieke onderscheid tussen politieke overtuiging en psychische ontregeling wel altijd zo helder was als wij graag aannemen. Die vraag is sindsdien alleen maar ingewikkelder geworden.

Niet omdat terrorisme verdwenen is, maar omdat de wereld zelf een andere gedaante heeft aangenomen. De oorlog is teruggekeerd naar Europa. De Russische inval in Oekraïne heeft een tijdperk afgesloten waarin velen geloofden dat de geschiedenis uiteindelijk zou uitmonden in een liberale wereldorde. Tegelijkertijd woedt in het Midden-Oosten een conflict dat de wereld opnieuw langs religieuze, culturele en geopolitieke breuklijnen verdeelt. China en de Verenigde Staten bewegen zich steeds nadrukkelijker naar een nieuwe machtsstrijd. Kernwapens zijn weer onderwerp van dagelijks nieuws geworden. En alsof dat nog niet genoeg is, voltrekt zich op de achtergrond een klimaatcrisis die zich weinig aantrekt van nationale grenzen of ideologische tegenstellingen.

Ingrijpender is misschien nog dat de werkelijkheid zelf instabiel is geworden. Negen jaar geleden schreef ik dat er een fake-versie van de wereld ontstond die langzaam ons bewustzijn ging bepalen. Dat klonk destijds nog enigszins speculatief. Inmiddels is het bijna een nuchtere constatering geworden. Kunstmatige intelligentie kan stemmen imiteren, gezichten genereren en complete teksten schrijven die nauwelijks nog van menselijke producten te onderscheiden zijn. Deepfakes maken het mogelijk gebeurtenissen te fabriceren die nooit hebben plaatsgevonden. Sociale media belonen niet de waarheid, maar de aandacht. Algoritmen versterken emoties omdat verontwaardiging beter verkoopt dan nuances. Het onderscheid tussen feit en fictie is niet verdwenen, maar het kost steeds meer inspanning om het nog te onderhouden als een grenslijn.

Daarmee krijgt ook het begrip authenticiteit een merkwaardige betekenis. Wat betekent het nog om jezelf te zijn wanneer een machine jouw stijl kan overnemen, jouw stem kan nabootsen en zelfs jouw gedachten lijkt te kunnen voorspellen? Misschien was die opdracht om voor de camera te spreken over de essentie in je levendaarom achteraf zo symbolisch. Ik moest een geloofwaardige versie van mijzelf opvoeren. Inmiddels doet vrijwel iedereen dat dagelijks, vaak zonder het nog te beseffen.

Soms bekruipt mij de gedachte dat onze cultuur kenmerken begint te vertonen van een collectieve dissociatie. Daarmee bedoel ik niet dat de samenleving psychotisch wordt. Dat zou een misplaatste metafoor zijn. Maar wel dat de gemeenschappelijke werkelijkheid uiteenvalt in steeds meer afzonderlijke werkelijkheden die elkaar nauwelijks nog raken. Iedereen leeft in zijn eigen informatiestroom en zijn eigen wereldbeeld dat steeds meer door algoritmen wordt bepaald. De gedeelde werkelijkheid, die ooit door kranten, scholen, kerken en andere instituties werd gedragen, brokkelt steeds verderaf. Waar vroeger ideologieën tegenover elkaar stonden, botsen nu imaginaire werkelijkheden, terwijl deze botsingen worden gemanipuleerd door nep-nieuws en desinformatie.

Daarom denk ik nog vaak terug aan een uitspraak van Jean Baudrillard, die kort na de aanslagen van 11 september schreef dat het terrorisme niet langer door een ideologie alleen kon worden verklaard, maar een radicalisering van de wereld zelf vertegenwoordigde. Destijds vond ik dat een provocerende gedachte. Nu lees ik haar anders. Niet omdat Baudrillard gelijk zou hebben gekregen, maar omdat de wereld inderdaad radicaler is geworden. Niet alleen politiek, maar ook technologisch. Kunstmatige intelligentie radicaliseert de informatie. Sociale media radicaliseren emoties. Klimaatverandering radicaliseert de natuur. Geopolitieke conflicten radicaliseren de geschiedenis. Alsof alle systemen tegelijk hun uiterste grens beginnen op te zoeken.

Dat maakt ook de vraag naar de essentie van het leven paradoxaal. Juist nu wij beschikken over ongekende hoeveelheden informatie, lijken wij steeds minder zeker te weten wat werkelijk van betekenis is. De oude religieuze verhalen verliezen hun overtuigingskracht, maar de behoefte aan zin en betekenis verdwijnt niet. Het spirituele zoekt nieuwe vormen. Soms in complottheorieën. Soms in radicale politieke bewegingen. Soms in technologische utopieën die beloven dat kunstmatige intelligentie alle menselijke problemen uiteindelijk zal oplossen. Zelfs de droom van de onsterfelijkheid keert terug, niet langer in religieuze gedaante maar als digitaal project. Alsof de oude hemel geruisloos is vervangen door de cloud.

Dat is wellicht de meest ingrijpende verandering van de afgelopen negen jaar. Niet dat de technologie slimmer is geworden, maar dat zij steeds meer functies overneemt die vroeger tot het domein van religie, filosofie of kunst behoorden. AI beantwoordt onze vragen, schrijft onze teksten, genereert onze beelden en begint zelfs onze herinneringen te ordenen. Zij wordt een spiegel waarin een mens zichzelf denkt terug te vinden. Maar iedere spiegel vervormt.

Ik weet nog steeds niet wat de essentie van mijn leven is. Misschien verandert die telkens opnieuw wanneer ik terugkijk. De psychose uit mijn jeugd blijft nog altijd een belangrijk ijkpunt, niet omdat zij alles verklaart, maar omdat zij mij heeft geleerd dat de werkelijkheid als zodanog uiterst kwetsbaar is. Dat besef is vandaag actueler dan ooit. Niet alleen voor individuen, maar voor hele samenlevingen.

Negen jaar geleden dacht ik dat ik voor een camera stond om een verhaal over mijzelf te vertellen. Nu begrijp ik dat die camera zelf al deel uitmaakte van een veel groter verhaal. Een verhaal waarin de grenzen tussen mens en machine, tussen werkelijkheid en representatie, tussen waarheid en simulatie steeds vager worden. Wij leven niet langer alleen in een wereld van beelden; de beelden beginnen de wereld zelf te produceren.

Dat is uiteindelijk de essentie van onze tijd. Wij verliezen de werkelijkheid niet , maar worden gedwongenj haar steeds opnieuw terug te veroveren. Iedere dag opnieuw, tegen de verleiding in van de perfecte simulatie, de onmiddellijke zekerheid en de algoritmische bevestiging. De werkelijkheid is nooit vanzelfsprekend geweest. Maar zij is zelden zo ondefinieerbaar geweest als nu. En paradoxaal genoeg blijft zij juist daarom de moeite waard. Zij is onvolmaakt, weerbarstig en vaak pijnlijk, maar alleen daar, in die weerbarstige werkelijkheid, kan een mens nog werkelijk zichzelf zijn.