‘Overal in de lucht is de adelaar thuis. Op de hele aarde heeft de nobele mens zijn vaderland.’ Die woorden van Euripides lijken op het eerste gezicht geschreven voor de moderne mens. De twintigste eeuw bracht een ongekende versnelling van techniek, communicatie en mobiliteit met zich mee. Grenzen vervaagden, tradities werden ter discussie gesteld en de wereld leek zich te openen voor een universele cultuur waarin plaatselijke verschillen hun betekenis zouden verliezen. Toch is het tegendeel gebeurd. Juist in een tijdperk van globalisering en modernisering blijkt de behoefte aan een eigen bodem, een herkenbaar landschap en een vertrouwde gemeenschap hardnekkig aanwezig te blijven. Misschien is dat spanningsveld tussen moderniteit en heimwee nergens zo zichtbaar geworden als in Friesland.
Het modernisme wordt vaak voorgesteld als een internationale stijl, een rationele manier van denken die zich weinig aantrekt van regionale verschillen. Maar wie naar Friesland kijkt, ontdekt een merkwaardige paradox. Juist hier, in een provincie die zichzelf graag definieert vanuit eigenheid en traditie, heeft het modernisme opvallend diep wortel geschoten. Niet ondanks, maar misschien wel dankzij de eigenschappen die men als typisch Fries beschouwt: nuchterheid, soberheid, rechtlijnigheid en een zekere afkeer van uiterlijk vertoon.
Aldous Huxley merkte tijdens zijn reis door Nederland in de jaren twintig op dat een tocht door dit land leek op een wandeling door de eerste boeken van Euclides. Hij zag een landschap van rechte lijnen, haakse hoeken en geometrische patronen. Wegen en kanalen vormden een mathematisch netwerk waarin perspectief en orde de toon aangaven. Het was een landschap dat volgens hem om poëzie vroeg. Ook Hans Jaffé wees later op de relatie tussen de geografische structuur van Nederland en eigenschappen als precisie, abstractie en mathematische discipline, eigenschappen die hij terugzag in het werk van Mondriaan.
Voor Friesland geldt die verwantschap misschien nog sterker. Het Friese landschap heeft iets van een geometrische compositie. De strakke verkaveling, de rechte vaarten en de eindeloze horizonten lijken haast vanzelfsprekend een voorkeur op te roepen voor een heldere en sobere vormgeving. Geen uitbundige barok, maar eenvoud en structuur. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist het functionalisme en het modernisme hier vruchtbare grond vonden.
Daarbij speelde ook de protestantse cultuur een belangrijke rol. De beeldenstorm had de kerken in het noorden al vroeg ontdaan van overdaad en versiering. De nadruk kwam te liggen op het woord en niet op het beeld. In tegenstelling tot de katholieke neogotiek van Pierre Cuypers, die terugverlangde naar een geïdealiseerd verleden, stond Abraham Kuyper verrassend open voor de moderne tijd. Hij zag het modernisme niet als een vijand die vernietigd moest worden, maar als een verschijnsel dat serieus genomen diende te worden. In zijn visie moesten nieuwe ontwikkelingen niet worden afgewezen, maar beoordeeld op hun wezenlijke betekenis.
Deze houding verklaart wellicht waarom het modernisme in Nederland vooral in het protestantse noorden ontvankelijkheid vond. In Friesland voltrok zich na de Tweede Wereldoorlog een enigszins vertraagde modernisering, maar toen de moderne geest eenmaal was doorgedrongen, bleek zij opmerkelijk duurzaam. Terwijl elders het postmodernisme terrein won met ironie, historische verwijzingen en speelse vormen, bleef Friesland opvallend trouw aan de idealen van functionaliteit en helderheid.
Dat gold niet alleen voor de architectuur, maar ook voor de beeldende kunst. Het neo-constructivisme hield hier langer stand dan elders. De voorkeur voor orde en geometrie leek dieper te reiken dan een tijdelijke mode. Alsof de moderne vormentaal aansloot bij iets wat al in het landschap en misschien zelfs in de mentaliteit aanwezig was.
Een treffend voorbeeld daarvan vormt Museum Belvédère in Oranjewoud. Toen architect Eerde Schippers zijn ontwerp toelichtte, verwees hij zonder aarzeling naar de Friese volksaard en de strakke manier van verkavelen. Volgens hem ontstond uit die rationele en productmatige benadering juist een bijzondere kwaliteit. Zijn uitspraak dat Friezen geen overdreven gebouw nodig hadden omdat zij niet katholiek zijn, illustreert hoe vanzelfsprekend de relatie tussen calvinistische soberheid en moderne vormgeving nog altijd werd ervaren.
Belvédère werd niet alleen geprezen vanwege zijn architectuur, maar ook vanwege de manier waarop het zich in het landschap voegde. Hier verscheen een nieuwe variant van het modernistische ideaal: niet langer de radicale breuk met het verleden, maar het principe van ‘behoud door ontwikkeling’. Veranderen om te behouden. Het verleden werd niet vernietigd, maar opnieuw geïnterpreteerd in een eigentijdse vorm.
Toch schuilt hierin een paradox. Want het oorspronkelijke modernisme was juist niet voorzichtig of behoudend. Het was visionair, soms meedogenloos en overtuigd van de maakbaarheid van de wereld. Nergens wordt dat duidelijker dan bij de Afsluitdijk. Deze monumentale ingreep veranderde niet alleen de geografie, maar ook de geschiedenis. Zout water werd zoet, oude visserijculturen verdwenen en een nieuwe werkelijkheid ontstond. Wat tegenwoordig wordt gekoesterd als cultureel erfgoed, was ooit een revolutionaire daad die weinig ontzag had voor historische structuren of ecologische gevoeligheden.
De Afsluitdijk is daardoor een merkwaardig monument. Enerzijds belichaamt zij de modernistische overtuiging dat de mens de natuur naar zijn hand kan zetten. Anderzijds is zij zelf tot object van nostalgie geworden. De radicale daad uit het verleden wordt bewonderd, maar vergelijkbare ambities in het heden roepen vooral angst en weerstand op. Het verleden wordt gekoesterd, terwijl de geest die dat verleden mogelijk maakte, verdwenen lijkt.
Misschien is dat ook de reden waarom discussies over de Afsluitdijk vaak meer zijn dan technische debatten. Achter de plannen voor windmolens, spoorlijnen of zonnepanelen gaat een ideologische tegenstelling schuil tussen radicale vernieuwers en behoedzame behoudzuchtigen. De vraag is telkens opnieuw hoe ver verandering mag gaan en hoeveel risico een samenleving bereid is te accepteren.
Dezelfde spanning werd zichtbaar in de stedenbouw. Na de oorlog ontstond een groot vertrouwen in rationele planning. Ook in Friesland werden nieuwe woonwijken ontworpen volgens modernistische principes. Bilgaard in Leeuwarden was daarvan een sprekend voorbeeld. Het stedenbouwkundig plan van Van den Broek en Bakema was gebaseerd op idealistische ideeën over gemeenschapsvorming. Vrijstaande bouwmassa’s werden geplaatst in een groene ruimte waarin verschillende woningtypen elkaar afwisselden. Het ideaal was een nieuwe vorm van samenleven, een moderne variant van wat tegenwoordig ‘mienskip’ wordt genoemd.
Maar al vroeg klonk kritiek. Sommigen ervoeren de wijk als onmenselijk. De goede bedoelingen van de architecten botsten met de dagelijkse werkelijkheid. De lege ruimte tussen de gebouwen werd niet altijd beleefd als vrijheid, maar soms als leegte. Wat bedoeld was als een utopie van gemeenschapsvorming, werd door velen ervaren als anonimiteit.
Deze kritiek stond niet op zichzelf. In heel Europa groeide het besef dat de modernistische stad ook een keerzijde had. De rationele orde van stempelplannen en galerijflats bleek niet automatisch te leiden tot geluk. Er ontstond zelfs een nieuw begrip: flatneurose. De moderne ruimte werd ervaren als een psychologisch probleem. Architectuur moest niet alleen functioneel zijn, maar ook betekenis en geborgenheid bieden.
Juist daarom kreeg de rol van kunstenaars en architecten een bijna therapeutische betekenis. Zij moesten nieuwe sferen scheppen in een ontwortelde wereld. Peter Sloterdijk zou later spreken over de noodzaak van nieuwe ‘sferen’ waarin mensen zich thuis kunnen voelen. In die zin zijn architecten niet alleen bouwers, maar ook klimaatmakers van het menselijk bestaan.
Binnen Friesland kreeg die zoektocht een bijzondere gestalte in het werk van Abe Bonnema. Hij was misschien wel de meest markante vertegenwoordiger van het Friese modernisme. Zijn gebouwen kenmerken zich door helderheid, monumentaliteit en een compromisloze eenvoud. Tegelijkertijd had hij een diepe afkeer van provincialisme en middelmatigheid. Zijn nalatenschap leidde na zijn dood tot langdurige discussies over de toekomst van het Fries Museum en de vraag hoe zijn erfenis moest worden geïnterpreteerd.
Het tragische is dat Bonnema’s oorspronkelijke droom van een architectuurmuseum nooit werd verwezenlijkt. Achter bestuurlijke compromissen en politieke belangen verdween de gedachte aan een centrum waar architectuur en ruimtelijke kwaliteit centraal zouden staan. Daarmee ging meer verloren dan alleen een gebouw. Het ging om een visie op de rol van architectuur in de samenleving.
Want juist in een provincie die voortdurend spreekt over ruimtelijke kwaliteit zou een dergelijke instelling van grote betekenis kunnen zijn. Architectuur is immers niet alleen een kwestie van stenen en beton. Zij raakt aan vragen van identiteit, geschiedenis en toekomst. Zij bepaalt hoe mensen wonen, samenleven en zich verhouden tot hun omgeving.
Misschien schuilt daarin uiteindelijk de diepste betekenis van het modernisme in Friesland. Het is geen afgesloten hoofdstuk uit de geschiedenis, maar een blijvende spanning tussen verleden en toekomst. Tussen heimwee en vooruitgang. Tussen de behoefte aan geborgenheid en de drang om de wereld opnieuw vorm te geven.
De Friese identiteit wordt vaak gezocht in het eigene, in de taal, de mienskip en het landschap. Maar juist die identiteit blijkt voor een belangrijk deel gevormd te zijn door een ontwerpopvatting die oorspronkelijk weinig moest hebben van nostalgie. Het modernisme was immers geen beweging van behoud, maar van verandering. Het keek niet achterom, maar vooruit.
Dat maakt de Friese situatie zo paradoxaal. Men herkent zichzelf in een traditie die ooit brak met de traditie. Men koestert een verleden dat juist ontstond uit de wil om radicaal te vernieuwen. Misschien is dat de merkwaardigste erfenis van het modernisme in Friesland: dat het eigene uiteindelijk niet wordt gevonden in stilstand, maar in een vorm van nuchtere moderniteit die zich telkens opnieuw moet uitvinden.
Want identiteit is nooit een eindpunt. Zij is een ontwerp. Zoals het landschap ooit met passer en liniaal werd getekend, zo wordt ook de Friese ziel steeds opnieuw vormgegeven in de ruimte tussen herinnering en verlangen, tussen mienskip en kosmopolitisme, tussen de beschutting van de geboortegrond en de open horizon die zich tot in het oneindige uitstrekt.
