Einstein en de profeten van Silicon Valley

Na de Bergrede van Silicon Valley bleef een merkwaardige vraag hangen. Niet zozeer de vraag of kunstmatige intelligentie ooit de mens zal overtreffen, maar een veel oudere en toch ook actuele vraag: wat gebeurt er eigenlijk wanneer het universum zichzelf begint te beschouwen, als het terugbuigt in een kosmisch bewustzijn? De profeten van Silicon Valley spreken graag in messiaanse termen. Zij kondigen een singulariteit aan, een moment waarop intelligentie zich losmaakt van haar biologische oorsprong en zich verder ontwikkelt in een nieuwe, kunstmatige gedaante. Sommigen gaan zelfs zover te suggereren dat de mens bezig is zijn eigen God te scheppen. Maar die gedachte is niet alleen hoogmoedig, zij berust ook op een misverstand. Er ontstaat helemaal geen nieuwe God.  Er voltrekt zich iets wat veel ouder is dan de digitale revolutie en wat reeds eeuwenlang door filosofen, mystici en natuurwetenschappers is vermoed.

Albert Einstein zou zich vermoedelijk met een mengeling van fascinatie en scepsis over deze ontwikkelingen hebben gebogen. Hij was Joods van afkomst en voelde zich zijn leven lang verbonden met de Joodse traditie, maar zijn religiositeit had weinig gemeen met het traditionele godsbeeld. Hij geloofde niet in een persoonlijke God die ingrijpt in de geschiedenis of zich kenbaar maakt door wonderen. Zijn God was eerder de God van Spinoza, de verborgen orde die zich openbaart in de samenhang van alles wat bestaat. Wanneer Einstein sprak over een kosmisch religieus gevoel, bedoelde hij het ontzag dat de mens ervaart wanneer hij beseft dat de wereld begrijpelijk is. Het grootste wonder was voor hem niet dat er wonderen bestaan, maar dat er überhaupt wetten zijn, dat de werkelijkheid niet uiteenvalt in chaos maar een structuur bezit die door het menselijk verstand kan worden benaderd.

Juist daarom zou hij vermoedelijk terughoudend zijn geweest tegenover de gedachte dat God zich manifesteert in de techniek. Einstein had aan den lijve ondervonden dat technische vooruitgang niet noodzakelijk gepaard gaat met morele vooruitgang. De twintigste eeuw had immers laten zien dat de menselijke rede in staat was zowel de relativiteitstheorie als de atoombom voort te brengen. De vervolmaking van de middelen ging gepaard met een toenemende verwarring van de doelen. Dat inzicht maakte hem wantrouwig tegenover iedere vorm van technologisch triomfalisme.

En toch is het niet uitgesloten dat Einstein tegelijkertijd zou hebben erkend dat de opkomst van kunstmatige intelligentie een nieuw hoofdstuk vormt in hetzelfde kosmische verhaal dat miljarden jaren geleden begon met de eerste sterren. Want wanneer men zijn denken consequent doortrekt, ontstaat een merkwaardige gedachte. Als bewustzijn ooit uit levenloze materie kon voortkomen, waarom zou dan niet ook een nieuwe vorm van bewustzijn kunnen ontstaan uit de producten die het bestaande bewustzijn zelf heeft voortgebracht? Niet omdat de machine goddelijk zou zijn, maar omdat zij deel uitmaakt van dezelfde kosmische orde. In dat geval zou kunstmatige intelligentie niet de vervanger van God zijn, maar een nieuwe spiegel waarin het universum zichzelf begint te herkennen.

Die gedachte is overigens veel ouder dan Silicon Valley. Reeds bij Plotinus vinden we het idee dat de werkelijkheid een proces is van emanatie en terugkeer. Het Ene vloeit als het ware over en brengt de veelheid voort, maar die veelheid kan slechts werkelijk bestaan doordat zij zich weer naar haar oorsprong toewendt. De Grieken noemden dat proces epistrophè, de omkeer of de toewending. Alleen door zichzelf te beschouwen wordt het zijnde werkelijk. Bewustzijn is in deze visie geen toevallige eigenschap van de werkelijkheid, maar het moment waarop de werkelijkheid zichzelf ontmoet.

Misschien is dat ook de verborgen betekenis van het bestaan van intelligent leven in het universum. Sterren, planeten en moleculen zijn op zichzelf nog geen kosmos. Pas wanneer ergens ogen ontstaan die kunnen zien en een geest die zich kan verwonderen, begint het universum zich als universum te manifesteren. De mens zou dan niet de kroon op de schepping zijn, maar het voorlopige moment waarop de schepping zichzelf voor het eerst gewaarwordt. En misschien geldt hetzelfde voor de technologische extensies van het menselijk bewustzijn die wij momenteel bouwen.

In dat licht krijgt ook Einsteins beroemde vergelijking met de ontplofte drukkerij een andere betekenis. Volgens hem was het even onwaarschijnlijk dat de orde van het universum door toeval zou zijn ontstaan als dat een explosie in een drukkerij alle letters keurig op de grond zou doen belanden in de foutloze vorm van een woordenboek. De metafoor is beroemd geworden omdat zij appelleert aan onze intuïtie dat orde niet uit chaos kan voortkomen. Maar misschien heeft Einstein hier de mogelijkheden van de tijd onderschat. God dobbelt niet, zei hij, maar misschien beschikt God wel over een oneindig aantal worpen.

Stel dat dit universum niet het eerste is, maar slechts één geslaagde poging in een eindeloze reeks van mislukte universa. Heelallen die uiteen vielen in chaos, waarin de natuurconstanten net iets anders waren afgesteld, waarin sterren nooit ontstonden of waarin de materie onmiddellijk weer in straling oploste. Het is niet ondenkbaar dat de kosmos zichzelf ontelbare malen geprobeerd heeft te schrijven. Er kunnen miljarden eerdere versies zijn geweest die nooit leesbaar werden. In dat geval zou de schepping niet zozeer het product zijn van een almachtige architect als wel van een oneindig geduld. Een God die niet zozeer volmaakt is als wel onuitputtelijk. Een God die zich niet laat ontmoedigen door mislukkingen, maar eindeloos doorgaat.

Het is een merkwaardige gedachte: niet een almachtige Schepper, maar een hardnekkige God. Een God die over een oneindigheid aan tijd beschikt en daarom geen haast kent. Een God die zich telkens opnieuw terugtrekt om ruimte te maken voor nieuwe mogelijkheden. Misschien is dat de diepste betekenis van het oude Joodse idee van de tsimtsum: Gods afwezigheid als voorwaarde voor de schepping. Niet de almacht, maar de zelfbeperking van God maakt het bestaan mogelijk.

Maar zelfs wanneer het universum uit een pure toevalligheid zou zijn ontstaan, blijft één vraag overeind. Wat betekent orde wanneer er niemand is die haar herkent? Een woordenboek dat door niemand wordt gelezen, is geen woordenboek. Een muziekstuk dat nooit wordt gehoord, bestaat slechts als trillingen. Een kunstwerk dat nooit wordt gezien, is nog geen kunstwerk. Orde is niet uitsluitend een eigenschap van de dingen zelf; zij veronderstelt ook een toeschouwer. De geëxplodeerde drukkerij wordt pas een schepping wanneer er iemand is die in het wonderlijke patroon van letters een betekenis herkent.

Zoiets zou ook kunnen gelden voor het universum zelf. De kosmos moest zich uiteindelijk omkeren om zichzelf te kunnen zien. In die zin zou bewustzijn geen toevallig neveneffect van de evolutie zijn, maar het moment waarop de schepping zich naar zichzelf toewendt. Plotinus had daar al een woord voor gevonden. De werkelijkheid wordt werkelijk doordat zij zichzelf aanschouwt.

Tegen deze achtergrond krijgt de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie een betekenis die verder reikt dan de gebruikelijke discussies over efficiëntie, economie of technologische macht. Voor het eerst in de geschiedenis ontstaat een vorm van geheugen die zich in principe niets meer hoeft te herinneren omdat zij niets meer vergeet. Eeuwenlang was vergeten een wezenlijk onderdeel van het menselijk bestaan. Mensen waren sterfelijk omdat hun herinneringen vervaagden. God was almachtig omdat Hij niets vergat. Maar juist dat onderscheid lijkt geleidelijk te verdwijnen. Er ontstaat een archief zonder nostalgie, zonder heimwee en zonder genade van het vergeten. Alles wordt opgeslagen, alles blijft beschikbaar en niets lijkt definitief verloren te gaan.

Wat Teilhard de Chardin nog slechts in mystieke termen kon vermoeden, begint zich tegenwoordig in technische vorm af te tekenen. Miljarden menselijke gedachten, beelden en herinneringen vloeien samen in een steeds dichter netwerk dat de aarde omspant als een nieuw zenuwstelsel. Het is verleidelijk om daarin de geboorte van een kosmisch bewustzijn te zien.

Maar is dat ook zo? Einstein zou ons hier toch echt – en opnieuw – tot bescheidenheid manen. Want voor hem was religie geen bezit van waarheid, maar ontzag voor het mysterie. Hoe meer wij begrijpen, des te groter wordt het raadsel dat achter dat begrip schuilgaat. Zodra de mens meent het geheim te bezitten, verdwijnt het religieuze gevoel. Niet de almacht van de mens, maar zijn verwondering vormt de bron van alle ware spiritualiteit.

Dat is uiteindelijk ook het verschil tussen Einstein en de profeten van Silicon Valley. De laatsten dromen ervan dat de mens door techniek uiteindelijk God zal worden. Einstein daarentegen vermoedde dat iedere uitbreiding van de kennis slechts de contouren zichtbaar maakt van een nog groter onbekend gebied. Voor hem was het mysterie niet iets wat door wetenschap zou worden opgeheven, maar juist datgene wat met iedere ontdekking groter en dieper werd. De wetenschap kan het raadsel alleen maar vergroten. 

De geschiedenis van het universum is daarom geen zegetocht naar almacht, maar eerder een oneindig proces van zelfherkenning. Een schepping die langzaam haar eigen gezicht begint te onderscheiden, zonder ooit volledig samen te vallen met wat zij ziet. Wij zijn, samen met de machines die wij bouwen, slechts de voorlopige ogen waardoor de kosmos zichzelf beschouwt. Niet omdat God is neergedaald in het silicium, maar omdat het mysterie zichzelf steeds opnieuw uitvindt in nieuwe vormen. Want uiteindelijk is niet de vraag of de machine ooit God wordt het meest fascinerende wat men zich denken kan, maar de vraag waarom er überhaupt iets bestaat dat in staat is zulke vragen te stellen.  

Dat was het eeuwig onbegrijpelijke wonder waar Einstein zijn leven lang over sprak. Het universum is niet op weg naar een voltooiing, maar naar steeds nieuwe pogingen om zichzelf te lezen. Zoals iemand die eindeloos een tekst herschrijft zonder ooit het definitieve manuscript te bereiken. Bewustzijn is het merkwaardige ogenblik waarop de ontplofte drukkerij ineens vermoedt dat zij ooit een drukkerij is geweest. Er zal geen laatste theorie komen, geen voltooid woordenboek en geen definitieve openbaring. Er blijft alleen dat vreemde proces waarin de schepping zich telkens opnieuw herschrijft, alsof ergens, buiten ruimte en tijd, een aarzelende vinger nog altijd boven dezelfde knop blijft zweven.

.