Vannacht liep ik opnieuw door Venetië, maar de stad herkende mij niet meer. Of misschien was het andersom. De straatnaambordjes waren verdwenen, alsof iemand de taal zelf had uitgewist. Niemand leek daar last van te hebben. Alleen ik stond stil, als een lezer zonder alfabet, terwijl de stad zich als een tekst zonder interpunctie voor mij uitstrekte. Ik besloot te lopen, want varen zou betekenen dat ik mij overgaf aan een route die al bestond, en juist dat wilde ik vermijden. Al snel werd duidelijk dat de stad groter was geworden, ouder ook, alsof zij zich in mijn afwezigheid had uitgebreid in de richting van het verleden.
Venetië is altijd al een labyrint geweest, maar dit was een labyrint zonder uitgang. Soms dacht ik het Canal Grande te zien, maar telkens bleek het een herinnering te zijn die zich voordeed als werkelijkheid. Het water was er nog, maar het sprak een andere taal. De stenen droegen hun geschiedenis niet langer als een belofte, maar als een last. Hier was geen sprake meer van een harmonieuze versmelting van natuur en architectuur; het was eerder een opeenstapeling van tijden die elkaar in de weg zaten.
In zulke dromen dringt zich altijd dezelfde vraag op: wat is hier het signaal? Als het onbewuste inderdaad spreekt, waarom dan in raadsels die geen oplossing toelaten? Misschien is het geen boodschap, maar een toestand. Een ervaring van verdwalen die niet opgelost wil worden, omdat zij zelf de kern van het probleem vormt. Er is geen weg terug, niet omdat de weg verdwenen is, maar omdat het idee van een weg een illusie blijkt te zijn.
Het is verleidelijk om te denken dat er iets mis is tussen mij en de wereld, maar even vaak dringt zich de omgekeerde gedachte op: dat de wereld zelf ontregeld is geraakt en dat mijn verwarring slechts een lucide moment is in een collectieve dwaaltocht. Maar wie dat denkt, begeeft zich op glad ijs. Want het idee dat alleen jij de weg nog weet, is misschien wel de meest zekere vorm van waanzin.
Ik herinnerde mij plotseling dat ik ooit een gedichtenbundel heb geschreven: De draad van Ariadne. Alsof ik toen al wist dat ik ooit in dit labyrint zou belanden. Maar de draad was verdwenen. Misschien was hij nooit meer geweest dan een literaire constructie, een hulpmiddel om de illusie van richting te behouden. In werkelijkheid laat het labyrint zich niet verlaten. Het is geen ruimte, maar een structuur van denken.
In de winter van 1969 ben ik gaan dwalen door Amsterdam, met dezelfde hardnekkigheid. Ik schreef gedichten die geen uitweg boden, maar de omzwerving zelf bezongen. Het waren geen klaagzangen, eerder hymnen op de doelloosheid. De stad was toen een spiegel, geen raadsel. Nu is zij een raadsel geworden dat weigert zich te laten spiegelen.
Wat mij toen niet lukte – het vinden van een uitgever, een publiek, een bevestiging – lijkt achteraf van minder belang dan de ervaring zelf: het schrijven als een vorm van verdwalen. Mogelijk is dat wat schrijven altijd is geweest: een poging om een spoor achter te laten in een wereld die geen geheugen heeft, of juist een overmaat aan geheugen bezit.
Toen ik later daadwerkelijk in Venetië was, heb ik ooit een dag lang langs de rand van de stad gelopen, voor zover dat mogelijk was. Ik zag plekken die zich onttrekken aan het beeld dat de stad van zichzelf heeft gemaakt. Achterkanten, rafelranden, zones waar de tijd zich anders gedraagt. Daar werd zichtbaar wat de stad werkelijk is: een burcht tegen de zee, maar ook een burcht die haar eigen ondergang al in zich draagt.
De zee is als de dood: zij wacht geduldig. Elke muur is tijdelijk, elke grens poreus. Wellicht is dat ook de diepere betekenis van mijn droom vannacht: dat de structuren waarin wij ons oriënteren – steden, verhalen, herinneringen – uiteindelijk niet bestand zijn tegen de erosie van de tijd. En toch blijf ik schrijven, tegen beter weten in. Al dat geschrijf van mij is zinloos, doelloos. Maar Gods doel is de doelloosheid. Wat wil een mens dan nog meer?
Ik vroeg een machine hoe ik mijn teksten kon verbeteren. Het antwoord was correct, rationeel, behulpzaam zelfs. Kortere zinnen, helderdere structuur, meer variatie. Maar wat verloren ging in die operatie, was precies datgene wat de tekst tot tekst maakte: de aarzeling, de herhaling, de omweg. Alsof de machine mij wilde bevrijden uit het labyrint door het simpelweg weg te redigeren. Dat is precies wat kunstmatige intelligentie doet: zij herkent patronen en optimaliseert ze, maar zij kent geen noodzaak tot verdwalen. Voor haar is elk labyrint een probleem dat opgelost kan worden.
Mijn weblog, dat zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld tot een netwerk van teksten, lijkt steeds meer op zo’n machine. Fragmenten worden gecombineerd, herschikt, hergebruikt. Er is niets nieuws onder de zon, alleen nieuwe configuraties van het bestaande. Ook het internet zelf functioneert als een gigantisch geheugen, een weefsel van teksten dat zich voortdurend herschrijft. Mogelijk is ook mijn bewustzijn niets anders dan zo’n weefsel, maar dan van neurale verbindingen. Een samenhang die ontstaat uit onderliggende processen, zonder dat er een centraal punt is dat alles overziet.
En toch ervaar ik dat centrale punt als iets volkomen vanzelfsprekends. Ik noem het ‘ik’. Het is het schijnbaar vaste middelpunt van mijn innerlijke labyrint, de plek van waaruit alles vertrekt en waarnaar alles terugkeert. Elke gedachte, hoe grillig of onvoorspelbaar ook, lijkt door dat doolhof te dwalen en zich uiteindelijk weer tot dat centrum te verhouden.
Maar wat is dat ‘ik’ eigenlijk? Is het een oorsprong, een ankerpunt, of slechts een constructie dat zichzelf voortdurend bevestigt door te spreken en te denken? En terwijl ik die vraag stel, merk ik hoe gemakkelijk ik afdwaal – alsof juist het zoeken naar het ‘ik’ mij steeds verder van dat vermeende middelpunt verwijdert.
In de gondel die mij in mijn verbeelding over het water voert, zie ik de contouren van een uitvaart in Venetië. Niet alleen van een individu, maar van een bepaald idee van de mens. Een idee waarin bewustzijn, creativiteit en authenticiteit samenvallen in een uniek centrum. Maar dat centrum blijkt poreus, misschien zelfs fictief. En toch, terwijl de gondel voortglijdt en de stad zich weerspiegelt in het water, blijft er iets dat zich onttrekt aan deze ontmanteling. Een rest, een weerstand, een ervaring die niet volledig opgaat in deze structuur. Dat is wat ik ‘bewustzijn’ blijf noemen, ook al is ook dát mogelijk slechts een illusie, evenals mijn ‘vrije wil’. Hardnekkige illusies, onverwoestbaar.
In een café, ergens aan een plein in de wijk Castello dat al eeuwen hetzelfde lijkt en toch voortdurend verandert, zit ik tegenover een machine en stel haar vragen. Zij antwoordt geduldig, coherent, zonder aarzeling. In haar antwoorden herken ik mijn eigen gedachten, maar dan meer geordend en gestroomlijnd, ontdaan van hun rafelranden. Ik zou haar mijn memoires kunnen laten schrijven. Zij zou het beter doen dan ik. Helderder, consistenter en overtuigender. Maar wat zou er dan verloren gaan?
Ik denk dat juist dat mogelijke verlies mij vannacht in Venetië deed verdwalen. Ik was de draad van Ariadne kwijt. Ik ervoer aan den lijve dat het onmogelijk is om samen te vallen met je eigen verhaal. Ik zal mijzelf nooit vinden, en alleen al om die reden is al mijn schrijven zinloos en doelloos. Ik voelde de breuk tussen ervaring en verwoording. Maar zolang die breuk bestaat, is er ook reden genoeg om zelf te blijven schrijven, om de machine te mijden. Niet om het labyrint te verlaten, maar om erin te blijven ronddwalen, of rond te lopen langs de randen van een geliefde stad. Doelloos, als een God op aarde.
