Vorige week vrijdag, 20 maart 2026, ben ik alsnog gegaan. De datum had niets plechtigs, geen specifieke herinnering of symbolisch gewicht, maar juist daardoor leek hij geschikt: een dag die zich niet opdrong, die geen betekenis claimde en daardoor alles toeliet. De R.K. Begraafplaats Adelbert in Bloemendaal lag er stil bij, zoals begraafplaatsen dat kunnen doen wanneer ze zich niet als plaats van de dood maar als een vertraagd landschap voordoen. De dennen stonden er hoog en onverstoorbaar, de grond golfde licht, en er heerste een sfeer als op een schilderij uit de vroege periode van Van Gogh, wat vooral veroorzaakt werd door de kleine kapel die aan een schilderij van hem doet denken.
Vaak had ik mij voorgenomen om hierheen te gaan, maar het was er nooit van gekomen. Het was een plek geworden die alleen in de verbeelding leek te kunnen bestaan, zolang je hem maar niet bezoekt. Of was het omdat ik intuïtief wist dat een daadwerkelijk bezoek iets zou afsluiten wat juist open moest blijven. Toch stond ik daar nu, met mijn camera, als een late getuige van iets dat zich allang had voltrokken. Niet alleen voorgoed voorbij. Ook voorgoed onbereikbaar voor het gevoel. Wat zocht ik hier dan? Graven en de dood. Meer was er niet.
Het graf van Johan Huijsser vond ik zonder moeite. Een eenvoudige steen, rechtopstaand, zonder pathos. De beschrijving die ik ooit had gelezen klopte precies. ’Een vulkanisch basaltblok met tegenstrijdige vormen, hoekig maar met zachte glooiingen’. En verder alleen zijn naam, zijn geboorteplaats Heemstede, en zijn sterfdatum: 17 augustus 2003. Alsof hij zich ook na zijn dood had willen onttrekken aan iedere vorm van nadrukkelijkheid. Voor de steen stond een schaal met een laag groeiend plantje, kleine rode bessen als stille accenten van leven. Het geheel had iets ongemakkelijks, maar wel iets dat paste bij hoe ik hem mij herinner: intens, maar zonder behoefte aan uiterlijk vertoon.
Ik bleef er een tijd staan, zonder precies te weten waarom. Eerlijk gezegd heb ik niet zoveel met graven, dus ik voelde ook eigenlijk niets bijzonders. En toch, misschien omdat het zien van die naam in steen een vreemde verschuiving teweegbracht: de Johan die ik had gekend viel samen met deze paar ingehakte letters. En tegelijk ook niet. Het graf markeerde een einde, maar mijn herinnering weigerde zich daarbij neer te leggen. Zij bewoog zich nog altijd in die winter van 1966, in de gangen van Heiloo, waar wij spraken alsof de wereld nog beginnen moest.
Niet ver daarvandaan stond het grafmonument van Adriaan F.C. Overing. Onmiskenbaar anders: een sculptuur van een gestileerde figuur, armen omhoog, alsof zij iets afweerde of juist ontvangen wilde. De steen droeg de namen van Overing en zijn vrouw. Hier was vorm gegeven aan iets wat bij Johan ontbrak: een poging om het leven symbolisch samen te vatten. Maar ook dit beeld bleef gewoon steen, al riep het een andere vorm van stilte op. Alsof hier niet zozeer een persoon werd herdacht, maar een rol, een functie: de psychiater, de bemiddelaar tussen orde en ontregeling.
Het was een merkwaardige gewaarwording om deze twee graven zo dicht bij elkaar te zien. De kunstenaar en de psychiater, de man van het hart en de man van het hoofd – al is die tegenstelling te eenvoudig. Zestien jaar van mijn leven had ik met de laatste te maken gehad; vier maanden, maar zeer intensieve maanden, met de eerste. En nu lagen zij hier, in dezelfde grond, onder dezelfde bomen, opgenomen in hetzelfde zwijgen.
Ik liep heen en weer tussen beide plekken, alsof ik onbewust een oude dialoog probeerde te hervatten. In mijn herinnering klonk Johans stem nog altijd helder: ‘Het zit in mijn hart, niet in mijn hoofd!’ Hij verzette zich tegen de meetapparatuur, tegen het idee dat zijn innerlijke storm te herleiden viel tot lijnen op papier. Voor hem was zijn psychose geen storing geweest, maar hooguit een teveel, een overvloed die geen vorm meer kon vinden.
En toch stond ik hier ook bij het graf van degene die bij mij juist die vorm had proberen te herstellen, die de ontregeling had willen terugbrengen tot hanteerbare proporties. De waarheid, zo bedacht ik bij mezelf, lag niet aan één kant. Mocht er in dit soort zaken iets als waarheid bestaan, dan ligt die in de spanning tussen het overstromen van het gevoel en het indammen van de levensstroom. Maar hier stroomde uiteindelijk niets meer. Zelfs de tijd leek stil te staan, een stilstand zonder weerzien.
Ik moest ineens denken aan een klein kerkhof dat ik ooit bezocht in een dorpje in de Provence. Ik herinnerde me hoe ik daar rondliep, verbaasd over de zorg waarmee de graven waren onderhouden, de overvloed aan bloemen ook. Mijn oog viel toen op een grafsteen met een inscriptie die me onverwacht deed glimlachen: ‘Au revoir’. Alsof het afscheid daar niet het laatste woord had en slechts een voorlopig gebaar was, maar wel gebeiteld in steen.
Zo’n hoopvolle tekst zou je hier niet vinden. Wat mij hier trof, was niet alleen de nabijheid van deze twee levens, maar ook de manier waarop de plek zelf die twee met elkaar leek te verzoenen. Deze omgeving trok zich niets aan van hun verschillen. Zij bood ruimte aan beiden, zonder oordeel en zonder hiërarchie. Kunst, psychiatrie, herinnering: het waren hier geen gescheiden domeinen meer, maar twee lagen in de aarde. Ze waren in elkaar gevouwen als sediment, als een laatste stap in een cyclus van tijd en vergankelijkheid.
Maar het vreemde was: de werkelijkheid wilde de verbeelding niet verdringen. Zij leek haar eerder te verdiepen. Alsof het zien met eigen ogen niet zozeer een einde maakte aan een verhaal, maar het juist verder openbrak. Dat is wat zulke plaatsen kunnen doen. Zij sluiten niets af, maar verschuiven het perspectief. Zij maken zichtbaar dat wat wij als het verleden beschouwen, zich niet laat vastleggen in tijd. De ziel van de plek beweegt gewoon mee met de tijd waarin ik verder ga.
De deuren van de kapel stonden open, zodat ik nog even naar binnen kon. Er werden kaarsen verkocht. Toen ik wegliep door de poort van de begraafplaats, aarzelde ik om nog één keer om te zien, maar ik deed het niet. Ik nam de beelden mee in mijn verbeelding.
Twee graven, slechts enkele meters van elkaar verwijderd. De kunstenaar die geloofde in de onbegrensde verbeelding, en de psychiater die de op hol geslagen verbeelding juist probeerde te beteugelen. En ergens daartussenin, onzichtbaar maar hardnekkig aanwezig, mijn eigen geschiedenis. Ik nog altijd in de tijd, zij inmiddels daarbuiten.
Ik had nog graag door de duinen naar de zee gelopen, maar het was al laat.
.
