“Es ist der stetig fortgesetzte, nie erlahmende Kampf … Hin zu Gott!” riep Max Planck in 1938, vermoedelijk met een lichte galm in zijn stem en een onzichtbaar dirigentenstokje in de hand. Het waren de slotwoorden van een toespraak die hij hield ergens in het Balticum, althans, zo wil het verhaal. Datzelfde jaar verscheen de tekst in een boekje van 32 pagina’s, een soort kosmische brochure. Ik kocht het in 1986 bij boekhandel De Tille voor zeven gulden vijftig, wat achteraf gezien een koopje was voor een routebeschrijving naar God.
In die tijd was ik lichtelijk bezeten van de nieuwe natuurkunde, die toen nog nieuw was en inmiddels alweer nostalgisch begint te worden. Overal doken boeken op over kwantummechanica, de kat van Erwin Schrödinger die tegelijk dood en levend was (een prestatie waar menig schrijver jaloers op is), het onzekerheidsprincipe van Werner Heisenberg en de onvolledigheidsstelling van Kurt Gödel. Ik begreep daaruit dat de natuurkunde een probleem had, en wel een probleem dat zich niet liet oplossen zonder het probleem eerst nog groter te maken.
Zo bleek dat je niet langer met goed fatsoen over ‘de werkelijkheid’ kon spreken. Nee, voortaan moest het gaan over modellen van de werkelijkheid, die op hun beurt weer model stonden voor andere modellen, die vermoedelijk ook weer gemodelleerd moesten worden. Niemand begreep het nog, maar dat was juist het teken dat we op de goede weg waren. Begrijpen was verdacht geworden.
De natuurkunde leek in de twintigste eeuw veranderd in een vorm van kansberekening met existentiële bijwerkingen. Alles kon tegelijk waar zijn en onwaar, afhankelijk van wie er keek, wanneer en met welke blikrichting. De waarnemer bleek zich stiekem in het waargenomene te hebben verstopt, als een kind dat zich onder de tafel verschuilt en roept dat het onzichtbaar is. Op microniveau viel van alles te meten, maar niets te voorspellen. En op macroniveau viel alles te voorspellen, maar niets te begrijpen.
Het mechanistisch-deterministische wereldbeeld werd voorzichtig richting uitgang begeleid, maar bleef hardnekkig staan napraten bij de kapstok. Wat is een atoom eigenlijk? Iets dat bestaat zolang je er niet naar kijkt, en verdwijnt zodra je dat wel doet. Materie bleek een soort toneelstuk waarin de acteurs voortdurend van rol wisselen: deeltjes worden golven, golven worden deeltjes, en het publiek klapt op het verkeerde moment.
Oorzaak en gevolg raakten in een relationele crisis. Gelijktijdigheid werd een kwestie van perspectief. De uitgesloten derde kwam gewoon weer binnenlopen via de achterdeur en nam plaats aan tafel. Onze hersenen bleken een eigenaardige lus te bevatten, een spiegelpaleis waarin het subject zichzelf blijft tegenkomen als object, en andersom, en nog eens, en nog eens, tot iedereen duizelig wordt.
Daar verscheen het Droste-effect: een werkelijkheid die alleen kenbaar is via een model dat al in zichzelf een afbeelding bevat van een model dat weer een afbeelding bevat, enzovoort, tot in het oneindige of tot de koffie op is. M. C. Escher had dat allang gezien en getekend, terwijl Douglas Hofstadter er in Gödel, Escher, Bach een symfonie van maakte die duizend pagina’s duurde en ongeveer evenveel hersencellen kostte.
Begin jaren tachtig las ik dat boek helemaal tot het eind, wat achteraf een vorm van topsport blijkt te zijn. De meeste mensen haakten na honderd pagina’s af en zetten het boek vervolgens prominent in de kast, zodat bezoekers konden zien dat het daar stond, als een soort intellectueel huisdier dat men zelden uitliet. De nieuwe natuurkunde werd een populair gespreksonderwerp op feestjes. Iedereen sprak erover, niemand begreep het, en dat gaf een prettig gevoel van collectieve diepgang.
Bij mij sloeg het door. Ik kreeg een soort theoretische koorts en begon alles te lezen wat los en vast zat: supersnaren, chaostheorie, de oerknal, de eindkrak, en vooral de geruchten over de terugkeer van God in de natuurkunde. Want daar begon het interessant te worden: juist op het moment dat de grote verhalen verdwenen, leek er weer iets op te duiken dat verdacht veel op een Groot Verhaal leek, maar dan in vermomming.
Ik las God in de nieuwe natuurkunde van Paul Davies, maar kreeg het gevoel dat natuurkundigen die over God schrijven zelden theologen lezen, en theologen die over natuurkunde schrijven zelden natuurkundigen. De kloof bleef gapen, al leek hij soms even te geeuwen.
Ondertussen was daar het postmodernisme, met Jacques Derrida, Jean-François Lyotard, Gilles Deleuze, Jacques Lacan en Jean Baudrillard, die allemaal vrolijk natuurkundige termen gebruikten als metaforen, alsof ze in een gereedschapskist hadden gegraaid zonder de gebruiksaanwijzing te lezen. Lacan schreef formules voor het onbewuste, Derrida verklaarde dat er niets buiten de tekst bestond, en ondertussen verdween de werkelijkheid geruisloos uit beeld, vermoedelijk om even frisse lucht te halen.
Het postmodernisme werd een filosofie van het uitstel. Alles was altijd net niet, nog niet, bijna, misschien. De tijd liet sporen na die onmiddellijk weer werden uitgegumd. Gebeurde er eigenlijk nog iets? Nee, maar dat gebeurde dan wel consequent.
En toch dook ook hier weer God op, zij het als een afwezige aanwezige, een onuitsprekelijke aanwezigheid, een God met een streep erdoor, of liever: meerdere strepen, voor het geval de eerste niet duidelijk genoeg was. Een God die zich definieerde door niet gedefinieerd te willen worden. Een God van de negatieve theologie, die zo vaak werd ontkend dat hij uiteindelijk overbleef als een hardnekkige afwezigheid.
Op een gegeven moment was ik er klaar mee. De ‘theory of everything’ – ook wel de kleine teen van de kosmos – begon verdacht veel op een plaatsvervanger voor God te lijken, maar dan zonder liturgie en met meer formules. De lijnen tussen natuurkunde, filosofie en theologie leken naar elkaar toe te lopen, maar vermoedelijk deden ze dat in een ruimte die zo gekromd was dat ze elkaar nooit zouden ontmoeten.
Ik haakte af. Ik ging andere boeken lezen, minder duizelingwekkend, meer lineair, met begin, midden en eind, al was dat misschien ook een illusie.
Tot ik onlangs weer een boek las waarin alles nog eens werd uitgelegd, ditmaal door een theoloog en een natuurkundige samen: een zeldzame diersoort. Begrijpelijk, helder, bijna geruststellend. En toch begon het me opnieuw te duizelen.
Daar was weer Max Planck, voor wie God vanzelf sprak. Albert Einstein met zijn God van Spinoza. Niels Bohr die complementariteit zag waar anderen alleen verwarring zagen. Werner Heisenberg die toch weer iets persoonlijks vermoedde. Wolfgang Pauli die op zoek ging naar een alchemistische synthese van psyche en materie. En Erwin Schrödinger, die uiteindelijk concludeerde dat er misschien maar één bewustzijn bestaat, dat zich voordoet als velen, een kosmische eenmansvoorstelling met een oneindig aantal maskers.
Kortom, we waren weer terug bij af, of bij het begin, of bij iets dat daar verdacht veel op leek.
Ik keek uit het raam en zag niets bijzonders, wat op dat moment precies de juiste waarneming was. En ineens wist ik het weer: we zijn onderweg, maar niemand weet waarheen, en de weg zelf loopt ondertussen vrolijk door ons heen.
Hin zu Gott! Of anders gewoon rechtdoor, bij de volgende rotonde links.
