De vruchtbare wond

Kunst van een psychiatrische patiënt uit het Hôpital Sainte-Anne in Parijs

Dat een wond kan blijven bestaan terwijl het leven eroverheen gaat, is een ervaring die zich niet alleen in herinneringen kan nestelen, maar ook in documenten. Een medisch dossier bijvoorbeeld dat jaren later opnieuw wordt geopend en waarin een jongere versie van jezelf verschijnt als een personage dat je tegelijk herkent en niet meer helemaal begrijpt. Het effect is dan merkwaardig. Het verslag is nuchter, feitelijk, soms bijna achteloos, maar juist daardoor ontstaat een vreemde spanning tussen wat er wordt genoteerd en wat er destijds blijkbaar werd geleefd. De woorden van de arts proberen een toestand te stabiliseren die voor degene die haar ondergaat juist wordt gekenmerkt door een overmaat aan betekenis.

Het verslag waar ik het hier over heb, is mijn behandelingsdossier uit Heiloo in 1966. Daarin wordt het gedrag van mij als psychiatrisch patiënt beschreven in termen van observaties en interventies. Ik ben rustig of onrustig, aanspreekbaar of verward, hanteerbaar of agressief. Er wordt vermeld dat ik op deuren en ramen bonk, dat ik muziek hoor die anderen niet horen, dat ik luidop zing wanneer ik alleen word gelaten. De behandeling bestaat uit injecties, medicatie, isolatie, en rust. Het doel is stabilisatie. De wereld moet weer een hanteerbare vorm aannemen.

Wat in zo’n verslag nauwelijks zichtbaar wordt, is de innerlijke structuur van de ervaring zelf. Voor degene die zich in een psychotische toestand bevindt, verandert niet alleen het gedrag, maar de hele verhouding tussen teken en betekenis. Woorden, beelden en gebeurtenissen verliezen hun gebruikelijke afstand. Zij verwijzen niet langer naar iets dat buiten je ligt, maar lijken onmiddellijk samen te vallen met wat zij aanduiden. Daardoor ontstaat een wereld waarin alles met alles verbonden lijkt.

Dat is een paradoxale vorm van helderheid. De gedachtegang versnelt, verbanden stapelen zich op, betekenissen worden niet voorzichtig opgebouwd maar onmiddellijk verondersteld. Wat voor een buitenstaander onsamenhangend of absurd lijkt, kan van binnenuit worden ervaren als een plotseling inzicht in de verborgen samenhang van de werkelijkheid. De intensiteit van die ervaring maakt haar tegelijk overtuigend en gevaarlijk. Zij kan de indruk wekken dat de grenzen van het gewone bewustzijn zijn doorbroken en dat een diepere waarheid zichtbaar wordt.

Juist in die structuur vertoont de psychose een merkwaardige verwantschap met bepaalde ontwikkelingen in de kunst van de eerste naoorlogse decennia. Ook daar werd het vertrouwen in de vanzelfsprekende orde van betekenis ondermijnd. De Tweede Wereldoorlog had niet alleen steden en levens vernietigd, maar ook de overtuiging dat de werkelijkheid zich nog liet vatten in een stabiel systeem van waarden en symbolen. Veel kunstenaars reageerden daarop door de vormen zelf open te breken.

In de schilderkunst gebeurde dat met een radicaliteit die tot dan toe ongekend was. De spontane gebaren van het abstract expressionisme, de eruptieve energie van de CoBrA-beweging en de droomachtige logica van het neo-surrealisme waren pogingen om een andere verhouding tot de werkelijkheid te vinden. Het kunstwerk werd niet langer opgevat als een harmonische ordening van elementen, maar als een veld waarin krachten met elkaar in botsing komen.

Wat daarbij naar voren kwam, was een vorm van expressie die vaak dichter stond bij spontane uitingen dan bij een academische compositie. Kindertekeningen, primitieve maskers en ook het werk van psychiatrische patiënten werden plotseling serieus genomen als mogelijke bronnen van inzicht. Men meende daarin een directheid te herkennen die nog niet was gefilterd door culturele conventies.

Die belangstelling was niet alleen esthetisch. Zij hing samen met een breder besef dat het menselijke bewustzijn zelf minder stabiel en eenduidig was dan men lange tijd had aangenomen. De grens tussen normaliteit en ontregeling bleek poreuzer te zijn dan gedacht. Wat in een kliniek als symptoom werd beschreven, kon in een atelier verschijnen als een bron van nieuwe vormen.

De overeenkomsten zijn natuurlijk niet identiek. Een psychotische explosie is geen kunstzinnige ervaring en een kunstwerk is geen psychose. Toch raakt de vergelijking aan iets wat dieper ligt. In beide gevallen verschuift de verhouding tussen orde en chaos. Wat gewoonlijk verborgen blijft onder de oppervlakte van het dagelijks bewustzijn kan plotseling zichtbaar worden.

De medische blik probeert zo’n toestand begrijpelijkerwijs te stabiliseren. Zij registreert gedrag, beschrijft symptomen en probeert een evenwicht te herstellen dat het functioneren mogelijk maakt. Vanuit dat perspectief verschijnt de patiënt als iemand die tijdelijk de controle over zijn denken en handelen heeft verloren. De behandeling richt zich dan op het dempen van de overmatige prikkeling en het herstellen van een minimale orde.

Wanneer je jaren later zo’n behandeldossier over jezelf leest, valt er ook iets anders op. Naast de beschrijving van onrust en ontregeling staan ook notities over schrijven, dromen en beelden. Als patiënt blijk ik teksten te hebben geschreven over leven en dood, over zeegezichten en bergpassen, over historische figuren en religieuze symbolen. Ik  identificeer  mij met schrijvers, citeer uit psalmen, en  hoor muziek die anderen niet horen.

In deze klinische context worden zulke uitingen meestal opgevat als tekenen van verwarring. Toch vertonen zij een eigenzinnige structuur die niet geheel willekeurig is. Zij lijken eerder te wijzen op een intensivering van de verbeelding, op een poging om een nieuwe samenhang te formuleren op het moment dat de bestaande kaders instorten.

Dat mechanisme is ook zichtbaar in de manier waarop ik mij als patiënt verhul in allerlei literatuur. De boeken die ik bij me draag vormen als het ware een pantser van citaten en beelden. Zij verschaffen mij een taal waarin mijn ervaring op verantwoorde wijze kan worden uitgedrukt. Tegelijk functioneren zij als een rol die ik speel: die van de eenzame, vroegwijze scribent die zich aan de wereld onttrekt. Ik acteer de waanzinnig geworden jonge en onbegrepen schrijver. Ik was Arthur Rimbaud, of beter gezegd: een copie daarvan.

Die pose is niet alleen een vorm van zelfbescherming, maar ook een poging om een identiteit te construeren. In een periode waarin mijn vertrouwde kaders van gezin, religie en school beginnen te verschuiven, biedt de literatuur een alternatief model voor het bestaan. De figuur van de schrijver wordt dan een masker waarin persoonlijke onzekerheid kan worden verborgen.

Wanneer dat masker echter te strak wordt aangetrokken, kan het ook een eigen leven gaan leiden. De rol die je dan speelt, begint zich te vermengen met de werkelijkheid zelf. In een psychotische toestand kan dat proces zich plotseling gaan versnellen. Het ‘ik’ dat tot dan toe een pose was, wordt dan ineens een allesomvattende werkelijkheid.

Dat verklaart misschien waarom de ervaring van zo’n crisis  in mijn behandeldossier wordt beschreven als een bevrijding, ondanks alle angst en verwarring die ermee gepaard gaan. Het keurslijf waarin ik mij gevangen voel wordt niet voorzichtig losgemaakt, maar in één keer opengebroken. De grenzen van het zelf lijken zich dan uit te zetten tot ver buiten hun gewone omvang.

In de kunst van de jaren vijftig werd een vergelijkbare expansie gezocht, zij het op een andere manier. Kunstenaars probeerden de controle van de rede tijdelijk los te laten om toegang te krijgen tot een diepere laag van de ervaring. Automatische schriftuur, spontane schildergebaren en collectieve improvisaties waren technieken om de greep van het bewuste denken te doorbreken.

Het resultaat was vaak ruw en onvoorspelbaar. Vormen liepen uit, figuren losten op, en  betekenissen bleven ambigu. Toch lag juist in die onvolkomenheid een nieuw soort oprechtheid. De kunstenaar presenteerde geen afgerond wereldbeeld meer, maar een proces van zoeken en tasten.

Wanneer je de klinische beschrijving van mijn psychose naast deze artistieke experimenten legt, wordt een een merkwaardige overeenkomst zichtbaar. Aan de ene kant is er een medische taal die probeert de chaos te reduceren tot symptomen. Aan de andere kant is er een artistieke praktijk die juist probeert de chaos zichtbaar te maken. Beide benaderingen hebben hun eigen logica. De psychiatrie moet beschermen, stabiliseren en begeleiden. De kunst kan zich veroorloven om risico’s te nemen en grenzen te verkennen. Toch raken zij elkaar in hun confrontatie met hetzelfde fenomeen: de kwetsbaarheid van het menselijke bewustzijn.

In een tijd waarin de naoorlogse samenleving zich razendsnel moderniseerde, werd die kwetsbaarheid op veel plaatsen voelbaar. De traditionele structuren van religie en gemeenschap begonnen hun vanzelfsprekendheid te verliezen, terwijl nieuwe vormen van rationaliteit en organisatie opkwamen. Het individu bevond zich in een overgangszone waarin oude betekenissen vervaagden en nieuwe nog niet volledig waren gevormd.

Voor sommigen leidde dat tot een creatieve explosie. Voor anderen tot een crisis waarin de grenzen van het zelf tijdelijk oplosten. In beide gevallen werd zichtbaar hoe fragiel de orde van het bewustzijn eigenlijk is. Wanneer je later terugkijkt op zo’n periode, kan de neiging ontstaan om haar te beschouwen als een afgesloten hoofdstuk. De crisis lijkt dan een voorbijgaande episode die door behandeling en tijd is overwonnen. Maar de documenten uit die tijd vertellen een complexer verhaal. Zij laten zien hoe dicht ontregeling en verbeelding soms bij elkaar liggen.

De notities van een arts die vastlegt dat een patiënt muziek hoort en liederen zingt in een lege kamer, kunnen jaren later worden gelezen als de registratie van een moment waarop de grens tussen innerlijke en uiterlijke werkelijkheid tijdelijk vervaagde. Wat toen een symptoom van psychische ontregeling was, kan achteraf ook worden gezien als een teken van een intensiteit die moeilijk in gewone termen te vatten is.

Dat betekent niet dat je de psychose moet romantiseren. De angst, de verwarring en de lichamelijke uitputting die ermee gepaard gaan zijn reëel genoeg. Maar het betekent wel dat je moet erkennen dat zulke ervaringen iets onthullen over de structuur van het menselijke bewustzijn. Daarin ligt mogelijk ook een verklaring voor de blijvende fascinatie van kunstenaars voor de grensgebieden van de geest. Niet omdat zij de ontregeling op zichzelf zouden zoeken, maar omdat zij vermoeden dat in die grenszone iets zichtbaar wordt dat in het gewone leven verborgen blijft.

De wond is vruchtbaar. Die woorden werden zo kort na de oorlog op een nieuwe manier verstaan. Het werd een adagium voor kunst en literatuur na het trauma van de Holocaust. De wondende kracht van de kunst kan immers een helende werking hebben die een uitweg zoekt in een creatieve explosie die absurde vormen kan aannemen door de teugels van de verbeelding te laten vieren.  De kunstenaar rotzooit dan maar wat aan, zoals Karel Appel later van zichzelf beweerde. Het loslaten van het verleden wordt dan paradoxaal genoeg een verzoening met een verloren zelf. Het is of de wond niet heelt, maar zich transformeert tot iets anders.

Kunst veronderstelt vorm. Zij vraagt om beheersing, om een ritme dat de chaos ordent zonder haar volledig uit te wissen. Wordsworth sprak over poëzie als ‘the spontaneous overflow of powerful feelings recollected in tranquility’. In die formule schuilt een paradox: het gaat om een overstroming, maar pas in de terugblik, in de rust, krijgt zij gestalte. Creativiteit beweegt zich tussen explosie en compositie. Waanzin is een explosie zonder onmiddellijke compositie. Toch blijft de vraag knagen of juist aan de rand van ontregeling een intensiteit schuilgaat die de kunst voedt. Niet omdat waanzin op zichzelf creatief zou zijn, maar omdat zij de fragiliteit van onze ordeningen blootlegt.