
Ik zat vannacht weer eens in een kerk, althans, het gebouw beweerde dat het een kerk was, maar het had ook een vliegveldterminal kunnen zijn of het hoofdkantoor van een failliete streamingdienst. Het was een neogotische kolos ergens in het zuiden — Limburg, Brabant, of een provincie die inmiddels door een fusie met een datacenter was omgedoopt tot Regio 404. De koningin werd binnengebracht, of misschien een hologram van haar, want haar gezicht haperde af en toe alsof haar majesteit werd gebufferd. Confetti regende uit de gewelven, gevolgd pushmeldingen en kleine drones met wierookbranders. Een operakoor zong het adagio uit Orfeo, maar in autotune, begeleid door een algoritme dat de partituur realtime herschreef op basis van beurskoersen. Boven het altaar hing een zwerm camera’s die zo laag zoemden dat ze biechtgeheimen opzoogden als stofzuigers. Eén camera maakte zo’n brede zwaai dat hij de zwaartekracht leek te testen. Er kwam rook uit, misschien wierook, misschien een lithiumbrand, misschien de ziel van de cloud. Binnen enkele minuten was alles mist. Mensen losten op tot stemmen zonder lichamen.
Toen zag ik dat het plafond ontbrak. Geen gewelf, geen fresco’s, alleen de nacht. Of een scherm met nacht erop. Een satelliet schoof langs het firmament als een cursor die een foutmelding zoekt. Hij werd groter. Groter. Alsof hij op download stond. De hemel klapte open als een slecht geprogrammeerde parasol en ik dacht: straks valt dat ding als een update op ons neer. Ik riep om hulp, maar iedereen knielde en mompelde wachtwoorden. Iemand spuugde op de vloer een fluim zo wit als een influencer-tandenreclame. Een ander klaagde over de kippen van de buurman die deepfakes legden. Een derde schreeuwde alleen maar: ‘Vuile Chinees! Mijn koelkast luistert mee!’ Niemand keek omhoog. Iedereen keek naar binnen, naar zijn eigen notificaties.
Wat doe ik hier, dacht ik, toen iemand achter mij zei: Dominus vobiscum, maar zijn stem klonk als een spraakassistent met verkoudheid. Morgen bloeien de pinksterbloemen, voegde hij toe, alsof hij een gedicht citeerde dat door een printerstoring was verminkt. Waardig is het Lam, kraakte hij, dat geslacht is en trending. Terwijl mijn gedachten opstegen als illegale vuurpijlen, zag ik dat mij een touw werd toegeworpen, een scheepstouw vol knopen die eruitzagen als captcha’s. Ik hoorde het ploffen van paardenvijgen en het tikken van vijgenpitten als morsecode uit de onderwereld.
Een lange schaduw gleed door de zijbeuk, geworpen door een licht dat zich gedroeg als een verdachte accountant. Rood was bloed, blauw was hemel, geel was haat en groen was de batterijstatus van God. Ik dacht aan mijn jeugd en meteen kwam mijn verleden binnenwandelen als een optocht van vergeten tabbladen. Mijn vader vulde de kolenkit op het balkon terwijl beneden zevenenzeventig jaargangen damesbladen zichzelf lazen. Hoelahoepen op het Mariotteplein, zwemmen in het Mirandabad, een duif die naar Bagdad vloog met een boardingpass op haar snavel. Negen heit de klok. De kippen gingen op stok met Peter Pan, Paulus de Boskabouter en een vulpen die alleen schreef wat hij verzweeg. Mijn blauwe gum rook naar lavendel en correctievloeistof. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij uitgelogd?
De kerkgangers stonden op en omhelsden elkaar als avatars die elkaar eindelijk in 3D ontmoetten. Veel te vroeg voor de zegen, vond ik, maar de haan had al gekraaid in surround sound en de satelliet werd nu zo groot dat je zijn serienummer kon lezen. In Korea zal de bom vallen, zeiden vrouwen die nooit in Korea waren geweest maar wel in de commentsectie. De Russen komen, zei iemand, maar hij bedoelde waarschijnlijk een software-update. Niets kwam ooit echt. Zelfs de bus naar Parijs bleef een belofte. Alleen de treinen reden op tijd, want punctualiteit was het laatste geloofsartikel. Duitsers met Volkswagens reden langs met narcissen op de motorkap en riepen: naar de bollen! Het is mij in de bol geslagen! Opeens zag ik mijn moeder de trap oplopen en een scheet laten die zo resonant was dat hij de akoestiek van de eeuwigheid testte. Niemand reageerde. Zelfs de engelen niet, die inmiddels noise-cancelling koptelefoons droegen.
Ik dacht dat ik de regie nooit had moeten uitbesteden, maar alles liep wonderlijk synchroon, alsof een verborgen scriptwriter mijn bestaan monteerde. Gods doel is de doelloosheid, dacht ik, en om dat te bereiken volgt Hij nauwgezet zijn planning. Verspil uw leven niet, sprak de zoetgevooisde man, het spoedt zo ras ten end, en hij hield twee appels vast alsof hij de privacyvoorwaarden van de schepping presenteerde. Zijn tanden blonken als een showroom. Uit zijn oor kroop een paling met een universiteitsdiploma, en uit zijn neus groeide tabak die dividend uitkeerde.
Ik keek hem aan en hoorde diep vanbinnen: dit verhaal is niet bedoeld om na te vertellen, het is een droom die zichzelf vergeet terwijl hij plaatsvindt. De duif vloog op, dwars door het middenschip, en overal verschenen schorpioenen, miljarden, met kleine aktetassen en pensioenplannen. Op de maan wandelden reuzen met stappentellers en de zon hing hoog met een kronkelende vlam als een kosmische signatuur. Gargantua bakte een omelet op de motorkap van een Chevrolet die was omgebouwd tot altaar. O strenge wiskunde, riep ik, ik sterf aan de hittedood van de logica!
Niemand luisterde. Heimwee trok aan mij als een getijde dat mijn naam verkeerd uitsprak. Op het altaar klonken belletjes. Hoc est enim, zei iemand. Dit is mijn lichaam. Dit is mijn data. Plotseling rees achter het altaar een rode golf op, een tsunami van bloed met trending-hashtags. De priester werd meegesleurd, spartelde als een cursor zonder veld en verdronk in de vloeibare liturgie. De man met de zoete stem, bezeten door het gregoriaans dat nu klonk als een remix, rukte zijn kleren uit, greep een Zwitsers zakmes met gebruikershandleiding en castreerde zich met de plechtigheid van een software-installatie.
De gelovigen haalden katapulten en windbuksen tevoorschijn alsof het liturgische instrumenten waren. Het was een oeroud lenteritueel, zei iemand, ter ere van een godin die uit het woordenboek was verwijderd na een concilie dat per ongeluk was gewist. Zij was de godin van het Zwitsers Zakmes, patrones van multifunctionele wanhoop. Alleen ik geloofde het niet. Pinocchio snoot zijn neus en overal knapten brillenglazen als ijs op een vijver. Ik vluchtte naar buiten, een kloostergang in waar nonnen achter tralies zaten, half engel, half reclamefolder, met vleugels van kreukpapier.
Bij één keek ik naar binnen. Kale cel, bed, bidstoel, bijbel, doodskop. Ze lachte en vroeg waarom ik niet binnenkwam. Ik ben een gevallen engel, zei ze nasaal, ik wil vliegen maar mijn wifi is uit. De duif is dood. Haar vleugels hingen slap als vergeten vlaggen. Aan de muur smolt een crucifix langzaam tot een klok. Plots wierp ze een sneeuwbal die mijn oog uitschakelde als een scherm. Toen ik mij omdraaide was de kerk leeg. Ite, missa est, fluisterde de lucht.
Achter mij stond een menigte die zong: wij gaan langs Amstels wegen, maar de melodie liep vast in buffering. Buiten knikkerden kinderen met planeten. Twee zwaaiden naar mij alsof ze mij al eeuwen kenden. De klokken luidden harder, harder, tot ze woorden werden, en ik herkende het schoollied van vroeger. Mijn God, dacht ik, wat is levensstrijd? Welke strijd heb ik gevoerd? Welke strijd moet nog beginnen? Heb ik ooit gestreden of alleen gekeken? Heb ik ooit geloofd of alleen geaccepteerd? Toen wist ik het weer, of meende het te weten: te geloven dat wat in je eigen hart waar is, waar is voor allen — dat is genialiteit. Maar wie dat gezegd had, wist ik niet meer. Misschien Emerson. Misschien de satelliet. Misschien de kerk zelf, die inmiddels langzaam opsteeg.