Ooit ben ik naar het carnaval geweest, verkleed als schroevendraaier, en sindsdien vermoed ik dat het universum zelf een schroef is die dol draait in een kosmisch stuk multiplex. Het was een openbaring die niet onderdeed voor een verschijning van de Heilige Maagd op een parkeerterrein van een bouwmarkt. Sindsdien weet ik dat “schroeven draaien” geen handeling is maar een metafysische toestand. Soms slijt de kop van een schroef, zoals tegenwoordig de kop van de werkelijkheid zelf slijt onder het bitje van het algoritme, en dan kun je draaien wat je wilt maar er gebeurt niets meer behalve dat het gereedschap begint te janken. Rechtsom is naar binnen, linksom naar buiten, tenzij de handleiding is geschreven door een beleidsambtenaar, een AI-chatbot of een minister van Waarheid, in welk geval rechts plots links blijkt en buiten binnen, en het hele schroefdraadstelsel van de kosmos een administratieve vergissing wordt.
Carnaval is precies zo’n vergissing van de schepping. Het is de jaarlijkse systeemfout waarin de werkelijkheid zichzelf opnieuw opstart met de verkeerde instellingen. Plus wordt min, min wordt plus, mannen worden vrouwen, presidenten worden memes, memes worden ministers, en een influencer kan tot paus worden gekozen zolang hij maar genoeg volgers heeft en een ringlamp. De wereld staat niet op zijn kop, maar hij blijkt altijd al op zijn kop te hebben gestaan, alleen hadden we het icoontje “zwaartekracht” nog niet uitgezet.
Vandaag is het Aswoensdag, zo noemden wij roomsen dat vroeger. Buiten waait dan de wind met een stropdas om, omdat dit een dag is vol melancholie. Hij blaast dan de as van de voorhoofden terug de lucht in, zodat boven de stad een omgekeerde begraafplaats ontstaat: wolken vol namen, data, en vergeten gedachten. Vogels proberen erop te landen maar zakken erdoorheen alsof ze door herinneringen vliegen. Het carnaval is vandaag weer voorbij. Een tijd van vasten en soberheid staat voor de deur.
Ik heb het nooit zo gehad met carnaval, maar sinds ik in Friesland woon mis ik het zoals een pinguïn het poolijs mist wanneer hij per ongeluk in een airfryer belandt. De mens heeft een uitlaatklep nodig. Zonder jaarlijkse ontploffing van het innerlijk kind verandert de ziel in een dichtgeslibde afvoerput waarin de psyche langzaam begint te gisten. Het katholieke zuiden begrijpt dat: daar mag men één keer per jaar collectief krankzinnig worden. Het calvinistische noorden daarentegen beschouwt extase als een administratieve fout.
Psychologen zullen beweren dat het verlangen om “Alaaf!” te roepen teruggaat op verdrongen peutertrauma’s, maar wat kan mij dat schelen, in ieder mens schuilt een kleuter met een plastic kroon en die wil af en toe de paus zijn. Ikzelf wilde dat al op de kleuterschool. Op de lagere school was ik een engelachtig jongetje dat zong alsof de hemel een auditie hield. Tot de baard in de keel kwam en de cherubijn in mij veranderde in een bariton met existentiële bijgeluiden. Het middeleeuwse katholicisme was één groot carnaval met wierook als rookmachine en heiligenbeelden als figuranten; de Reformatie heeft dat alles vervangen door kale muren en een God die klinkt als een belastinginspecteur.
Het carnaval is in zuidelijke landen het volksfeest bij uitstek: de dag waarop hiërarchieën verdampen als alcohol op een warme motorkap. Het is de eruptie van het groteske, de triomf van de nar, de joker, de clown, de acrobaat en tegenwoordig ook de deepfake-avatar. Koningen worden afgezet en vervangen door kartonnen dubbelgangers met confetti in de baard. Ministers worden ontmaskerd en blijken onder hun gezicht nog een gezicht te dragen, daaronder nog een, en daaronder een QR-code die naar een sponsorlink leidt.
Cultuurhistorici twisten over de betekenis van dit alles. Volgens Herman Pleij was het middeleeuwse carnaval eigenlijk een repressiemiddel van de opkomende burgerij: een veiligheidsventiel waarmee de massa mocht gillen zolang zij daarna weer netjes belasting betaalde. Vanuit dat noordelijke perspectief is carnaval een schijnwereld, een toneelstuk, een simulatie , kortom precies hetzelfde als de hedendaagse realiteit, die inmiddels volledig bestaat uit avatars, filters en beleidsficties. De “carnavalisering van de cultuur”, een term die eveneens van Pleij afkomstig is, heeft zich intussen zo grondig voltrokken dat het onderscheid tussen masker en gezicht alleen nog door forensische software kan worden vastgesteld.
Maar carnaval is ook een eruptie van de onderbuik, en zonder onderbuik geen beschaving. Het is de achterkant van het bestaan, de spiegelzijde waarin het heilige obscene wordt en het obscene heilig. In die spiegelwereld — die al bestond van Brueghel tot TikTok — zuipen mannen omdat de drank smaakt als de urine van een aartsengel en verlangen vrouwen naar de goudgepunte lans van een uitgestorven ras van reuzen dat tegenwoordig waarschijnlijk een start-up in Silicon Valley runt. Het is een universum waarin God met vakantie is en de duivel dienst doet als ceremoniemeester.
De Russische denker Michail Bachtin zag in carnaval de diepste motor van cultuurvernieuwing. Volgens hem borrelt alle vernieuwing op uit de onderlaag van lichaam en taal , een inzicht dat later werd toegelicht door Anton Simons en dat tegenwoordig ook door neuromarketeers wordt bevestigd wanneer zij de verkoopcijfers van energiedrank analyseren. Bachtin beschouwde het lichaam niet als privébezit maar als collectieve infrastructuur van de mensheid. Zijn ideeën inspireerden het post-structuralisme, dat op zijn beurt weer inspireerde tot beleidsnota’s die niemand begrijpt maar iedereen citeert.
De Franse historicus Michel Vovelle sprak over het “collectief imaginaire”, een soort voor-taal universum waarin de mensheid droomt voordat zij denkt. Dat imaginaire heeft een verticale as die hoge en lage cultuur verbindt, alsof opera en wc-graffiti dezelfde moeder hebben. Volgens Vovelle heeft dit niets te maken met Jungs collectief onbewuste of met de schema’s van Lévi-Strauss; het is een historisch verschijnsel op de grens van biologie en cultuur, zoals een politicus op de grens van waarheid en theater.
Ook Emmanuel Le Roy Ladurie zag carnaval niet als simpele omkering maar als een sociaal instituut waarin groepen zich in al hun complexiteit konden tonen. Het was een middeleeuwse coming-outmachine avant la lettre: onderdrukten konden zich vermomd presenteren en zo de gemeenschap laten wennen aan het onbekende. De Latijnse kerk werd geparodieerd in de volkstaal, precies zoals tegenwoordig internationale topontmoetingen worden samengevat in emoji’s.
In onze tijd keren deze carnavaleske structuren terug in parades en massaevenementen. De pride-optochten, de technofestivals, de protestmarsen, de marathons, allemaal rituele optochten waarin identiteit zich verkleedt om zichzelf te onthullen. Zelfs de Slachtemarathon tijdens Simmer 2000 leek op een Friese variant van de Love Parade: lichamen in beweging als argumenten zonder conclusie.
Friezen echter ontdooien pas als het vriest. Zij missen de achterkant van het bestaan, de demonische schaduw waaruit extase groeit. Gerard Reve merkte ooit op dat hij hun nuchterheid niet kon verdragen omdat zij de nachtzijde van de mens ontkent. Wat wil je ook: Frisia non cantat. Het katholicisme wortelt slecht in kleigrond. J.B. Charles schreef al dat Friezen religieus zijn maar dat de combinatie Fries en calvinist klinkt als een psalm gezongen door een rekenmachine.
In 1959 schreef Jacques Brel zijn chanson Les Flamandes, een satire die Vlaanderen deed steigeren als een paard dat zichzelf in de spiegel ziet. Wat jammer dat hij nooit een lied over de Friezen schreef, een ballade over een volk dat zo ernstig is dat zelfs hun schaduwen zich excuseren wanneer ze op de muur verschijnen. Brel, Franstalige Vlaming tegen wil en dank, had een haat-liefdeverhouding met zijn geboortegrond. Ik herken dat. Ook ik groeide op in de stad en eindigde als Nederlandstalige Fries met een hart dat heimelijk naar carnaval verlangt, alsof ergens diep in mij nog steeds die schroevendraaier rondtolt die wacht op een schroef die eindelijk toegeeft.
