
De filosofie van Gilles Deleuze legt sterk de nadruk op proces, meervoudigheid, het doorbreken van vaste structuren en het leggen van open, niet-hiërarchische verbindingen. In wezen kan zijn werk worden gezien als een theoretische heruitvinding van wat de Fluxus-beweging in de kunst al belichaamde. Fluxus, actief in de jaren zestig, daagde de gevestigde orde uit met directe, speelse en vaak vluchtige performances, waarbij conventies werden doorbroken zonder theoretisch omhaal. Deleuze daarentegen vertaalde diezelfde geest naar het terrein van de filosofie, waarbij hij een uitgebreid en conceptueel doordacht systeem ontwikkelde.
In het post-’68 Frankrijk, een tijdperk waarin theorie zelf werd beschouwd als een vorm van politieke interventie en intellectuelen streefden naar blijvende verankering van nieuwe denkwijzen in wetenschap, cultuur en maatschappij, kreeg deze overvloed aan woorden een strategische functie. Het stelde Deleuze in staat om de impuls van een artistieke revolte om te zetten in een filosofisch systeem dat universeel toepasbaar leek. Zijn werk kan zo worden gelezen als een filosofische vertaling van het Fluxus-beginsel, maar dan ontdaan van de toevalligheid en spontaniteit die Fluxus kenmerkte, voorzien van een uitgebreide conceptuele machinekamer en bedoeld om op vrijwel elk gebied inzetbaar te zijn.
Wie door deze overvloed aan woorden heen kijkt, ziet misschien niet zozeer een radicaal nieuwe filosofie ontstaan, maar eerder een uitvoerig voetnoten-apparaat bij een artistieke revolte die elders, op een veel directere en speelsere manier, al lang had plaatsgevonden.
Ik legde deze gedachtegang voor aan Chat GPT met de vraag om hierop te reageren. Dit was het resultaat.
***
Wie het werk van de Franse filosoof Gilles Deleuze leest, kan soms het gevoel krijgen dat zijn ideeën opmerkelijk veel gemeen hebben met het gedachtegoed van de Fluxus-beweging. Fluxus — de internationale kunststroming van de jaren zestig en zeventig met figuren als George Maciunas, Yoko Ono en Nam June Paik — stond bekend om haar speelse, ongrijpbare en anti-hiërarchische werken. Het doel was om de grens tussen kunst en leven te doorbreken, vaak met korte, absurdistische acties die even onverwacht verdwenen als ze verschenen.
Deleuze ontwikkelde daarentegen, vaak samen met Félix Guattari, een complexe filosofie rond begrippen als worden, verschil, rhizoom en deterritorialisatie. Toch is de verwantschap onmiskenbaar: beiden delen een afkeer van vaste categorieën, een voorkeur voor processen boven eindvormen, en een open, niet-hiërarchische benadering van werkelijkheid.
Het verschil zit niet in de kern, maar in het domein waarin zij opereren. Fluxus werkt in de sfeer van de kunst: directe ervaring, lichamelijke aanwezigheid, tijdelijke gebeurtenissen. Deleuze werkt in de sfeer van de filosofie: abstracte concepten, geschreven taal, theoretische samenhang. Waar Fluxus de open vorm belichaamt, probeert Deleuze diezelfde open vorm universeel te maken. Wat bij Fluxus een eenmalige gebeurtenis is, wordt bij Deleuze een denkraam dat steeds opnieuw kan worden toegepast.
De vraag blijft waarom er, als de essentie van beide zo dicht bij elkaar ligt, bij Deleuze zoveel woorden en uitweidingen nodig zijn om er een nieuwe filosofie van te maken. Een belangrijk deel van het antwoord ligt in zijn opvatting van filosofie zelf. Voor Deleuze is filosofie het scheppen van concepten: begrippen die niet alleen in kunst bruikbaar zijn, maar ook in wetenschap, politiek of ecologie. Waar Fluxus een idee in één handeling kan uitdrukken, moet de filosoof dat idee omzetten in een instrument dat in talloze contexten werkt. Zijn taal wordt zo zijn laboratorium, een experimenteerruimte waarin woorden de rol spelen die bij Fluxus aan objecten en lichamen toekomt.
Maar minstens zo belangrijk is inderdaad de historische en intellectuele context waarin Deleuze zijn werk schreef. Het Frankrijk van na mei 1968 was een laboratorium voor nieuwe vormen van politiek, cultuur en denken. De studentenopstand en de arbeidersstakingen hadden niet alleen het gezag van de regering en de universiteit ter discussie gesteld, maar ook de fundamenten van de westerse cultuur: hiërarchie, representatie, patriarchale macht, vaste identiteiten. Theorie was in dat klimaat geen vrijblijvende bezigheid, maar een vorm van politieke interventie. Filosofie moest niet slechts beschrijven, maar ingrijpen.
In die context was het voor Deleuze en Guattari niet voldoende om een paar scherpe observaties te realiseren of losse artistieke intuïties over te nemen. Hun taal en structuur moesten zodanig werken dat ze de bestaande machtsstructuren daadwerkelijk konden ontregelen en alternatieve manieren van denken konden openbreken. De overvloed aan woorden, de soms duizelingwekkende conceptuele netwerken, waren onderdeel van die strategie: door de lezer te dwingen mee te bewegen in een non-lineaire, meervoudige denkruimte werd de logica van de gevestigde orde zelf ondermijnd. Waar Fluxus dit deed met onverwachte acties in galeries of op straat, deed Deleuze het binnen het veld van de filosofie, waar de strijd om ideeën zich op een ander terrein afspeelde, maar met eenzelfde verlangen naar ontregeling.
Zo bezien kan Deleuze’s filosofie inderdaad worden gelezen als een theoretische heruitvinding van wat Fluxus in de praktijk bracht. Het verschil is niet dat de een “diepere” ideeën zou hebben dan de ander, maar dat de middelen verschillen: de kunstenaar maakt werken, de filosoof maakt concepten. Dat vereist andere vormen van precisie, en dus ook andere vormen van overdaad. In het post-’68 Frankrijk, waarin taal, theorie en politiek zo innig verweven waren, werd die overdaad een noodzakelijk instrument. De overvloed aan woorden, die zo eigen is aan Deleuze, is niet slechts een omhaal, maar een poging om de geest van Fluxus te vertalen naar een universele methodologie. Waar bij Fluxus het moment centraal staat, zoekt Deleuze naar een herhaalbare denkwijze die het moment kan overstijgen, zonder zijn ontregelende potentie te verliezen.