Writersblock

4 april, 1980(3)0001

Op deze foto loop ik op een camping in de richting van de camera. Ik loop de toekomst in, al die jaren tegemoet waar ik op dat moment nog geen weet van had. Het is ogenschijnlijk een toevallig moment, stilgezet in een stroom van voortdurend veranderende momenten die ook wel ‘de tijd’ wordt genoemd. Elke foto is een scheur in de tijd, een beeld dat is blijven haken aan een krib in de grote rivier. Deze foto is gemaakt in 1969 op een camping in Noorwegen. Dat was een roerig jaar. Ik studeerde in die tijd nog Nederlands zonder overigens veel uit te voeren. Sterker nog, ik deed bijna helemaal niets. Wel volgde ik colleges bij Jacques Presser in een zaal in de Oudemannenhuispoort. Maandenlang sprak Presser elke week twee uur lang over het schrijven van zijn boek Ondergang. Zo vertelde hij over een writersblock waarmee hij een jaar lang had geworsteld.

Op een dag zat hij aan het raam in zijn werkkamer van het NIOD. In het grote grachtenpand aan de overkant was ook een kantoor gevestigd. Er waren drie grote ramen daar. Links zat – elke dag weer — een vrouw achter een bureau, rechts een man. In het raam in het midden was niets te zien. Elke dag weer was er nauwelijks beweging te bespeuren in dit strakke, symmetrische patroon. Op een dag echter, dat Presser weer uit het raam zat te staren, zag hij opeens beweging aan de overkant. De man en de vrouw stonden beiden gelijktijdig op, liepen naar het midden en gaven elkaar een kus. Ze bleven even daar staan, voor het middelste raam, om vervolgens weer terug te keren en hun bureauwerk te hervatten. Presser noemde het als een absurd voorval dat hem nog lang was bijgebleven. Het was ogenschijnlijk niets bijzonders, maar voor hem betekende het heel veel. Toeval of niet, dit moment markeerde het einde van zijn writersblock. Het was of zich een wonder voltrok.

Ik geloof niet in wonderen en ik heb ook geen last van het verdwijnen ervan. Toch lees ik telkens weer boeken die gaan over die ene, onmogelijke vraag: Hoe is het mogelijk dat het wonder uit de wereld is verdwenen? Vaak krijg ik het verwijt te horen dat ik een ‘omgevallen boekenkast’ ben. Ik heb gewoon teveel gelezen en stapel informatie op elkaar zoals je boeken op elkaar stapelt of zoals een ober dat doet met borden. Als je dat teveel doet gaat de stapel wankelen en valt uiteindelijk alles om. Dat beeld schijnen mijn teksten bij menigeen op te roepen.

Onlangs kreeg ik een ander geluid te horen. Iemand zei tegen me, dat ik het vermogen bezit om op grond van een grote parate kennis geheel onverwachte verbanden te leggen tussen feiten en gegevens die uit zeer uiteenlopende terreinen afkomstig zijn. Die laatste opmerking is meer complimenteus. De eerste heeft iets venijnigs. De waarheid zal – zoals zo vaak – wel ergens in het midden liggen. Daar gaat mij het nu niet om. Wat mij verbaast is dat ik bij anderen zulke verschillende beelden kan oproepen. Dat is trouwens altijd al zo geweest. Sommige mensen vinden mij best sympathiek. Anderen daarentegen vinden mij een arrogante blaaskaak. Hoe komt dat toch?

Misschien schrijf ik dit weblog om het antwoord op die vraag te vinden. Ken u zelf, dat is immers de  bron van alle wijsheid. Om tot die wijsheid te komen, moet je op weg gaan, schrijven, schrijven en nog eens schrijven… Maar is dat wel zo?  Is het omgekeerde niet evenzeer waar? Misschien schrijf ik wel zoveel om aan mezelf te ontsnappen, om geleerde mensen uitspraken te ontlokken die ik graag over mezelf wil horen. Hoewel ik mezelf doorgaans niet erg serieus neem, heb ik een sterke behoefte om door anderen serieus te worden genomen.

Hoe dat komt, weet ik niet. Het zal wel iets te maken hebben met mijn nog altijd onvolwassen verlangen volwassen te zijn, waardoor ik blijf volharden in mijn gewoonte om de dingen te zien zoals ze niet zijn. Met Paulus zeg ik, dat als ik wil roemen, ik wil roemen op mijn zwakheden. Maar als geen ander ken ik de hoogmoed van de nederigheid. Begaan met het lot van de mensheid, heb ik vooral medelijden met mezelf. En terwijl ik de illusie koester door mijn dagelijks geschrijf voort te leven na mijn dood, denk ik dat niemand mij morgen mist. Zelfrespect is een hachelijke zaak: 
iets te veel, en je bent onuit
staanbaar voor een ander; iets 
te weinig: onuitstaanbaar voor 
jezelf.

‘Hoeveel waarheid waagt een mens?’ vroeg Nietzsche. Voor mij geldt vaak het omgekeerde. Hoeveel waarheid kun je vermijden door woorden van een ander als waarheid te verkondigen? Zo stapel ik op dit blog nu al 12,5 jaar lang – dag in dag uit – mijn boekenwijsheden op elkaar. Wie schrijft die blijft, maar heeft tegelijk ook de wereld naar zijn hand gezet. Schrijven is het creëren van een tweede werkelijkheid als substituut voor de realiteit waar je niet in wilt leven. Schrijven is op de vlucht slaan, vluchten in de fictie, het verleden, de leugen. Schrijven is voortdurend de waarheid willen ontlopen. Wat ik al schrijvend zoek, vind ik niet. En waar ik tussentijds op stuit, heb ik nooit gezocht.

Misschien ben ik te soft voor deze wereld en is mijn schrijfdrang een wat al te gemakkelijk alibi voor zelfbeklag. Maar dan, het leven is kort. Om met Brel te spreken: ‘Hoe vaak hebben wij met een snijdend woord ons geluk vermoord….’  Ik heb het al vaker gezegd, maar ik zeg het nog maar eens. Ik ben ooit met dit weblog begonnen, om vrede te kunnen sluiten met mezelf. De balans tussen de input en de output van woorden moest worden hersteld. Het is een kwestie van spijsvertering. Wat erin komt moet er ook weer uit, zij het in een andere vorm. Zo niet, dan krijg je verstopping en dat moeten we niet hebben. Maar vandaag weet ik niet wat ik moet schrijven. Het zit me even niet mee. Het stormt op de levenszee. En terwijl ik eigenlijk niets te zeggen heb, zeg ik het toch maar…. Ik heb een writersblock.

Reageren is niet mogelijk.