Wie schrijft, verdubbelt zichzelf. Er ontstaat een tweede gestalte, een schaduwfiguur die uit woorden bestaat en zich gaandeweg losmaakt van degene die haar ooit in het leven riep. Misschien is dat wel de eerste voorwaarde van het schrijverschap en tegelijk zijn verborgen tragiek. Wie leeft, leeft. Wie schrijft, kijkt toe. Tussen beide houdingen gaapt een kloof die nooit volledig te overbruggen is. Schrijven is een vorm van afstand nemen van het leven, maar ook een poging om juist dichter bij datzelfde leven te komen. Het is een vlucht en een terugkeer tegelijk. Misschien schuilt daarin de waan van het schrijven.
De schrijver zit voor een leeg scherm en wacht. Hij weet niet precies waarop. Er zijn woorden, herinneringen, beelden, associaties, flarden van dromen. Soms lijkt het alsof zij uit hemzelf voortkomen, soms alsof zij hem worden ingegeven. De ervaring van inspiratie heeft altijd iets raadselachtigs gehouden. Waar komt een zin vandaan? Waarom dient juist dit beeld zich aan en niet een ander? De wetenschap kan de activiteit van het brein meten, maar zij kan niet verklaren wat het betekent wanneer een gedachte plotseling vorm krijgt in taal. Tussen de neuronen en de poëzie gaapt een afgrond.
Plato meende dat de grootste gaven van de mens voortkomen uit een goddelijke razernij. Er bestaat volgens hem een waanzin die ziek maakt, maar ook een waanzin die door de goden wordt geschonken. Eeuwenlang heeft men die gedachte gekoesterd. Aristoteles zag een verband tussen genialiteit en melancholie. Tijdens de Renaissance beschouwde Marsilio Ficino de melancholische stemming als een voorwaarde voor zelfkennis. De zwarte gal, die volgens de oude geneeskunde verantwoordelijk was voor zwaarmoedigheid, werd tegelijkertijd gezien als de obscure bron van de verbeelding.
De moderne tijd heeft dergelijke ideeën verdrongen. Sinds de Verlichting wordt kennis geacht rationeel te zijn. Het verstand werd losgemaakt van de affecten en de ziel verdween uit het wetenschappelijke wereldbeeld. Maar daarmee verdween niet de ervaring zelf. Nog altijd spreekt men over inspiratie alsof het om een bezoek van buitenaf gaat. Nog altijd heeft de schrijver het gevoel dat hij iets ontvangt. Hij maakt niet alleen, hij wordt ook gemaakt. Hij schrijft, maar tegelijkertijd wordt hij geschreven.
Mogelijk is dat de reden waarom schrijvers zo vaak aan zichzelf twijfelen. Wie spreekt er eigenlijk in een tekst? Is het de auteur? Een rol? Een alter ego? Een masker? Schrijven heeft iets van toneelspelen. Juist in de pose kan men volkomen zichzelf zijn. Wie een dagboek bijhoudt, een roman schrijft of een weblog vult, creëert onvermijdelijk een personage. Dat personage lijkt op de schrijver, maar valt er nooit volledig mee samen. Er ontstaat een ruimte waarin werkelijkheid en fictie in elkaar overlopen.
Op internet is dat proces alleen maar intenser geworden. Het woord heeft zich losgemaakt van zijn drager. Het is stroom geworden. Teksten zweven in een onzichtbare ruimte, worden gekopieerd, samengevat, herschreven en verdwijnen in een oneindig archief. De schrijver is afwezig, de lezer eveneens. Beiden ontmoeten elkaar in een virtuele ruimte die nergens is en toch overal bestaat. De taal is vloeibaar geworden. Zij stroomt, zonder oorsprong en zonder bestemming.
Daardoor keert iets terug van de magische wereld van het gesproken woord. Wie spreekt er nog? Wie is het subject? De vraag die de moderne filosofie bezighield, krijgt op internet een nieuwe actualiteit. Derrida wees erop dat de taal altijd aan het subject voorafgaat. Lacan stelde dat het onbewuste gestructureerd is als een taal. De woorden komen eerder dan degene die ze uitspreekt. De schrijver denkt dat hij schrijft, maar misschien is het de taal die zich van hem bedient.
Dat besef heeft iets bevrijdends, maar ook iets angstaanjagends. Want waar ligt de grens tussen inspiratie en waan? Tussen de stem van de verbeelding en de stem die de psychoticus hoort? Die vraag is nooit definitief beantwoord. Mystiek en psychose hebben altijd een merkwaardige verwantschap vertoond. Beide fenomenen gaan gepaard met een intensivering van de ervaring, met een gevoel van openbaring, met de overtuiging dat verborgen verbanden zichtbaar worden. De moderne psychologie heeft strakke scheidslijnen getrokken. Mystiek geldt als gezond, psychose als ziek. Maar die grens is minder vanzelfsprekend dan vaak wordt aangenomen.
Michel Foucault heeft laten zien dat ook de waanzin een geschiedenis heeft. Wat in een bepaalde periode als krankzinnig wordt beschouwd, hangt samen met het wereldbeeld van die tijd. De Romantiek ontdekte de kunstenaar als genie en tegelijkertijd de krankzinnige als zijn duistere dubbelganger. Vanaf Goya en Géricault werd de waanzin een onderwerp van de kunst. Bij Vincent van Gogh werd zij zelfs de bron van de expressie. De moderne kunstenaar werd een dolle mens in een onttoverde wereld.
De twintigste eeuw heeft de afstand tussen kunst en waanzin steeds kleiner gemaakt. Expressionisme, surrealisme en Art brut brachten de bezielde uitingen van kinderen, primitieven en psychiatrische patiënten op één lijn met de kunst van erkende meesters. Dada opende de poorten van het dolhuis. Het museum werd een laboratorium van ontregeling. Alsof de kunst iets wilde terugvinden wat door de triomf van de rede verloren was gegaan.
Dat verlies begon pas echt met de dood van God. Nietzsche beschreef de dolle mens die over de markt liep en uitriep dat wij God hadden gedood. Maar niemand begreep wat hij bedoelde. De horizon was weggeveegd en de zee leeggedronken, maar de mensen merkten het niet eens. Sindsdien leven wij in een wereld zonder middelpunt. De oude symbolen hebben hun vanzelfsprekendheid verloren. Het hemels baldakijn is ingestort. Alleen de brokstukken zijn overgebleven.
Kunstenaars en schrijvers jongleren met die brokstukken. Zij proberen betekenis te scheppen waar geen ultieme betekenis meer bestaat. Dat is de diepste drijfveer van het schrijven. Men schrijft tegen de leegte in. Men schrijft om de tijd stil te zetten. Men schrijft om het verdwijnen tegen te houden. Maar het schrijven zelf bevestigt telkens weer opnieuw dat alles verdwijnt.
Het heden is niet vast te houden. Zodra je het probeert te benoemen, is het al voorbij. De taal komt altijd te laat. Het visioen sterft weg in het gedruis van de mond. Toch blijven mensen schrijven. Misschien omdat zij hopen dat de woorden sporen nalaten. Zoals vissen die even opspringen uit de gaten van het geheugen, zoals Augustinus al vermoedde.
Maar er is nog een andere kant. Wie schrijft, ontsnapt aan het leven door er toeschouwer van te worden. Oscar Wilde merkte op dat men aan het lijden van het leven ontsnapt door ernaar te kijken. Schrijven is zo’n vorm van kijken. De schrijver observeert zichzelf, verdubbelt zijn ervaringen en zet ze om in taal. Daarmee ontstaat een afstand die bescherming biedt, maar die ook vervreemding met zich meebrengt.
Soms lijkt het alsof het echte leven zich elders afspeelt. Alsof de geschreven wereld meer werkelijkheid bezit dan de werkelijkheid zelf. Men leeft in herinneringen, in notities, in archieven. De grens tussen bestaan en beschrijven vervaagt. Er ontstaat een tweede werkelijkheid die zich langzaam over de eerste heen schuift.
Wellicht is dat de reden waarom schrijven zo dicht bij dromen staat. In dromen verschijnen dubbelgangers. Men herkent zichzelf en tegelijk ook niet. Er woont iemand anders in het eigen huis. De wereld is vertrouwd en vreemd tegelijk. Hetzelfde kan gebeuren in het schrijven. Het ik dat op papier verschijnt, is herkenbaar, maar niet identiek aan degene die leeft. Er ontstaat een subtiele vorm van vervreemding.
Toch is die vervreemding niet alleen negatief. Zij maakt ook vrijheid mogelijk. Juist doordat men zichzelf verdubbelt, kan men zichzelf overstijgen. Men wordt iemand anders om dichter bij zichzelf te komen. De pose onthult wat de spontaniteit verbergt. In de fictie verschijnt soms meer waarheid dan in de feiten.
Daarin schuilt de paradox van het schrijverschap. Schrijven is een poging om de waan te bezweren, maar het put uit dezelfde bron waaruit de waan ontstaat. Het is een poging om orde te scheppen in de chaos, terwijl die chaos de eigenlijke voedingsbodem van de verbeelding vormt. Wie schrijft, begeeft zich voortdurend op de grens tussen helderheid en verwarring, tussen herinnering en droom, tussen inzicht en illusie.
Daarom besdtaat er geen schrijver zonder een zekere vorm van onrust. Geen schrijver zonder melancholie. Geen schrijver zonder de ervaring dat er iets ontbreekt wat niet meer terug te vinden is. Men schrijft vanuit een verlies dat nooit helemaal benoemd kan worden. Vanuit een heimwee naar een oorsprong die misschien nooit bestaan heeft.
En toch gaat het schrijven maar door. Zin na zin. Bladzijde na bladzijde. Niet omdat het doel ooit bereikt wordt, maar omdat het verlangen zelf niet ophoudt. Schrijven is een vorm van hopen tegen beter weten in. Een eindeloze poging om de tijd te vertragen, de doden vast te houden, het verdwenene terug te roepen en de leegte met woorden te vullen.
Ook dat zou uiteindelijk ook de waan van het schrijven kunnen zijn. Niet dat de schrijver zich vergist, maar dat hij blijft geloven dat woorden iets kunnen redden van wat onherroepelijk verloren gaat. En het is niet ondenkbaar dat hij daarin gelijk heeft. Toch kan het ook een vergissing zijn. Maar zonder die vergissing zou hij nooit één regel op papier kunnen zetten.
