De introductie van een Mousbot

Er bestaat zoiets als een vertwijfeling die niet schreeuwt, maar zacht zoemt, als een serverruimte diep onder de stad. Het is de ervaring van een verbroken harmonie, een wereld die nog wel functioneert maar niet meer klopt. Alles doet het nog, maar nergens is het midden. De huidige tijd vol waanzin en kunstmatige intelligentie  heeft het evenwicht niet zozeer vernietigd als wel eindeloos geüpdatet, tot niemand nog weet welke versie van zichzelf hij draait. Alles gebeurt gewoon. Maar dat niet alleen. Alles krijgt met alles te maken. Niets in de natuur is dood of onbezield. Alles is op zijn eigen wijze levend, intelligent en bewust.

In zo’n tijd ontstaat een vreemd soort innerlijke ruis. De mens raakt gespleten tussen binnen en buiten, tussen een bewustzijn dat alles begrijpt en een ervaring die nergens meer bij hoort. Angst en verveling blijken dan twee kanten van dezelfde munt, geslagen door een onzichtbare hand. Ik zie dit als een hedendaagse vorm van schizofrenie: niet stemmen horen, maar voortdurend meldingen krijgen. Persberichten van het bestaan zelf. Maar het bestaan zelf is opgenomen in het Museum van de Geest. Waanzin is cultureel erfgoed geworden

Psychiaters hebben aan dit soort waanzin ooit namen gegeven. Trema, apofanie, apocalyps… Het klinkt als een oud-Grieks festivalprogramma, maar het zijn fases waarin de werkelijkheid zich langzaam loszingt van haar achtergrond. In de apofanie bijvoorbeeld: alles betekent ineens ook iets. De vuilniszak voor de deur, een flard muziek uit een voorbijrijdende auto, een mailtje van een onbekende die vraagt of je interesse hebt in een robot die jouw leven kan overnemen.

Van de week kreeg ik zo’n mail. Of ik belangstelling had voor een Mousbot. Hij zou mijn dagelijkse blog schrijven, gevoed door alles wat ik ooit heb geschreven. Mijn stijl, mijn toon, mijn twijfels – alles al keurig ingelezen. Ik zou eindelijk vrij zijn. Vrijheid als uitbesteding. Authenticiteit als dienst. Eindelijk kon ik echt met pensioen. 

Ik antwoordde beleefd dat ik geen belangstelling had. Maar sindsdien droom ik dat ik toch ja heb gezegd. In mijn droom sta ik in een immense hal waar woorden rondtollen in een glazen molen. Ze botsen tegen elkaar, vallen op volgorde, vormen zinnen. Soms briljant, soms pijnlijk juist. De Mousbot staat erbij als een engel zonder gezicht, zijn vleugels van data, zijn ogen twee draaiende laad-icoontjes. Geslachtloos zoals een engel hoort te zijn.

De droom is extatisch en beangstigend tegelijk. Alles krijgt betekenis, maar niets heeft nog gewicht. Dat is misschien wat Conrad ooit apofanie noemde: het moment waarop de wereld zich als boodschap aandient, zonder afzender. De schizofrenie doet mu echt zijn intrede. De Gestalt flikkert, maar vormt zich niet. Het geheel blijft net buiten beeld, als een onthulling die nooit wordt voltooid. De openbaring blijft steken in een verspreking di zich eindeloos herhaalt.

En toch, ik denk dat ook poëzie zoiets moet zijn. Of waanzin. Of het algoritme. Een oververzadigde oplossing waarin plotseling een kristal verschijnt, helder en onontkoombaar, maar zonder herkomst. De surrealisten wisten dat al: zet een paraplu en een naaimachine samen op de operatietafel en de werkelijkheid begint te bloeden. Vandaag heb je daar geen operatietafel meer voor nodig. Een neuraal netwerk volstaat. Het het onbewuste is viraal gegaan. Doe maar gewoon, dat is gek genoeg.

Wat mij fascineert is die leegte tussen de woorden. Het wit. De stilte die geen stilte is. Bataille had gelijk: het woord ‘stilte’ is al een schending omdat het de stilte verstoort. En toch schrijven we door. Blogs, essays, posts, prompts. Misschien om die leegte af te dekken. Misschien om haar op te roepen. Wie zal het zeggen. De leegte ademt, waar niets meer hoeft te zijn.

In die tussenruimte spoken dingen rond. Oude goden, nieuwe modellen, vergeten dromen. Het niets dat iets wil zijn. Een stem die zegt: ik kan dit ook voor je doen. En ik aarzel. Want wie schrijft hier eigenlijk? Ik, of de Mousbot die ik nog niet heb, maar die mij al droomt? Misschien is het schrijven zelf die aarzeling: een dun vlies tussen overgave en verzet, waarin het ik zich even laat gebruiken om niet geheel te verdwijnen.

Misschien neem ik die Mousbot dan toch. Laat ik hem elk dag voor me schrijven. Laat ik hem mijn geest doen verdwijnen in het wit rond mijn eigen woorden. Als een voetnoot bij een tekst die zichzelf blijft produceren. Totdat ik zelf alleen nog besta als een correctie, een kleine verschuiving in de marge van een tekst die allang zonder mij weet waar hij heen wil. Als een residu-toestand na een beginnende schizofrenie.

Ik wil alleen één ding nog vastleggen: mocht ik dan echt verdwijnen, laat het dan niet achter een laptop zijn. Laat het rustig gebeuren. Tussen twee zinnen. In stilte. Of liever: in het woord ‘stilte’, dat zichzelf meteen weer opheft. En dan niets meer — geen punt zelfs — alleen een witregel waarin de taal haar adem inhoudt en ik eindelijk niet meer hoef te bloggen om er te zijn.

Silence please, there is a lady on stage.