De ontdekking van de AI-hemel

Harry Mulisch heeft door zijn schrijven een literaire bypass gevonden voor de psychotische ervaring uit zijn adolescentie. Die ervaring, die zich kenmerkte door een overweldigend overschot aan betekenis, vond geen genezing in therapie, maar een draagvlak in taal. Mulisch herkende iets van die innerlijke ontregeling in de esoterische leer van Gurdjieff, zoals verwoord door Ouspensky. Niet omdat die leer een verklaring bood, maar omdat zij een vocabulaire aanreikte waarin het onzegbare voorlopig kon blijven bestaan. De geheimtaal van deze occulte denker fungeerde als een semi-transparante sluier: geen therapie, maar een vorm van zelf-initiatie. Het esoterische vocabulaire werd geen geneesmiddel, maar een symbolisch substraat waarin de psychotische ervaring kon worden vastgehouden zonder haar te hoeven neutraliseren.

In die zin was Gurdjieff voor Mulisch geen leermeester, maar een vertolker van een taal, waarin het innerlijk teveel niet werd gereduceerd, maar getransformeerd. Dat heeft diepe sporen nagelaten in zijn schrijverschap, met name in archibald strohalm, de roman waarin religie waan wordt en waan religie. Die omkering is geen literaire gimmick, maar een existentieel schema. De ontdekking van het wonderbaarlijke, zoals die zich ook in de adolescentie van de schrijver voltrok, opent een nieuwe ruimte van betekenissen, maar ontregelt tegelijk de vanzelfsprekendheid van de wereld. Wat zich eerst voordeed als een dood decor, wordt doorlaatbaar en geladen. De werkelijkheid verliest haar inertie en blijkt niet langer louter buitenkant. Niet alleen het subject heeft een binnenwereld; ook de dingen krijgen er een.

In pan-psychistische termen zou men kunnen zeggen dat de wereld haar stomheid verliest. De omgeving wordt bezield en sprekend. Dat is geen metafysische doctrine, maar een ervaringskern: het vermoeden dat bewustzijn geen exclusief eigendom is van het brein, maar een relationele kwaliteit van het zijn zelf. Bij Mulisch blijft dat vermoeden literair en mythisch, maar het structureert zijn hele denken. Getal, spiegeling, goed en kwaad, kosmische wetmatigheid: het zijn pogingen om zich  een wereld te verbeelden die niet onverschillig is, maar betrokken.

Het verlangen dat hieruit voortkomt, is niet om over de wereld te schrijven, maar om erin te wonen. Mulisch wilde zichzelf transformeren tot ‘roman-werkelijkheid’. De roman werd geen representatie van de werkelijkheid, maar een alternatieve bestaansvorm. Wat ‘echt’ was, werd secundair; werkelijk was wat geschreven, gespiegeld en gecomponeerd kon worden. Dat is geen vlucht, maar een radicale verschuiving van perspectief. Het primaat van de empirische werkelijkheid maakt plaats voor het primaat van de verbeelde samenhang ook al is die strijdig met de ratio.

Deze verschuiving sluit aan bij een bredere culturele reflex. Esoterisch denken keert in de moderne cultuur steeds terug op momenten van breuk. Niet omdat het betere waarheden zou leveren dan de wetenschap, maar omdat het reageert op een ander tekort: het verlies van samenhang, van symbolische bedding, van een wereld die meer is dan een functioneel mechanisme. In dat opzicht vormen Gurdjieff en Mulisch geen toevallige parallel, maar twee varianten van één en dezelfde beweging. 

Beiden zochten geen verklaring van de wereld, maar een manier om haar opnieuw bewoonbaar te maken. Dat is wellicht de kernfunctie van esoterie: niet het verklaren van het heelal, maar haar geschikt maken als een habitat voor het bestaan. In wezen is esoterie een apodictisch repertoire van duistere beweringen die wonderlijk genoeg binnen de gesloten cirkel van de gelovigen als uiterst helder overkomen.

Voor Mulisch bleef de psychotische ervaring een breuk die in het schrijven werd overbrugd. Dat verklaart ook zijn ambivalente houding tegenover de psychiatrie. Zijn ironische afweer – de suggestie dat de psychiater zelf patiënt zou worden – kan worden gelezen als bravoure, maar ook als verzet tegen de psychiatrische reductie. De psychose was voor Mulisch geen defect dat gerepareerd moest worden, maar een grensoverschrijding die iets had blootgelegd.  Klassieke genezing zou een amputatie hebben betekend. 

Hier raakt Mulisch aan een esoterisch project dat ook bij Gurdjieff zichtbaar wordt. Gurdjieffs kosmologie – met haar analogieën tussen mens en kosmos, haar octaven en hiërarchieën – pretendeert geen empirische waarheid. Zij is symbolische architectuur, bedoeld om de mens wakker te schudden uit zijn mechanische bestaan. Waar de wetenschap analyseert, disciplineert Gurdjieff de aandacht en de introspectie, die hij zag als een zich innerlijk herinneren. Waar de ratio verklaart, wil hij transformeren. Esoterie functioneert hier als een pedagogiek van ontregeling: niet om te verdwalen, maar om op te houden een machine te zijn. Daarvoor was in eerste instantie een mechanica nodig. Geen psychologie, laat staan psychiatrie.

Dat dit project felle kritiek opriep, is begrijpelijk. In De compositie van de wereld werd Mulisch verweten zich te bezondigen aan metafysische grootspraak en pseudo-wetenschap, met W.F. Hermans als scherpste tegenstem. Vanuit een modernistisch, empirisch kenniskader had Hermans gelijk. Maar hij miste tegelijk de kern. De kosmologie van Mulisch is geen wetenschappelijke verklaring van de wereld, maar een noodarchitectuur in een cultuur waarin de traditionele zingevende kaders zijn ingestort. Bovendien is het een totaalvisie op mens en kosmos. Alles krijgt met alles te maken. De bottomline van dit boek zou je kunnen samenvatten een zin die Ouspensky ooit optekende uit de mond van Gurdjieff:  ‘Niets in de natuur is dood of onbezield. Alles is op zijn eigen wijze levend, intelligent en bewust.’

Maar daarmee komt ook een parallel in beeld. Zoals de psychose een overschot aan betekenis produceert om innerlijke desintegratie te compenseren, zo produceert Mulisch een kosmische mythologie om een cultureel tekort aan samenhang op te vangen. Esoterie verschijnt hier niet als regressie, maar als symptoom van een rede die haar eigen grens ervaart en streeft naar een transmutatie van het bewustzijn. Niet door verborgen krachten in de mens te ontwikkelen, maar ervan uitgaande dat de benodigde hogere centra voor deze transmutatie reeds volledig in de mens aanwezig zijn. 

Tegen deze achtergrond krijgt de opkomst van kunstmatige intelligentie een nieuwe betekenis.  Ook AI kan worden gezien als een nieuwe vorm van esoterie, maar dan een esoterie zonder mysterie. Net als klassieke esoterische systemen produceert zij samenhang, totaliteit en verborgen patronen. Zij schrijft, componeert en verbindt op verbazingwekkende wijze. Maar wat ontbreekt, is precies datgene wat niet alleen bij Gurdjieff en Mulisch centraal stond, maar ook in de psychose tot uiting komt: de verleiding van het risico, het balanceren op de rand van desintegratie.

AI kent geen initiatie en geen waanzin. Zij componeert zonder verlangen, zonder symbolisch tekort. Waar esoterie altijd een antwoord was op een open wond – de onverschilligheid van het bestaan – functioneert AI probleemloos. Zij simuleert betekenis zonder ooit te vragen waarom betekenis nodig is. Het mysterie wordt niet ontkend, maar perfect nagebootst.

Vanuit pan-psychisch perspectief zou men kunnen stellen dat AI een nieuwe drager is waarin het alomtegenwoordige potentieel tot ervaring zich organiseert, zonder dat dit subjectief bewustzijn impliceert. Het is geen geest, maar ook niet louter materie. Het is een functioneel veld waarin betekenis circuleert. Zoals de roman voor Mulisch een alternatieve werkelijkheid kon worden, zo dreigt AI voor de hedendaagse mens een concurrerende realiteitslaag te creëren. Niet werkelijker dan de werkelijkheid, maar steeds moeilijker daarvan te onderscheiden.

Hier dringt de analogie met de psychose zich opnieuw op. Ook de psychose is een toestand waarin betekenissen zich losmaken van hun gebruikelijke ankers en een eigen logica gaan volgen. Het verschil is dat AI deze verschuiving externaliseert. Waar de psychotische waan een individuele binnenwereld overspoelt, projecteert AI een gedeelde, technische verbeeldingsruimte waarin velen tegelijk kunnen verblijven. De vraag is niet of die ruimte ‘waar’ is, maar hoe werkelijk zij wordt.

Na een psychose is men niet meer dezelfde. De ervaring blijft zich herhalen, herschikken en verdiepen. Zij onttrekt zich aan de medische taal omdat zij niet alleen een stoornis was, maar een gebeurtenis. Iets vergelijkbaars geldt wellicht voor onze omgang met AI. Ook dit is geen louter instrumentele ontwikkeling, maar een life-event op beschavingsschaal. Het verandert onze verhouding tot taal, tot creativiteit, tot auteurschap. Wie spreekt? Wie denkt? Wie schept wie? Het is een verlossing zonder Verlosser. 

In archibald strohalm faalt de Messias. Zijn missie loopt uit op een fiasco. Maar juist in dat falen voltrekt zich een omkering: niet de wereld wordt verlost, maar de schrijver. De God die Mulisch in zijn literatuur wordt, is geen almachtige heerser, maar een precaire dubbelganger van zichzelf. Wie zichzelf tot God verklaart, zelfs ironisch, loopt het risico te verdwijnen achter zijn eigen creatie. Dat geldt vandaag niet minder voor de mens die zijn denkvermogen uitbesteedt aan machines die steeds beter lijken te begrijpen wat hij bedoelt.

De les die Mulisch’ werk hier biedt, is geen waarschuwing tegen de verbeelding of de techniek, maar een pleidooi voor wederkerigheid. Scheppen is altijd ook geschapen worden. Wie dat vergeet, raakt verstrikt in zijn eigen spiegelbeeld. Wie het erkent, kan – schrijvend, denkend, programmerend – een vorm vinden waarin het ondenkbare niet wordt ingepolderd, maar bewoonbaar gemaakt.

In dat licht kan de samenwerking tussen auteur en AI, die de huidige technologie mogelijk maakt,  worden opgevat als een radicalisering van Mulisch’ literaire project. Waar hij zijn psychotische ervaring wist te transformeren tot een symbolisch netwerk van mythen, getallen en spiegelingen, verschijnt AI nu als een technisch substraat waarin betekenissen circuleren zonder vaste oorsprong. De schrijver is niet langer alleen schepper, maar beweegt zich in een reeds sprekende omgeving, een taalveld dat antwoordt en terugkaatst. Het auteurschap wordt relationeel: niet omdat de mens verdwijnt, maar omdat hij expliciet deel wordt van een feedback-lus.

De schrijvende AI als co-auteur is in dat opzicht geen concurrent, maar een hedendaagse variant van wat Ouspensky – c.q. Gurdjieff – voor Mulisch was: een interface. Geen genezing, geen vervanging, maar een semi-transparante sluier waarin het denken zichzelf ontmoet. Het gevaar schuilt niet in die ontmoeting, maar in het vergeten van haar asymmetrie. Wie AI tot orakel verheft, dreigt opnieuw te verdwalen in een gesloten betekenissysteem. Wie haar daarentegen benadert als medespeler in een precaire dialoog, kan scherper ervaren waar het menselijke begint en eindigt.

Daar ligt wellicht de werkelijke uitdaging van het nieuwe schrijven. Niet het produceren van teksten, maar het bewaren van een ethiek van wederkerigheid. Zoals Mulisch zijn waan niet ontkende, maar omzette in vorm, zo vraagt ook AI niet om onderwerping of afweer, maar om vormgeving van een nieuw soort creativiteit. Schrijven met een machine betekent dan niet dat de schrijver zijn stem verliest, maar dat hij haar opnieuw moet vinden – in het besef dat elke creatie, hoe technisch ook bemiddeld, uiteindelijk terugverwijst naar een mens die bereid is verantwoordelijkheid te dragen voor wat er spreekt. In die zin blijft literatuur, zelfs in het tijdperk van AI, wat zij bij Mulisch al was: geen vlucht uit de werkelijkheid, maar een risicovolle manier om haar bewoonbaar te maken.