De mens is in een grot geboren, maar inmiddels heeft hij er wifi. Uit de schimmen op de wand – eerst bizons, later PowerPoint-slides, nu push-meldingen – droomt hij zijn wereld. Wat hij ziet, is geen werkelijkheid maar een diavoorstelling van herinneringen, algoritmisch gerangschikt. Aan de vloedlijn van die zee ontstaan de parabels: oude verhalen, nieuwe complotten, TED-talks met spirituele ondertiteling. Plato’s grot was een parabel, maar ook een prototype. We zijn haar nooit echt uitgekomen; we hebben haar slechts opgeschaald.
Die verhalen geven zin aan het leven, of preciezer: ze helpen ons verdragen dat er geen zin is. Dat is de tragedie waartegen de mens zich wapent met symbolen, therapieën en abonnementen. Camus noemde het ooit de tedere onverschilligheid van de wereld. Inmiddels is die onverschilligheid geautomatiseerd. De wereld scrolt door terwijl wij nog denken dat we kijken.
Leven is water naar de zee dragen, maar tegenwoordig doen we dat met een app. Het is voortdurend iets doen wat overbodig is, zinloos, absurd, en daar dan statistieken over bijhouden. Soms springt er een barst in de spiegel. Een bug in het systeem. Een storing bij de bank. Een satelliet die uitvalt. Dan opent zich een kier waarin verwondering kan binnensluipen: een moment waarop we beseffen dat alles wat we doen verdwijnt in een oceaan van tijd, data en vergetelheid.
In die kier nestelt zich soms een quasi-religieus verlangen naar vervulling. Noem het liefde. Of beter: noem het niets. Liefde is een besmet woord geworden. Tederheid dan. Een kleine restwarmte. Als we nog iets mogen hopen, laat het dan dit zijn: dat het heelal begonnen is met tederheid en eindigt met een zacht tikje op de schouder. “Sorry,” zegt het universum dan, “het was niets persoonlijks.”
De hedendaagse kosmologie is – voor zover ik haar begrijp – mentale bellenblazerij met wiskundige certificering. We weten niet of het heelal uitdijt, implodeert, of gewoon voortdurend van gedachten verandert. Het probleem is topologisch: hoe zit de werkelijkheid in elkaar gevouwen? Waar begint ze, waar eindigt ze, en wie heeft haar zo slordig opgevouwen dat we nooit meer vinden wat we zoeken? De relativiteitstheorie voorspelt krommingen, maar geen vouwinstructies. Zonder topologie praten we eigenlijk in de lucht. Of beter: in een vacuüm dat steeds voller raakt.
Het heelal lijkt een eindeloos spiegelpaleis. Misschien is een ver sterrenstelsel dat we waarnemen ons eigen melkwegstelsel, maar dan eerder, zoals een oude selfie die onverwacht weer opduikt. Misschien zullen we ooit zien hoe we geboren worden, terugkijkend vanuit een toekomst die al voorbij is. “Ik denk dus ik ben,” zeggen we dan, maar wie spreekt er? Niet ik, maar een echo die denkt dat hij een bron is. Mijn bewustzijn is een ping die terugkomt als een pong. Zoals je je eigen naam hoort galmen in een put en even denkt dat iemand anders je roept.
Alles keert terug als een echo. Nietzsche had misschien gelijk, maar hij onderschatte de herhaling. We leven als een ‘ik’ in het nu, maar kijken tegelijk naar onszelf stervend in een uithoek van het heelal, of erger: in een livestream zonder kijkers.
Het universum rent weg van zijn eigen spiegelbeeld en speelt een kosmisch spelletje tikkertje dat het nooit kan winnen. Het middelpunt is overal, en dus nergens. Wij staan in dat middelpunt als zwevende embryo’s, opgeblazen in een kosmische bubbel. The boy in the bubble, maar nu met noise cancelling. Inflatiemodellen spreken van een schuim van heelallen, zeepbellen die ontstaan, knappen, opnieuw ontstaan. Alles dijt uit. Behalve onze aandachtsspanne.
Hoe dan ook: het heelal is een aflopende zaak. Ooit sterft alles de hittedood. Vluchten kan niet meer. We zitten op een zinkend schip en discussiëren over de kleur van de reddingsvesten.
Neem iets eenvoudigs als een wc-rol. Waarom is die altijd op wanneer je haar het hardst nodig hebt? Waarom vallen boterhammen met pindakaas altijd met de pindakaas naar beneden, zelfs als je ze met de grootste morele zorg bereid hebt? Waarom vraag je je af of het licht in de koelkast echt uitgaat, terwijl de wereld in brand staat? Het zijn gedachten voor neuroten, maar ook voor natuurkundigen. Want ergens, diep in de vergelijkingen, ligt een foutmarge die exact groot genoeg is om alles te laten mislukken.
Er zijn verklaringen. Tafels zijn te laag. De zwaartekracht is te consequent. De werkelijkheid is verkeerd afgesteld. Als een van de fundamentele constanten ook maar een fractie anders was geweest, dan had de boterham goed kunnen vallen. Maar dat is nu juist het punt: ons universum is zo ingericht dat dingen net verkeerd gaan. Dat is geen toeval, dat is structuur.
Dat brengt ons bij het antropo-murphysch principe: een huwelijk tussen kosmologie en huis-, tuin- en keukenpech. Het universum is zó geconstrueerd dat het leven mogelijk is, maar ook zó dat het leven voortdurend struikelt. Alles wat mis kan gaan, zal misgaan, precies op het moment dat je denkt: nu niet.
Mijn vader wist dat. Hij schoof voorwerpen van de rand voordat ze konden vallen. Hij zag rampen aankomen nog voordat ze zich bedacht hadden. Mijn moeder zei dan: “Schep vreugde in het leven, anders krijg je de mot in de maag.” Zij had gelijk. Maar de mot had betere statistieken.
Murphy wordt vaak verkeerd begrepen. Hij bedoelde niet dat alles altijd misgaat, maar dat in complexe systemen de kans op falen vroeg of laat realiteit wordt. Eén drukfout in duizend bladzijden. Eén verkeerd recept. Eén verkeerd woord op het verkeerde moment. De rest is geschiedenis. Of actualiteit.
Het antropisch principe zegt dat het universum zo moest zijn, anders waren wij er niet geweest om erover te klagen. Critici noemen het metafysica. Voorstanders noemen het onvermijdelijk. Misschien is het gewoon een excuus achteraf, zoals zoveel verklaringen. Maar sommige dingen zijn nu eenmaal zo. Daar helpt geen God aan, geen Eerste Beginsel, geen Big Bang, geen algoritme en geen troostende moederstem.
Alles keert terug als een echo. Zelfs God, al is het maar als ruis.
Time for a break.
