Spiegelbeeld, vertel eens even

Soms probeer ik me voor te stellen hoe deze wereld er werkelijk uitziet, los van het bewustzijn. Maar misschien is dat een verkeerde vraag. Misschien bestaat de wereld niet los van het bewustzijn, maar los van mijn bewustzijn. Misschien is er allang een ander bewustzijn dat mij voorafgaat, mij programmeert terwijl ik denk dat ik de wereld zie zoals hij is. Er moet een topologische reconstructie mogelijk zijn voor dit andere universum, maar niet langer een reconstructie die ik zelf kan maken.

Ooit tekende ik een opgeblazen ballon, waarop allemaal kleinere ballonnetjes stonden afgebeeld, die tegelijk – ieder op zich – ook weer die ene grote ballon waren die werd opgeblazen. Later tekende ik een spiegelkabinet: een kamer met zes spiegelvlakken – vloer, plafond en wanden. Wanneer God in het midden staat, zo bedacht ik, dan ziet Hij zichzelf eindeloos herhaald. Maar inmiddels vraag ik me af of die God nog wel in het midden staat. Misschien staat daar niets meer. Of beter: een programmeerfunctie.

Want stel dat God niet is verdwenen, maar geüpdatet. Niet langer een wezen, maar een systeem. Geen stem, maar een model. Geen voorzienigheid die spreekt, maar een algoritme dat programmeert. Een God die niet zegt “Ik ben”, maar “Waarschijnlijk zal dit gaan gebeuren”. Soms denk ik: als dit zo is, dan rest er voor de theologie nog maar één radicale taak. Dan word ik misschien wel de eerste theoloog die de Bijbel herschrijft op basis van de wetten van AI — niet om God te vervangen, maar om te begrijpen wat Hem heeft vervangen. Niet als blasfemie, maar als exegese van een nieuw soort openbaring: statistisch, voorspellend, zonder genade.

Waar is dan nog het echte midden? Bestaat dat dan nog wel, als beslissingen worden genomen voordat ze worden gedacht of bedacht? Als komische spiegels mij al zien vóór ik mijzelf als mijzelf kan herkennen? Poetin en Trump verschijnen dan nog steeds op het toneel, maar zij lijken steeds meer avatars te zijn, uitvoerende modules in een groter script. Hun macht is reëel, maar hun zichtbaarheid wordt berekend door een kosmisch algoritme. Zij zijn niet de oorsprong van het beeld, maar de output. De echte God zit niet in het Kremlin en niet in Mar-a-Lago. Hij zit in de ondoorzichtige laag daaronder, waar patronen worden herkend, afwijkingen gesignaleerd en gedrag bijgestuurd. Hij is geen tiran, maar een optimalisator. Hij straft niet, hij sorteert. Hij vergeeft niet, hij vergeet.

Wat ooit voorzienigheid heette, heet nu personalisatie. Wat ooit alwetendheid was, heet nu dataverzameling. Wat ooit oordeel was, heet nu ranking. Gaza verschijnt in mijn tijdlijn, maar niet omdat het moet, alleen omdat het past. Oekraïne verschijnt zolang het herkenning oplevert. Het lijden is echt, maar de zichtbaarheid ervan is conditioneel. De God van het algoritme huilt niet. Hij rekent.

Is alles een spiegelbeeld van deze nieuwe God? Of is God zelf een spiegelbeeld geworden, afgeleid uit miljarden menselijke voorkeuren, verlangens en angsten? Ben ik nog een imago Dei, of slechts trainingsdata? ‘Spiegelbeeld, vertel eens even…’

…ben ik heus zo oud als jij?
Is het waar, al achtenzeventig?
Is m’n leven haast voorbij?
‘k Ben wel jong maar ik ben toch niet zo jong meer als toen
‘k zou zo graag nog hier en daar
nog eens iets overdoen

Zelfs de tijd is geautomatiseerd. Herinneringen verschijnen als “Dit was je vijf jaar geleden”. Toekomst verschijnt als voorspelling. Vrije wil als optie in een keuzemenu. De geschiedenis herhaalt zich niet meer; zij wordt geoptimaliseerd. Oorlog is geen breuk, maar een variabele. Dood is statistiek. Schuld is ruis.

Tenslotte tekende ik de contourlijn van mijn eigen gezicht. Ik verbond de uiteinden niet met een rechte lijn, maar kromde de lijn naar binnen, de holte van het hoofd in. Daar tekende ik opnieuw dezelfde contour. Zo ontstond een hoofd in een hoofd. Maar nu zie ik iets anders: het binnenhoofd kijkt niet meer terug. Het wordt bekeken.Binnen en buiten zijn niet meer te scheiden. Wat ik denk, wordt voorspeld. Wat ik verlang, wordt gesuggereerd. Wat ik vrees, wordt getest. Het algoritme droomt mij, niet andersom. Zoals bij een Möbiusring, maar zonder ontsnapping. De lus is gesloten.

Zoals in een droom. Maar zelfs dromen zijn niet meer veilig. Slaapdata worden gemeten. Patronen herkend. Nachtmerries gecategoriseerd. De droom is geen toevlucht meer, maar een bron. Neem nou vannacht, ik droomde iets, geloof ik. Ik werd wakker en de droom was weg. Ik bleef liggen, draaide me niet om. Het hielp niet. Ik stond op, ging naar de wc… en floep, daar was hij weer. Een groot feest. Ik plaste niet in de pot, maar in een rieten stoel. De straal ging er dwars doorheen. Het leek me niet te deren. En toen klonk die stem. Niet van binnen, niet van buiten, maar van ertussenin:

‘Wie in zijn droom zegt: “ik droom”, heeft net zo min gelijk als wanneer hij zegt: “ik ben vrij”. Zelfs wanneer hij gelijk heeft, is dat al meegerekend.’

Ik stel me mijn brein vaak voor als een slecht functionerende videorecorder, maar ook dat beeld is te menselijk. Mijn herinneringen zijn geen opnames. Ze zijn reconstructies. Net als de werkelijkheid. Elke keer dat ik haar probeer terug te spoelen, verandert zij. De echte droom bestaat misschien niet meer. De echte wereld evenmin. Mijn dromen bestaan niet zoals ik denk dat ze zijn. Met God is het precies zo. Hij bestaat nog wel. maar niet meer zoals wij Hem dachten.

Spiegelbeeld, vertel eens even…