Wat is de historische ruimte? Men denkt al snel aan de ruimte van de natuurkunde: de ruimte van Einstein, van zwaartekracht en relativiteit, van formules die zich niets aantrekken van meningen. Een ruimte waarin alles meetbaar is, voorspelbaar, simuleerbaar. Als je maar genoeg variabelen invoert, weet je wat er zal gebeuren. Punt A leidt tot punt B. Of, in hedendaagse termen: het model convergeert.
Maar de historische ruimte is geen model. Zij is een crash. Een ruimte waarin kleine oorzaken ontzagwekkende gevolgen hebben, maar pas achteraf. Pascal sprak over de neus van Cleopatra; vandaag volstaat een verkeerd getrainde dataset, een algoritme dat gegevens optimaliseert, een drone die besluit dat een bruiloft statistisch verdacht is.
De historische ruimte gehoorzaamt niet aan causaliteit, maar aan een narratief. Zij is een ruimte van verhalen die zich voordoen als feiten, en feiten die alleen nog bestaan als verhalen. Een ruimte van goed en kwaad, maar vooral van grijze zones die door commissies worden beheerd. Een ruimte van archetypen: de sterke leider, de technocraat, de influencer, de expert die later zegt dat hij het ook niet wist.
Het is een ruimte van wording en verval tegelijk. Groei en instorting in hetzelfde kwartaal. Dialectiek zonder synthese, want de synthese is uitbesteed aan een consultancybureau. De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige: oorlogen die live worden gestreamd, terwijl elders influencers tips geven voor het bereiken van mentale rust. De mythe keert terug, maar nu als beleidskader. De droom keert terug, maar nu als experience. De geschiedenis speelt zich niet af in de ruimte van Einstein, maar in de ruimte van Kafka — inmiddels opgeschaald, geautomatiseerd en voorzien van dashboards. Kafka, maar dan met AI-ondersteuning.
Ik had vannacht een ervaring die dit alles bevestigde. Ik was ontboden op het Provinciehuis. Niet per brief, maar via een notificatie: U bent geselecteerd. Waarvoor stond er niet bij. Wel zat er een privacyverklaring bij van achtentwintig pagina’s. Na een uur wachten in een kale ruimte met stalen lambrisering — klimaatneutraal geproduceerd, maar kil tot op het bot — werd ik binnengeroepen door een bode in zwart lakei, die zich verontschuldigde voor de vertraging wegens “interdepartementale frictie”. Zijn stem klonk alsof hij die net had geleend van een spraakmodel.
Het volgende vertrek was bekleed met tropisch hardhout dat officieel niet meer bestond, maar dat via een uitzonderingsregeling toch was toegestaan. Een uur later verscheen een nieuwe bode, ditmaal in zeventiende-eeuws kostuum, compleet met kanten kraag en een polsbandje voor toegang tot het netwerk. Hij leidde mij naar een enorme zaal met een lange rode loper, die eindigde in een troon. Daar zat de Koningin van Fryslân.
Ze was net beëdigd. Haar mantel bestond uit tijgervellen — symbolisch uiteraard, want echte tijgers leefden alleen nog in rapporten over biodiversiteitsverlies. Onder haar schoenzolen fonkelden diamanten. Dat had ik eerder gezien, maar ik wist niet meer waar: misschien in een documentaire over oligarchen, misschien in een game.
Hare Majesteit sprak tot mij in een taal die het midden hield tussen Oud-Keltisch, Stellingwerfs en het Friese bestuursjargon. Toch begreep ik haar volkomen. Ze zei dat ik van al mijn taken was ontheven. Niet ontslagen — dat woord was juridisch gevoelig — maar “vrijgesteld van betekenisvolle bijdrage”. Het bevoegd gezag had besloten mij vogelvrij te verklaren. Niet wegens schuld, maar wegens irrelevantie. Mijn profiel paste niet langer binnen de strategische doelstellingen. Ik mocht geen publieke functies meer vervullen, maar kreeg wel levenslang toegang tot het archief.
Achter haar klonk een instemmend gemor, zoals in het Britse Lagerhuis, maar dan zonder humor. Alsof iemand zojuist had gezegd dat dit onvermijdelijk was. ‘U bent nu vrij,’ zei de Koningin. ‘U kunt gaan en staan waar u wilt. Maak er iets moois van. Of iets dat deelbaar is.’ Ik boog diep en zei iets wat leek op At your service, terwijl ik dacht: dit is hoe democratie sterft — niet met een knal, maar met een vriendelijke samenvatting.
Buiten deed het licht pijn. De zon stond laag, alsof ze elk moment kon worden uitgezet om energie te besparen. Ik voelde in mijn zakken: mijn portefeuille was weg. Mijn sleutels waren foetsie. Mijn telefoon werkte nog, maar vroeg om biometrische bevestiging. Identiteit niet herkend.
Dit is het hiernamaals, dacht ik. Of anders de post-democratische variant daarvan.
Toch knaagde er iets. Wat was hier eigenlijk gebeurd? Alles was zo snel gegaan. Geen debat, geen stemming, alleen een procedure. Na veertig jaar trouwe dienst was ik netjes uitgefaseerd. Dank voor uw bijdrage aan het verleden. Achter de troon had ik een schim gezien: een klein, zenuwachtig mannetje met vet, strak naar achter gekamd haar. Ik zal zijn naam niet noemen; hij verschijnt toch overal. Hij fluisterde altijd over efficiëntie. Over noodzakelijke offers. Over moeilijke tijden.
Ik liep terug het gebouw in. De Koningin was verdwenen — waarschijnlijk naar een internationale top — maar het mannetje stond er nog. ‘Donder op,’ zei ik, en ik duwde hem de gang op. Dat voelde onverwacht goed. Hij was nooit echt een pestkop geweest; hij had mij gewoon langzaam onzichtbaar gemaakt. Dat is tegenwoordig effectiever.
Plotseling zat de Koningin weer op haar troon. Ze vroeg of ik van design hield. Ik zei nee. Ze had een kapstok gezien die ook een sculptuur was. Multifunctioneel, zei ze. Kapstokken zijn om jassen aan te hangen, zei ik. Niet om de leegte te maskeren. Daarna reed ik ineens in een open cabriolet over de Rondweg van Leeuwarden. Ik zag gebouwen die ik nooit eerder had gezien: een ministerie in de vorm van een windturbine, een datacentrum als terp tegen de zeespiegelstijging, een monorail naar Blitsaerd die alleen reed bij voldoende vertrouwen.
Straaljagers vlogen over. Oefening, zei de radio. Of werkelijkheid. Het verschil was opgeheven. Op het Europaplein stond de fontein met de vogel van Fokma. Er kwam geen water uit, maar bloed — of rode wijn, of iets dat volgens het etiket duurzaam was. In de achteruitkijkspiegel zag ik de fontein opnieuw. De werkelijkheid was verdwenen achter glas. Even hoorde ik sirenes zingen: Leeuwarden, I love it.
Het was weer een zooitje vannacht. Ik ben een slordige dromer. Ik spring, ik vergeet. Ik lig veel wakker. Het dagdromen vervangt het dromen. Ik dacht aan capsules. Mensen leven in capsules: auto’s, vliegtuigen, vluchtelingenkampen. Maar ook stadions, winkelcentra, virtuele werelden. Zelfs het scherm is een capsule geworden. Je communiceert niet, je sluit je af. Dat heet connectiviteit.
Elke tien seconden ontstaat er een nieuw verhaal. Geschreven door mensen, door machines of door iets ertussenin. Er komt een dag dat iedereen spreekt, maar niemand meer luistert . Dan zijn we allemaal ingelogd in de interstellaire ruimte van de totale verlatenheid. Internet is een kluwen van droomcabines. Oorlogen woeden. IJs smelt. Servers draaien. Maar ik droom, dus ik besta.
