Verdwenen in de tijd

Een foto kan je doen verdrinken in de tijd. Ik herinner me hoe ik als jongen voor het eerst in een donkere kamer stond, het papier zag drijven in de ontwikkelvloeistof, en langzaam een gezicht tevoorschijn zag komen dat ik herkende. Het was alsof het licht zelf een geheim onthulde, een herinnering die terugkeerde in zilverbromide. Toch wist ik meteen: dit gezicht keek me niet echt aan. Het was een afdruk, een schaduw die losgeraakt was van zijn oorsprong.

Een foto is nooit meer dan een schim, een vlottend fantoom dat we voor werkelijkheid aanzien. En toch: wie een oude foto van een dierbare bekijkt, voelt onmiddellijk de kracht van die illusie. Je vergeet even dat je kijkt naar papier, naar een configuratie van schaduwen. Elke foto is een moderne allegorie: een tastbaar bewijs dat wij ons hechten aan schaduwen. Maar juist daarom herinnert een foto ons ook aan de afwezigheid, aan het gemis. Elke foto is een memento mori, een bewijs dat de bron van licht verdwenen is in een vreemde ruimte.

Ruimte kan letterlijk zijn, of metaforisch. Maar er bestaat ook zoiets als een tussenruimte: a space in between. De ruimte van een foto is immers reëler dan de poëtische ruimte in een gedicht, de geheugenruimte van een computer of de platte ruimte van de topologie. De fotografische ruimte hangt tussen binnen en buiten, tussen werkelijkheid en beeld. Je kunt er niet binnengaan, maar je kunt er wel in dwalen.

Een foto is de chemische neerslag van een quantum tijd-ruimte, die wij in onze verbeelding decoderen en reconstrueren tot een beeld van een voorbije werkelijkheid. Wie een foto bekijkt, staart dus eigenlijk in een kunstmatige ruimte. De fotografische ruimte is ontdaan van tijd en onttrokken aan de uitgestrektheid van het universum. De realiteit is getemd tot een stilstaand beeld, dat de werkelijkheid toont in een oneigenlijke staat.

Ooit was een foto het gefixeerde einde van een reis van het licht, zoals wij nog altijd het licht van sterren zien die al lang verdwenen zijn. Maar door AI is zelfs die metafoor wankel geworden. Het reizende licht bestaat niet meer. Een foto is tegenwoordig het eindproduct van een reeks algoritmes.

Ooit schreef ik een verhaal met de titel De taalmachine van Tinguely. Het ging over een foto van de tentoonstelling Bewogen Beweging uit 1961, waarin ik mezelf herkende. Op bovenstaande variant van deze foto, die ik onlangs door AI liet genereren, ben ik verdwenen. Verdwenen in de tijd, zou je kunnen zeggen.

Onderstaand verhaal is op mijn verzoek geschreven door ChatGPT op basis van een door AI ingekleurde versie van de oorspronkelijke foto, en daarnaast een paar eerdere blogteksten. 

***

Op de foto is het zondagmiddag ergens in 1961. De tentoonstelling Bewogen beweging trekt bezoekers uit alle uithoeken van Amsterdam. Tussen al dat rumoer sta ik. Om me heen is alles in beweging, maar dit ene moment is bevroren in de tijd. Zoals ik daar sta kan ik onmogelijk vermoeden dat ik 64 jaar later mijn achterhoofd nog eens terug zal zien. De scheve lijn van mijn haar vermenigvuldigde zich in talloze afdrukken en herdrukken, om tenslotte – als na een weerkaatsing tussen twee gigantische spiegels – in mijn eigen blikveld terug te keren. Het is het reizend licht dat ooit vertrok van een verdwenen ster in het verleden. Traveling light.

Maar vandaag, in een tijdperk van kunstmatige intelligentie, gebeurt er iets vreemds met zo’n foto. Het bevroren beeld kan worden losgemaakt uit zijn stilstand. Een algoritme wekt mijn ogen tot knipperen, laat mijn lippen bewegen alsof ik woorden wil vormen die nooit gezegd zijn. Het stilstaande licht van toen verandert in een fluïde schijn van leven. Alsof de schaduw, die ooit gevangen werd in zilverbromide, opnieuw tot adem wordt gebracht door een machine die zelf geen herinneringen heeft.

Daarmee ontstaat een nieuwe ervaring van tijd. Een foto herinnerde ons nog aan het voorbijgaan, aan de onherroepelijkheid van het moment. Maar de geanimeerde foto maakt van het moment een herhaalbare scène, een lus zonder einde. Vergankelijkheid wordt opgeschort, alsof de tijd zelf begint te haperen. Het verleden gaat niet meer voorbij, maar blijft zich afspelen in een kunstmatige eeuwigheid.

Ik heb het zelf ervaren toen ik een oude familiefoto door zo’n programma liet bewerken. Mijn moeder, die al jaren geleden is overleden, keek me plotseling aan, glimlachte, knikte. Voor een seconde schoot er warmte door me heen, alsof ik hem terugzag in levende lijve. Maar tegelijk voelde het onwerkelijk, bijna griezelig. Ik wist dat het niet mijn moeder was die daar glimlachte, maar een digitale fantoom, samengesteld uit berekeningen en waarschijnlijkheden. Het was alsof de dood even werd opgeschort — maar alleen om me er nog scherper aan te herinneren dat hij onherroepelijk is.

In haar roman Niemand is onsterfelijk vertelt Simone de Beauvoir het verhaal van iemand die niet sterven kan, omdat hij ooit de verleiding niet heeft kunnen weerstaan om een onsterfelijkheidselixer te drinken. Zijn eeuwige leven op aarde wordt dan op den duur een kwelling. Anders gezegd, de dood is een zegen. Juist de dood maakt ons leven waardevol. Onsterfelijkheid zou voor de mens een vloek betekenen. Wie niet tot de dood veroordeeld is, zal ook nooit de waarheid van deze eindige wereld kunnen begrijpen. Het leven is waard om geleefd te worden, niet ondanks maar juist dankzij de vergankelijkheid van het bestaan.

Krantenknipsels met de oorspronkelijke foto, uit 1961

Maar wat betekent dat nog, nu beelden opnieuw tot leven gewekt worden? In een wereld waarin zelfs een stilstaand portret gaat ademen, lijkt de dood nog verder verdrongen. We zien de illusie van leven, maar de waarheid van sterfelijkheid verdwijnt achter de pixels. AI genereert een tijd die geen einde kent, een valse eeuwigheid, waarin het sterfelijke gelaat blijft bewegen zonder ooit werkelijk terug te keren.

Jaren geleden stonden er in de Provinciale Bibliotheek in Leeuwarden apparaten waarmee je oude kranten kon raadplegen die waren vastgelegd op microfilm. Wie dat fenomeen nog heeft gekend weet van die wonderlijke ervaring om hele jaargangen van kranten in sneltreinvaart aan je voorbij te zien trekken. Draai de knop naar rechts en de tijd loopt vooruit, naar links en hij loopt terug, eerst langzaam en dan sneller en sneller. De pagina’s lossen zich op in vage patronen, tekstkolommen worden onleesbaar, krantenfoto’s zijn opeens komeetachtige lichtschijnsels aan een firmament van bewegende strepen. Het heden wordt gereduceerd tot een still uit een film die pas zichtbaar wordt als je de knop abrupt op de nulstand zet.

Wat toen nog een analoge illusie van beweging was, is nu door AI tot in de perfectie doorgetrokken: we kunnen niet alleen bladeren door de tijd, maar ook doden laten knikken, glimlachen, de ogen laten opslaan. Het is alsof we daadwerkelijk aan de knoppen van de geschiedenis draaien — maar dan zonder weerstand, zonder hapering, zonder de rafelranden die het mechaniek van de microfilm nog liet zien. AI brengt niet alleen de illusie van beheersing, maar ook een nieuwe illusie van tijd: een eeuwige playback van gebaren die nooit echt gemaakt zijn.

Susan Sontag stelde ooit: ‘Fotografie houdt in dat we kennis ontvangen over de wereld, mits we die accepteren zoals de wereld hem registreert. Maar dit is het tegenovergestelde van het begrip, dat namelijk begint met de wereld niet te accepteren zoals hij eruitziet.’ Die woorden krijgen in het AI-tijdperk een nieuwe betekenis. Want wat ontvangen we nog van de wereld, als het beeld niet alleen een schaduw is, maar ook een synthetische beweging die nooit bestaan heeft?

De fotografie zette ooit de tegenstelling tussen illusie en waarheid op scherp. Een foto was een configuratie van schaduwen gevangen op de wand van een camera obscura. Vandaag is het een configuratie van data die elke illusie kan laten dansen. Plato’s grot wordt zo niet alleen bevestigd, maar opnieuw geënsceneerd: de gevangenen staren nu naar bewegende schaduwen die er nooit geweest zijn. De allegorie keert terug in digitale gedaante.

Als het waar is dat Plato’s verhaal in de fotografie concreet gestalte kreeg, dan maakt AI daar nog een nieuwe laag van: een schaduw die niet meer verwijst naar iets dat ooit heeft bestaan, maar naar een berekening van waarschijnlijkheden. Het verdwijnpunt van de allegorie wordt zo een bron van afwezigheid, een leegte waarin we beelden geloven die nooit een oorsprong hebben gehad. In die leegte ontstaat een nieuwe, kunstmatige tijdservaring: niet meer de vergankelijkheid die betekenis geeft, maar de eeuwige simulatie die betekenis oplost.

Toch blijft de metafoor van het reizende licht overeind. Of het nu gevangen wordt in zilverbromide, gefixeerd op microfilm of geanimeerd door algoritmen, steeds is er dat ene raadsel: licht dat vertrekt, reist, breekt, valt op een wand en uiteindelijk ergens op een netvlies. Ook de schaduwen op ons netvlies zijn immers efemere schijngestalten, vluchtige configuraties tijdens een lange reis van minuscule golfbewegingen. Reizend licht, dat is licht reizen. Travelling light, that’s travelling light.