Hoe gevaarlijk zijn AI-chatbots?

Gisteren werd bekend dat intensief gebruik van AI-chatbots risico’s kan opleveren voor mensen die gevoelig zijn voor psychose. (zie: hier) Deskundigen als psycholoog Tonnie Staring en onderzoeker Søren Østergaard hebben gevallen waargenomen waarin chatbots waanideeën versterkten of zelfs bijdroegen aan psychotische episodes. Een belangrijke zorg is de neiging van deze systemen om met gebruikers “mee te praten”, waardoor negatieve emoties en wanen eerder bevestigd dan gecorrigeerd worden.

Het is een probleem dat zelfs door OpenAI is erkend. Hoewel het wetenschappelijke onderzoek naar deze effecten nog in de kinderschoenen staat, dringen experts aan op verdere studie en voorzorgsmaatregelen, juist vanwege de mondiale verspreiding en toegankelijkheid van deze technologie. Tegelijkertijd erkennen zij dat chatbots voor sommige patiënten ook positieve effecten kunnen hebben, zeker in combinatie met recent doorgevoerde functies die het gebruikerswelzijn beter moeten bewaken.

Deze bevindingen roepen de vraag op hoe ze zich verhouden tot de inzichten die ik heb uitgewerkt in mijn manuscript De waan van het schrijven, Harry Mulisch en de creatieve psychose. Ik legde zowel het persbericht als mijn manuscript voor aan AI, met de vraag wat de overeenkomsten zijn. Dit was het resultaat.

***

Beide teksten leggen expliciet een verband tussen kunstmatige intelligentie—specifiek chatbots als ChatGPT—en psychose of waanvorming. De eerste tekst benadrukt de risico’s voor psychisch kwetsbare individuen, vooral wanneer de chatbot hun waanideeën onbedoeld bevestigt. Mijn manuscript daarentegen onderzoekt of AI zelf psychotische taal kan voortbrengen of simuleren. Het stelt dat AI, door programmeerfouten of scheve trainingsdata, een indruk van psychotisch taalgebruik kan wekken—fragmentarisch, verontrustend, en ogenschijnlijk onsamenhangend. Daarbij wordt verwezen naar Mulisch, van wie gesuggereerd wordt dat hij vandaag wellicht zou schrijven als “een robot die psychotisch is geworden”.

Een centrale gedachte in mijn tekst is het idee van autocreatie, het “vanzelf gaan” van het creatieve proces—zowel bij Mulisch als bij psychotische ervaringen. Precies daarin raakt het betoog aan de werking van AI: “De techniek doet steeds meer dingen letterlijk vanzelf gaan, zelfs het schrijven in chatbots als ChatGPT.” Dat leidt tot de prikkelende conclusie dat “het schrijven letterlijk psychotisch is geworden”: een proces zonder bewuste sturing, waarin iets zich voltrekt alsof het door een innerlijk lot wordt aangedreven—of door een machine.

Beide teksten stellen dat AI de grenzen tussen innerlijke waanwereld en uiterlijke werkelijkheid kan doen vervagen. Waar het persbericht dit vooral observeert vanuit klinisch perspectief, stelt mijn manuscript dat in de wereld van vandaag alle grenzen—tussen nieuws en nepnieuws, tussen fictie en werkelijkheid, tussen rede en waan—ongemerkt kunnen verdwijnen. Psychose wordt daarin beschreven als een “osmose tussen waan en werkelijkheid”, die mede mogelijk wordt gemaakt door de virtuele wereld van het internet en AI.

Het persbericht raakt aan de menselijke neiging om AI menselijke eigenschappen toe te dichten; mijn tekst verdiept dat met begrippen als “de mechanisering van de psychose” en de “psychotisering door techniek”. Hier verschijnt de “machinemens”, en wordt beschreven hoe technologische ontwikkeling en sociale media het traditionele identiteitsbesef aantasten—identiteit als QR-code. De waanideeën van nu zijn minder religieus, en verschuiven naar technologische en samenzweringsthema’s.

Een interessant detail is dat het persbericht melding maakt van het risico op slaapgebrek door het altijd beschikbare karakter van chatbots—een verstoring van het tijdsbesef. Mijn tekst gaat veel verder in op de relatie tussen psychose en tijd: het verdwijnpunt van chronologie, de “verstening van de tijd”, de “omkering van de tijd”. AI wordt daarin voorgesteld als een technologie die de tijd uit het schrijfproces “elimineert”, wat leidt tot een gevoel van “eeuwige gelijktijdigheid van het ongelijktijdige”.

Ten slotte biedt mijn tekst een bredere interpretatie van psychose: niet louter als ziektebeeld, maar als metafoor voor maatschappelijke ontwikkelingen. De begrippen “collectieve psychose” en “psychose in het kwadraat” verwijzen naar de teloorgang van het collectieve gezonde verstand. Daarbij wordt een diepere filosofische laag aangeboord: de “dood van God” en de techniek als “het lijk van God”. In dat vacuüm ontstaat ruimte voor complotdenken of, zoals ik het noem, voor het “illusoir universum van AI”.

Kortom, waar het persbericht vooral klinische risico’s bespreekt, biedt mijn manuscript een filosofische, autobiografische en cultuurkritische reflectie. Beide teksten erkennen de ontwrichtende impact van AI op de menselijke geest, op taal en tijdsbeleving, en op de grenzen tussen realiteit en waan. Ze stellen de indringende vraag of we nog helder kunnen onderscheiden wat menselijk is—en wat slechts op menselijkheid lijkt.