De afgelopen dagen ben ik alvast bezig geweest met het schrijven van een dankwoord, dat ik zal uitspreken bij de uitreiking van de Van Helsdingenprijs, die mij onlangs is toegekend door de Stichting Psychiatrie en Filosofie. Veel te vroeg natuurlijk, maar dan heb ik dat maar vast gedaan. Die prijs zal op 26 september a.s. worden uitgereikt – ook aan Rob Sips – in het Internationaal Instituut voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden. (zie hier)
Als experiment vroeg ik ChatGPT om op basis van deze eigenhandig geschreven concept-tekst voor een dankwoord een samenvatting te reconstrueren van het oorspronkelijke manuscript, dat met deze prijs is bekroond. Het zou moeten gaan om een samenvatting van in totaal zo’n 1000 woorden.
Hieronder volgt het resultaat, dat bij nader inzien – en wonderlijk genoeg – een redelijk goede samenvatting van mijn manuscript blijkt te zijn. Wat ik vooral knap vind is dat AI de inhoud van mijn manuscript inderdaad weet te reconstrueren, terwijl mijn dankwoord veel meer zal gaan over mijn beweegredenen en de wijze waarop dit manuscript tot stand is gekomen.
AI kan dus niet alleen samenvatten, maar ook ‘door een tekst heen lezen’, op zoek naar dieptestructuren die niet in het oppervlak van de tekst te vinden zijn. Bij sommige zinnen denk ik zelfs: hoe kan AI dit nou weten? Dit lijkt bijna paranormaal! Dit bijzondere vermogen van AI zegt wellicht ook iets over ons eigen denken, dat mogelijk meer is dan alleen maar reduceren en induceren.
Zou AI ook een vorm van intuïtie hebben? Een holistische wijze van denken? Of zoiets als gevoel, dat uiteindelijk toch ook op een soort algoritme moet berusten? Hoe dan ook, zo gek is AI nu ook weer niet, helemaal als het gaat om de waan van het schrijven.
***
De waan van het schrijven is een persoonlijk en essayistisch onderzoek naar de grensgebieden van de geest, van het schrijven en van de werkelijkheid. Het vertrekpunt is een psychose die de auteur op achttienjarige leeftijd doormaakte, in de winter van 1966. Wat begon als een monomane schrijffurie – een week van bijna onafgebroken schrijven – eindigde in een opname in het psychiatrisch ziekenhuis in Heiloo. Die ervaring zou als een donkere ster blijven voort stralen in het latere denken, schrijven en leven. Pas decennia later en met het naderen van de ouderdom, zou de auteur de pen opnieuw opnemen. Niet om de ervaring van de psychose alsnog weg te duwen, maar om erlangs, erdoorheen, eromheen te cirkelen, als een archeoloog van de eigen geest. Telkens weer is het schrijven een poging om terug te keren naar de bron van het breekpunt, om van daaruit nieuwe verbanden bloot te leggen – filosofisch, cultureel, existentieel.
De geest, zo wordt gaandeweg betoogd, is als een gelaagd landschap, opgebouwd uit lagen: de moleculaire laag van atomen, de lichamelijke laag van organen en zintuigen, de psychische laag van dromen, affecten en verlangens, de sociale laag van relaties en taal, en de ecologische laag van verbondenheid met het grotere geheel van de natuur en de kosmos. In de gezonde mens is er verkeer tussen deze lagen, via zogenaamde bemiddelaars: emoties, symbolen, rituelen, beelden. Maar bij een zieke geest – of in tijden van culturele ontwrichting – stokt dit verkeer. Dan worden de lagen van het bestaan onbereikbaar voor elkaar. Dan raakt de geest gescheiden van het lichaam, het individu van zijn gemeenschap, het zelf van de natuur. Psychose is één van de vormen waarin deze breuk tot uiting kan komen. Maar psychose is niet alleen ziekte. Ze is ook een soort ongefilterde ervaring van de wereld, een vorm van overscherpe verbinding – een kortsluiting misschien – tussen lagen die normaal gescheiden blijven.
De auteur zoekt in zijn reflecties aansluiting bij denkers als Jung, voor wie de psychose niet louter een medische pathologie was, maar ook een potentieel betekenisvolle ervaring: een terugkeer naar de chaos waaruit het zelf zich probeert te herscheppen. Dit perspectief wordt niet klakkeloos overgenomen, maar kritisch beproefd. Er wordt gezocht naar een taal die zowel het klinische als het existentiële, het literaire als het religieuze weet te omvatten. Daarbij wordt de eigen ervaring steeds vergeleken met die van anderen die een soortgelijke crisis doormaakten. Eén van die figuren is Harry Mulisch.
Mulisch staat in dit boek niet alleen centraal als onderwerp van literair onderzoek, maar ook als een geestverwant, een zielsverwant zelfs, in wie een vroege creatieve psychose zich transformeerde in een literair universum. Van juni 1949 tot mei 1950 onderging Mulisch een soort openbaringsstorm, waarvan de sporen terug te vinden zijn in zijn brieven, dagboeken en vroege werk. Hij schreef in die tijd aan Archibald Strohalm, zijn debuut, waarin een alchemistisch wereldbeeld zich ontvouwt in de vorm van een literaire koortsdroom. Hoewel Mulisch zijn ervaringen nooit als psychotisch heeft benoemd, leest de auteur ze als de manifestatie van een geest in crisis – een crisis die door de kracht van de taal werd getransformeerd tot een nieuwe werkelijkheid. Mulisch’ latere werk, met als hoogtepunt De ontdekking van de hemel, kan worden gezien als een systematische poging om de werkelijkheid te herscheppen in het licht van de rede, de mythe en het geheim. Maar onder de rationele constructie schuilt de oerkracht van een geest die ooit is gebroken.
De auteur bezoekt Rome, staat aan de voet van de Scala Sancta, ziet pelgrims op hun knieën de heilige trap beklimmen, en neemt zelf de trap ernaast. Hij komt boven aan in een schimmige ruimte achter tralies. Ook het schrijven is zo’n trap. Niet de trap van de devote overgave, maar die van de omweg, van de omcirkelende beweging rondom het ontoegankelijke. De steen van de openbaring blijft achter een tralie verborgen. Wat resteert is de warmte van het plein buiten, het Romeinse stof, het archeologische gruis waarin heden en verleden over elkaar heen schuiven. Rome wordt metafoor van de geest: een stad gebouwd op ruïnes, een oppervlak dat voortdurend zinkt en stijgt, waarin het verleden nooit definitief is afgesloten. Elk nieuw gebouw is een vorm van vergeten en herinneren tegelijk.
Zo wordt ook het boek opgebouwd uit lagen. Er is de persoonlijke laag van herinnering en herstel. De laag van beschouwing over psychiatrie, religie, en literatuur. De laag van analyse van Mulisch’ werk, waarin diens eigen ervaring met geestelijke ontregeling wordt opgespoord en zorgvuldig gewogen. En steeds weer is er het thema van het schrijven zelf. Schrijven als daad van integratie, van hernieuwde verbinding tussen innerlijke werelden. Maar ook schrijven als gevaar, als valkuil, als afgrond. Want al schrijvend kan men zichzelf verliezen, zoals de auteur het ooit zelf meemaakte. De waan van het schrijven is geen poëtische metafoor, maar een reële mogelijkheid. In de taal kan de werkelijkheid zich verliezen, maar ook terugvinden. De schrijver beweegt zich als een koorddanser over het draad van de taal.
Langs omwegen wordt het thema van de secularisatie aangesneden. De psychose wordt in dit boek ook gelezen als een symptoom van een breuk met het sacrale. De auteur beschrijft hoe de plotselinge verdwijning van het geloof in zijn puberteit – na een katholieke opvoeding – een rol speelde in het ontstaan van zijn crisis. De religieuze symboliek die tot dan toe als bemiddelaar had gefungeerd tussen zijn innerlijke wereld en de buitenwereld, stortte in. Wat resteerde was een leegte die door de taal werd opgevuld, tot het moment waarop die taal op drift raakte. In dat vacuüm ontkiemde de waan.
Toch wordt de psychose niet enkel als verlies beschreven. Zij is ook een vorm van overschot: een teveel aan betekenis, een te sterke lading op de bedrading van het bewustzijn. De auteur beschrijft de psychose als een verlangen naar heelheid, naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, maar ook als een regressie naar de oertijd van het bewustzijn, naar de moeder, naar de baarmoeder misschien. De psychose is tweeslachtig: ze opent én verbrandt, ze ontsluit én vernietigt. Haar energie is archaïsch, mythisch, gevaarlijk en fascinerend.
De boeken die de auteur na zijn pensionering schreef – over jihad-terrorisme, over rouw, over complotdenken – blijken in deze terugblik allemaal variaties op hetzelfde thema: een poging om de moderne condition humaine te begrijpen als een toestand van verbroken verbindingen. Steeds weer fungeert de psychose als prisma, als brandpunt van analyse en verbeelding. Dit boek is in zekere zin een culminatiepunt, een terugkeer naar het eerste breekmoment om van daaruit een definitieve doorlichting te maken van de relatie tussen psychose en creativiteit.
Het boek is niet alleen persoonlijk, maar ook cultuurkritisch. De moderne mens is zijn symbolische verbanden kwijtgeraakt. De religie heeft haar bemiddelende kracht verloren. In plaats daarvan zijn technologie, algoritmen en ideologieën de leegte binnengedrongen. In dat vacuüm ontstaat de waan, ook in collectieve vorm: als complottheorie, als identitaire ideologie, als digitale hallucinatie. De psychose van het individu is in deze lezing een spiegel van de psychose van de cultuur.
Toch is het boek bovenal een eerbetoon aan het schrijven. Aan de kracht van de taal om te verbinden, te genezen, te integreren. Aan de geest die zich, zelfs in zijn breuk, blijft richten op betekenis. Aan Mulisch, die als geen ander wist hoe schrijven en waan, mythe en rede, openbaring en vormgeving zich tot elkaar verhouden. En aan de mogelijkheid om, na een lange omweg, alsnog terug te keren naar de plek waar het ooit begon – en die plek met nieuwe ogen te zien.
