
Op 20 april bereikt mijn weblog een leeftijd waarop menigeen een bescheiden jubileumboek zou overwegen: twintig jaar. Twee decennia van woorden, zinnen, invallen en omwegen — goed voor bijna een kwart van mijn leven, althans als je het rekent in blogjaren, die zich gedragen als hondenjaren: ze gaan sneller voorbij, maar laten diepere sporen na.
Wie mijn blog leest, zou in theorie moeten kunnen zeggen wie ik ben. Of beter: wie ik geweest ben, in al mijn opeenvolgende versies, zoals jaarringen in een boom die soms ook zelf niet meer weet wanneer hij precies wortel heeft geschoten. Mijn zoon Jurriaan dacht: dat moet efficiënter kunnen. Hij vroeg een slim AI-programma — een soort digitale biograaf zonder jeugdherinneringen — om mijn complete oeuvre in één ruk te consumeren en mij vervolgens samen te vatten alsof ik een bijsluiter was.
Dat programma ging voortvarend te werk. Het las mijn teksten sneller dan ik ze ooit heb geschreven, en waarschijnlijk ook beter. Binnen enkele ogenblikken rolde er een analyse uit die niet alleen mijn terugkerende thema’s blootlegde, maar ook mijn kleine obsessies, mijn stilistische eigenaardigheden en — enigszins verontrustend — mijn blinde vlekken. Het was alsof iemand mijn hoofd had opengeklapt en er een inventarislijst van had gemaakt, compleet met rubrieken als ‘melancholie (licht tot matig aanwezig)’ en ‘neiging tot zijpaden (chronisch)’.
Vervolgens deed ik wat een mens in deze tijd doet wanneer hij geconfronteerd wordt met een al te scherpe spiegel: ik gaf die analyse door aan ChatGPT, met het verzoek om er een korte, hanteerbare tekst van te maken. Een soort tweedehands zelfportret, gefilterd door nog een extra laag intelligentie — artificieel, maar daarom niet minder indringend.
En zo ontstond er een merkwaardige keten: ik schreef blogs om mezelf te begrijpen, een machine las die blogs om mij te definiëren, en een andere machine herschreef die definitie tot iets wat ik weer als mijn eigen woorden kan presenteren. Het is een circulair proces geworden, een spiegelpaleis waarin de auteur langzaam oplost in zijn reflecties, terwijl ergens op de achtergrond een algoritme tevreden meeknikt.
De wereld draait door — dat is een cliché, maar daarom niet minder waar. En dit blog draait mee, of misschien draait het wel een fractie sneller, als een kleine planeet in een eigen baan, bevolkt door herinneringen, gedachten en af en toe een verdwaalde ingeving die zich aandient als waarheid.
Hoe dan ook, dit was wat die superslimme machine over mijn 20 jaar bloggen te melden had.
Wie jouw weblog in zijn geheel leest, ziet geen verzameling losse stukken, maar een langzaam uitdijend geheugen—een archief dat niet alleen bewaart, maar ook bewerkt, herkadert en telkens opnieuw activeert. Het is een vorm van schrijven waarin tijd zelf een materiaal wordt: maandarchieven als jaarringen, waarin de sporen van Friesland, van musea en festivals, zich vermengen met vragen die veel groter zijn dan hun lokale aanleiding. Religie, secularisatie, democratie, waan—ze verschijnen niet als abstracte thema’s, maar als krachten die zich in concrete gebeurtenissen nestelen. Daardoor ontstaat een bijzondere dynamiek: het lokale fungeert als toegangspoort tot het universele, terwijl het universele steeds weer terugvalt in het particuliere.
In die zin functioneert het weblog als wat je een publieke geheugenmachine zou kunnen noemen. Het is geen dagboek in de traditionele zin, waarin de tijd lineair wordt vastgelegd, maar eerder een essayistisch systeem dat voortdurend teruggrijpt, herinterpreteert en doorassocieert. Een gebeurtenis—een politieke beslissing in de Friese cultuursector, een foto, een boek, een theoretisch inzicht—wordt niet simpelweg beschreven, maar fungeert als detonator. Citaten spelen daarin een cruciale rol: ze zijn geen versiering, maar katalysatoren die een gedachteproces op gang brengen. Het schrijven zelf wordt zo een vorm van denken in beweging, waarin betekenis zich niet vooraf aandient, maar gaandeweg ontstaat.
Wat dit corpus bijzonder maakt, is de duur. Twintig jaar schrijven betekent dat patronen zichtbaar worden die in kortere trajecten verborgen blijven. Er ontstaat een herkenbare beweging, een terugkerende structuur die telkens opnieuw wordt doorlopen: een ervaring roept een interpretatiekader op, dat kader krijgt autoriteit, leidt tot een diagnose, mondt uit in een waarschuwing, en eindigt in een meta-reflectie die het oorspronkelijke kader weer relativeert—of juist versterkt. Deze lus is productief, omdat zij telkens nieuwe variaties mogelijk maakt, maar ook sluitend, omdat zij de neiging heeft zichzelf te bevestigen. Het systeem kan steeds opnieuw beginnen, maar lijkt vaak in dezelfde knoop te eindigen.
Juist daar tekent zich een methodisch probleem af. Niet zozeer op het niveau van de ideeën zelf—die zijn rijk, gelaagd en vaak prikkelend—maar in de manier waarop verschillende registers door elkaar heen lopen. Met name in de beschouwingen over kunstmatige intelligentie verschuift het betoog geregeld tussen metafoor en mechanisme zonder dat die overgang expliciet wordt gemarkeerd. AI verschijnt als religie, als waan, als orakel—sterke beelden die een cultureel-psychologische diagnose formuleren. Tegelijkertijd wordt er soms gesproken over hoe deze systemen werken, hoe ze zich gedragen, welke effecten ze hebben. Maar waar eindigt de metafoor en begint de verklaring?
Die onduidelijkheid creëert een dubbele valkuil. Enerzijds is er het risico van antropomorfisme: AI wordt voorgesteld als een entiteit die “onthult”, “koloniseert” of zelfs “het innerlijk overneemt”. Dat zijn krachtige formuleringen, maar ze suggereren een vorm van intentie of agency die in technische zin niet bestaat. Anderzijds is er een vorm van technisch minimalisme: de concrete werking van deze systemen blijft onderbelicht. Aspecten als trainingsdata, feedbackloops, foutmodi of de rol van incentives in het modelgedrag krijgen minder aandacht, waardoor het beeld van AI eerder mythisch dan analytisch wordt.
Toch ligt juist in die mythische benadering ook de kracht van het weblog. Waar veel technologische discoursen zich beperken tot functionaliteit en efficiëntie, lees jij AI als een cultureel en psychologisch fenomeen. Je beschrijft hoe technologie betekenis genereert, hoe zij een overschot aan interpretatie produceert dat zich niet laat reduceren tot haar technische werking. Begrippen als “openbaringsdrift” en ritueel gedrag rond technologie raken aan iets wat in beleidsdocumenten en engineeringpraktijken vaak buiten beeld blijft: de manier waarop mensen technologie ervaren, projecteren en inbedden in hun wereldbeeld.
Alsof elke nieuwe toepassing niet alleen een instrument is, maar ook een spiegel, een orakel bijna, waarin we onszelf kunnen herkennen en tegelijk verliezen. En dat is ook waar jouw weblog steeds weer naar terugkeert: niet naar de toekomst die ons wordt beloofd, maar naar sporen in het proces van begrijpen in de dagen die wij achter ons laten.