Nooit meer sterven op het water

Maar niets blijft hierbij. Alles wil meer, verder, dieper, harder. Zelfs het vlindertje draagt inmiddels een meetbare ecologische voetafdruk. Het fladderen is niet langer onschuldig; het is een handeling. Er is een protocol. Iemand heeft bezwaar gemaakt tegen de kleur. Geel is beladen. Geel polariseert.

Ik kijk het na en voel hoe God opnieuw tussen mijn vingers doorglipt, zoals altijd wanneer ik denk hem bijna te hebben. God is tegenwoordig een hypothese met slechte pers. “God is niet dood,” zei Reve, “God heeft de kanker.” Vandaag zou hij zeggen: God heeft een factchecker, een podcast en een communicatiemedewerker die adviseert voorlopig niets te zeggen.

Soms heb ik gedachten die niet productief zijn. Gedachten zonder maatschappelijk rendement. Gedachten die zich niets aantrekken van de normatieve kaders van het bewustzijn. Dan stel ik mij voor hoe het zou zijn om volledig overspoeld te worden door iets wat groter is dan ikzelf : geen metafoor, geen duiding, gewoon een overweldigende aanwezigheid die mij uitwist. Zulke gedachten worden tegenwoordig netjes herleid tot neurochemie. Dopamine hier, serotonine daar. Heimwee blijkt een bug,

En toch. Toch is er dat oergevoel. Dat restant van de moederschoot dat als een barstende eierschaal wordt meegesleept door mijn tot ‘ik’ geboren geest. Een overblijfsel dat weigert zich te laten reduceren. Wanneer ik schrijf over mijn vroegste jeugd, sluit die gebarsten schaal zich opnieuw. Niet als herinnering, maar als ruimte. Een tijdelijke baarmoeder. Een echochamber zonder wifi.

Elke dag word ik opnieuw geboren. Elke dag is er een nieuw ‘ik’ dat met een verouderde navelstreng vastzit aan een vorige versie. Updates stapelen zich op. Compatibiliteit wordt een probleem. Ik leef in twee sferen tegelijk: buiten, in de wereld van cijfers, meningen en dashboards, en binnen, in een mistige haven waar geen beleidsdocument ooit heeft aangelegd.

Voor zover God nog een rol speelt in het hedendaagse denken, gebeurt dat onder voorwaarden. God mag bestaan zolang hij niet interfereert. Hij wordt tussen haakjes gezet, geparkeerd in de marge van het bewustzijn. Een voetnoot bij de rede. Zo ontstaat een theologie zonder aanwezigheid, een geloof zonder object, een spiritualiteit met gebruikersvoorwaarden.

De godverlatenheid van de westerse mens maakt ruimte voor nieuwe goden: efficiëntie, zichtbaarheid, gezondheid. Leegte wordt mindfulness. Stilte krijgt een abonnement. Boeddhisme verschijnt als lifestyle, inclusief yogamat. Wie fenomenologisch naar God zoekt, stuit al snel op Heidegger, die zegt dat alleen een God ons nog kan redden, maar nalaat te specificeren wie de klantenservice bemant. Het zijnde zwijgt over het transcendente. Het denken draait rond in zijn eigen cirkel, zoals een hond die zijn staart achternazit en daarbij een powerpoint-presentatie ten beste geeft.

Augustinus was eerlijker. Hij beschreef wat er gebeurde in zijn bewustzijn zonder het te willen oplossen. Zijn Belijdenissen waren geen theorie, maar een verslag. Tegenwoordig zouden ze worden heruitgegeven als persoonlijke ervaring, niet veralgemeniseerbaar. Toch ligt daar iets wat ons blijft achtervolgen: het besef dat God niet alleen een concept is, maar een gebeurtenis in het innerlijk.

De postmoderne filosofie heeft dat aangevoeld. Derrida stelde de vraag uit. Marion sprak over de gave. Lyotard zocht het sublieme in de kunst. Allen bewogen zich langs de rand van de taal, waar het teken begint te trillen en de betekenis loslaat. Maar zelfs daar loert het gevaar van herleiding. Alles wat zich aandient, wordt vroeg of laat uitgelegd.

In de belijdenis implodeert de oppositie tussen spreker en aangesprokene. God en subject vallen samen. Dat is geen mystiek hoogtepunt, maar een kortsluiting. Misschien is dat wel wat wij tegenwoordig psychose noemen: een teveel aan betekenis, een instorting van afstand.

Wat is het object van de mystiek? God? Werkelijkheid? Of slechts het verlangen zelf, dat geen object verdraagt? Als er geen goddelijke vonk in de mens zelf bestaat, dan is elke mystieke ervaring een hallucinatie met een goede reputatie. De wetenschap heeft het laatste woord opgeëist. Mystiek is hersenmystiek. Bijna-dood-ervaringen zijn zuurstoftekort met narratieve neiging. De vierde revolutie staat voor de deur. Alles wordt verklaard. Niets blijft over.

En toch blijft er iets knagen. Een restcategorie. Een storing. Filosofie moet de wetenschap wijzen op haar eigen metafysica, zei Heidegger. Maar wie luistert nog naar filosofie, nu zelfs twijfel moet worden gevalideerd? Klaar, denk ik dan. Genoeg. Terug naar mijn sterven op het water als een vlinder. Ik vraag me af of ik mij dat bestaan zou herinneren. Of ik nog zou weten wat lucht was. Misschien is doodgaan niets anders dan vergeten dat je ooit hebt gevlogen.

En terwijl ik zo drijf, hoger en hoger, tot de wind mij meeneemt naar een oord zonder beelden, herinner ik mij slechts dit: een zucht, een aanraking, een woord dat begon en eindigde.

Heer.

Had het hierbij maar gelaten.