Hedendaagse conflictbeheersing


Achteraf bezien was zij waarschijnlijk niet zozeer een persoon, maar een functie. Een rol in een groter systeem, zoals tegenwoordig iedereen een rol blijkt te zijn: data-invoer, sentimentdrager, reputatie-risico. Ik begon te vermoeden dat zij mij niet haatte als mens, maar als variabele. Ik was een storende factor in haar innerlijk spreadsheet, een foutmelding die bleef opduiken terwijl zij al driemaal op ‘negeren’ had geklikt.

Na verloop van tijd nam haar haat — of haar niet-haat, wat in de praktijk op hetzelfde neerkwam — steeds groteskere vormen aan. Ze begon mij te ontwijken met een precisie die alleen verklaarbaar was met militaire training. Als ik links liep, liep zij rechts. Als ik zweeg, begon zij te praten, maar altijd net luid genoeg om mij niet aan te spreken. Soms keek ze mij aan met een blik die zei: ik zie jou niet, maar dan met zoveel nadruk dat ik me er toch door aangesproken voelde.

Op een dag kreeg ik via via te horen dat zij een dossier over mij bijhield. Geen officieel dossier — dat zou in strijd zijn met de privacywetgeving — maar een informeel dossier, dat veel gevaarlijker is. Een map in haar hoofd, vermoedelijk voorzien van tabbladen als intenties, ondermijnend gedrag en latente dreiging. Ik figureerde daar inmiddels niet meer als mens, maar als risico-indicator. Ik had de kleur oranje aangenomen.

Het eigenaardige was dat ik, door mij hiertegen te verweren, inderdaad steeds meer begon te lijken op wat zij in mij meende te zien. Ik werd voorzichtig, berekenend, soms zelfs argwanend. Ik hoorde mijzelf zinnen formuleren die ik vroeger belachelijk had gevonden. “Zo is het niet bedoeld.” “Dat is een misverstand.” “Je moet het in context zien.” Zinnen die tegenwoordig uitsluitend nog worden uitgesproken door mensen die al veroordeeld zijn, maar bij wie het vonnis administratief nog niet is ingevoerd.

Langzaam drong tot mij door dat ik verzeild was geraakt in een proces dat groter was dan zij en ik. Het leek op wat men tegenwoordig ‘polarisatie’ noemt, maar dan zonder polen. Een conflict zonder inhoud, een strijd zonder inzet, behalve dan de morele superioriteit die voortdurend van eigenaar wisselde zonder ooit echt ergens te landen. We bewogen ons in een gesloten circuit van interpretaties, waarin elk gebaar als bewijs diende van het tegendeel.

Toen kwam de mediation 2.0. Men had inmiddels ingezien dat menselijke mediators te veel last hadden van geweten, empathie en andere storende factoren. Daarom was er een algoritmische mediator ingehuurd, een neutraal systeem dat uitsluitend werkte op basis van sentimentanalyse, stemvolume en oogcontact-frequentie. De uitkomst stond bij voorbaat vast, maar dat was juist het geruststellende eraan.

Ik werd verzocht mijn conflict in maximaal 280 tekens samen te vatten. Liefst zonder ironie. De vrouw kreeg dezelfde opdracht. Het systeem vergeleek onze teksten, detecteerde een asymmetrie in ervaren krenking en concludeerde dat mijn probleem vooral lag in mijn toon. Ik had te veel bijzinnen gebruikt. Dat wees op defensiviteit.

De mediator — een scherm met een kalme blauwe gloed — adviseerde mij om verantwoordelijkheid te nemen voor gevoelens die niet de mijne waren. Dat bleek tegenwoordig de hoogste vorm van volwassenheid. Ik moest erkennen dat ik haar onveilig had laten voelen door simpelweg te bestaan. Het systeem noemde dat existentiële micro-agressie. Ik kreeg het advies een stap terug te doen, liefst uit het geheel.

Vanaf dat moment werd het conflict internationaal. Wat begon als een persoonlijke misvatting groeide uit tot een moreel vraagstuk van algemeen belang. Mensen die mij niet kenden, begonnen stelling te nemen. Sommigen vonden dat ik symbool stond voor alles wat mis was met de tijdgeest, anderen zagen in mij een slachtoffer van structurele projectieve identificatie — een term die inmiddels was opgepikt door talkshows en opiniemakers, meestal uitgesproken als projectieve identiteitscrisis.

Ikzelf begon te twijfelen aan mijn eigen bestaan. Als ik werkelijk zo problematisch was, waarom was ik dan nog niet verwijderd? Misschien was ik al verwijderd, maar wist ik het zelf nog niet. Misschien liep ik rond als een geest in een bureaucratisch vacuüm, niet langer erkend, maar ook nog niet gedeactiveerd.

Op een nacht droomde ik dat Melanie Klein mij belde. Ze sprak met de stem van een klantenservice. Ze zei dat projectieve identificatie inmiddels was opgeschaald tot maatschappelijk model. Staten deden het met elkaar, partijen met hun achterban, burgers met algoritmen. Iedereen schoof zijn onverdraaglijke gevoelens door naar een ander, bij voorkeur een ander die zich niet kon verdedigen. Dat werkte efficiënt en duurzaam.

“Het probleem,” zei ze, “is niet dat men projecteert, maar dat niemand het nog terugneemt.”

Toen werd ik wakker, met het ongemakkelijke gevoel dat ik haar woorden moest citeren, maar niet meer wist waar. Sindsdien heb ik besloten mij niet meer te verweren. Ik heb geleerd dat zwijgen tegenwoordig ook een vorm van spreken is, en vaak de meest verdachte. Ik probeer zo neutraal mogelijk te bestaan, maar zelfs dat wordt opgevat als strategie. Men wantrouwt het lege midden. Het midden is immers waar de vijand zich schuilhoudt.

Wat die vrouw betreft: ik denk dat zij mij nog steeds niet haat. Dat zou te eenvoudig zijn. Ik vermoed dat zij mij nodig heeft. Zoals men tegenwoordig een vijand nodig heeft om zichzelf te kunnen handhaven als moreel subject. Zonder mij zou haar verontwaardiging doelloos rondzwerven, als een drone zonder coördinaten. En misschien geldt dat ook voor mij.

Misschien zijn wij elkaars projectie geworden, elkaars alibi, elkaars bewijs van bestaan. Twee mensen die elkaar niet begrijpen, maar elkaar noodzakelijk achten om zichzelf te kunnen blijven misverstaan. In dat geval is verzoening uitgesloten. Maar stabiliteit, zo heb ik begrepen, is tegenwoordig ook al heel wat.