De machine in de geest

Voor zover bekend bestaat er geen klinisch of psychiatrisch bewijs dat Harry Mulisch ooit officieel psychotisch is geweest. Er zijn geen diagnoses, geen opnames en geen medische dossiers die daarop wijzen. Wel stond hij bekend om zijn uitzonderlijke verbeeldingskracht, intellectuele intensiteit en soms obsessieve werkwijze—eigenschappen die binnen het spectrum van artistieke gedrevenheid vallen en niet zonder meer samenvallen met psychopathologie. Toch keert in beschouwingen over zijn werk steeds opnieuw het vermoeden terug dat zijn schrijverschap wortelt in een ervaring die zich op of voorbij de grens van het normale bewustzijn heeft afgespeeld.

In literaire analyses wordt Mulisch’ proza niet zelden omschreven als hallucinatoir. Werkelijkheid, mythe, geschiedenis en fictie vloeien erin samen; causaliteit wordt opgeschort; vaste referentiepunten lossen op. Die ervaring kan doen denken aan een psychose, maar bij Mulisch gaat het om een esthetisch gecontroleerde verwarring. Zijn werelden zijn geconstrueerd met precisie; de ontregeling is georkestreerd, niet ondergaan. En toch blijft de vraag zich opdringen of deze literaire strategie niet teruggrijpt op een vroegere mentale ontwrichting die zelf nooit volledig is uitgeklaard.

Mulisch heeft meermaals gesuggereerd dat hij rond 1949–1950 door een geestelijke crisis is gegaan die hij later aanduidde als een verblijf in “halfwaanzinnige regionen van extase”. In die periode raakte hij intensief betrokken bij de religieus-esoterische denker W.H. Exel, een charismatische figuur die lezingen gaf in het Psychisch-Cosmisch Centrum aan de Leidsekruisstraat. Exel ontvouwde een kosmologie waarin elektrotechniek, mystiek en religieuze visioenen samenvielen—een combinatie die diepe indruk moet hebben gemaakt op de jonge Mulisch. Over Exel is weinig met zekerheid bekend; vrijwel alles wat we over hem weten, is afkomstig uit Mulisch’ eigen getuigenissen. Juist daardoor blijft zijn invloed moeilijk te duiden, maar niet zonder gewicht.

Dat Mulisch in die periode aan de rand van psychische ontregeling verkeerde, blijkt vooral uit zijn eigen woorden. In Mijn getijdenboek beschrijft hij hoe hij bij Exel werkte aan een roman die Memoires van een waanzinnige moest heten. Terwijl hij de theorieën van zijn hoofdpersoon opschreef, merkte hij tot zijn verbazing dat hij ze niet waanzinnig vond, maar waar. “Met een knal sprong de kurk weer van de fles, de geest vloog eruit.” Dat moment—het ‘uitvliegen van de geest’—markeert precies de zone waarin inzicht en waan samenvallen. In Voer voor psychologen spreekt Mulisch over een alles-begrijpen, een koortsachtig noteren van inzichten, visioenen en euforieën. Wat begon als een betrekkelijk beheerst verhaal kantelde gaandeweg in een mentale eruptie die alleen nog via de roman zelf kon worden opgevangen.

Zijn debuut archibald strohalm fungeerde daarbij als een reddingsboei. Mulisch erkende later dat het boek “absoluut psychotische trekjes” heeft en dat hij “vermoedelijk knetter” was toen hij het schreef. Door zijn waanzin in de roman te projecteren, redde hij naar eigen zeggen “het vege lijf”. Opmerkelijk genoeg heeft de literatuurkritiek dit psychische aspect zelden serieus onderzocht. Men concentreerde zich liever op mythologische structuren en symboliek dan op wat zich psychisch voltrok bij de auteur zelf. Zelfs waar begrippen als psychose en schizofrenie opduiken, blijven ze meestal beperkt tot de romanfiguren.

Toch is het precies hier dat een sleutel ligt tot Mulisch’ schrijverschap. Michaël Zeeman typeerde hem als een oeuvre-bouwer: niet het afzonderlijke verhaal telde, maar het mythische bouwwerk waarin alles naar alles verwijst. Dat streven naar totaliteit bracht Mulisch voortdurend op een gevaarlijke grens: het punt waarop taal niet langer een wereld verbeeldt, maar haar begint te vervangen. Mulisch benadrukte dat schrijven vanzelf moest gaan, dat de schrijver moest verdwijnen achter zijn tekst. Maar wat gebeurt er wanneer dat vanzelf niet langer een vorm van vakmanschap is, maar een autonoom proces waarin denken, taal en betekenis zich loszingen van de wil?

Hier raakt zijn ervaring aan de kern van de psychose: een toestand waarin woorden hun gebruikelijke verankering verliezen en de geest wordt meegesleurd in een zelfgenererende stroom van betekenissen. In archibald strohalm stolt en vervormt de tijd; het heden wordt eeuwigheid. Mulisch’ latere obsessie met tijd—culminerend in De tijd zelf—vindt mogelijk haar oorsprong in deze vroege ervaring waarin de normale tijdsorde volledig instortte.

Deze mentale ontregeling sluit opvallend aan bij het esoterische gedachtegoed dat Mulisch in die jaren tot zich nam, met name via het werk van P.D. Ouspensky en diens leermeester Gurdjieff. Ouspensky beschreef de mens als een wezen dat doorgaans mechanisch leeft, gevangen in een ‘waak-slaap’ waarin denken, voelen en handelen automatisch verlopen. Werkelijk ontwaken betekent volgens hem ontsnappen aan dat mechanisme. Maar precies hier schuilt het gevaar: wie het mechanische afbreekt zonder een nieuw centrum te vormen, riskeert desintegratie. In dat licht kan psychose worden opgevat als een mislukte of voortijdige transmutatie: een explosie van betekenis zonder dragende vorm.

Mulisch’ ervaring lijkt precies zo’n moment van ontsporing te zijn geweest. Maar wat hem onderscheidt, is dat deze ontregeling achteraf werd herwerkt tot literatuur. Waar de psychose zelf geen duurzame integratie opleverde, fungeerde het schrijverschap als een symbolisch vat waarin het explosieve materiaal alsnog kon circuleren. Zijn identiteit ontstond niet vóór het werk, maar ín het werk. De roman werd een alchemistisch retort waarin archetypische energie werd omgesmolten tot vorm.

Dit verklaart ook Mulisch’ blijvende fascinatie voor de machinemens. In figuren als Adolf Eichmann zag hij de uiterlijke voltooiing van een automatiseringsproces: de mens als uitvoerend onderdeel van een abstract systeem. Zijn eigen psychotische ervaring vertegenwoordigt de innerlijke variant daarvan: een geest die zichzelf tot mechaniek maakt, waarin het ik nog slechts een schakel is. Denken gebeurt; betekenis vormt zich; alles gaat vanzelf.

Die gedachte krijgt in onze tijd een nieuwe actualiteit met de opkomst van kunstmatige intelligentie. AI-systemen produceren taal en betekenis zonder bewuste sturing, zonder lichaam, zonder ervaring. Ze lijken te denken, maar ondergaan niets. In die zin vertonen zij een structurele verwantschap met de psychose, maar dan ontdaan van existentiële intensiteit. Waar de psychoticus wordt overspoeld door betekenis, genereert AI betekenis zonder haar te beleven. Het is een alchemie zonder innerlijke transformatie: een simulatie van inzicht zonder gevaar, zonder inzet.

Mulisch’ oeuvre kan zo gelezen worden als een voorafschaduwing van deze ontwikkeling. Zijn literatuur onderzoekt wat er gebeurt wanneer betekenis zichzelf begint te produceren, wanneer de schrijver verdwijnt achter een mechaniek dat hem overstijgt. Het verschil is cruciaal: bij Mulisch bood de roman weerstand. Vorm, ironie en structuur fungeerden als begrenzing. AI kent die frictie niet. Het produceert zonder tegenkracht.

Daarmee keert een oud cultuurprobleem terug in nieuwe gedaante. Zoals Morris Berman heeft betoogd, heeft de moderne cultuur het deelnemend bewustzijn verloren: de ervaring van een bezielde wereld waarin mens en omgeving elkaar wederzijds doordringen. Wat ooit geïntegreerd was, verschijnt nu als excess—als mystiek, als psychose, of als technologische simulatie. AI markeert geen breuk met dit verleden, maar een radicalisering ervan: betekenis losgekoppeld van ervaring, vorm zonder transmutatie.

Mulisch’ psychotische ervaring rond 1950 kan in dit licht worden opgevat als een vroeg symptoom van een bredere culturele crisis. De openbaring was de ontsporing; de ontsporing was de openbaring. Dat hij deze ervaring wist om te zetten in literatuur, maakt zijn oeuvre tot een unieke plaats waar psychose, esoterie en moderniteit elkaar raken zonder samen te vallen. Zijn werk toont hoe gevaarlijk die grens is—en hoe noodzakelijk. Want waar betekenis vanzelf gaat, zonder vorm, zonder lichaam en zonder verantwoordelijkheid, dreigt zij zichzelf te vernietigen.

Mulisch leerde met dat vuur leven door het te schrijven. De vraag is of wij, in een tijd waarin taal zichzelf lijkt voort te brengen, nog over een vergelijkbaar vat beschikken.