Nee, ik heb nergens spijt van

Hoe zou je het doen als je alles nog eens over mocht doen? Stel dat je achttien was en wist wat je nu wist, wat zou je dan doen? Het zijn vragen die altijd weer worden gesteld. Nutteloos, maar hardnekkig. Ze blijven zich aandienen alsof ze ergens toe dienen, alsof er werkelijk iets te winnen valt. Waarom zijn ze nutteloos? Omdat het leven geen alternatief kent. Er is geen als. En als er wél een als zou zijn, zou dat een onleefbare situatie opleveren. Stop. Ik begin opnieuw. Ik ben achttien. Terwijl ik dit zeg, word ik met een reuzenzwaai achteruit geworpen, terug in de tijd, alsof iemand aan een hendel trekt die nooit had mogen bestaan.

Na een lange vlucht land ik opnieuw, en wat ik zie is onthutsend: een gigantisch landschap strekt zich voor me uit. Het is mijn leven, mijn eigen leven, zoals ik het tot nu toe heb geleefd, uitgevouwen als een satellietfoto. Ik herken de bochten, de doodlopende wegen, de plekken waar ik had moeten afslaan maar rechtdoor ging, en de plekken waar ik juist afsloeg terwijl blijven beter was geweest. 

Zo moet het dus niet, weet ik onmiddellijk. Dit vergezicht moet ik vermijden. Dat is precies de onmogelijkheid van deze gedachte. Het leven kent geen vergezichten. Toen ik achttien was, kon ik dromen, ja, maar ik kon niet zien hoe het zou zijn om 78 te zijn, zittend op een winterdag in 2026, schrijvend over een leven dat ook anders had kunnen verlopen. Dat vergezicht bestond toen niet. En eigenlijk bestaat het nu nog steeds niet.

Maar stel dat het toch mogelijk was. Ik ben achttien en ik zie alles. Ik weet dat ik in Friesland zal belanden en dat ik daar nooit meer echt weg zal komen. Ik weet wat ik gedaan en nagelaten heb, ik ken de onbezonnenheden, de stommiteiten, de beslissingen waar ik spijt van heb en de dingen die ik liever niet had willen weten. Alles ligt open. Alles kan opnieuw. Helpers weg, tweede ronde. Rien ne va plus.

Zou ik het dan anders doen? Dat is de hamvraag. Ik zou opnieuw voor dezelfde keuzes komen te staan, maar nu belast met voorkennis. Telkens zou ik denken: zo moet ik het dus niet doen, want ik weet waar het toe leidt. Ik zou de gevangene worden van mijn eigen geleefde leven. Mijn nieuwe leven zou voortdurend haaks staan op het oude, als een loodlijn op een basis die al getrokken is. Wat een rijkdom aan mogelijkheden! Maar tegelijk zou ik het kostbaarste verliezen: mijn vrijheid. Vrijheid blijkt dan de mogelijkheid te zijn om verkeerd te kiezen, om te doen wat je later niet zou willen. Je moet vrijheid inleveren om een ander leven te verkrijgen. Is dat de prijs waard?

Tegenwoordig hoef ik deze gedachte niet eens meer zelf te denken. Er is een app voor. Je voert je geboortedatum in, uploadt een paar jeugdherinneringen, wat relationele schade, en het algoritme genereert een geoptimaliseerde levensloop. Inclusief waarschuwingen: hier beter geen filosofie, hier niet trouwen, hier vooral zwijgen. Het vergezicht is terug, maar nu in hoge resolutie, scrollbaar, vergelijkbaar. Het leven heeft ineens wél alternatieven gekregen, en die alternatieven lijken verdacht veel op productvarianten.

Vrijheid wordt ondertussen beheerd via voorwaarden en updates. Zelfs zwijgen is een keuze geworden, en dus meetbaar. De existentialisten hadden het niet zo bedoeld, maar zij leefden nog vóór de dashboards, vóór de voorspellingen, vóór dealgoritmen die ’s nachts al weten waar je morgen spijt van zult krijgen. Sartre had geen notificaties. Simone de Beauvoir kende geen datapunten.

Van de week begon ik opnieuw te lezen in een boek dat ik voor het eerst las toen ik achttien was: Niemand is onsterfelijk. Toen vond ik het een ondoordringbare pil, maar ik las het uit. Het verhaal van een man die niet kan sterven en door de eeuwen heen leeft, als ridder, als ketter, als revolutionair. Alles trekt aan hem voorbij en niets houdt op. Het is een ideeënroman, bedoeld om je aan het denken te zetten. Hoe zou het zijn als je niet dood kunt gaan? Het antwoord is eenvoudig: het werkt niet. Doodgaan is niet alleen eigen aan het leven, het is de voorwaarde ervoor. Zonder dood is er geen leven, alleen voortzetting.

In 2004 stond ik op het kerkhof van Montparnasse bij het graf van Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre. Ze lagen er samen, voor eeuwig verenigd. Ik moest denken aan dat boek en aan de vraag hoe het zou zijn om dood te zijn. Misschien is de dood wel een soort leven zonder dood, dacht ik toen. Misschien had ik het boek verkeerd begrepen. Het ging niet over het leven, maar over de dood als eindeloze zee van tijd. Ook de dood is een onmogelijkheid, want hij is onleefbaar.

En nu, jaren later, zie ik hoe onsterfelijkheid een technologisch project is geworden. Geen existentiële vraag meer, maar een businessmodel. Longevity, heet het nu. De dood als technisch mankement. Alsof het leven een slecht onderhouden systeem is dat met een update te verhelpen valt. Maar een leven zonder einde is geen leven, het is administratie. Eeuwige voortzetting in de cloud terwijl de aarde opwarmt en empathie afkoelt.

Is er een leven zonder schuld? Zonder zonde? Zonder erfzonde misschien? De existentialisten hoopten van wel. Vergeefs, vrees ik. Ieder mens is schuldig, op zijn manier, zoals ieder mens sterfelijk is. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje, tot de dood ons scheidt. En als je geliefde gestorven is, zou je hem of haar alleen nog kunnen ontmoeten door zelf te sterven. Wat is dat voor perspectief? Twee zandkorrels in een uitdijend heelal, voortgedreven door een tijd die nergens heen gaat.

Hoop doet leven, zegt men. Maar hoop op een leven na de dood vraagt om meer. Noem het genade. Noem het geloof. Noem het een illusie. Wat je wilt. Geen genade en geen geloof zijn tot daaraan toe. Maar geen liefde, dat is een ramp. Of zoals Camus zei: het is een ongelukkig toeval om niet bemind te worden, maar een ramp om niet te beminnen.

Om zo’n wijsheid te bedenken, heb je natuurlijk geen dik boek nodig, laat staan zo’n dikke pil van Simone de Beauvoir. Dood gaan we allemaal. Evengoed heb je geen nutteloze vragen nodig om te kunnen bedenken dat je de vrijheid moet inleveren, als je je leven nog eens over wilt doen. En toch worden die vragen altijd maar weer gesteld. Ook ik ben zo dom om ze af en toe aan mezelf te stellen. Vannacht nog zelfs. Stel, stel, stel……… Eén ding weet ik zeker. Als ik alles nog eens over mocht doen, dan zou ik het precies weer zo doen. Nee, ik heb nergens spijt van. En toch voel ik me wel eens schuldig, want er is heel wat misgegaan.